Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:5024

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-11-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
18/730163-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte terzake poging tot afpersing ontslagen van alle rechtsvervolging. Verdachte heeft geprobeerd om medewerkers van een tankstation onder bedreiging van een mes te bewegen geld aan hem af te geven. De rechtbank is van oordeel dat er bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een ernstige verstandelijke beperking en dat het feit niet aan verdachte kan worden toegerekend

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730163-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

6 november 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. de Haan, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lübbers.

Tevens zijn ter terechtzitting verschenen mevrouw A. Bleeker van de jeugdreclassering, alsmede de curator en de pleegouders van verdachte.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 juli 2018 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen geld, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1]/[benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2], te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, een (aardappelschil)mes(je), in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, vanaf korte afstand in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] heeft gehouden en daarbij/vervolgens heeft gezegd "dit is geen grap, ik wil je geld of je kassa",

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 12 juli 2018 te Drachten, (althans) in de gemeente Smallingerland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld

[slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1]/[benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, een (aardappelschil)mes(je), in elk geval een scherp en/of puntig voorwerp, vanaf korte afstand in de richting van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2]

heeft gehouden en daarbij/vervolgens heeft gezegd "dit is geen grap, ik wil je geld of je kassa", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het primair ten laste gelegde en veroordeling gevorderd voor het subsidiair ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven zich te kunnen vinden in het standpunt van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan poging tot diefstal met geweld.

Uit het dossier blijkt dat verdachte heeft geprobeerd om de medewerkers van het tankstation te bewegen geld aan hem af te geven. Nu verdachte geen wegnemingshandeling of poging daartoe heeft gedaan is de rechtbank, met de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna subsidiair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 november 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 juli 2018, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018179473 d.d. 14 juli 2018, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1];

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 12 juli 2918, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 12 juli 2018 te Drachten, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en

[slachtoffer 2] te dwingen tot de afgifte van geld, toebehorende aan [slachtoffer 1]/[benadeelde partij], een mesje, vanaf korte afstand in de richting van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2]

heeft gehouden en daarbij heeft gezegd "dit is geen grap, ik wil je geld of je kassa", terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair Poging tot afpersing.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte ten tijde van het feit volledig ontoerekeningsvatbaar was en dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de inhoud van de rapporten, het feit niet aan verdachte kan worden toegerekend en dat verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychologische onderzoeksrapportage d.d. 16 oktober 2018, opgemaakt door

mr. drs. R.A. Sterk, psycholoog. Hieruit komt naar voren dat bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de vorm van een ernstige verstandelijke beperking. Volgens de deskundige is er een volledig verband tussen de gediagnosticeerde psychische problematiek en het ten laste gelegde. Verdachte is als gevolg van zijn psychiatrische problematiek niet in staat om zijn wil overeenkomstig zijn inzicht in vrijheid te bepalen. Geadviseerd wordt daarom verdachte het ten laste gelegde, indien bewezen, niet toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met deze conclusie verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte niet kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte derhalve niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

De reclassering en de psycholoog hebben geadviseerd aan verdachte geen maatregel op te leggen. Verdachte is nauwelijks leerbaar. Hij is goed ingebed in het pleegouderlijk milieu en er wordt hem voldoende toezicht geboden. Een strafrechtelijke maatregel leidt tot forse ontregeling in het leven van verdachte en zal naar verwachting geen positief effect hebben op zijn gedrag en het recidivegevaar.

Met de deskundigen, de officier van justitie en de raadsman, is de rechtbank van oordeel dat, teneinde de kans op herhaling te minimaliseren, een behandeling niet zinvol is, omdat verdachte nauwelijks leerbaar is. Om de recidivekans te minimaliseren heeft verdachte intensief toezicht nodig. De rechtbank stelt vast dat verdachte voldoende intensief toezicht wordt geboden door zijn pleegouders. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank dan ook geen maatregel aan verdachte opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verdachte daarvoor niet strafbaar.

Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Bunk, voorzitter, mr. G.W.G. Wijnands en

mr. M. Brinksma, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 november 2018.

Mr. Wijnands is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.