Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4852

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
18/840054-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Minderjarige, veroordeling wegens medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie waarvan 50 uren vw met een proeftijd van 2 jr.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/840054-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de besloten terechtzitting van

16 november 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. L.S. Wachters, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 april 2018 te Haren Gn, (althans) in de gemeente Haren,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk

brand heeft gesticht door (in een toiletpot binnen een toiletruimte) open vuur

in aanraking te brengen met (toilet)papier en/of spiritus (dan wel overgoten

en/of doordrenkt met spiritus),

althans met een brandbare stof

ten gevolge waarvan de/een (rode) toiletruimte (op de tweede etage van [de benadeelde partij]

) geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand

is ontstaan,

en daarvan gemeen gevaar voor het (gehele) (school)gebouw, in elk geval gemeen

gevaar voor goederen en/of

levensgevaar voor een of meer (zich op dat moment in het (school)gebouw

bevindende) leerling(en) en/of leerkracht(en) en/of overig schoolpersoneel,

(en/of/) in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor

zwaar lichamelijk letsel voor die (op dat moment zich in het (school)gebouw

bevindende) leerlingen en/of leerkrachten en/of overig schoolpersoneel,

(en/of/) in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of

anderen te duchten was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte heeft ontkend dat hij betrokken is geweest bij de brandstichting. Verdachte heeft alleen gezien wat er is gebeurd. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat gelet op de verklaring van verdachte de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan nu de bijdrage van verdachte van onvoldoende gewicht is geweest. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte om die reden van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken.

Voorts heeft de raadsvrouw betoogd dat op grond van de stukken in het dossier niet kan worden bewezen dat door de brandstichting levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. Verdachte dient van dit deel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 april 2018, opgenomen op pagina 11 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018085352 d.d. 18 mei 2018, inhoudende als verklaring van [medewerker 1] :

Ik ben namens [de benadeelde partij] gerechtigd tot het doen van aangifte. Op 9 april 2018 was ik aanwezig op de begane grond van [de benadeelde partij] . Op een gegeven moment ging het brandalarm af. Vervolgens kregen wij buiten te horen dat er veel rookontwikkeling was op de tweede etage bij de jongens toilet. 1500 leerlingen en 100 medewerkers moesten het pand uit naar een veilige locatie. Vrij vlot daarna kwam de brandweer, deze hebben het pand betreden en hebben het vuur bestreden op de tweede etage. Tijdens een evaluatie met de brandweer kwam naar voren dat de brandweer rondom de brand metingen had gedaan. Daarbij kwam naar voren dat het niet ondenkbaar was dat de brand nog had kunnen doorslaan naar andere ruimtes. Onze ruimtes zijn voorzien van alle kenmerken ten aanzien van brandveiligheid, dit is betreft 30 minuten vertraging van de brand. De officier van dienst van de brandweer, ik namens de school en hoofd BHV en een lid van de politie kregen te horen in een overleg dat er in het pand een dusdanige rookontwikkeling die niet goed was voor de gezondheid. Deze rook bevond zich op de tweede en eerste etage van de school. Er mochten dus van de brandweer geen medewerkers dan wel leerlingen meer het pand in.

Vervolgens kwam [naam] , deze is samen met de politie naar de locatie van de brand

gegaan. Deze hebben vastgesteld dat de brand was ontstaan op de tweede etage in een

jongens toilet ruimte. De brand was ontstaan in een gesloten toiletruimte. Als je de toiletruimte binnenkomt vanaf de gang, dan is brandlocatie de tweede deur aan de linkerkant.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 26 april 2018, opgenomen op pagina 160 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[medeverdachte 1] :

We kwamen in de wc en toen stopten [medeverdachte 2] en [verdachte] wc papier in de wc. Ik had toen de fles in handen. Toen zei [medeverdachte 3] dat hij een aansteker had. Hij zei dat hij het ging aansteken. Ik liep met hem mee het wc hokje in. Ik gaf hem de fles en hij gooide spiritus in de wc. Eerst een paar drupjes en toen de hele fles. [medeverdachte 2] heeft de spiritus afgerekend.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 25 april 2018, opgenomen op pagina 186 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte 2] :

[medeverdachte 3] heeft het aangestoken. Ik, [medeverdachte 1] en [verdachte] hadden de spiritus gekocht. Ik heb het betaald. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben het wc papier in de wc gegooid. [medeverdachte 3] zei dat hij het wel wilde aansteken. Het idee kwam van ons alle drie, we wilden ergens een brandje maken.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 30 april 2018, opgenomen op pagina 208 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[verdachte] :

In de wc zei [medeverdachte 2] dat hij een fles spiritus bij zich had en hij zei: "Laten we die wc in de fik gaan steken." Misschien zei hij het niet letterlijk zo maar het leek er wel op. Het leek mij wel grappig en ik vroeg aan hem of hij het echt ging doen. Ik keurde het eigenlijk goed

met mijn reactie.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij de brandstichting leidt de rechtbank uit de verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] af dat verdachte wc papier in de wc heeft gestopt. De rechtbank ziet op grond van het dossier geen reden om aan voornoemde verklaringen te twijfelen. De rechtbank is op grond van bovengenoemde bewijsmiddelen van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachten en dat de bijdrage van verdachte van voldoende gewicht was om te spreken van medeplegen. De rechtbank acht het medeplegen van brandstichting wettig en overtuigend bewezen.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat door de brandstichting levensgevaar voor anderen te duchten was. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is vereist dat uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen volgt dat dit levensgevaar te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest (HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG 1653). Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte samen met anderen brand heeft gesticht in een toiletruimte van [de benadeelde partij] door toiletpapier overgoten met spiritus in een toiletpot te stoppen en aan te steken. Er is door de brand forse schade ontstaan. De brand is gesticht op een lesdag rond 13 uur 's middags. Op dat moment bevonden zich 1500 leerlingen en 100 docenten in het schoolgebouw, die zich niet bewust waren van de brandstichting. Uit de metingen van de brandweer volgt dat de brand had kunnen doorslaan naar andere ruimtes. Daarnaast was er sprake van een stevige rookontwikkeling waardoor leerlingen en docenten ook na het blussen van de brand het gebouw niet meer in mochten. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest dat door de brandstichting levensgevaar voor anderen te duchten was.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 9 april 2018 te Haren Gn tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk

brand heeft gesticht door in een toiletpot binnen een toiletruimte open vuur in aanraking te brengen met toiletpapier overgoten en doordrenkt met spiritus, ten gevolge waarvan een rode toiletruimte op de tweede etage van [de benadeelde partij] geheel is verbrand en daarvan gemeen gevaar voor het gehele schoolgebouw en levensgevaar voor zich op dat moment in het schoolgebouw bevindende leerlingen en leerkrachten en overig schoolpersoneel te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is en

medeplegen van opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan levensgevaar voor een ander te duchten is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen vervangende jeugddetentie waarvan 50 uren subsidiair 25 dagen vervangende jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie meegenomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig feit. Daarnaast heeft de officier van justitie in aanmerking genomen dat verdachte een first offender is en dat verdachte een positieve ontwikkeling laat zien.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd verdachte een first offender is en dat hij de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft laten zien. Verdachte krijgt hulp van VNN. De raadsvrouw heeft de rechtbank, indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring komt, verzocht om aan verdachte een taakstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met anderen in de pauze brand gesticht in [de benadeelde partij] . Verdachte en de medeverdachten zijn vervolgens weggegaan zonder zich verder om de mogelijke gevolgen van de brand te bekommeren. Op het moment van de brand bevonden zich zo'n 1500 leerlingen en 100 docenten in de school. Zij waren zich niet bewust van de brandstichting en zij moesten worden geëvacueerd, niet alleen vanwege het vuur maar ook vanwege de stevige rookontwikkeling die was ontstaan. Er is door de brand forse schade ontstaan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig en gevaarlijk feit waarbij er gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten was. Verdachte heeft totaal niet stilgestaan bij de gevolgen van zijn handelen. Hij mag van geluk spreken dat de brand niet is overgeslagen naar andere ruimtes binnen de school.

De rechtbank heeft acht geslagen op de Landelijke Oriëntatiepunten Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Als oriëntatiepunt voor een brandstichting waarbij sprake is van aanzienlijke schade gevaarzetting/ gevaar voor personen geldt in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 19 oktober 2018, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen.

Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) d.d. 8 november 2018 volgt dat verdachte een intensief traject gestart is om zijn drugsgebruik onder controle te krijgen en uiteindelijk te stoppen. Daarnaast concentreert verdachte zich meer op het volgen van onderwijs en is hij op zoek naar een bijbaan. Verdachte ondergaat een positieve ontwikkeling op verschillende levensgebieden. Hierdoor zijn de risicofactoren in zijn functioneren afgenomen. De Raad adviseert een taakstraf in de vorm van een werkstraf omdat er uit het onderzoek geen aandachtspunten naar voren komen voor een leerstraf of een jeugdreclasseringsmaatregel (ook vanwege de betrokkenheid van VNN). Vanwege de ernst van het feit adviseert de Raad tevens een voorwaardelijk deel als extra stimulans voor verdachte om uit probleemsituaties te blijven, gelet op zijn impulsiviteit en mogelijke beïnvloedbaarheid.

De rechtbank overweegt dat het advies van de Raad en het blanco strafblad van verdachte aanleiding geven om af te wijken van het oriëntatiepunt van de LOVS. De rechtbank is van oordeel dat de strafeis van de officier van justitie een passende reactie vormt. De rechtbank zal aan verdachte een taakstraf opleggen in de vorm van een werkstraf. Gelet op de ernst van het feit en om ervoor te zorgen dat verdachte niet opnieuw met justitie in aanraking komt, zal de rechtbank een deels voorwaardelijke werkstraf aan verdachte opleggen.

Benadeelde partij

[medewerker 1] heeft zich namens [de benadeelde partij] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.000,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering wordt toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toepassing van de hoofdelijkheidsclausule. Indien de schadevergoedingsmaatregel niet wordt opgelegd omdat

er een betalingsregeling wordt afgesproken, kan de officier van justitie zich hierin vinden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft, nu zij voor vrijspraak heeft gepleit, betoogd dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Daarnaast heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om niet de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 april 2018.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door een of meer medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen, gelet op het feit dat [medewerker 2] namens [de benadeelde partij] ter zitting expliciet heeft aangegeven dat hij verwacht dat men onderling in goed overleg tot een betalingsregeling kan komen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren.

De werkstraf moet binnen 12 maanden zijn verricht.

Bepaalt dat van deze werkstraf een gedeelte, groot 50 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de werkstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van 25 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de werkstraf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

Ten aanzien van 18/840054-18

Wijst de vordering van [de benadeelde partij] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.000,- (zegge: duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 april 2018 in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededaders van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. M. Brinksma en mr. M. van der Veen, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op

30 november 2018.

Mrs. Brinksma en Van der Veen zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.