Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4848

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
30-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
18/730397-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Op 21 augustus 2016 is er bij Harlingen een ernstig ongeval gebeurd aan boord van een klipper die aan het varen was met Duitse gasten. De voorste mast brak af en viel op drie opvarenden die op het dek waren. Zij zijn alle drie kort daarna overleden aan schedel- en/of hersenletsel. Onderzoek door TNO heeft uitgewezen dat de mast achter de gaffelplaat vanuit de kern was gaan rotten. In twee tot vier jaar tijd was de mast zo aangetast dat hij bij normale belasting afbrak. Het openbaar ministerie heeft de schipper en eigenaar van de klipper vervolgd voor dood door schuld. De officier van justitie is van mening dat verdachte had kunnen en moeten weten dat de mast in slechte staat verkeerde. Hij vorderde veroordeling van verdachte tot een werkstraf van 200 uren onvoorwaardelijk met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. De rechtbank heeft op 30 november 2018 uitspraak gedaan. De rechtbank stelt vast dat verdachte wel het verwijt valt te maken dat hij zich onvoldoende heeft laten informeren over de staat van onderhoud van de mast en onvoldoende toezicht heeft gehouden op de verrichte werkzaamheden. Voorts heeft hij reparaties niet gemeld bij de keuringsinstantie. De rechtbank is echter van oordeel dat deze vaststelling op zichzelf onvoldoende is om verdachte te kunnen veroordelen voor dood door schuld. Ook als verdachte zich meer had laten informeren over de staat van onderhoud van de mast, hij meer toezicht had gehouden op de verrichte werkzaamheden en de reparaties had gemeld, had dit waarschijnlijk niet gemaakt dat de aantasting van het hout achter de gaffelplaat tijdig was onderkend. De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730397-16

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 30 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 november 2018.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 21 augustus 2016 te Leeuwarden en/of te Harlingen en/of een of meerdere (andere) plaats(en) in Nederland en/of op een vaarwater ter hoogte van de havenmond van de haven van Harlingen, in zijn hoedanigheid als schipper en eigenaar van het zeilschip " Amicitia ", in voornoemde periode (telkens)

grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig,

- heeft verzuimd/nagelaten een onderhoudsplan voor (onder meer de masten van)

dat zeilschip " Amicitia " op te stellen en/of (vervolgens) uit te voeren en/of

- heeft verzuimd/nagelaten zich in voornoemde periode in voldoende mate te

vergewissen van de staat van onderhoud van de houten mast(en) van dat

zeilschip en/of daar (periodiek) controle op uit te voeren en/of

(nadat een onderhoudsmedewerker had gemeld dat er twee slechte plekken in/aan

de voorste mast zaten)

- heeft verzuimd/nagelaten de (aan hem, verdachte, gemelde zogenoemde slechte

plekken in/aan die) voorste mast van dat zeilschip te

controleren/inspecteren op mogelijke aantasting door houtaantastende

schimmels (houtrot) en/of andere gebreken (zulks terwijl verdachte wist

dat er eerder werkzaamheden/reparaties aan die voorste mast van dat

zeilschip (op die plaats) waren verricht/gedaan) en/of

- heeft verzuimd/nagelaten zich te doen of laten informeren over/van de wijze

waarop zogenoemde slechte plekken, in elk geval beschadigingen, in/aan een

houten mast deugdelijk gerepareerd en/of behandeld dienen te worden en/of

- heeft verzuimd/nagelaten de voortgang en/of de resultaten van de

werkzaamheden/reparaties aan die (zogenoemde slechte plekken in/aan die)

voorste mast te inspecteren (zulks terwijl ten behoeve van die

werkzaamheden/reparatie aan die voorste mast de/een aanwezige gaffelplaat is

verwijderd en na die werkzaamheden/reparaties wederom is bevestigd) en/of

- het onderhoud van en/of de werkzaamheden/reparaties aan die (zogenoemde

slechte plekken aan die) voorste mast heeft opgedragen en/of doen en/of

laten verrichten/uitvoeren door (een) perso(o)n(en) die niet specifiek

deskundig was/waren op het gebied van het verrichten van

werkzaamheden/reparaties aan houten masten, in elk geval door (een)

perso(o)n(en), niet zijnde (een) mastenmaker(s), en/of

- heeft verzuimd/nagelaten de (wezenlijke) reparaties aan de voorste mast van

dat zeilschip te melden aan de aangewezen keuringsinstantie

en dat toen, terwijl verdachte op 21 augustus 2016 als schipper van dat zeilschip " Amicitia ", daarmee varende, met aan boord twaalf (betalende) passagiers, waaronder [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , was gekomen ter hoogte van de havenmond van de haven van Harlingen (varende in de richting van de haven, teneinde aldaar af te meren), een deel van die voorste mast is afgebroken (ter hoogte van een door houtaantastende schimmels (houtrot) aangetaste plaats in die mast) en dat het afgebroken deel van de mast, al dan niet met de daaraan bevestigde tuigage, op de lichamen van drie passagiers aan boord van dat zeilschip, te weten [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , terecht is gekomen, ten gevolge waarvan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zijn overleden,

waardoor het aan verdachtes schuld te wijten is dat die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] zijn overleden.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman heeft aangevoerd dat de tenlastelegging ten aanzien van het eerste en tweede gedachtestreepje een partiële nietigheid bevat. In deze onderdelen wordt gesproken over beide masten terwijl er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de staat van onderhoud van de bezaanmast en het breken van de voorste mast. De tenlastelegging is daarom op dat punt tegenstrijdig.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Het is geen vereiste dat alle in de tenlastelegging genoemde gedragingen of andere feitelijkheden op zichzelf redengevend moeten zijn voor het afbreken van een deel van de voorste mast. Daarbij komt dat bedoelde onderdelen van de tenlastelegging telkens als alternatief zijn gegeven door het plaatsen van haakjes.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling van verdachte voor het ten laste gelegde gevorderd. Volgens de officier van justitie had verdachte kunnen en moeten weten dat de voorste mast in slechte staat verkeerde. Uit het TNO-rapport komt naar voren dat het proces van aantasting van het hout van de mast achter de gaffelplaat al zo'n vier jaren voor het ongeval begonnen moet zijn en dat de ernstige tot zeer ernstige aantasting van het hout moet zijn ontstaan over een periode van minimaal twee jaren. De gaffelplaat was in de periode van februari-april 2015 verwijderd waarbij opgemerkt moet zijn dat meerdere schroeven een geringe hechting in het hout hadden wat een sterke aanwijzing voor aantasting van het achterliggende hout is. Het is zeer waarschijnlijk dat de aantasting van het hout in de vorm van donkere zones aan het mastoppervlak zichtbaar moet zijn geweest in 2015. En tenslotte hadden de zes reparatielatten achter de gaffelplaat een signaal kunnen zijn dat zich daar een ander degradatieproces afspeelde dan elders in de mast. Verdachte heeft nagelaten een onderhoudsplan te hanteren terwijl dit wel van hem als eigenaar en schipper verwacht mag worden. Verdachte heeft nagelaten zich op de hoogte te stellen van de uitvoering van het werk aan de mast en hij had op de hoogte moeten zijn van de werkelijke staat van de mast. Verdachte heeft personen die niet specifiek deskundig waren ingeschakeld voor het onderhoud van de voorste mast. En tot slot heeft verdachte de uitgevoerde reparaties aan de mast niet gemeld aan de keuringsinstantie zodat er geen herkeuring van de mast heeft plaatsgevonden. Uit dit alles volgt dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig heeft gehandeld, aldus de officier van justitie. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke werkstraf van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, alsmede tot drie maanden gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en heeft daartoe, kort en zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd. Het niet inspecteren van de mast na de melding dat er twee slechte plekken waren, het zich onvoldoende laten informeren over de reparatie van de slechte plekken en het niet melden aan de keuringsinstanties van wezenlijke reparaties, zijn niet relevant geweest voor het breken van de voorste mast. Daarnaast kan verdachte niet worden verweten dat hij geen onderhoudsplan had nu dit ook niet verplicht is en binnen de branche ook niet gebruikelijk is. Ten aanzien van het onderhoud van zijn schip heeft verdachte gedaan wat vereist en gebruikelijk was. Verdachte heeft alles gedaan wat hij redelijkerwijs kon doen om zich te vergewissen van de staat van onderhoud van de voorste mast. Zo zijn in juli 2014 de masten nog gekeurd door een formele keuringsinstantie. Er is ook geen sprake van een verzuim van de zijde van verdachte tot het controleren of inspecteren van de aan hem gemelde slechte plekjes in de voorste mast. Verdachte wist niet dat er een slechte plek achter de gaffelplaat zat en hij kon dat ook niet weten omdat dit hem niet gemeld was. Verdachte kan dan ook niet verweten worden dat hij heeft nagelaten die plekken te inspecteren. Evenmin is bewijsbaar dat verdachte heeft verzuimd zich voldoende te laten informeren over de wijze van reparatie van de mast en de mast te laten inspecteren na reparatie. Het hier gestelde kan alleen betrekking hebben op het deel van de mast achter de gaffelplaat. Daar is geen reparatie of herstel geweest. De reparatie op een andere plaats van de mast heeft geen causaal verband met het breken van de mast. Het verwijt dat verdachte verzuimd of nagelaten heeft personen in te schakelen die specifiek deskundig waren op het gebied van werkzaamheden/reparaties aan houten masten is niet te bewijzen. Mastenmaker is geen beschermd beroep en er is niet onderzocht of iemand anders de door de timmerman van verdachte uitgevoerde reparaties anders zou hebben gedaan. Het verwijt dat nagelaten is een wezenlijke reparatie te melden gaat niet op nu er geen sprake is geweest van een wezenlijke reparatie en de reparatie van een windscheur op een derde van de mast geen causaal verband heeft met het breken van de mast.

Voor de beoordeling of er sprake is van grove of aanmerkelijke schuld speelt de voorzienbaarheid van de gevolgen een belangrijke rol. Verdachte was onbekend met de aanwezige gevaren juist omdat hij er van uit mocht gaan dat de mast goedgekeurd was en aan alle vereisten was voldaan. Hij heeft gedaan wat hij moest doen en wat redelijkerwijs van hem verlangd kon worden. Er is geen sprake van aanmerkelijke nalatigheid van de zijde van verdachte, aldus de raadsman.

Oordeel van de rechtbank

Feiten en omstandigheden

Op grond van het dossier en het ter terechtzitting gehouden onderzoek gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verdachte is schipper en eigenaar van een klipper met de naam Amicitia . Verdachte heeft in 1999 het zeilbewijs behaald na een opleiding met goedgekeurd diploma, twee jaar vaartijd op een zeilschip en een geneeskundige verklaring.

De Amicitia behoort tot de categorie passagierschip (zeilend hotelschip). Verdachte heeft de Amicitia gekocht in 2000. De voorste mast zat toen al op het schip, inclusief een daarop geschroefde metalen plaat (gaffelplaat) op de plaats waar de gaffelklauw bij gehesen zeil tegen de mast drukt, ter voorkoming van slijtage op de mast door schavielen van de gaffelklauw tijdens het zeilen.

Op 4 april 2014 is voor het schip het Communautair Binnenvaartcertificaat voor Binnenschepen afgegeven, oorspronkelijk geldig tot 1 oktober 2015 en na aanpassing op 27 juni 2016 geldig tot 24 april 2020. Er is een Certificaat Mast & Tuigage afgegeven, inhoudende als datum inspectie masten 8 mei 2012 en inhoudende dat het Mastencertificaat geldig is tot 8 mei 2018. Er is daarnaast een Surveyors Report van [getuige 1] met als datum Survey 1 juli 2014 en de opmerking dat het schip te water liggend aangeboden is voor een mast en tuigkeur met staande masten. Dit Surveyors Report is niet voorzien van handtekeningen. Bij de keuring van de voorste mast op 8 mei 2012 is de gaffelplaat niet verwijderd. Ook nadien is de gaffelplaat niet verwijderd ten behoeve van keuringsdoeleinden.

In de periode van februari tot en met april 2015 heeft de Amicitia voor reparatie en onderhoud op een scheepswerf in Leeuwarden gelegen. De reparatie betrof het dubbelen van het vlak van het schip. Ondertussen werd er door eigen personeel van verdachte onderhoud gepleegd aan het schip en aan het rondhout waaronder de voorste mast. Deze mast is van het schip verwijderd en neergelegd op een aantal bokken. De mast is geschuurd en een aantal malen gelakt. Voordat met deze werkzaamheden werd begonnen is de gaffelplaat van de mast verwijderd. Achter de gaffelplaat zijn een aantal daar in het verleden aangebrachte latjes verwijderd en er zijn op dezelfde plaats nieuwe latjes aangebracht. Vervolgens is de gaffelplaat er weer opgeschroefd. Op de betreffende scheepswerf is op enig moment de voorste mast weer op het schip geplaatst.

Op 21 augustus 2016 was verdachte als schipper aan het varen met de Amicitia met een gezelschap van 12 betalende gasten aan boord. Bij het binnenvaren van de haven van Harlingen brak het bovenste deel van de voorste mast af, met een lengte van ongeveer 7 meter. Het afgebroken deel viel op het voordek en raakte daarbij de passagiers [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . Deze drie slachtoffers zijn kort daarna aan schedel- en/of hersenletsel overleden.

Deskundigenonderzoek

TNO heeft een deskundigenonderzoek uitgevoerd om te achterhalen wat de oorzaak van de mastbreuk was. De deskundigen hebben onder meer het volgende geconstateerd en -op basis van hun onderzoek- geconcludeerd.

De mast was gebroken op een hoogte van circa 13,5 meter, gemeten vanaf de onderkant van de mast. Ter hoogte van de breuk was een metalen plaat op de mast bevestigd met een totale hoogte van 90 cm en een breedte van 72 cm. De onderzijde van de metalen plaat bevond zich ter hoogte van de onderzijde van het breukvlak. Uit een beoordeling van het breukvlak is naar voren gekomen dat voor een groot gedeelte van de doorsnede (circa 70-75% van het oppervlak) geen sprake was van uitgetrokken houtvezels in het breukvlak. Ook is in dit gedeelte het hout aangetast door schimmels. Dit betekent dat in dit gedeelte van het breukvlak de sterkte van het hout, direct voorafgaand aan het ontstaan van de breuk, zeer gering is geweest. De waargenomen aantasting kan alleen ontstaan onder zeer vochtige

omstandigheden. Uit de uitgevoerde vochtmetingen blijkt dat in het hout achter de metalen plaat sprake was van vochtgehalten van meer dan 35 % houtvocht, hetgeen duidt op zeer nat hout. Het hoge vochtgehalte van het hout achter de metalen plaat kan alleen verklaard worden door inwatering achter de metalen plaat. Die inwatering is kunnen ontstaan doordat boven de metalen plaat sprake was van een relatief wijde langsscheur. Deze langsscheur liep door tot achter de metalen plaat, waardoor water via die scheur in het hout achter de metalen plaat kon dringen. Het verschil in aantasting tussen het hout achter de metalen plaat en de overige delen van de mast is vrijwel zeker veroorzaakt doordat het hout achter de metalen

plaat niet aan de lucht kon drogen en de overige delen van de mast wel. Daardoor is in het hout achter de metalen plaat sprake geweest van een nagenoeg permanent hoog vochtgehalte en in de overige delen van de mast alleen in een relatief korte periode na regenval. De aangetroffen houtaantasting achter de metalen plaat was in een relatief ver gevorderd stadium. Op basis van praktijkervaring van de deskundige wordt ingeschat dat de ernstige tot zeer ernstige aantasting, zoals die hier is aangetroffen, is ontstaan over een periode van minimaal 2 jaren. De vochtbron moet al eerder aanwezig zijn geweest, omdat indringing van vocht niet direct resulteert in aantasting. Op basis van praktijkervaring wordt ingeschat dat de vochtbron al minimaal circa 4 jaren aanwezig is geweest. Als gevolg van de aantasting van het hout was de mast, in het deel achter de metalen plaat, ernstig verzwakt. Die verzwakking was van dien aard dat de normale belastingen tijdens het zeilen vrijwel zeker al voldoende zijn geweest om de mast te laten bezwijken.

Tijdens het onderzoek van de deskundige zijn, na het verwijderen van de metalen plaat, enkele zeer donkere zones in het mastoppervlak achter de metalen plaat waargenomen. Die donkere zones waren locaties waar de aantasting van het hout zichtbaar was aan het oppervlak. Het is zeer waarschijnlijk dat een deel van deze zeer donkere zones al meer dan

een jaar aanwezig is geweest en dus zichtbaar is geweest toen de mast in 2015 voor het laatst werd gelakt. Het soort aantasting dat hier is waargenomen laat vaak de buitenzijde van het hout heel en tast de dieper gesitueerde delen van de doorsnede als eerste aan. Dat is hier ook het geval. De ernstige tot zeer ernstige aantasting is alleen aangetroffen in het hout achter de

metalen plaat. In het overige deel van de mast is de toestand van het hout redelijk tot goed.

De deskundige acht het verder van belang om op te merken dat het aanwezig zijn van de zes ingebrachte reparatielatten achter de plaat een signaal had kunnen zijn dat zich daar een ander degradatieproces afspeelde dan in de rest van de mast.

Schuld als delictsbestanddeel

Aan verdachte is ten laste gelegd dat het aan zijn schuld te wijten is dat [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] , ten gevolge van het breken van de voorste mast van zijn schip de Amicitia , zijn overleden.

Het is vaste rechtspraak dat onder schuld als delictsbestanddeel een min of meer grove of aanmerkelijke schuld wordt verstaan. De dader moest anders handelen (verwijtbaarheid) en kon ook anders handelen (vermijdbaarheid). Of sprake is van dergelijke schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht wordt bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd, en is voorts afhankelijk van het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daartoe behoort ook de eventuele bijzondere hoedanigheid van degene aan wie het schuldverwijt wordt gemaakt. De zogenoemde ‘Garantenstellung’ houdt in dat op bepaalde personen in een specifieke hoedanigheid een grotere mate van verantwoordelijkheid rust, waarbij het handelen in het specifieke geval bijvoorbeeld wordt afgezet tegen dat van een redelijk handelend en redelijk bekwaam beroepsgenoot. Als iemand functioneel handelt met een bepaalde verantwoordelijkheid, worden de maatstaven van (on)voorzichtig gedrag mede daardoor bepaald.

Uit de ernst van de gevolgen van de gedragingen kan niet reeds worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. Wel kan het zo zijn dat in situaties met mogelijkerwijs ernstige gevolgen een hogere graad van zorgvuldigheid verlangd wordt dan bij min of meer onschuldige gedragingen en situaties.

Voorts geldt dat dient komen vast te staan dat tussen de gemaakte fout en de dood voldoende oorzakelijk verband (causaliteit) bestaat, terwijl tot slot voor culpoze strafbaarheid de voorzienbaarheid nog als een voorwaarde geldt.

De rechtbank benadrukt dat niet reeds elke onbedachtzaamheid, onvoorzichtigheid of nalatigheid -ook niet indien deze rampzalige gevolgen heeft gehad- leidt tot strafrechtelijke aansprakelijkheid. Daarvan kan slechts sprake zijn, indien de "ondergrens" van de aanmerkelijke onachtzaamheid en/of onvoorzichtigheid door het handelen of nalaten is overschreden. Er zijn vele dramatische gebeurtenissen (zoals verkeersongevallen met dodelijke afloop) waarin het handelen van de veroorzaker onbestraft blijft omdat niet vastgesteld kan worden dat hij in voldoende mate verwijtbaar heeft gehandeld, hoe moeilijk dat in het bijzonder voor slachtoffers of hun nabestaanden ook te verteren is. De rechtbank verwijst in dit kader naar een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 1 maart 2013 (ECLI:NL:GHDHA: 2013:BZ2763).

Tegen deze achtergrond overweegt de rechtbank ten aanzien van de schuldvraag in deze zaak het volgende.

Verdachte was eigenaar en schipper van de Amicitia . In die hoedanigheden was hij verantwoordelijk voor de veiligheid van de bemanning en gasten op het schip. Op hem rustte in dat kader ook de plicht er voor te zorgen dat het schip in voldoende staat van onderhoud verkeerde. De in het licht van de tenlastelegging van belang zijnde voorschriften zijn artikel 11 Binnenvaartwet, inhoudende de verplichting van de eigenaar tot het melden van belangrijke schade, herstel en wijzigingen, alsmede artikel 15a.06 Bijlage II Richtlijn 2006/87/EG inhoudende dat alle rondhouten (waaronder de masten) van goede kwaliteit moeten zijn.

Uit het deskundigenrapport van TNO blijkt dat de mastbreuk het gevolg is geweest van aantasting van het hout achter de gaffelplaat. Door inwatering via een langsscheur (ook wel genoemd windscheur) kon water achter de metalen plaat in het hout dringen. Door de aanwezigheid van de metalen plaat kon het hout niet aan de lucht drogen waardoor op die plek een nagenoeg permanent hoog vochtgehalte is ontstaan. Over een periode van twee jaar heeft dit geleid tot ernstige aantasting van het hout achter de plaat en als gevolg daarvan is het hout achter de plaat ernstig verzwakt. Uiteindelijk heeft dit geleid tot de breuk van de mast en het overlijden van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] .

Vastgesteld moet worden verdachte niet heeft voldaan aan de verplichting die op hem als eigenaar van het schip rustte om er voor te zorgen dat het schip in voldoende staat van onderhoud verkeerde om veilig te kunnen worden gebruikt. De rechtbank is echter van oordeel dat deze vaststelling op zichzelf onvoldoende is om te kunnen concluderen dat sprake is van strafrechtelijke schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht.

Beoordeling van de ten laste gelegde gedragingen

Of sprake is van aanmerkelijke schuld in de zin van artikel 307 van het Wetboek van Strafrecht wordt zoals hiervoor weergegeven bepaald door de manier waarop die schuld in de tenlastelegging nader is geconcretiseerd. Daarom zal de rechtbank in de eerste plaats beoordelen of en zo ja, welke aan verdachte ten laste gelegde gedragingen op zichzelf bewezen kunnen worden verklaard. Daarbij neemt zij in acht de op verdachte rustende zorgplicht en verantwoordelijkheid zoals die uit het voorgaande voortvloeit.

De schuld is in de tenlastelegging nader geconcretiseerd door het noemen van een zevental verzuimen c.q. nalatigheden waaraan verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt. Deze verwijten kunnen -kort samengevat- als volgt worden omschreven:

(1) verzuimen/nalaten onderhoudsplan voor de masten op te stellen

(2) verzuimen/nalaten zich te vergewissen van de staat van onderhoud van de masten na melding van twee slechte plekken

(3) verzuimen/nalaten te controleren van de gemelde slechte plekken in de mast op houtrot of andere gebreken

(4) verzuimen/nalaten te informeren over de wijze deugdelijke reparatie/behandeling van de mast

(5) verzuimen/nalaten de voortgang van de werkzaamheden aan de voorste mast te inspecteren terwijl de gaffelplaat is verwijderd en wederom is bevestigd

(6) het onderhoud laten verrichten door personen die niet specifiek deskundig waren met betrekking tot masten

(7) verzuimen/nalaten de (wezenlijke) reparaties te melden aan de aangewezen keuringsinstantie.

Ad 1. het onderhoudsplan

Vastgesteld kan worden dat verdachte geen onderhoudsplan voor de masten heeft opgesteld. Deze gedraging kan op zichzelf bewezen verklaard worden. Daarbij dient echter te worden opgemerkt dat niet gezegd kan worden dat verdachte daardoor niet heeft voldaan aan de verplichtingen die op hem als eigenaar van het schip rustten en dat hij daardoor verwijtbaar nalatig heeft gehandeld. Er is geen wettelijke verplichting voor de eigenaar van een passagiersschip een (schriftelijk) onderhoudsplan voor de masten op te stellen. Voorts geldt dat uit het ontbreken van een dergelijk plan niet afgeleid kan worden dat geen of onvoldoende onderhoud werd verricht. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is bovendien gebleken dat verdachte geregeld onderhoud aan de masten heeft laten uitvoeren, meest recent in de periode van februari tot april 2015.

Ad 2, 3, 4, 5. vergewissen van staat van onderhoud van de mast, controle van de mast, informeren over deugdelijke reparatie van de mast en het inspecteren van de voortgang van de werkzaamheden

Deze tenlastegelegde verzuimen/nalatigheden hangen samen en hebben betrekking op de werkzaamheden die aan de masten zijn verricht in de periode februari-april van 2015 toen het schip voor onderhoud op de scheepswerf in Leeuwarden lag. Dat er onderhoud is verricht aan de masten in opdracht van en in overleg met verdachte staat niet ter discussie. Het gaat er met name om of verdachte zich in voldoende mate heeft vergewist van de staat van de voorste mast en het verrichte onderhoud aan die mast, mede bezien tegen de achtergrond van de melding van een onderhoudsmedewerker over twee slechte plekken in die mast. De wetenschap van twee slechte plekken in de mast zou immers een bijzondere bijkomende omstandigheid kunnen zijn op grond waarvan verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden dat de mast niet in goede staat was en daarom temeer gehouden was om zich te vergewissen van de staat van de mast en de reparaties. In dit kader is van belang of de melding van de onderhoudsmedewerker betrekking had op de plek onder de gaffelplaat en of verdachte heeft geweten dat er een reparatie heeft plaatsgevonden onder de gaffelplaat. Daarbij dient echter te worden aangetekend dat uit het onderzoek is gebleken dat de aanwezigheid van reparatielatten achter de gaffelplaat, die zijn aangebracht voordat verdachte het schip aankocht, noch de vervanging van een deel van die latten, van invloed is geweest op het ontstaan van de breuk. Van belang is wel dat mede gelet op de bevindingen en conclusies in het onderzoeksrapport van TNO ten tijde van deze reparatie in 2015 mogelijk gesignaleerd had kunnen worden dat achter die latten sprake was van aantasting van het hout.

[getuige 2] (de onderhoudsmedewerker), [getuige 3] (de timmerman) en [getuige 4] (de schilder) hebben in de betreffende periode werkzaamheden aan de mast verricht en zij hebben daarover verklaringen afgelegd ten overstaan van de politie. [getuige 2] en [getuige 3] hebben ook tijdens het onderzoek ter terechtzitting als getuige verklaringen afgelegd.

De rechtbank begrijpt de verklaringen van [getuige 2] bij de politie aldus dat hij plekken heeft gezien die hij niet vertrouwde, dat hij dit heeft gemeld aan verdachte en dat deze plekken door [getuige 3] zijn gerepareerd met ingezette stukken hout. Anderzijds kan worden vastgesteld dat [getuige 3] twee reparaties aan de voorste mast heeft verricht, één aan het onderste deel van de mast en één in het deel van de mast achter de gaffelplaat. Hieruit zou volgen dat de melding van [getuige 2] aan verdachte betrekking moet hebben gehad op deze twee reparaties en dus ook op een slechte plek achter de gaffelplaat. Dit past echter niet bij zijn verklaring inhoudende dat hij de twee plekken constateerde toen de mast nog buiten lag en de gaffelplaat er nog op zat. Het sluit ook niet aan bij de verklaring van [getuige 3] , dat hij de twee reparaties geheel op eigen initiatief heeft verricht. Voorts valt op dat uit de verklaringen van [getuige 3] blijkt dat de door hem verrichte reparaties niet werden uitgevoerd omdat sprake was van "slechte plekken" als bedoeld door [getuige 2] . De reparatie in het onderste deel van de mast had volgens [getuige 3] in ieder geval niet te maken met aangetast of rottend hout; het ging (daar) om een windscheur die hij repareerde omdat het er niet mooi uitzag. Ook de reparatie achter de gaffelplaat had volgens [getuige 3] niet te maken met een slechte plek in het hout, maar met uitgescheurde schroeven.

Verdachtes verklaring dat hij op de hoogte is gesteld door [getuige 2] van twee plekken of plekjes op de mast maar dat dit naast de plek in het onderste deel van de mast ging om een plek in de top van de bezaanmast acht de rechtbank gelet op de verklaringen van [getuige 2] en [getuige 3] niet aannemelijk. De rechtbank gaat er vanuit dat de melding van [getuige 2] betrekking had op twee plekken op de voorste mast, maar de rechtbank constateert tevens dat niet meer vastgesteld kan worden dan dat. Onvoldoende duidelijk is geworden over welke plekken dit ging. Dat het (ook) ging om een plek achter de gaffelplaat kan in ieder geval niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld. Dat verdachte heeft gezien en/of geweten dat de gaffelplaat tijdens het onderhoud van 2015 is verwijderd, dat hij heeft geweten van de aanwezigheid van reparatielatten achter de gaffelplaat en van de door [getuige 3] daaraan verrichte reparatie kan naar het oordeel van de rechtbank gelet op de niet eenduidige verklaringen hieromtrent van [getuige 2] , [getuige 3] , [getuige 4] en verdachte evenmin worden vastgesteld.

Dit laat echter onverlet de vraag of verdachte zich in voldoende mate heeft vergewist van de staat van de mast en het verrichte onderhoud aan de mast, mede bezien tegen de achtergrond van de melding van [getuige 2] over twee slechte plekken. Verdachte heeft opdracht gegeven onderhoud te verrichten. Dit ging onder meer om werkzaamheden als het schuren en lakken van de voorste mast. Hij heeft niet expliciet opdracht gegeven tot controle van de staat van de mast, maar verdachte ging er naar eigen zeggen vanuit dat tijdens de werkzaamheden wel zou blijken of er meer aan de mast gedaan zou moeten worden en dat komt de rechtbank niet onlogisch voor. [getuige 2] verklaring inhoudende dat hij de mast heeft gecontroleerd op rotte plekken sluit daarbij aan en ook [getuige 3] heeft verklaard de mast te hebben bekeken. Verdachte had zich echter beter op de hoogte moeten laten stellen van de bevindingen van de mensen die hij werkzaamheden aan de mast liet verrichten en hij had duidelijkheid moeten zien te verkrijgen over de werkzaamheden en reparaties die verricht werden.

Ook speelt een rol dat van een schipper verwacht mag worden dat hij de onderhoudstoestand van het schip voortdurend op deugdelijkheid controleert en op dit aspect continu waakzaam is.

Hij heeft aldus onvoldoende controle en toezicht gehouden op die werkzaamheden. Daardoor wist verdachte niet dat de gaffelplaat is verwijderd, dat er reparatielatten achter de gaffelplaat zaten en dat een deel van die latten is vervangen.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich niet in voldoende mate heeft vergewist van de staat van de mast en het verrichtte onderhoud aan de mast.

Ad 6. niet specifiek deskundige personen

Verdachte heeft het onderhoud aan de mast laten verrichten door [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] . [getuige 2] werkte al enkele jaren als onderhoudsmedewerker voor verdachte aan zijn schepen. [getuige 3] was een gepensioneerd timmerman die geregeld werkzaamheden deed voor verdachte. Ook [getuige 4] , wiens werkzaamheden overigens beperkt waren tot schuren en lakken, had eerder houten masten geschuurd en gelakt op diverse andere schepen. Verdachte vertrouwde op hun deskundigheid. Gelet op de aard van de door verdachte beoogde onderhoudswerkzaamheden in de vorm van schuren en lakken (en inherent daaraan controle van de staat van de mast en waar nodig herstelwerk) is de rechtbank van oordeel dat hem geen verwijt kan worden gemaakt dat hij die werkzaamheden heeft opgedragen aan en/of heeft laten verrichten door voornoemde personen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat keurmeester [getuige 1] bij de politie met betrekking tot reparaties aan de mast achter de plaat desgevraagd heeft verklaard dat niet is voorgeschreven hoe die reparaties verricht moeten worden maar dat het deugdelijk moet zijn en dat een ieder de reparaties mag uitvoeren. [getuige 3] mocht als ervaren timmerman in staat worden geacht de door hem verrichte reparaties deugdelijk uit te voeren.

De rechtbank tekent hierbij aan dat voorstelbaar is dat in een situatie waarin de aantasting van het hout achter de gaffelplaat zou zijn gesignaleerd en/of over zou zijn gegaan tot ingrijpendere reparaties, het wel op de weg van verdachte had gelegen iemand met meer specifieke deskundigheid in te schakelen.

Ad 7. verzuimen de (wezenlijke) reparaties te melden aan de aangewezen keuringsinstantie

Op grond van de verklaringen van [getuige 5] en [getuige 1] stelt de rechtbank vast dat verdachte geen reparaties heeft gemeld aan de aangewezen keuringsinstantie. Volgens [getuige 5] van Register Holland is een eigenaar verplicht om reparaties als het plaatsen van inzetstukken in een mast te melden. Dit wordt geregistreerd en bij de inspectie wordt daar dan ook extra aandacht aan besteed. Ook keurmeester [getuige 1] heeft verklaard dat de ingezette stukken in de mast van de Amicitia gemeld hadden moeten worden. Overigens is het binnen de branche kennelijk niet gebruikelijk om de keuringsinstanties reparaties te melden in de vorm van het inzetten van een stuk in de mast. Zo verklaart [getuige 1] dat het de praktijk is dat het inzetten van stukken in de mast nooit wordt gemeld.

Nadere overwegingen

Cruciaal voor de beantwoording van de schuldvraag is of tijdens de werkzaamheden in 2015 gesignaleerd had kunnen en moeten worden dat er sprake was van ernstige aantasting van het hout achter de gaffelplaat.

In het onderzoeksrapport van TNO wordt aangegeven dat er extra schroefgaten aanwezig waren, dat de schroeven in die extra schroefgaten zeer waarschijnlijk zijn aangebracht omdat een deel van de schroeven een geringe hechting in het hout had en dat dit tijdens het demonteren en monteren van de plaat opgemerkt moet zijn. Meerdere schroeven met een geringe hechting in het hout is volgens het onderzoeksrapport een sterke aanwijzing voor aantasting van het achterliggende hout. Uit de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] en verdachte leidt de rechtbank af dat inderdaad geconstateerd is dat er veel schroeven waren en dat een deel van de schroeven was losgerukt. De oorzaak daarvan was echter kennelijk gelegen in de krachten die uitgeoefend worden door de gaffelklauw op de gaffelplaat en een incident van enige jaren geleden waarbij de gaffelplaat door een gijp beschadigd is geraakt. In dit licht bezien kan de aanwezigheid van meerdere schroeven met geringe hechting in het hout niet gezien worden als een (sterke) aanwijzing voor aantasting van het onderliggende hout.

In het onderzoeksrapport wordt voorts aangegeven dat na het verwijderen van de metalen plaat, door de deskundige enkele zeer donkere zones in het mastoppervlak achter de metalen plaat zijn waargenomen. Die donkere zones waren locaties waar de aantasting van het hout zichtbaar was aan het oppervlak. Volgens het rapport is het zeer waarschijnlijk dat een deel van deze zeer donkere zones al meer dan een jaar aanwezig is geweest en dus zichtbaar is geweest toen de mast in 2015 voor het laatst werd gelakt. De rechtbank stelt vast dat als dit inderdaad zichtbaar is geweest dit gezien moet zijn door de drie mensen die destijds aan de mast hebben gewerkt. Uit hun verklaringen blijkt echter dat zij geen verkleuringen hebben gezien. [getuige 2] spreekt niet over kleurverschil, [getuige 4] noemt wel de afwijkende kleur van de latten maar geen ander kleurverschil. Ook [getuige 3] heeft geen kleurverschil genoemd. Hij heeft in zijn verklaringen bij de politie daarentegen wel meermalen gezegd dat het hout niet verrot was, dat er geen vochtige plekken waren en dat de mast goed was. De rechtbank gaat er op grond van de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] vanuit dat de donkere zones ten tijde van de werkzaamheden in 2015 niet zichtbaar waren. De rechtbank gaat voorbij aan de verklaring van [getuige 3] ter terechtzitting inhoudende dat hij schimmel heeft gezien en het niet vertrouwde, nu deze verklaring in ernstige mate afwijkt van wat hij bij de politie heeft verklaard en een redengevende verklaring daarvoor achterwege is gebleven.

Tenslotte is in het onderzoeksrapport nog aangegeven dat het aanwezig zijn van de zes reparatielatten achter de plaat een signaal had kunnen zijn dat zich daar een ander degradatieproces afspeelde dan in de rest van de mast. De rechtbank deelt deze conclusie niet. Uit het onderzoek is niet gebleken dat de aanwezigheid van de reparatielatten te maken had met een degradatieproces. Integendeel, kennelijk zijn deze latten ingebracht voordat de beschermplaat op de mast zat en betreft het een reparatie van beschadiging ten gevolge van het voortdurend schuren van de gaffelklauw tegen de mast. Zoals al eerder overwogen staat de aanwezigheid van reparatielatten ook niet in direct verband met de mastbreuk.

In dit verband is voorts nog van belang dat de aanwezigheid van de windscheur die eindigde achter de gaffelplaat en die de oorzaak is geweest van de inwatering die tot aantasting van het hout heeft geleid, mogelijk een signaal had moeten zijn voor extra alertheid. Verdachte heeft verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van deze windscheur en ook [getuige 3] heeft verklaard dat deze windscheur hem niet is opgevallen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat niet is gebleken dat verdachte zich bewust is geweest van de later gebleken risico’s van de aanwezigheid van een windscheur in combinatie met een gaffelplaat. De rechtbank ziet in de stukken en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende grondslag voor de conclusie dat hij dit wel had moeten weten dan wel dat dit een signaal had moeten zijn.

Niet is gebleken van overige feiten of omstandigheden die verdachte aanleiding hadden moeten geven in het bijzonder aandacht te besteden aan de staat van het hout van de mast achter de gaffelplaat. Opmerking verdient nog dat inspecteur [getuige 5] van Register Holland heeft verklaard dat een metalen beschermplaat als waar het hier om gaat tijdens een inspectie niet wordt losgemaakt, tenzij daar aanleiding voor is en dat hij zich voor kan stellen dat dit in de toekomst wel gebeurt bij een inspectie.

Resumerend stelt de rechtbank vast dat ten tijde van de werkzaamheden in 2015 niet gesignaleerd is en niet gezegd kan worden dat gesignaleerd had moeten worden dat sprake was van aantasting van het hout achter de gaffelplaat.

Concluderende overwegingen

De rechtbank heeft eerder overwogen dat verdachte - kort samengevat - onvoldoende zicht heeft gehad en gehouden op de staat van de mast en de verrichtte werkzaamheden. Voorts heeft hij hem bekende reparaties niet gemeld aan de keuringsinstantie.

De rechtbank acht echter niet bewijsbaar dat deze specifieke gedragingen van verdachte verwijtbaar zijn in de zin van grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig handelen en in zodanig verband staan met het overlijden van de slachtoffers dat dit het toerekenen van dat overlijden aan (de gedragingen van) verdachte redelijk maakt. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de mastbreuk is veroorzaakt door een uiterst noodlottige samenloop van omstandigheden en dat er geen signalen zijn geweest die aanleiding hadden moeten geven tot bijzondere alertheid. Ook als verdachte zich meer had laten informeren over de staat van onderhoud van de mast, hij meer toezicht had gehouden op de verrichtte werkzaamheden en de reparaties had gemeld, had dit waarschijnlijk niet gemaakt dat de aantasting van het hout achter de gaffelplaat tijdig was onderkend. Naar het oordeel van de rechtbank is de ondergrens van schuld aan het overlijden van de slachtoffers in strafrechtelijke zin niet overschreden.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde feit.

De nabestaanden

De rechtbank begrijpt dat deze beoordeling en de daaruit voortvloeiende juridische conclusie (zeer) teleurstellend zal zijn voor de nabestaanden van de overleden [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] . Zoals de rechtbank hierboven ook al overwogen heeft, mag de ernst van de gevolgen van het ongeval niet meespelen bij de juridische beoordeling van de schuldvraag. Dit wil echter geenszins zeggen dat de rechtbank geen oog heeft gehad voor het blijvende leed, verdriet en gemis voor de nabestaanden van de slachtoffers, zoals dat ter terechtzitting ook indringend naar voren is gebracht door de heer Christian Halm.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart de dagvaarding geldig.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 november 2018.

Mr. Jansen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.