Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4833

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
29-11-2018
Zaaknummer
18/740009-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het meermalen met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 150 uren met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden algemene en bijzondere voorwaarden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 77x
Wetboek van Strafrecht 77y
Wetboek van Strafrecht 77z
Wetboek van Strafrecht 77aa
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 244
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-1026
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/740009-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans verblijvende bij Ambiq, Voltastraat 4, 7903 AB Hoogeveen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 juli 2018 en 15 november 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.E. Wielinga, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.A. van der Vliet.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 12 januari 2018 te

[pleegplaats] , (althans) in de gemeente Ooststellingwerf,

met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2011,

die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt,

(meermalen) een of meer handelingen heeft gepleegd, die (telkens) bestonden

uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die

[slachtoffer] ,

te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of de anus van

die [slachtoffer] en/of het houden van zijn, verdachtes, penis tegen de

vagina en/of tegen de anus en/of tegen en/of tussen de billen van die [slachtoffer]

en/of het (zich) laten aftrekken en/of het laten betasten van zijn,

verdachtes, penis door die [slachtoffer] ;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2017 tot en met 12 januari 2018 te

[pleegplaats] , (althans) in de gemeente Ooststellingwerf,

(meermalen) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2011, die toen de

leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt,

buiten echt,

(telkens) een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten

het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond en/of de anus van

die [slachtoffer] en/of het houden van zijn, verdachtes, penis tegen de

vagina en/of tegen de anus en/of tegen en/of tussen de billen van die [slachtoffer]

en/of het (zich) laten aftrekken en/of het laten betasten van zijn,

verdachtes, penis door die [slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde, met uitzondering van het onderdeel het seksueel binnendringen met de penis in de anus.

De bewezenverklaring steunt op het studioverhoor van [slachtoffer] en de bekennende verklaring van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - evenals de officier van justitie - betoogd dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden, met uitzondering van het ten laste gelegde seksueel binnendringen met de penis in de anus. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte voornoemde handeling ontkent en [slachtoffer] hieromtrent tijdens het studioverhoor wisselend heeft verklaard. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de ten laste gelegde periode ruim is. Uit de inhoud van het strafdossier leidt de raadsman af dat de door verdachte verrichte handelingen zich hebben voorgedaan na de zomerperiode in 2017. De pleegperiode zou derhalve beperkt kunnen worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde, met uitzondering van het ten laste gelegde seksueel binnendringen met de penis in de anus, wettig en overtuigend bewezen.

Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte ontkent stellig dat hij deze handeling heeft verricht. [slachtoffer] heeft hieromtrent wisselend verklaard en in het strafdossier bevinden zich geen ondersteunende bewijsmiddelen. Dat deze handeling heeft plaatsgevonden, kan daarom niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Wat betreft de pleegperiode overweegt de rechtbank dat noch verdachte, noch [slachtoffer] , eenduidig hebben verklaard over wanneer de ten laste gelegde handelingen zich hebben voorgedaan. De rechtbank acht op grond van de hierna opgegeven bewijsmiddelen de pleegperiode van 1 september 2017 tot en met 12 januari 2018 wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 7 maart 2018, opgenomen op pagina 77 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018011394 d.d. 22 maart 2018, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d.

15 januari 2018, opgenomen op pagina 38 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [benadeelde partij] , de moeder van [slachtoffer] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

verdachte in de periode van 1 september 2017 tot en met 12 januari 2018 te [pleegplaats] ,

in de gemeente Ooststellingwerf, met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2011, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, meermalen handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en

het houden van zijn, verdachtes, penis tegen de vagina en tegen of tussen de billen van die [slachtoffer] en het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 200 uren met een proeftijd van 2 jaren met daaraan gekoppeld de algemene en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad voor de Kinderbescherming. De officier van justitie heeft bij haar strafeis in het bijzonder rekening gehouden met de persoon van verdachte.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij de bepaling van de straf rekening te houden met de persoon van verdachte en de noodzaak tot behandeling. Verdachte wordt in de uitgebrachte rapportages verminderd toerekeningsvatbaar geacht. Daar komt bij dat de strafzaak reeds veel gevolgen heeft gehad voor verdachte en zijn familie. Verdachte woont niet langer thuis en verblijft in een instelling. De raadsman heeft daarom gepleit voor een lagere voorwaardelijke werkstraf dan door de officier van justitie gevorderd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft met [slachtoffer] , die samen met hem verbleef in een zorgboerderij, een aantal malen seksueel contact gehad, waarbij ook sprake was van seksueel binnendringen. [slachtoffer] was toen zes jaar oud. Verdachte was toen veertien jaar oud. Door zijn seksuele handelingen heeft verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer] . Dit doorkruist en verstoort een normale en gezonde seksuele ontwikkeling. Kinderen van een dergelijk jonge leeftijd kunnen de gevolgen van deze handelingen nog niet overzien. Zij dienen daarom hiertegen te worden beschermd. Verdachte heeft zich laten leiden door de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften, zonder zich rekenschap te geven van de mogelijke schadelijke gevolgen hiervan voor [slachtoffer] . Algemeen bekend is dat jeugdige slachtoffers van dergelijke zedendelicten in de regel geruime tijd de psychische gevolgen ondervinden van hetgeen hen is aangedaan.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 5 juni 2018, niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.

De rechtbank heeft acht geslagen op de Pro Justitia rapportages van 19 oktober 2018 en van 23 oktober 2018 opgesteld door respectievelijk I.E. Troost, kinder- en jeugdpsychiater en M.G.B. Hollander-Peijmen, arts in opleiding tot psychiater en drs. D.W.M. Kragt,

GZ-psycholoog. In voornoemde rapportages is - onder meer - het volgende weergegeven.

Er is sprake van een ziekelijke stoornis en/of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een autismespectrumstoornis. Deze stoornis was ten tijde van het tenlastegelegde aanwezig en deze beïnvloedde de gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde. Geadviseerd wordt om verdachte het tenlastegelegde in een verminderde mate toe te rekenen. Door de autismespectrumstoornis van verdachte is de kans op herhaling van hetgeen hem ten laste wordt gelegd zonder behandeling matig en met behandeling laag. Om toekomstige problemen en recidive te voorkomen is het van belang dat verdachte behandeling/begeleiding krijgt gericht op zijn autismespectrumstoornis.

Geadviseerd wordt om de (ambulante) behandeling te laten plaatsvinden in het kader van een bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke werkstraf. De jeugdreclassering kan toezien op het naleven van deze voorwaarden.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 24 april 2018, de aanvullende informatie van de Raad van 28 juni 2018 en het aanvullend advies van de Raad van 9 november 2018.

De Raad adviseert verdachte een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen.

Tevens acht de Raad oplegging van jeugdreclasseringstoezicht en bijzondere voorwaarden in de zin van een meldplicht en het meewerken aan een behandeling bij FJP Accare geïndiceerd. Ter terechtzitting heeft de Raad desgevraagd toegelicht dat, in tegenstelling tot het eerdere advies van 28 juni 2018, thans niet is geadviseerd om een bijzondere voorwaarde in de zin van een verblijf dan wel opname in een instelling op te leggen. Dit omdat nog onduidelijkheid bestaat over het perspectief van verdachte en er zo meerdere opties open kunnen worden gehouden. Daar komt bij dat verdachte, alsmede zijn vader en stiefmoeder, inzien dat verdere begeleiding nodig is en zij allen bereid zijn hieraan hun medewerking te verlenen.

De rechtbank verenigt zich met de conclusies van de deskundigen en maakt deze tot de hare. De rechtbank is daarom van oordeel dat het hiervoor bewezen verklaarde aan verdachte kan worden toegerekend, zij het in verminderde mate.

Hoewel de ernst en de aard van het strafbare feit in beginsel een onvoorwaardelijke jeugddetentie van enige omvang rechtvaardigen, acht de rechtbank het gelet op de persoon en de zeer jonge leeftijd van verdachte, onwenselijk dat verdachte gedetineerd komt te zitten. Verdachte woont sinds zijn aanhouding niet meer thuis maar verblijft bij Ambiq waar hij de nodige begeleiding en behandeling krijgt. Een jeugddetentie zou de huidige begeleiding en behandeling onderbreken en mogelijk teniet doen. De rechtbank acht, alles afwegende, een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 150 uren met een proeftijd van 2 jaren passend en geboden.

Aan deze voorwaardelijke straf worden algemene en bijzondere voorwaarden verbonden, zoals geadviseerd en nader toegelicht door de Raad ter terechtzitting, om te voorkomen dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig maakt aan soortgelijke strafbare feiten.

Benadeelde partijen

[benadeelde partij] heeft zich zowel voor zichzelf als in haar hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [slachtoffer] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade van totaal € 2.500,-. Van dit bedrag vordert zij voor [slachtoffer] € 2.000,-, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan en voor zichzelf € 500,-, eveneens vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering tot schadevergoeding niet ontvankelijk te verklaren, omdat de hoogte van de door [slachtoffer] en haar moeder geleden schade - en mogelijk in de toekomst nog te lijden schade - op dit moment niet kan worden onderbouwd. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partijen de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafproces.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens bepleit de vordering tot schadevergoeding niet ontvankelijk te verklaren. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het gevorderde bedrag onvoldoende is onderbouwd. Of [slachtoffer] psychische schade heeft geleden als gevolge van het bewezen verklaarde is vooralsnog niet duidelijk.

Mocht in de toekomst alsnog aantoonbare schade ontstaan, kan de vordering bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voor wat betreft de door de moeder gevorderde schade stelt de raadsman zich op het standpunt dat eventuele shockschade onvoldoende is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is gelet op de inhoud van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting voldoende komen vast te staan dat door het bewezen verklaarde een ernstige inbreuk op de persoonlijke integriteit van [slachtoffer] is gepleegd en dat daardoor nadeel is ontstaan dat niet uit vermogensschade bestaat, dat voor vergoeding in aanmerking komt en naar billijkheid moet worden vastgesteld.

De rechtbank acht toewijzing tot een bedrag van € 500,- billijk als tot op heden geleden schade en zal de vordering dan ook tot dit bedrag toewijzen.

Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de overige gevorderde schade en mogelijk in de toekomst nog te lijden schade, te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering voor het overige dan ook niet ontvankelijk verklaren.

De vordering kan voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Voor zover de vordering ziet op vergoeding van door de moeder geleden immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Feitelijk doet de moeder van [slachtoffer] een beroep op vergoeding van affectieschade, ontstaan bij haar, als moeder, als gevolg van de handelingen van verdachte bij haar dochter. Voor vergoeding van dit soort schade biedt de wet geen ruimte. Voor zover de moeder bedoelt een beroep te doen op vergoeding van shockschade, ontstaan bij haarzelf, overweegt de rechtbank dat volgens vaste jurisprudentie daarvoor sprake moet zijn van geestelijk letsel, voortvloeiend uit een hevige emotionele schok door het waarnemen van het misdrijf of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, hetgeen zich met name voor zal doen als sprake is van een nauwe (affectieve) band. De onderbouwing van geestelijk letsel ontbreekt echter in het geheel. Reeds hierom acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de moeder shockschade heeft geleden.

De rechtbank zal dit gedeelte van de vordering dan ook afwijzen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag van € 500,- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 77a, 77g, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg en 244 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een werkstraf voor de duur van 150 uren.

Bepaalt dat deze werkstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, schuldig heeft gemaakt aan de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, vervangende jeugddetentie voor de duur van 75 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht.

Stelt als algemene voorwaarden:

a. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

b. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

c. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van de uitspraak meldt bij de jeugdreclassering van stichting Jeugdbescherming Noord en Veilig Thuis Groningen, locatie Assen, gedurende een door deze instelling te bepalen periode en dat hij zich daarna zal blijven melden zo lang en zo frequent als deze instelling dat noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd medewerking verleent aan de behandeling door FJP Accare, of soortgelijke instelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die instelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor een autismespectrumstoornis.

Draagt voornoemde jeugdreclassering op toezicht te houden op de naleving van de bijzondere voorwaarde en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 november 2017.

Bepaalt dat de vordering voor zover die ziet op de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet ontvankelijk wordt verklaard en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat de vordering voor zover die ziet op de benadeelde partij [benadeelde partij]

wordt afgewezen.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro) aan immateriële schade, en stelt de bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen jeugddetentie op nihil.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. B.I. Klaassens, voorzitter, tevens kinderrechter, mr.

G. Eelsing en mr. M. van den Steenhoven, rechters, bijgestaan door mr. H.

Wachtmeester-Koning, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 november 2018.