Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4961

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-12-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
C/18/179551 / HA ZA 17-233
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Art. 4:89 BW. Inkorting op giften i.v.m. overname agrarisch bedrijf door onterfde broer. Deze broer heeft berust en afstand gedaan van zijn legitieme portie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/428
ERF-Updates.nl 2018-0237
RN 2019/68
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/179551 / HA ZA 17-233

Vonnis van 5 december 2018

in de zaak van

1 [eiser 1] [achternaam ] ,

wonende te Stadskanaal,

2. [eiser 2] [achternaam ],

wonende te Muntendam,

eisers in conventie, verweerders in reconventie,

advocaat mr. W.S. Santema, te Drachten,

tegen

[gedaagde] [tweede naam gedaagde] [achternaam ],

wonende te Veendam,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

advocaat mr. M.P. Geerdink, te Assen.

Partijen zullen hierna [eiser 1] en [eiser 2] (gezamenlijk [eisers] ) en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 september 2017;

  • -

    de conclusie van antwoord, tevens eis in reconventie van 6 december 2017;

  • -

    de conclusie van repliek in conventie, tevens antwoord in reconventie van 31 januari 2018;

  • -

    de conclusie van dupliek in conventie, tevens repliek in reconventie van 14 maart 2018;

  • -

    de conclusie van dupliek in reconventie van 25 april 2018;

  • -

    de overgelegde producties zijdens [eisers] van 15 oktober 2018;

  • -

    de pleitnota van [gedaagde] van 18 oktober 2018;

  • -

    de pleitnota van [eisers] van 18 oktober 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank zal bij de beoordeling van het geschil uitgaan van de volgende feiten die tussen partijen niet in geschil zijn.

2.2.

[eiser 1] , [eiser 2] en [gedaagde] zijn de kinderen van [naam vader] [achternaam ] senior (hierna: vader) en [moeder] (hierna: moeder). Vader en moeder waren in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.3.

Moeder is op [sterfdatum moeder] overleden. Moeder heeft bij testament van
[datum] onder meer als volgt over haar nalatenschap beschikt:

A. HERROEPING

Ik herroep alle vroeger door mij gemaakte uiterste wilsbeschikkingen (…)

(…)

1. ONTERVING

Ik sluit mijn zoon [gedaagde] [tweede naam gedaagde] [achternaam ] (…), alsmede zijn afstammelingen uit van
erfopvolging.

2. ERFSTELLING I

Ik benoem tot mijn erfgenamen, gezamenlijk en voor gelijke delen, mijn genoemde echtgenoot en mijn twee kinderen [eiser 1] [achternaam ] (…) en [eiser 2] [achternaam ] (…).

3. WETTELIJKE VERDELING

a. Op mijn nalatenschap is van toepassing de afdeling 4.3.1 Burgerlijk Wetboek (wettelijke
verdeling), zodat mijn echtgenoot alle goederen van de nalatenschap verkrijgt en de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor zijn rekening komt. Ieder van mijn overige erfgenamen verkrijgt een geldvordering ten laste van mijn echtgenoot, overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel. (…)

2.4.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben vóór het overlijden van moeder ieder € 7.000,00 als gift ontvangen.

2.5.

Vader is op [sterfdatum vader] overleden. Vader heeft bij testament van [datum] onder meer als volgt over zijn nalatenschap beschikt:

A. HERROEPING

Ik herroep alle vroeger door mij gemaakte uiterste wilsbeschikkingen (…)

(…)

1. ONTERVING

Ik sluit mijn zoon [gedaagde] [tweede naam gedaagde] [achternaam ] (…), alsmede zijn afstammelingen uit van
erfopvolging.

2. ERFSTELLING I

Ik benoem tot mijn erfgenamen, gezamenlijk en voor gelijke delen, mijn genoemde echtgenote en mijn twee kinderen [eiser 1] [achternaam ] (…) en [eiser 2] [achternaam ] (…).

3. WETTELIJKE VERDELING

a. Op mijn nalatenschap is van toepassing de afdeling 4.3.1 Burgerlijk Wetboek (wettelijke
verdeling), zodat mijn echtgenote alle goederen van de nalatenschap verkrijgt en de voldoening van de schulden van de nalatenschap voor zijn rekening komt. Ieder van mijn overige erfgenamen verkrijgt een geldvordering ten laste van mijn echtgenote, overeenkomend met de waarde van zijn erfdeel. (…)

2.6.

[gedaagde] en vader hebben vanaf [datum] een akkerbouwbedrijf in maatschapsverband uitgeoefend. In de maatschapsovereenkomst (van [datum] ) zijn de bepalingen waaronder deze maatschap is aangegaan, vastgelegd. In deze maatschapsovereenkomst is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

Artikel 3

In de maatschap wordt per 1 mei ingebracht door de maat sub 1 [toevoeging rechtbank: vader], het door hem uitgeoefende akkerbouwbedrijf, (…)

1. het gebruik en genot van het onroerend goed;

(…)

3. het gebruik en genot van pachtrechten;

(…)

Artikel 15

a. (…) Indien de maatschap eindigt door overlijden van een van de maten, (…) De andere maat heeft tevens recht op pacht of overname van de onroerende goederen waarvan door de andere maat het gebruik en genot in de maatschap waren ingebracht. (…)

Artikel 16

Indien de maat sub 1 [toevoeging rechtbank: vader] zijn bedrijfsexploitatie wenst te
beëindigen en daarom de maatschap opzegt, heeft de andere maat het recht om het aandeel in de onroerende goederen, of de onroerende goederen in zijn geheel, voorzover eigendom van de opzeggende maat, te pachten, zodanig dat het pachtcontract goedgekeurd kan worden door de Grondkamer, dan wel te kopen tegen nader te stellen waarden. (…)

Onder de hier bedoelde onroerende goederen worden tevens de daarmee verbonden rechten en vergunningen begrepen.

2.7.

In november 1998 hebben [gedaagde] en vader middels een addendum een wijziging in de maatschapsovereenkomst van 1991 aangebracht. In het addendum maatschapsovereenkomst 1998 staat, voor zover hier van belang:

bevestigen te zijn overeengekomen als volgt:

Vanaf [datum] is de inbreng in gebruik en genot door de maat sub 1 [toevoeging rechtbank: vader] van de bedrijfsgebouwen en landerijen vervangen door verpachting van genoemde zaken door de maat aan de maatschap middels een pachtkontrakt voor de duur van 12 jaren.

2.8.

In december 2004 hebben [gedaagde] en vader een nieuwe maatschapsovereenkomst en een pachtovereenkomst gesloten. In de pachtovereenkomst van december 2004 is, voor zover hier van belang, als volgt bepaald:

Considerans

Onderhavige overeenkomst is grotendeels een voortzetting van de door partijen opgemaakte en ondertekende pachtovereenkomst van april 1999. (…)

Deze overeenkomst is aangegaan:

a. voor een periode van 12 jaar ingaande per [datum] en eindigende op 30 april 2016

b. voor een pachtprijs van in totaal € 23.500,- per jaar (…)

2.9.

In de maatschapsovereenkomst van december 2004 is, voor zover hier van belang, als volgt bepaald:

Artikel 3 Inbreng

In de maatschap wordt ingebracht door maat sub 1 [toevoeging rechtbank: vader]

(…)

b. De vruchten en inkomsten van het recht van pacht van een aantal hectaren land, aan de maten zonder nadere omschrijving voldoende bekend.

(…)

Artikel 14 Winstberekening

(…)

3. Van (eventueel) in gebruik en genot ingebrachte goederen komen niet ten laste van de maatschap maar komen voor rekening van de inbrenger:

- de afschrijvingen;

- het groot onderhoud;

- de kosten van financiering.

(…)

Artikel 21 Voortzettingsbeding

1. Bij beëindiging van de maatschap heeft de maat aan wie het eindigen van de maatschap niet kan worden toegerekend, behoudens hetgeen is vermeld in het volgende lid, het recht de onderneming van de maatschap alleen of met anderen voort te zetten.

(…)

Artikel 22 Toescheidings- & overnamebeding

1. Als een maat gebruik maakt van zijn recht op voortzetting, dan zijn daarbij de bepalingen in de volgende leden van dit artikel van toepassing.

2. De voortzettende maat heeft recht op overname c.q. toescheiding van:

- de tot de maatschap behorende gemeenschappelijke goederen, inclusief de tot de maatschap behorende rechten en aanspraken.

- De goederen die door de uittredende maat aan de vennootschap zijn verpacht of
verhuurd, dan wel op andere wijze aan de maatschap ter beschikking zijn gesteld,
indien en voor zover deze door de onderneming worden gebruikt.

- De pacht- of huurrechten van de uittredende maat (…)

Artikel 24 Waardebepaling

1. (…)

2. De over te nemen, toe te scheiden of de te verblijven goederen zullen bij beëindiging van de maatschap in overige situaties worden gesteld op de waarde in het economische verkeer bij voortgezette bedrijfsuitoefening, naar hun feitelijke toestand en op het tijdstip van het einde van de maatschap.

2.10.

De maatschap is met ingang van mei 2010 ontbonden. Bij die gelegenheid heeft [gedaagde] van het in de maatschapsovereenkomst opgenomen recht om het bedrijf (zelfstandig) voort te zetten, gebruik gemaakt. Bij notariële akte "levering bedrijfsregistergoederen" van [datum] (hierna: de notariële akte) heeft vader zijn aandeel in het maatschapsvermogen, waaronder 45 aandelen in de coöperatie Coöperatieve Avebe U.A., 'het bietenquotum' (hierna: aandelen AVEBE) en toeslagrechten, alle daartoe behorende passiva en zijn persoonlijke activa, waaronder registergoederen, aan [gedaagde] overgedragen. Met betrekking tot de kooprijs/overnamesom is in de notariële akte, voor zover hier van belang, het navolgende bepaald:

1. De overnamesom

(…) is conform het bepaalde in de maatschapsovereenkomst, door partijen de overname som vastgesteld (…)

De door comparant 2 [toevoeging rechtbank: [gedaagde] ] aan comparant 1 [toevoeging rechtbank: vader] verschuldigde overnamesom bedraagt (…) € 1.490.387,00, zoals berekend en vastgesteld op de aan deze akte als bijlage 1 gehechte en door partijen ondertekende "Samenstelling van de overnameprijs (overnamebalans)".

Blijkens koopovereenkomst 2 bedraagt de koopprijs van de woning aan de [adres] te Veendam (…) € 215.000,00. Inclusief de koopprijs van de woning [adres] te Veendam bedraagt de totale overnamesom derhalve (…) € 1.705.387,00.

2. Omzetting in geldlening/Schenkingen

De koper heeft de overnamesom als volgt voldaan:

I. voorzover deze betrekking heeft op de daarvan onderdeel uitmakende koopprijs voor de woning [adres] te Veendam, bedragen (…) € 215.000,00

a. voor een bedrag (…) € 115.000,00 doordat verkoper verklaarde bij deze afstand te doen om baat van zijn vorderingsrecht tot betaling van dit gedeelte van de overnamesom groot (…) € 115.000,00, onder de voorwaarde dat de koper een bedrag groot (…) € 115.000,00 ten titel van geldlening aan de verkoper schuldig erkent (…)

b. voor het resterende bedrag groot (…) € 100.000,00 verklaarde verkoper bij deze afstand om niet te doen van zijn recht gemeld resterende gedeelte van de kooprijs voor genoemde woning van koper te ontvangen, welke afstanddoening om niet (schenking) ten bedrage van (…) € 100.000,00 verkoper verklaarde te aanvaarden;

II. het resterende gedeelte van de overnamesom, ten belope van (…) € 1.490.387,00, is door koper voldaan doordat verkoper bij deze verklaarde afstand te doen om niet te doen van zijn recht om dit resterende gedeelte van de overnamesom van de koper te ontvangen, welke afstanddoening om niet (schenking) ten bedrage van (…) € 1.490.387,00, koper verklaarde te aanvaarden.

(…)

2.11.

Met betrekking tot de aandelen AVEBE is in de notariële akte, voor zover hier van belang, het navolgende bepaald:

Terzake van de overname van voormelde aandelen AVEBE wordt tussen partijen het
volgende overeengekomen casu quo bepaald:

a. Alle rechten en verplichtingen verbonden aan het bezit van voormelde aandelen
gaan vanaf een mei tweeduizend tien op de koper over, met dien verstande, dat alle uitkeringen door- en alle betalingen aan "AVEBE" te doen terzake van de door verkoper tot en met het oogstjaar twee duizend negen (2009) gedane leveranties, ten voordele casu quo ten laste van verkoper blijven.

(…)

2.12.

Uit de notariële akte en het daarbij behorende taxatierapport blijkt dat de aan vader in eigendom toebehorende aan de maatschap verpachte landerijen, aan [gedaagde] zijn overgedragen in verpachte staat tegen een waarde van € 1.160.803,00. Uit het bij de notariële akte behorende taxatierapport blijkt dat de vrije waarde van de verpachte landerijen € 2.321.603,00 bedroeg.

2.13.

In de notariële akte is een meerwaardeclausule opgenomen op grond waarvan [gedaagde] in geval van vervreemding, onteigening of terbeschikkingstelling van (een deel van) het bedrijf binnen tien jaar na verkrijging daarvan verplicht is het verschil tussen de opbrengst bij vervreemding en de verkrijgingsprijs in zijn geheel te vergoeden aan vader, dan wel diens rechtverkrijgenden.

2.14.

[gedaagde] en vader hebben zich met betrekking tot de bedrijfsovername door [gedaagde] laten adviseren door Accon Accountants en Trippel AAA Adviseurs (hierna: Trippel AAA). In een op [datum] door Trippel AAA opgestelde memo staat, voor zover hier van belang:

(…) Per saldo resteert dan € 1.018.065 (de voortzettingswaarde) - ( € 32.267 + € 56.646) = € 929.152. Vervolgens dient op het betreffende belang in mindering te worden gebracht de schulden die door zoon zijn overgenomen van vader. Deze schulden stonden vermeld op de persoonlijke ondernemingsbalans van vader. Volgens de eindbalans van vader per
30 april 2010 bedroegen de langlopende schulden € 617.680. Hiervan uitgaande bedraagt de "verkrijging bij bedrijfsoverdracht" dan: € 929.152 - € 617.680 = € 311.972. (…)

2.15.

Het in de notariële akte opgenomen in leen aan [gedaagde] verstrekte bedrag van
€ 115.000,00 is op [datum] aan [gedaagde] kwijtgescholden. De daartoe bestemde schenkingsverklaring bepaalt als volgt:

4.1

De schenking is als volgt gedaan:

door volledige kwijtschelding van de schuld welke begiftigde had aan schenkers wegens de overdracht van de woning staande en gelegen aan de [adres] te (…) Veendam zoals vastgelegd in de akte van levering d.d. [datum] (…).

4.2

De totale waarde van de schenking op schenkingsdatum bedroeg:
Euro 115.000.

2.16.

Na het overlijden van vader hebben [eiser 1] en [eiser 2] de nalatenschap afgewikkeld. In de aangifte erfbelasting is de nalatenschap van vader op een saldo van
€ 99.207,00 gesteld. [eiser 1] en [eiser 2] hebben ieder de helft van voornoemd bedrag ontvangen uit de nalatenschap van vader.

2.17.

[gedaagde] heeft afstand gedaan van zijn aanspraak op zijn legitieme portie inzake de nalatenschap van zijn ouders.

2.18.

[gedaagde] heeft vanaf [datum] tot [datum] met zijn gezin in de woning aan de [adres] te Veendam gewoond, zonder daarvoor een vergoeding te hebben betaald. De betreffende woning werd van 1986 tot 1993 verhuurd aan derden.

2.19.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben op [datum] beslag doen leggen op onroerende zaken van [gedaagde] .

3 Het geschil

in conventie

3.1.

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen in conventie, verkort weergegeven, veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 478.075,40 aan hen ieder, vermeerderd met rente en kosten. Daartoe stellen [eiser 1] en [eiser 2] , samengevat weergegeven, dat zij zijn aangetast in hun legitieme rechten vanwege diverse door hun vader aan [gedaagde] gedane giften.

3.2.

[gedaagde] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.4.

[gedaagde] vordert in (voorwaardelijke) reconventie, verkort weergegeven, een met dwangsommen verzwaarde veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] tot afgifte van de bedrijfsadministratie van de maatschap tot [datum] , alsmede een veroordeling betaling van [eiser 1] en [eiser 2] van € 217.240,00 aan bouw- en zorgkosten, € 31.000,00 aan zijn legitiem aandeel in de nalatenschappen van zijn ouders, een verklaring voor recht dat [eisers] onrechtmatig jegens [gedaagde] hebben gehandeld door conservatoir beslag te laten leggen en een veroordeling tot onmiddellijke opheffing van dat beslag op straffe van een dwangsom voor iedere dag dat die opheffing uitblijft.

3.5.

[eiser 1] en [eiser 2] voeren verweer.

3.6.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun vorderingen in conventie ten grondslag dat zij in hun legitieme rechten zijn aangetast vanwege diverse door vader aan [gedaagde] gedane giften. Die giften vallen volgens [eiser 1] en [eiser 2] uiteen in:

- Gift in de vorm van het kwijtschelden van de overnamesom voor het bedrijf;

- Gift in de vorm van het kwijtschelden van de koopsom van de woning aan de
[adres] te Veendam;

- Gift in de vorm van verpachting zonder wederprestatie van agrarische percelen;

- Gift in de vorm van een gratis woonrecht;

- Gift in de vorm van AOW-uitkeringen;

- Gift middels overdracht van toeslagrechten;

- Gift middels ontvangsten van AVEBE.

4.2.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat alle giften volledig dienen te worden toegerekend aan vader en daarom voor het geheel op de nalatenschap van vader ter inkorting komen. [gedaagde] heeft dit niet weersproken. De rechtbank zal daarom, voor zover zij van oordeel is dat er sprake is van giften deze volledig toerekenen aan vader. De rechtbank zal de hiervoor genoemde posten afzonderlijk behandelen.

Gift in de vorm van het kwijtschelden van de overnamesom voor het bedrijf

4.3.

Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is er sprake van een gift ter hoogte van
€ 1.490.387,00 omdat de in de notariële akte opgenomen overnamesom voor
(kort samengevat) 'het bedrijf' door vader aan [gedaagde] is kwijtgescholden. Dat vader daarvoor heeft gekozen maakt volgens [eiser 1] en [eiser 2] dat er sprake is van een bewuste bevoordeling van [gedaagde] waar de door [eiser 1] en [eiser 2] ingeroepen gevolgen aan moeten worden verbonden. [eiser 1] en [gedaagde] verwijzen in dit kader naar de notariële akte met daarin de betreffende overnamesom en de als productie 9 bij dagvaarding overgelegde overnamebalans (opgesteld door Trippel AAA) waarin (na aftrek van schulden) (ook) wordt gesproken over een overnamesom ter hoogte van € 1.490.387,00.

4.4.

[gedaagde] betwist dat er sprake is van een gift. [gedaagde] voert daartoe aan, samengevat weergegeven, dat de bedrijfsoverdracht op basis van voortzettingswaarde tot stand is gekomen, zonder bevoordelingsbedoeling, waarbij hij het bedrijf nog juist lonend zou kunnen voortzetten. [gedaagde] verwijst daarvoor naar de als productie 24 bij conclusie van antwoord in het geding gebrachte memo van Trippel AAA. Hij verwijst voorts naar het arrest van de Hoge Raad van 13 februari 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AN8172, NJ 2004/653). Er waren volgens [gedaagde] geen mogelijkheden om zijn vader uit te kopen of de in de notariële akte genoemde overnamesom te financieren bij de bank.

4.5.

Op grond van artikel 4:67 aanhef en onder e van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) worden bij de berekening van de legitieme portie door erflater gedane giften in aanmerking genomen, voor zover de prestatie binnen vijf jaren voor zijn overlijden is geschied. Ter beoordeling staat dus of het kwijtschelden van de overnamesom - wat binnen de hiervoor bedoelde vijfjaarsperiode is geschied - is aan te merken als en gift in de zin van de wet (artikel 7:186 lid 2 BW). Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval.

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat het een algemeen bekend gegeven is dat ingeval een bedrijfsovernemer de vrije verkeerswaarde voor een akkerbouwbedrijf moet betalen en grotendeels dient te financieren, een bedrijfsoverdracht in veel gevallen niet tot de mogelijkheden behoort. Een bedrijfsoverdracht in de agrarische sector van ouder op kind wordt dan ook vaak geregeld door middel van het sluiten van een overeenkomst van personenvennootschap, waarin een bepaling is opgenomen dat de bedrijfsovernemer het aandeel van degene die de onderneming staakt, kan overnemen tegen een waarde die lager is gelegen dan de waarde in het vrije economische verkeer.

4.7.

In de onderhavige zaak is de overdracht van het bedrijf op [gedaagde] voorafgegaan door het sluiten van een maatschap. Het ging om een (langdurige) samenwerking in het kader van een in familieverband uitgeoefend akkerbouwbedrijf waarin eerst [gedaagde] en vader en ten slotte alleen [gedaagde] activiteiten hebben ontplooid. Daarbij is in artikel 24 van de maatschapsovereenkomst (van 2004) een waarderingsmaatstaf voor alle goederen vastgesteld voor het geval de maatschap eindigt en het bedrijf door één van de maten wordt voortgezet. Daarbij is specifiek opgenomen dat de waarde van de goederen wordt gesteld op 'de waarde in het economisch verkeer bij voortgezette bedrijfsuitoefening'. Door [gedaagde] is onder punt 118 van zijn pleitnota aangevoerd dat dit artikel kan worden uitgelegd als waardering naar 'agrarische waarde'. De rechtbank gaat er gelet op de stellingen van [gedaagde] vanuit dat hij voor wat betreft het begrip 'agrarische waarde' bedoelt de waarde waarbij een nog juist lonende exploitatie van het bedrijf mogelijk zou zijn.

4.8.

[gedaagde] heeft bij zijn conclusie van antwoord onweersproken aangevoerd het altijd de intentie van vader is geweest om het bedrijf over te laten nemen door [gedaagde] . Voor vader (geboren in 1933) speelde daarbij een rol dat hij op een gegeven moment een leeftijd zou bereiken dat van hem niet meer een actieve rol in de bedrijfsvoering verwacht kon worden en [eiser 1] en [eiser 2] geen interesse hadden om in het bedrijf (mee) te werken of het bedrijf over te nemen. [gedaagde] betwist dat er bij het kwijtschelden van de overnamesom door vader een bevoordelingsbedoeling is geweest. Dit omdat vader en [gedaagde] in de maatschapsovereenkomst van 2004 onder andere een meerwaardeclausule hebben afgesproken.

4.9.

Bij de vaststelling van de overnamesom zijn vader en [gedaagde] niet over één nacht ijs gegaan. [gedaagde] heeft immers ter gelegenheid van het pleidooi verklaard, en dit is niet weersproken, dat er ten aanzien van de bedrijfsoverdracht sprake is geweest van een grondige voorbereiding en een gedegen financiële en fiscale begeleiding. Zo heeft [gedaagde] aangevoerd dat de fiscale en administratieve voorbereiding van de bedrijfsoverdracht in de periode voor 2010 vorm is gegeven door Accon Accountants. Ook heeft [gedaagde] aangevoerd dat de waardering van de maatschap door middel van taxatie al ruim een jaar voordien heeft plaatsgevonden. Tot slot heeft [gedaagde] aangevoerd dat vader en hij zich ter zake de bedrijfsoverdracht (ook) lieten adviseren en begeleiden door Trippel AAA. In een door Trippel AAA opgestelde overnamebalans valt (na aftrek van schulden) een overnamesom van € 1.490.387,00 te lezen.

4.10.

Onder voornoemde begeleiding is, op grond van de maatschapsovereenkomst de overnameprijs van € 1.490.387,00 tot stand gekomen en opgenomen in de notariële akte van 2010. De notariële akte spreekt immers over: "is conform het bepaalde in de maatschapsovereenkomst, door partijen de overname som vastgesteld". De notariële akte levert op grond van artikel 157 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) dwingend bewijs op van de overnamesom die vader en [gedaagde] voor ogen hadden bij de bedrijfsoverdracht. Dit ongeacht de vraag of deze overnamesom de economische of de agrarische waarde van het bedrijf betreft. Vast staat dat vader [gedaagde] de overnamesom heeft kwijtgescholden. Dat betekent dat [gedaagde] het bedrijf heeft gekregen zonder daarvoor iets te betalen. Dat kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank als een gift. [gedaagde] is daardoor immers, conform artikel 7:186 lid 2 BW, ten koste van het vermogen van vader verrijkt. Dat vader en [gedaagde] in de maatschapsovereenkomst van 2004 een meerwaardeclausule hebben opgenomen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarvoor is redengevend dat de meerwaardeclausule beperkt van duur is. Daarnaast treedt de meerwaardeclausule slechts in werking in het geval van vervreemding, onteigening en het ter beschikking stellen van goederen van het bedrijf. [gedaagde] kan, behoudens de in de meerwaardeclausule opgenomen handelingen al volledig van de vruchten van het bedrijf genieten.

4.11.

[gedaagde] voert echter, onder verwijzing naar de uitspraken van de Hoge Raad van
13 februari 2004 en van de rechtbank Noord-Nederland van 22 oktober 2014 aan, dat er, in weerwil van de notariële akte, een (veel lagere) overnamesom tussen zijn vader en hem is overeengekomen die in overeenstemming was met de daadwerkelijke agrarische waarde van het bedrijf zodat er geen sprake is van een gift.

4.12.

Dit verweer slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. Blijkens de uitspraken waar [gedaagde] naar verwijst, geldt in een geval van agrarische bedrijfsopvolging dat, als het uitdrukkelijk de bedoeling van de vennoten is geweest om het bedrijf te laten voortzetten tegen uitbetaling van een zodanig bedrag, dat die voortgezette exploitatie nog juist lonend is, de waardering van de van het bedrijf deel uitmakende zaken niet zo mag zijn, dat die voortzetting van een nog juist lonend bedrijf onmogelijk wordt gemaakt. Die situatie doet zich in deze zaak echter niet voor. Immers, uit de notariële akte volgt dwingend de bedoeling van vader en [gedaagde] , namelijk dat [gedaagde] het bedrijf over zou nemen voor de som van € 1.490.387,00. Vader en [gedaagde] hebben (onder professionele begeleiding) het bedrijf op dit bedrag gewaardeerd.

4.13.

Gelet op het daarop gerichte verweer van [gedaagde] lag het op zijn weg om tegenbewijs te leveren. Naar het oordeel van de rechtbank is hij (alle door partijen aangedragen bewijsmiddelen bijeen genomen) daarin niet geslaagd omdat niet vast is komen te staan dat de in de notariële akte opgenomen overnamesom niet strookt met de werkelijke bedoeling van partijen. Daarbij acht de rechtbank het navolgende van belang.

4.14.

Trippel AAA heeft in een memo van [datum] (productie 24 bij conclusie van antwoord) verklaard: "Zoals hiervoor vermeld is het de bedoeling van ouders geweest om de onderneming aan zoon over te dragen voor een dusdanige waarde dat een lonende exploitatie nog mogelijk is.(…) Hiervan uitgaande bedraagt de "verkrijging bij bedrijfsoverdracht" dan: € 929.152 -
€ 617.680 = € 311.972. (…)". Waaruit die bedoeling van de ouders kan worden afgeleid blijkt niet uit de memo. In de memo gaat Trippel AAA klaarblijkelijk uit van een bedoelde overnamesom ten bedrage van € 311.972,00. Dit bedrag wijkt af van de in 2010 door Trippel AAA opgestelde overnamebalans (productie 9 bij dagvaarding). Gelet op die afwijking, legt de memo onvoldoende gewicht in de schaal om als tegenbewijs te kunnen dienen. Daarnaast merkt de rechtbank op dat er een discrepantie bestaat tussen de volgens de memo daadwerkelijk bedoelde overnamesom van € 311.972,00 en het feit dat [gedaagde] vanwege de kwijtschelding van de overnamesom door vader, niets heeft betaald voor de overname van het bedrijf. Zonder nadere toelichting, welke niet is gegeven, doet deze discrepantie afbreuk aan de geloofwaardigheid van productie 24, zodat daaraan geen betekenis wordt toegekend.

4.15.

Ook heeft [gedaagde] geen stukken overgelegd waaruit blijkt hoe de overdrachtsprijs destijds is bepaald (bijvoorbeeld door overlegging van een ondernemingsplan of een bedrijfseconomische analyse) en die aantonen wat een redelijke overdrachtsprijs was. De stelling dat de (op basis van de geldende waarderingsgrondslag berekende) overnamesom voor [gedaagde] niet financierbaar zou zijn (wat op basis van de voorliggende gegevens overigens nog niet zeker is), is in dit licht niet voldoende om tegenbewijs aan te nemen. De enkele omstandigheid dat de bedrijfsoverdracht aan [gedaagde] met gebruikmaking van de fiscale doorschuivingsregeling heeft plaatsgevonden leidt evenmin tot een ander oordeel.

4.16.

Het voorgaande brengt met zich dat er sprake is geweest van een gift aan [gedaagde] voor een bedrag van € 1.490.387,00. Dit bedrag moet als gift in aanmerking worden genomen bij de (her)berekening van de legitieme porties van [eiser 1] en [eiser 2] .

Gift in de vorm van het kwijtschelden van de koopsom van de woning aan de

[adres] te Veendam

4.17.

Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is er sprake van een gift ter hoogte van
€ 215.000,00 omdat de koopprijs voor de woning aan de [adres] te Veendam tussen [gedaagde] en vader op dit bedrag is bepaald, maar deze koopprijs door vader (in gedeelten) aan [gedaagde] is kwijtgescholden. Dat vader daarvoor heeft gekozen maakt volgens [eiser 1] en [eiser 2] dat er sprake is van een bewuste bevoordeling van
[gedaagde] waar de door [eiser 1] en [eiser 2] ingeroepen gevolgen aan moeten worden verbonden. [eiser 1] en [gedaagde] verwijzen in dit kader naar de notariële akte en de schenkingsverklaring.

4.18.

[gedaagde] betwist dat er sprake is geweest van een gift. [gedaagde] voert daartoe aan, samengevat weergegeven, dat de woning de bedrijfswoning betreft, die onderdeel uitmaakte van de totale bedrijfsoverdracht. De bedrijfsoverdracht kan volgens [gedaagde] niet als schenking worden gezien en hij verwijst daarvoor naar dat wat hij ten aanzien van de vorige post heeft aangevoerd.

4.19.

De rechtbank overweegt als volgt. Ook deze gestelde gift is geschied binnen de vijfjaarsperiode als bedoeld in artikel 4:67 aanhef en onder e BW. Het kwijtschelden van de koopsom van de woning aan de [adres] te Veendam voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan voornoemd artikel. Er is sprake van een gift in de zin van artikel 7:186 lid 2 BW omdat [gedaagde] is verrijkt ten koste van het vermogen van vader. De rechtbank verwijst daartoe naar dat wat zij in het voorgaande heeft overwogen. De enkele omstandigheid dat de woning onderdeel uit zou maken van de totale bedrijfsoverdracht doet hier niets aan af. De rechtbank is immers van oordeel dat de overnamesom voor de bedrijfsoverdracht als gift in aanmerking moet worden genomen bij de (her)berekening van de legitieme porties van [eiser 1] en [eiser 2] . [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.20.

Het voorgaande brengt met zich dat er sprake is geweest van een gift aan [gedaagde] voor een bedrag van € 215.000,00. Dit bedrag moet als gift in aanmerking worden genomen bij de (her)berekening van de legitieme porties van [eiser 1] en [eiser 2] .

Gift in de vorm van verpachting zonder wederprestatie van agrarische percelen

4.21.

Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is er sprake van een gift ter hoogte van
€ 1.160.803,00 omdat [gedaagde] bij de bedrijfsoverdracht de agrarische percelen van vader overgedragen heeft gekregen tegen de waarde in verpachte staat in plaats van tegen de vrije waarde. Ter onderbouwing daartoe stellen [eiser 1] en [eiser 2] , samengevat weergegeven, dat vader, zonder daartoe gehouden te zijn, zich verplicht heeft zijn agrarische percelen aan de maatschap te verpachten en door middel van artikel 22 lid 2 van de maatschapsovereenkomst (van 2004) [gedaagde] onverplicht het recht heeft verschaft op overname c.q. toescheiding van de agrarische percelen die door vader op dat moment van uittreding aan de vennootschap werden verpacht. Zonder deze verplichtingen hadden de agrarische percelen voor de vrije verkoopwaarde verkocht kunnen worden, aldus [eiser 1] en [eiser 2] . Voorgaande handelingen van vader vormen samen volgens [eiser 1] en [eiser 2] , zo begrijpt de rechtbank, een gift die is gedaan en aanvaard met het vooruitzicht dat zij als legitimarissen daardoor zouden worden benadeeld. Daarnaast stellen [eiser 1] en [eiser 2] dat de artikelen 3 en 14 van de maatschapsovereenkomst van 2004 erop neerkomen dat de aan vader toekomende pachtinkomsten in de maatschap vielen terwijl vader ook alle kosten van de door hem aan de maatschap verpachte percelen moest voldoen. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] heeft vader geen enkele financiële baat bij de verpachting gehad en was er enkel sprake van een constructie om [gedaagde] zoveel mogelijk te bevoordelen.

4.22.

[gedaagde] betwist dat er sprake is geweest van een gift. [gedaagde] voert daartoe aan, samengevat weergegeven, dat de agrarische percelen al jaren door vader aan de maatschap werden verpacht en dat er daarbij geen sprake is geweest van doelbewuste benadeling. [gedaagde] voert verder aan dat vader de maatschap niet heeft bevoordeeld, maar een redelijke pachtprijs voor de gronden hanteerde. Dat voordeel is volgens [gedaagde] in de maatschap ontvangen zodat ook vader daar voordeel van heeft genoten. Tot slot voert [gedaagde] onder verwijzing naar een arrest van het gerechtshof Den Bosch van 13 augustus 2013 (ECLI:GHSHE:2013:3755) aan dat de overdracht van agrarische percelen tegen waardering in verpachte staat nog geen gift impliceert.

4.23.

Op grond van artikel 4:67 aanhef en onder a van het Burgerlijk Wetboek
(hierna: BW) worden bij de berekening van de legitieme portie door erflater gedane giften in aanmerking genomen die kennelijk gedaan en aanvaard zijn met het vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld. Er dient in de eerste plaats sprake te zijn van een gift in de zin van de wet (artikel 7:186 lid 2 BW). In de tweede plaats dient er sprake te zijn van 'vooruitzicht van benadeling'. Uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 4:67 BW volgt dat het moet gaan om zodanig exorbitante giften dat het partijen wel duidelijk moet zijn geweest dat de schenker als gevolg daarvan zijn legitimarissen weinig of niets zou nalaten (MvA II, Parl. Gesch. Boek 4, p. 411). Aangetoond moet worden dat ten tijde van de gift bij zowel de gever als bij de begiftigde het ‘vooruitzicht dat daardoor legitimarissen worden benadeeld’ bestond. Daarbij is niet van belang of partijen zich van de begiftiging en de daarmee samenhangende benadeling bewust waren, maar of zij zich ervan bewust behoorden te zijn. Ter beoordeling staat dus of de 'verpachting zonder wederprestatie' is aan te merken als (i) een gift die (ii) is gedaan met het vooruitzicht van benadeling. Die vraag dient te worden beantwoord aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval.

4.24.

De rechtbank overweegt in het licht van het arrest gerechtshof Den Bosch van
13 augustus 2013 zoals door [eiser 1] is aangehaald, dat de enkele omstandigheid dat vader en [gedaagde] een maatschapsovereenkomst hebben gesloten waarin een voortzettings- en overnemingsbeding is opgenomen waarbij inbreng van grond tegen de waarde in verpachte staat heeft plaatsgevonden, niet de conclusie rechtvaardigt dat sprake is geweest van een gift in de zin van artikel 7:186 lid 2 BW. De rechtbank overweegt verder dat [eiser 1] en [eiser 2] onvoldoende hebben gesteld om aan te kunnen nemen dat er ten tijde van die gift bij
[gedaagde] en vader sprake is of moet zijn geweest van het vooruitzicht van benadeling van [eiser 1] en [eiser 2] als legitimarissen als bedoeld in artikel 4:67 aanhef en onder a BW.

4.25.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben ter gelegenheid van het pleidooi, kort gezegd, gesteld dat het vooruitzicht van benadeling eenvoudigweg volgt uit de handelingen van vader. Dat kan, in de woorden van [eiser 1] en [eiser 2] , niet anders. Die stelling is naar het oordeel van de rechtbank slechts speculatief. Ter beoordeling staat immers of de begiftiging van dien aard is dat het vader en [gedaagde] wel duidelijk moet zijn geweest dat vader als erflater als gevolg daarvan zijn legitimarissen weinig of niets zou nalaten.

4.26.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben de rechtbank geen concrete aanknopingspunten aangereikt op basis waarvan het vooruitzicht van benadeling bij deze handelingen kan worden vastgesteld. Vader heeft zich in 1998 weliswaar verplicht tot het verpachten van zijn agrarische percelen aan de maatschap en [gedaagde] in 2004 een overname/toescheidingsrecht daarvan verschaft, maar daaruit volgt niet dat vader [eiser 1] en [eiser 2] als gevolg daarvan weinig tot niets zou nalaten. In de maatschapsovereenkomst van 2004 is immers ook bepaald dat de over te nemen c.q. toe te scheiden goederen dienen te worden gewaardeerd. Dat is in 2010, waarbij de maatschap door opzegging en uittreding van vader is ontbonden en [gedaagde] gebruik heeft gemaakt van zijn voortzettings- en overnamerecht, ook gebeurd. Bij de bepaling van de overnamesom is de waarde van de agrarische percelen in verpachte staat meegewaardeerd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het vooruitzicht van benadeling niet vast is komen te staan.

4.27.

De rechtbank wijst er in dit kader nog op dat in de tussen vader en [gedaagde] gesloten maatschapsovereenkomst van 1991 is bepaald dat [gedaagde] (bij opzegging van de maatschap door vader of bij overlijden van vader) het recht had de onroerende goederen waarvan door vader het genot en gebruik in de maatschap waren gebracht, te pachten. Dat de agrarische percelen zonder de handelingen van vader in 1998 en 2004 voor de vrije verkoopwaarde verkocht hadden kunnen worden, zoals [eiser 1] en [eiser 2] betogen, kan de rechtbank daarom niet aannemen.

4.28.

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding op dit punt de stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] niet te volgen. Dat met zich dat deze door [eiser 1] en [eiser 2] gestelde gift niet kan worden meegenomen in de (her)berekening van hun legitieme porties.

4.29.

Voor zover [eiser 1] en [eiser 2] bedoeld hebben te stellen dat vader geen voordeel heeft gehad van de door de maatschap aan hem verschuldigde pacht en dat als een gift aan [gedaagde] moet worden gezien, gaat de rechtbank daaraan voorbij. Daarvoor is redengevend dat [eiser 1] en [eiser 2] zich voor wat betreft de hoogte van de gift telkens relateren aan het verschil van waarde van de agrarische percelen tussen vrije verkoopwaarde en verpachte staat. Een 'gift' in de vorm van mogelijk niet genoten/uitgekeerde pachtinkomsten is in dit verband onvoldoende onderbouwd. Aan bewijs wordt niet toegekomen.

Gift in de vorm van een gratis woonrecht

4.30.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen zich op het standpunt dat er sprake is van een gift aan [gedaagde] ter hoogte van € 137.600,00 in verband met het kosteloos gebruiken van de woning aan de [adres] te Veendam vanaf [datum] tot en met [datum] . Daartoe stellen [eiser 1] en [eiser 2] , samengevat weergegeven, dat vader door het afzien van het bedingen van huur is verarmd, terwijl [gedaagde] is verrijkt omdat hij geen woonlasten heeft hoeven betalen. [eiser 1] en [eiser 2] wijzen er in dit kader op dat de woning voorheen aan derden werd verhuurd. [eiser 1] en [eiser 2] stellen, onder verwijzing van arresten van de Hoge Raad van 22 december 2000 (ECLI:NL:PHR:2000:AA9143) en het Gerechtshof
Den Bosch van 6 juni 2006 (ECLI:NL:GHSHE:2006:AZ3483), dat het door [gedaagde] genoten voordeel aan woongenot gelijk kan worden gesteld met jaarlijks 4% van de (vrije) waarde van de woning als redelijke gebruiksvergoeding.

4.31.

[gedaagde] betwist dat er sprake is geweest van een gift met bevoordelingsbedoeling. [gedaagde] voert daartoe aan, samengevat weergegeven, dat het onderdeel van de normale bedrijfsvoering was dat hij woonachtig was op het perceel van het bedrijf. [gedaagde] voert aan dat hij 24/7 beschikbaar moest zijn voor het bedrijf. [gedaagde] betwist verder de hoogte van de door [eisers] gevorderde vergoeding. Volgens [gedaagde] was de (vrije) waarde van de woning in 2010 veel hoger dan in de jaren 90 zodat niet over de gehele periode dezelfde vergoeding kan worden gevorderd. [gedaagde] wijst er tot slot nog op dat de door [eiser 1] en [eiser 2] aangehaalde jurisprudentie op een totaal andere situatie ziet, namelijk ex-echtelieden die in het kader van hun echtscheiding aanspraak maakten op een gebruiksvergoeding ten aanzien van de voormalig echtelijke woning.

4.32.

De rechtbank overweegt als volgt. Ook deze gestelde gift moet worden getoetst aan de bepaling van artikel 4:67 aanhef en onder a BW. [eiser 1] en [eiser 2] hebben naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat er (i) sprake is van een gift waarvan (ii) bij [gedaagde] en vader sprake is geweest van het 'vooruitzicht van benadeling' van [eiser 1] en [eiser 2] als legitimarissen. [eiser 1] en [eiser 2] hebben weliswaar gesteld dat er sprake is van een gift omdat vader door het afzien van het bedingen van huur is verarmd, maar de rechtbank volgt [eiser 1] en [eiser 2] daarin niet.

4.33.

Niet gesteld of anderszins gebleken is dat vader en [gedaagde] afspraken hebben gemaakt over de duur van de bewoning van de woning. Vast staat verder dat [gedaagde] geen huur voor de bewoning heeft betaald. Vader had als eigenaar van de woning daarom de vrije keuze over het gebruik van de woning. Zo had vader het (woon)genot van de woning kunnen opeisen, bijvoorbeeld om de woning (weer) te verhuren, dan wel deze zelf te gaan of door een derde te laten bewonen. Niet gesteld of anderszins gebleken is dat [gedaagde] een recht had om dit te voorkomen.

4.34.

Het voorgaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich, dat er geen sprake van een gift. Doordat vader het (woon)genot direct kon opeisen, kan niet worden aangenomen dat hij is verarmd (zie: gerechtshof Amsterdam, 24 juli 2014 ECLI:NL:GHAMS:2014:3402). Evenmin kan worden aangenomen dat vader is verarmd met de huuropbrengsten die hij had kunnen bedingen, omdat hij niet kan verarmen met iets wat nooit tot zijn vermogen heeft behoord. Dat de woning in het verleden wel aan derden verhuurd is geweest maakt het voorgaande niet anders. Van een gift in de zin van de wet is daarom geen sprake. Voorts is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende concreet inzichtelijk gemaakt dat er ten aanzien van deze post bij vader en [gedaagde] het vooruitzicht van benadeling van [eiser 1] en [eiser 2] als legitimarissen bestond. Dit betekent dat deze door [eiser 1] en [eiser 2] gestelde gift niet zal worden meegenomen in de (her)berekening van hun legitieme porties.

Schenking in de vorm van AOW-uitkeringen

4.35.

Deze post behoeft geen inhoudelijke bespreking, omdat [eiser 1] en [eiser 2] hebben aangegeven deze post om hen moverende redenen te laten rusten.

Schenking middels overdracht van toeslagrechten

4.36.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen zich ten aanzien van deze post op het standpunt dat er sprake is van een gift ter hoogte van € 126.243,87. Daartoe stellen zij, samengevat weergegeven, dat aan vader bepaalde toeslagrechten toekwamen, die in de berekening van de overnamesom niet zijn gewaardeerd. [gedaagde] heeft de betreffende toeslagrechten volgens [eiser 1] en [eiser 2] om niet verkregen, en dat kwalificeert volgens hen als een gift.

4.37.

[gedaagde] betwist dat er sprake is van een gift in de zin van de wet. Daartoe voert hij aan, samengevat weergegeven, dat betreffende toeslagrechten op naam van zowel vader als [gedaagde] waren gesteld. Het betrof volgens [gedaagde] daarom maatschapsrechten waarvan de waarde in de overdrachtssom is verdisconteerd. Zonder de toeslagrechten was het volgens [gedaagde] überhaupt niet mogelijk geweest om het bedrijfsaandeel van vader over te nemen omdat de toeslagrechten essentieel zijn voor de agrarische bedrijfsuitoefening.

4.38.

De rechtbank volgt [eiser 1] en [gedaagde] niet in hun standpunt dat er ten aanzien van deze post sprake is van een gift in de zin van de wet. Vooropgesteld wordt dat [gedaagde] door overlegging van een overzicht van Dienst Regelingen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, onweersproken heeft gesteld dat de toeslagrechten op naam van zowel vader als hemzelf stonden gesteld. Voor zover de rechtbank al van oordeel zou zijn dat er ten aanzien van deze post sprake is van een gift, kan deze zonder nadere toelichting, welke niet is gegeven, niet zien op het door [eiser 1] en [eiser 2] gevorderde bedrag. Dit betekent dat deze door [eiser 1] en [eiser 2] gestelde gift niet zal worden meegenomen in de (her)berekening van hun legitieme porties.

Schenking middels uitkeringen van AVEBE

4.39.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat er sprake is van een gift ter hoogte van € 50.039,67, omdat vader, samengevat weergegeven, op het moment van de bedrijfsoverdracht als aandeelhouder van AVEBE recht had op betaling van AVEBE. [eiser 1] en [eiser 2] wijzen er op dat daar in de notariële akte expliciete afspraken over zijn gemaakt, waarbij is afgesproken dat door vader het recht op uitkering van AVEBE behouden werd. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] blijkt uit de boekhouding van de maatschap dat jaarlijks door AVEBE betalingen werden gedaan op basis van de aan AVEBE gedane levering. [eiser 1] en [eiser 2] stellen zich op het standpunt dat de betaling over het oogstjaar 2009 aan vader uitgekeerd had moeten worden, maar dat dat niet is gebeurd. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] is het aan vader toekomende geld bij [gedaagde] terecht gekomen. Vader heeft volgens [eiser 1] en [eiser 2] de aanspraak op het aan hem toekomende geld laten schieten ten gunste van [gedaagde] . Daarom is er volgens [eiser 1] en [eiser 2] sprake van een gift. Het bedrag van € 50.039,67 begroten [eiser 1] en [eiser 2] op basis van een gemiddelde van de drie voorgaande jaren.

4.40.

[gedaagde] voert verweer. Daartoe voert hij onder verwijzing van de als productie 34 opgestelde memo van Trippel AAA aan dat de stelling van [eiser 1] en [eiser 2] berust op een kennelijke boekhoudkundige misvatting/dubbeltelling. Volgens [gedaagde] is bij de bedrijfsoverdracht wel rekening gehouden met de waardering van de aandelen AVEBE, maar is de betaling daarvan op een later moment ontvangen.

4.41.

De rechtbank begrijpt het standpunt van [eiser 1] en [eiser 2] - anders dan [gedaagde] - aldus dat zij vinden dat vader door het niet opeisen van zijn vordering uit hoofde van de aan hem toekomende AVEBE-uitkeringen [gedaagde] het bedrag van die vordering heeft geschonken. De rechtbank volgt [eiser 1] en [eiser 2] daarin niet. Voor het kunnen aannemen van een gift is vereist dat de schenker (vader), ten koste van zijn eigen vermogen, de andere partij ( [gedaagde] ) verrijkt. Er dient sprake te zijn geweest van een vermindering van de vermogenspositie van vader. Dat is in deze zaak niet het geval. Het vermogen van vader is immers niet aangetast doordat hij geen aanspraak heeft gemaakt op zijn vordering, het vorderingsrecht blijft bestaan. Niet gesteld of anderszins gebleken is dat vader onherroepelijk afstand heeft gedaan van zijn vorderingsrecht of dat het vorderingsrecht op andere wijze is aangetast waardoor de vermogenspositie van vader is verminderd.

4.42.

Dit brengt met zich dat de rechtbank bij de (her)berekening van de legitieme porties van [eiser 1] en [eiser 2] ook geen rekening zal houden met deze post.

Tussenconclusie

4.43.

Het voorgaande betekent dat op grond van het bepaalde in artikel 4:67 BW in totaal een bedrag van € 1.705.387,00 als gift in aanmerking moet worden genomen bij de (her)berekening van de legitieme porties van [eiser 1] en [eiser 2] .

4.44.

Bij de (her)berekening van de legitieme porties van [eiser 1] en [eiser 2] moet naar het oordeel van de rechtbank uit worden gegaan van een bedrag van € 99.207,00 voor de nalatenschap van vader en niet van een bedrag van € 130.207,00 zoals [gedaagde] aanvoert. Dit omdat het erfdeel van vader in de nalatenschap van moeder als gevolg van de wettelijke verdeling geacht moet worden te zijn begrepen in zijn totale vermogen (en daarmee ook in zijn nalatenschap). Nu het door [eiser 1] en [eiser 2] gestelde bedrag van € 99.207,00 voor het overige onbetwist is, zal de rechtbank van de juistheid van dat bedrag uitgaan.

4.45.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben vóór het overlijden van moeder ieder een bedrag van
€ 7.000,00 ontvangen. [eiser 1] en [eiser 2] achten het billijk deze giften aan te merken als gedaan ten laste van het huwelijksvermogen van vader en moeder en daarom voor de helft mee te nemen in de berekening van de legitieme. [gedaagde] heeft daartegen geen verweer gevoerd zodat de rechtbank deze giften op de door [eiser 1] en [eiser 2] aangegeven wijze - dus voor de helft - mee zal nemen in de (her)berekening van de legitieme porties.

4.46.

Dat leidt, voor wat (her)berekening van de legitimaire massa betreft, tot de volgende cijfermatige conclusie:

Nalatenschap vader € 99.207,00

Gift bedrijfsovername € 1.490.387,00 +/+

Gift woning [adres] € 215.000,00 +/+

Giften vóór overlijden moeder € 7.000,00 +/+

Legitimaire massa € 1.811.594,00

4.47.

Partijen verschillen niet van mening over het feit dat op grond van de wet de (her) te berekenen legitieme portie(s) het breukdeel 1/6 bedraagt. Daarvan uitgaande bedraagt de (her)berekende legitieme portie per kind € 301.932,33. Hierop dienen in mindering te worden gebracht de waarde van de giften vóór overlijden moeder (€ 7.000,00 / 2 = € 3.500,00 per persoon) alsmede de waarde van al hetgeen krachtens erfrecht wordt verkregen (€ 99.207,00 / 2 = € 49.603,50 per persoon), zodat de legitieme aanspraak € 248.828,83 bedraagt voor zowel [eiser 1] als [eiser 2] .

4.48.

Op grond van artikel 4:80 lid 1 BW hebben [eiser 1] en [eiser 2] - anders dan in punt 97 van de dagvaarding lijkt te worden betoogd - in de eerste plaats een vordering in geld op de gezamenlijke erfgenamen, in casu zichzelf. In dat kader wijst de rechtbank op artikel 4:80 lid 2 BW, waaruit volgt dat [eiser 1] en [eiser 2] niet verplicht zijn de vorderingen uit hoofde van de legitieme porties te voldoen, voor zover deze tezamen de waarde der nalatenschap te boven gaan. De nalatenschap van vader van in totaal
€ 99.207,00 bevat onvoldoende vermogen om de door [eiser 1] en [eiser 2] gevorderde legitieme porties te kunnen uitkeren. Dit brengt dit op grond van de wet met zich dat de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] een evenredige vermindering ondergaan van € 49.603,50 per persoon, zodat het legitieme tekort € 199.224,83 bedraagt voor zowel [eiser 1] als [eiser 2] .

4.49.

De vraag is vervolgens of [eiser 1] en [eiser 2] zich voor dát tekort tot [gedaagde] als begiftigde kunnen wenden. De rechtbank is van oordeel dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. Volgens artikel 4:89 lid 1 tweede zin BW wordt bij de bepaling van de vorderingen die een legitimaris op een begiftigde kan verkrijgen, rekening gehouden met onder meer de vermindering van de vordering van de legitimaris volgens artikel 4:80 lid 2 BW. Dit betekent dat wat een legitimaris ingevolge artikel 4:80 lid 2 BW te weinig krijgt, hij alsnog kan verkrijgen door op één of meer giften in te korten. Aangezien gesteld noch gebleken is dat de giften die vóór het overlijden van moeder aan [eiser 1] en [eiser 2] zijn gedaan, jonger zijn dan de giften aan [gedaagde] , oordeelt de rechtbank dat [eiser 1] en [eiser 2] zich voor het volledige bedrag van € 199.224,83 tot [gedaagde] kunnen wenden. De rechtbank zal [gedaagde] als begiftigde veroordelen dit bedrag aan zowel [eiser 1] als [eiser 2] te voldoen.

Rente

4.50.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen [gedaagde] te hebben gesommeerd bij brief van 27 september 2017 tot betaling van hun vordering en dat [gedaagde] dientengevolge met ingang van 14 oktober 2017 in verzuim verkeert. Vanaf die datum moet volgens [eiser 1] en [eiser 2] de wettelijke rente over hun vordering worden betaald. [gedaagde] heeft één en ander niet betwist en geen zelfstandig verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente daarom toewijzen.

Verzoek vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren

4.51.

[gedaagde] heeft de rechtbank het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren, omdat een veroordeling met uitvoerbaarheidverklaring bij voorraad tot executieverkoop van zijn bedrijfsactiva zou leiden, met onomkeerbare gevolgen voor de continuïteit van zijn bedrijf tot gevolg. [eiser 1] en [eiser 2] hebben zich tegen dit verzoek verzet. Zij stellen zich, onder verwijzing naar arresten van de Hoge Raad van 30 mei 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC5012) en 20 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:688), op het standpunt dat zij belang hebben bij een uitvoerbaarheidverklaring bij voorraad en er geen reden bestaat om daarover een ander oordeel te vellen.

4.52.

Bij de beoordeling van een vordering tot uitvoerbaarheidverklaring bij voorraad dienen de belangen van partijen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. Bij de belangenafweging wordt degene die een veroordeling tot betaling van een geldsom verkrijgt, vermoed het vereiste belang bij uitvoerbaarverklaring bij voorraad te hebben. Aan de wettelijke vereisten voor toewijzing van de vordering tot uitvoerbaarheidverklaring bij voorraad is in dit geval voldaan. Dat een veroordeling met uitvoerbaarheidverklaring bij voorraad tot executieverkoop van de bedrijfsactiva zou leiden, heeft [gedaagde] onvoldoende toegelicht. Zo heeft [gedaagde] geen inzicht gegeven in de financiële positie van zijn bedrijf. Van pogingen tot het verkrijgen van financiering heeft hij evenmin iets laten zien. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft [gedaagde] verklaard dat de aan zijn bedrijf reeds verstrekte hypotheken hoger zijn dan de daadwerkelijk geleende bedragen. Dit met het oog op de mogelijkheid in de toekomst een hoger bedrag te kunnen lenen. Zonder nadere toelichting, welke niet is gegeven, valt het voor de rechtbank niet te bezien waarom die (kennelijk aanwezige) financieringscapaciteit niet (deels) benut kan worden ter voldoening van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] . [gedaagde] heeft onder punt 63 van zijn conclusie van dupliek in conventie verzocht, zo begrijpt de rechtbank, dat de uitvoerbaarheidverklaring bij voorraad wordt uitgesproken onder de voorwaarde dat er zekerheid wordt gesteld door [eiser 1] en [eiser 2] voor eventuele door [gedaagde] te lijden schade. De rechtbank zal ook geen gehoor geven aan dit verzoek omdat [gedaagde] niet concreet heeft gemaakt waarom het verkrijgen van (terug)betaling van [eiser 1] en [eiser 2] extra kosten en risico's op zou leveren. Bovendien is de enkele stelling dat [gedaagde] (grote) schade valt te duchten onvoldoende voor het verbinden van een voorwaarde tot het stellen van zekerheid aan de uitvoerbaarheidverklaring bij voorraad. Dit alles brengt met zich dat de rechtbank het vonnis volledig uitvoerbaar bij voorraad zal verklaren.

Verzoek uitgestelde betaling

4.53.

[gedaagde] heeft de rechtbank verzocht om, in geval van (gedeeltelijke toewijzing) een betalingsregeling te verlenen op grond van artikel 4:5 BW. [eiser 1] en [eiser 2] hebben zich hiertegen verzet. Zij wijzen er op dat een dergelijk verzoek door middel van een verzoekschrift moet worden ingediend. Verder wijzen [eiser 1] en [eiser 2] er op dat het beroep onvoldoende is onderbouwd om te kunnen slagen.

4.54.

Voor zover het verzoek van [gedaagde] al op deze wijze zou kunnen worden ingediend, is de rechtbank van oordeel dat het verzoek dient te worden afgewezen. Daarvoor is redengevend dat [gedaagde] niets heeft gesteld over de aard en omvang van de gewichtige redenen die hij aan zijn verzoek ten grondslag legt en deze evenmin heeft onderbouwd. Het voorgaande brengt met zich dat ook dit - bij wijze van verweer gedane verzoek - geen belemmering vormt om de vordering van [eiser 1] en [eiser 2] zoals daarop is beslist toe te wijzen.

In (voorwaardelijke) reconventie

4.55.

Nu de rechtbank een deel van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] in conventie zal toewijzen, komt de rechtbank toe aan behandeling van de voorwaardelijke reconventie van [gedaagde] .

Afgifte van bedrijfsadministratie

4.56.

[gedaagde] vordert op grond van artikel 843a Rv, afgifte van de bedrijfsadministratie tot [datum] . Daartoe stelt [gedaagde] , samengevat weergegeven, dat [eiser 1] en [eiser 2] beschikken over de betreffende bedrijfsadministratie en hij een rechtmatig belang heeft bij afgifte daarvan. Dit omdat [eiser 1] en [eiser 2] zich volgens [gedaagde] in de procedure wel beroepen op die bedrijfsadministratie, maar daar geen stukken van overleggen.

4.57.

De rechtbank zal de vordering afwijzen. De rechtbank stelt voorop dat op grond van artikel 843a Rv geen afgifte van originele bescheiden kan worden gevorderd. Voor zover [gedaagde] bedoeld heeft om afgifte van afschriften van de bedrijfsadministratie te vorderen, is de rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat hij belang heeft bij die bedrijfsadministratie. De rechtbank begrijpt de stellingen van [gedaagde] aldus dat hij de bedrijfsadministratie wenst te verkrijgen om zich in deze procedure te kunnen verweren tegen de stellingen van [eiser 1] en [eiser 2] .

4.58.

De strekking van artikel 843a Rv is om te voorkomen dat een partij onredelijk nadeel ondervindt, omdat een bepaald bewijsstuk niet in de procedure wordt gebracht. Het artikel kan niet worden gebruikt om, zoals hier, stukken waarvan [gedaagde] vermoedt dat zij wel eens steun zouden kunnen geven aan zijn stellingen, door de [eiser 1] en [eiser 2] te doen overleggen. Het is aan de rechtbank om de stelplicht en bewijslast te verdelen. Deze kan bijvoorbeeld onder omstandigheden aanleiding zien om een verzwaarde stel- en motiveringsplicht op te leggen aan de partij in wiens domein de te bewijzen feiten zich bevinden, teneinde de wederpartij aanknopingspunten te geven voor het door haar te leveren bewijs. Dit maakt dat het door [gedaagde] gestelde rechtmatig belang bij de afgifte van (een afschrift van) de stukken onvoldoende is om de vordering toe te wijzen.

Bouw- en zorgkosten

4.59.

[gedaagde] vordert een bedrag van € 115.000,00, € 82.240,00 en € 20.000,00. Daartoe stelt [gedaagde] dat het gaat om door hem betaalde kosten van respectievelijk de verbouwing van de [adres] te Muntendam, de verbouwing van de [adres] te Veendam en zorgkosten in de ziekteperiode van zijn ouders. [gedaagde] verwijst ter onderbouwing van deze vordering naar productie 31. [eiser 1] en [eiser 2] betwisten de vorderingen. Zij voeren daartoe aan, samengevat weergegeven, dat de gevorderde bedragen en de grondslagen daarvan op geen enkele wijze worden onderbouwd.

4.60.

De rechtbank zal de vordering afwijzen. De rechtbank is van oordeel dat
[gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn stelplicht en voor zover hij daaraan wel heeft voldaan, zijn stellingen niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd. Het lag, mede gelet op het specifiek daarop gerichte verweer van [eiser 1] en [eiser 2] , op de weg van [gedaagde] om de grondslagen waarop hij zijn vorderingen baseert, inzichtelijk te maken. Dit heeft hij nagelaten. Zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, kan geen aanspraak op een rechtens afdwingbare prestatie (in geld) worden aangenomen.

4.61.

De verwijzing naar productie 31 in dit verband is onvoldoende. Productie 31 betreft een door [gedaagde] zelf opgesteld overzicht van de betreffende vorderingen. Daaruit kan de rechtbank geen grondslagen voor de vorderingen destilleren. Overigens zijn door
ook geen onderliggende stukken in het geding gebracht op grond waarvan de juistheid van de vorderingen (mocht al een grondslag kunnen worden aangenomen) kan worden geverifieerd. Aan bewijslevering wordt gelet op het voorgaande niet toegekomen.

Legitieme rechten [gedaagde]

4.62.

vordert [eiser 1] en [eiser 2] te veroordelen tot betaling van zijn legitieme aandeel in de nalatenschappen van zijn ouders ter hoogte van € 31.000,00. Daartoe stelt [gedaagde] , samengevat weergegeven, dat hij door zijn broers en notaris [notaris] te Stadskanaal onrechtmatig onder druk is gezet om afstand te doen van zijn legitieme aandeel in de nalatenschappen van zijn ouders. Er is volgens [gedaagde] sprake van misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW. [gedaagde] beroept zich voor zover nodig op vernietiging van zijn afstandsverklaring en vordert betaling van zijn legitieme aandeel.

4.63.

[eiser 1] en [eiser 2] betwisten, samengevat weergegeven, dat er sprake is geweest van misbruik van bevoegdheid en zijn van mening dat [gedaagde] zijn stellingen daarover niet heeft onderbouwd. Voorts voeren [eiser 1] en [eiser 2] aan dat de door [gedaagde] van vader ontvangen giften zo omvangrijk zijn dat van een schending van de legitieme geen sprake kan zijn.

4.64.

De rechtbank zal de vordering afwijzen. Daarvoor is redengevend dat de rechtbank niet kan vaststellen waaruit in dit concrete geval de gestelde misbruik van bevoegdheid blijkt. [gedaagde] heeft zijn stellingen daaromtrent niet (nader) onderbouwd, maar stelt in louter algemene bewoordingen dat er sprake is geweest van 'onrechtmatig onder druk zetten' en misbruik van bevoegdheid. [gedaagde] had, gelet op zijn daarop gerichte vordering, de misbruik van bevoegdheid inzichtelijk moeten maken door gespecificeerd te stellen waar, wanneer en waardoor die misbruik van bevoegdheid zich heeft geuit en waarom dat tot gevolg heeft dat zijn afstandsverklaring moet worden vernietigd. Door dat na te laten schiet [gedaagde] niet alleen tekort in zijn stelplicht, maar heeft hij zijn vordering ook onvoldoende gemotiveerd onderbouwd om daarin te kunnen worden gevolgd.

4.65.

De door [gedaagde] gedane afstandsverklaring met betrekking tot zijn legitieme aandeel in de nalatenschappen van zijn ouders vormt daarom het uitgangspunt tussen partijen. Dat brengt met zich dat de vordering van [gedaagde] zal worden afgewezen.

Verklaring voor recht en opheffing beslag

4.66.

[gedaagde] vordert tot slot een verklaring voor recht dat [eiser 1] en [eiser 2] onrechtmatig jegens [gedaagde] hebben gehandeld door conservatoir beslag te leggen en dientengevolge gehouden zijn de door [gedaagde] geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat en [eiser 1] en [eiser 2] , op straffe van een dwangsom, te veroordelen tot opheffing van de gelegde beslagen. Daartoe stelt [gedaagde] , samengevat weergegeven, dat hij van mening is dat de beslagen vexatoir zijn gelegd en daardoor onrechtmatig.

4.67.

[eiser 1] en [eiser 2] betwisten dat het door hen gelegde beslag vexatoir en/of onrechtmatig is en zijn van mening dat [gedaagde] zijn stellingen daarover niet heeft onderbouwd. Voorts voeren [eiser 1] en [eiser 2] aan dat [gedaagde] niet duidelijk heeft gemaakt op grond waarvan er sprake is van financiële schade aan de zijde van [gedaagde] ten gevolge van het beslag. De vordering moet dan ook worden afgewezen, aldus [eiser 1] en [eiser 2] .

4.68.

De rechtbank zal de vordering afwijzen. Dit omdat de rechtbank niet kan vaststellen waaruit in dit concrete geval blijkt dat het gelegde beslag onrechtmatig en/of vexatoir is. De vraag of een beslaglegger aansprakelijk is voor de gevolgen van een beslag omdat dit bijvoorbeeld voor een te hoog bedrag of lichtvaardig is gelegd of onnodig is gehandhaafd, moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria die gelden voor misbruik van recht. Daarover is door [gedaagde] echter onvoldoende gesteld. [gedaagde] stelt in louter algemene bewoordingen dat het gelegde beslag onrechtmatig/vexatoir is die hem belemmert in de mogelijkheid van het ondernemen. [gedaagde] had, gelet op zijn daarop gerichte vordering, gespecificeerd moeten stellen en onderbouwen waaruit dat precies blijkt. Door dat na te laten schiet [gedaagde] niet alleen tekort in zijn stelplicht, maar heeft hij zijn vordering ook onvoldoende gemotiveerd onderbouwd om daarin te kunnen worden gevolgd. De rechtbank merkt overigens nog op dat indien een vordering ter verzekering waarvan het beslag is gelegd slechts gedeeltelijk wordt toegewezen, dit niet tot gevolg dat het beslag ten onrechte is gelegd. Nu niet kan worden vastgesteld dat het gelegde beslag onrechtmatig en/of vexatoir is, zal de vordering tot opheffing van het beslag ook worden afgewezen.

in conventie en reconventie

Proceskosten

4.69.

Gelet op het feit dat tussen partijen sprake is van een familierechtelijke betrekking en dit geschil betrekking heeft op de afwikkeling van de nalatenschap van hun vader, ziet de rechtbank aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Beslagkosten

4.70.

De beslagkosten zullen wel worden toegewezen. Er bestaat geen grond voor afwijzing van de gevorderde beslagkosten. Op grond van het bepaalde in artikel 706 Rv kunnen de beslagkosten van de beslagene worden teruggevorderd, tenzij het beslag nietig, onnodig of onrechtmatig was. Juist dat is niet vast komen te staan. De beslagkosten worden aan de hand van de als productie 15 door [eiser 1] en [eiser 2] overgelegde stukken vastgesteld op € 309,26 voor exploot- en betekeningskosten.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] en [eiser 2] ieder te betalen een bedrag van € 199.224,83, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover met ingang van 14 oktober 2017 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.3.

wijst de vorderingen af,

voorts in conventie en reconventie

5.4.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt,

5.5.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser 1] en [eiser 2] gezamenlijk te betalen een bedrag van € 309,26 aan beslagkosten,

5.6.

verklaart dit vonnis onder 5.1. en 5.5. uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna en in het openbaar uitgesproken op 5 december 2018.1

1 type: 741