Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:483

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-02-2018
Datum publicatie
14-02-2018
Zaaknummer
18/930250-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van

1. art 141 Sr openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

2. art 141 Sr openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

3. overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 voorwaardelijk

met daarbij als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich na schriftelijke uitnodiging meldt bij Reclassering Nederland. Dat veroordeelde zich blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde deelneemt aan de gedragsinterventie Alcohol en Geweld.

en

een ontzegging van de bevoegdheid een motorrijtuig te besturen voor de duur van

6 maanden, voorwaardelijk

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 141
Wegenverkeerswet 1994 8
Wegenverkeerswet 1994 176
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/930250-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 februari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1986 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 januari 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. K.B. Spoelstra, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Klee.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 08 oktober 2017 te of nabij Ees, althans in de gemeente

Borger-Odoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk

[slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

- die [slachtoffer 1] tegen de grond heeft gewerkt, waarbij verdachte met zijn volle/grote gewicht op die [slachtoffer 1] terecht is gekomen en op die [slachtoffer 1] is blijven liggen en/of

- de keel/hals van die [slachtoffer 1] heeft dichtgedrukt/dichtgeknepen en/of lange/enige tijd dichtgedrukt/dichtgeknepen heeft gehouden en/of

- ( ook anderszins) de zuurstoftoevoer voor die [slachtoffer 1] lange/enige tijd afgesloten heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

[medeverdachte] op of omstreeks 08 oktober 2017 te of nabij Ees, althans in de

gemeente Borger-Odoorn, ter uitvoering van het door deze voorgenomen misdrijf

om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet

- die [slachtoffer 1] tegen de grond heeft gewerkt, waarbij hij met zijn volle/grote gewicht op die [slachtoffer 1] terecht is gekomen en op die [slachtoffer 1] is blijven liggen en/of

- de keel/hals van die [slachtoffer 1] heeft dichtgedrukt/dichtgeknepen en/of lange/enige tijd dichtgedrukt/dichtgeknepen heeft gehouden en/of

- ( ook anderszins) de zuurstoftoevoer voor die [slachtoffer 1] lange/enige tijd afgesloten heeft gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 08 oktober 2017 te of nabij Ees, althans in de gemeente Borger-Odoorn,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of

inlichtingen heeft verschaft door

- politieman [slachtoffer 2] fysiek te beletten zijn collega [slachtoffer 1] te hulp te komen, door met die [slachtoffer 2] in gevecht/worsteling te gaan en/of te blijven en/of

- door (meermalen) die [slachtoffer 2] bij die [medeverdachte] en die [slachtoffer 1] weg te duwen en/of te trekken;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 08 oktober 2017 te of nabij Ees, althans in de gemeente

Borger-Odoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan [slachtoffer 1]

, zijnde een (politie)ambtenaar gedurende en/of ter zake van de

rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet - die [slachtoffer 1] tegen de grond heeft gewerkt, waarbij verdachte met zijn volle/grote gewicht op die [slachtoffer 1] terecht is gekomen en op die [slachtoffer 1] is blijven liggen en/of - de keel/hals van die [slachtoffer 1] heeft dichtgedrukt/dichtgeknepen en/of lange/enige tijd dichtgedrukt/dichtgeknepen heeft gehouden en/of - (ook anderszins) de zuurstoftoevoer voor die [slachtoffer 1] lange/enige tijd afgesloten heeft gehouden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair

[medeverdachte] op of omstreeks 08 oktober 2017 te of nabij Ees, althans in de

gemeente Borger-Odoorn, ter uitvoering van het door deze voorgenomen misdrijf

om aan [slachtoffer 1], zijnde een (politie)ambtenaar gedurende en/of ter zake van

de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk

letsel toe te brengen, met dat opzet

- die [slachtoffer 1] tegen de grond heeft gewerkt, waarbij hij met zijn volle/grote gewicht op die [slachtoffer 1] terecht is gekomen en op die [slachtoffer 1] is blijven liggen en/of

- de keel/hals van die [slachtoffer 1] heeft dichtgedrukt/dichtgeknepen en/of lange/enige tijd dichtgedrukt/dichtgeknepen heeft gehouden en/of

- ( ook anderszins) de zuurstoftoevoer voor die [slachtoffer 1] lange/enige tijd afgesloten heeft gehouden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 08

oktober 2017 te of nabij Ees, althans in de gemeente Borger-Odoorn,

opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen

en/of inlichtingen heeft verschaft door

- politieman [slachtoffer 2] fysiek te beletten zijn collega [slachtoffer 1] te hulp te komen, door met die [slachtoffer 2] in gevecht/worsteling te gaan en/of te blijven en/of

- door (meermalen) die [slachtoffer 2] bij die [medeverdachte] en die [slachtoffer 1] weg te duwen en/of te trekken;

meest subsidiair

hij op of omstreeks 08 oktober 2017 te of nabij Ees, althans in de gemeente Borger-Odoorn, openlijk, te weten, op of aan, althans zichtbaar vanaf, de openbare weg de Odoornerstraat, in elk geval op of aan, althans zichtbaar vanaf, een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1], door die [slachtoffer 1] tegen de grond te werken en/of door met die [slachtoffer 1] in gevecht/worsteling te gaan en/of lange/enige tijd met die [slachtoffer 1] in gevecht/worsteling te blijven;

2.

hij op of omstreeks 08 oktober 2017 te of nabij Ees, althans in de gemeente

Borger-Odoorn, openlijk, te weten, op of aan, althans zichtbaar vanaf, de openbare weg de Odoornerstraat, in elk geval op of aan, althans zichtbaar vanaf, een openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], door te proberen die [slachtoffer 2] tegen de grond te werken en/of door met die

[slachtoffer 2] in gevecht/worsteling te gaan en/of lange/enige tijd met die [slachtoffer 2] in gevecht/worsteling te blijven;

3.

hij op 08 oktober 2017 te Ees, althans in de gemeente Borger-Odoorn, als bestuurder van een voertuig, (motorrijtuig (auto)), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 595 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het 1 meest subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op een poging doodslag of zware mishandeling. Verdachte kon vanwege het feit dat hij was gepepperd niet, of nauwelijks iets zien, en richtte zich op verbalisant [slachtoffer 2] die hij af en toe wel zag. Hij wist niet wat er gaande was tussen medeverdachte en verbalisant [slachtoffer 1], dus was er ook geen sprake van medeplegen of medeplichtigheid aan deze feiten. Ook voor het meest subsidiair ten laste gelegde is onvoldoende bewijs. Er was geen sprake van in vereniging geweld plegen tegen verbalisant [slachtoffer 1], nu verdachte enkel in gevecht is geweest met verbalisant [slachtoffer 2]. Ten aanzien van de feiten 2 en 3 refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 30 januari 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik beken dat ik met drank op in de auto heb gereden. Dat is heel erg dom geweest, direct nadat we werden aangehouden, realiseerde ik me dat ik een fout had begaan en ik was daardoor zeer geïrriteerd. Dat heeft bepaald hoe ik heb gereageerd op de gebeurtenissen. Ik weet niet meer precies hoe het gegaan is allemaal, het is in grote lijnen gegaan zoals de verbalisanten zeggen. Ik heb veel spijt van wat er gebeurd is.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 oktober 2017 pagina 55 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2017266987-43 d.d. 6 december 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Ik doe aangifte van poging doodslag op 8 oktober 2017 te Ees. Er is een dwangmatige kracht van meer dan geringe betekenis op mij uitgeoefend en ik was in de veronderstelling, door hetgeen gebeurd is, dat ik zou stikken en dood zou gaan. Door het incident heb ik letsel opgelopen. Ik hoorde [slachtoffer 2] (de rechtbank begrijpt: verbalisant [slachtoffer 2]) roepen dat de bestuurder (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte]) hem los moest laten. Ik zag dat de bestuurder hieraan geen gehoor gaf. Ik sloeg de bestuurder met de wapenstok. Ik hoorde achter mij geschreeuw, en ik zag en voelde ik dat de bijrijder (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) mij vast pakte. Er ontstond een wilde worsteling waarbij wij op de grond belandden. De bijrijder had zijn arm om mijn gezicht. Ik voelde dat de man met zijn volle gewicht op mij belandde. Dit deed zeer. Ik voelde dat ik geen lucht meer kreeg. Op dat moment was ik in paniek en angst. Ik had het gevoel dat als dit niet stopt dan stik ik en ga ik dood. Ik voelde een doodsangst. Door de arm werd mijn neus en mijn mond afgesloten om adem te halen.

Ik hoorde een schot en daarna verslapte zijn grip. Ik kon daardoor vrij komen. Ik trok mijn vuurwapen, de andere man (de rechtbank begrijpt verdachte [verdachte]) kwam naar ons toegelopen. Ik riep dat de andere man moest blijven staan en daar gaf hij geen gehoor aan. Toen gaf ik een waarschuwingsschot. Hij ging op de grond zitten.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 oktober 2017, opgenomen op pagina 66 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2]:

Ik doe aangifte van mishandeling, de kracht die op mij werd uitgeoefend heeft bij mij pijn dan wel letsel veroorzaakt. Ik voelde dat de bestuurder (de rechtbank begrijpt: verdachte [verdachte]) mij te pakken kreeg en mij vast greep bij mijn kleding. Ik schreeuwde dat hij mij moest los laten. Ik probeerde los te komen. Ik voelde aan de beweging die hij maakte dat hij mij op de grond probeerde te gooien. Ik zag dat [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: verbalisant [slachtoffer 1]) de bestuurder meerdere malen op zijn rug sloeg met zijn wapenstok. Ik zag dat de bestuurder niet reageerde op de klappen die hij van [slachtoffer 1] kreeg. Ik zag en voelde dat de worsteling tussen mij en de bestuurder steeds voort ging. Ik voelde dat hij mij nog steeds vasthield. Ik zag dat de bijrijder (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]) [slachtoffer 1] aanvloog, nadat hij de bestuurder had geslagen. Ik zag dat ze beiden in een worsteling op de grond kwamen. Ik schreeuwde: “Laat los”. Ik heb de bijrijder vijf keer hard in de rug geschopt. Ik zag dat dit geen effect had. Ik zag dat de bijrijder [slachtoffer 1] in een verwurging hield. Nadat ik had geschopt vloog de bestuurder mij weer aan. Ik zag dat de bijrijder zijn greep op [slachtoffer 1] niet losliet na het waarschuwingsschot. Ik zag dat dat de bijrijder nog steeds op [slachtoffer 1] lag, en dat [slachtoffer 1] nog steeds geen lucht kreeg. Na secondenlang richten heb ik op de bijrijder geschoten. Ik zag en hoorde nog geen reactie van de bijrijder, ik zag dat [slachtoffer 1] zich los wist te wurmen. Ze zijn gericht op ons afgekomen en hebben ons gepakt. De bijrijder heel gericht op [slachtoffer 1] en de bestuurder gericht op mij. Ze wisten wel degelijk wat ze zagen en deden. De reden dat ik niet bij [slachtoffer 1] kon komen is dat de bestuurder mij er fysiek van weerhield.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van rijden onder invloed.

d.d. 12 oktober 2017, opgenomen op pagina 77 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Aan verdachte [verdachte] is medegedeeld dat het onderzoeksresultaat van de ademanalyse van zijn adem 595 ug/l bedroeg.

Ten aanzien van feit 1 en 2 overweegt de rechtbank het volgende;

Uit het proces-verbaal en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht is de rechtbank het volgende gebleken:

Inleiding

Op 8 oktober 2017 worden verdachte [verdachte], medeverdachte [medeverdachte] en [naam] aangehouden nabij de parkeerplaats van ‘[bedrijf]’ te Ees op verdenking van rijden onder invloed. Verdachte, de bestuurder van het voertuig, weigert aanvankelijk mee te werken aan een blaastest. Meteen nadat verbalisanten de inzittenden hebben aangesproken wordt door verdachte verbaal agressief gereageerd. Alle drie de inzittenden stappen uit het voertuig waarbij het verbalisanten direct opvalt dat zowel verdachte als de overige inzittenden opgefokt reageren. Nadat verdachte uiteindelijk meewerkt aan de blaastest, blaast hij een F, wat betekent dat hij teveel gedronken heeft en mee moet naar het bureau voor een ademanalyse. De houding van inzittenden is intimiderend, ze staan dicht op verbalisanten en zeggen: “Wie denken jullie wel niet dat jullie zijn, wat willen jullie nu bereiken, we luisteren niet naar de politie” en woorden van gelijke strekking. De sfeer is dermate dreigend, dat verbalisant [slachtoffer 2] op dat moment het lipje van de pepperspray losmaakt en verbalisant [slachtoffer 1] via de portofoon om versterking vraagt. Verdachte en medeverdachte blijven zeggen: “Jullie gaan ons niet tegenhouden, wij gaan gewoon naar binnen, jullie zijn sukkels”. [naam] heeft zich inmiddels teruggetrokken in of bij het voertuig. Beide verdachten lopen in op de verbalisanten. Verbalisanten proberen de verdachten eerst met woorden en daarna fysiek, met een hand tegen de schouder, tegen te houden. Verbalisant [slachtoffer 1] zegt de aanhouding van verdachte aan. Verdachte geeft verbalisant [slachtoffer 2] met twee handen een duw waarop verbalisanten achteruit gaan lopen en na herhaaldelijke waarschuwingen wordt pepperspray gebruikt bij zowel verdachte als medeverdachte. Verdachte loopt op verbalisant [slachtoffer 2] af, grijpt hem bij zijn kleding en probeert hem naar de grond te werken. Verbalisant [slachtoffer 1] slaat verdachte met de wapenstok op de rug, maar verdachte reageert niet. Hij blijft [slachtoffer 2] vasthouden. Daarop komt medeverdachte, hij pakt [slachtoffer 1] van achteren beet en komt met hem op de grond terecht in een worsteling. Medeverdachte is een man van fors postuur, verbalisant [slachtoffer 2] schat zijn gewicht rond de honderd kilo. Vanaf dat moment zijn beide verbalisanten in worsteling met de beide verdachten. Van deze worsteling is een deel opgenomen door de bewakingscamera’s van ‘[bedrijf]’. Ter terechtzitting zijn deze beelden getoond en verdachte en medeverdachte hebben zichzelf herkend op de getoonde beelden.

De rechtbank neemt op deze camerabeelden waar:

- dat verdachte verbalisant [slachtoffer 2] onophoudelijk achtervolgt en vastgrijpt terwijl verbalisant [slachtoffer 2] zich in een cirkel om medeverdachte en verbalisant [slachtoffer 1] heen beweegt.

Terwijl verbalisant [slachtoffer 2] zich nog steeds aan verdachte probeert te onttrekken, komen verbalisant [slachtoffer 1] en medeverdachte andermaal samen ten val waarbij medeverdachte met zijn volle gewicht op verbalisant [slachtoffer 1] terechtkomt. Verbalisant [slachtoffer 1] voelt daardoor pijn. Medeverdachte klemt zijn arm over het gezicht van verbalisant [slachtoffer 1] waardoor deze geen lucht meer krijgt. Verbalisant [slachtoffer 1] raakt in paniek en voelt een doodsangst. Verbalisant [slachtoffer 2] weet zich te ontworstelen aan verdachte en ziet dat zijn collega in ademnood is, verbalisant [slachtoffer 2] schopt de medeverdachte vijf maal zo hard als hij kan in de rug. Medeverdachte reageert hier niet op. Op enig moment krijgt verbalisant [slachtoffer 1] even lucht en roept dat hij geen lucht krijgt. Medeverdachte reageert hier niet op, herpakt zijn greep zodat verbalisant [slachtoffer 1] opnieuw de adem benomen wordt. Verdachte belaagt intussen verbalisant [slachtoffer 2] weer.

Verbalisant [slachtoffer 2] en verdachte verschijnen weer in beeld van de bewakingscamera. De rechtbank neemt op deze camerabeelden waar:

- dat verdachte verbalisant [slachtoffer 2] vast heeft. Terwijl verbalisant [slachtoffer 2] zich ontworstelt aan verdachte, reikt hij naar zijn dienstpistool en lost een waarschuwingsschot in de lucht.

-dat verdachte verbalisant [slachtoffer 2] los laat, die daarna rechts uit beeld verdwijnt.

Verbalisant [slachtoffer 2] ziet dat medeverdachte zijn greep op verbalisant [slachtoffer 1] niet loslaat na het waarschuwingsschot. Verbalisant [slachtoffer 2] schreeuwt nogmaals en ziet dat verbalisant [slachtoffer 1] nog steeds onder medeverdachte ligt en geen lucht krijgt. Verbalisant [slachtoffer 2] schiet gericht op de benen van medeverdachte. Verbalisant [slachtoffer 2] ziet niet dat medeverdachte reageert, maar verbalisant [slachtoffer 1] weet zich nu te ontworstelen aan de greep van medeverdachte. Hij staat op, grijpt naar zijn wapen. Beide verbalisanten schreeuwen dat verdachte op de grond moet gaan zitten. Als hij hier niet aan voldoet geeft verbalisant [slachtoffer 1] een waarschuwingsschot. Dan gaat verdachte naast medeverdachte op de grond zitten.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2 overweegt de rechtbank het volgende.

Door de verdediging is betoogd dat de verdachte van het tenlastegelegde onder 1 moet worden vrijgesproken, aangezien de verdachte geen opzet heeft gehad op de dood of op zware mishandeling ten aanzien van verbalisant [slachtoffer 1], en dat er geen sprake is van medeplegen of medeplichtigheid aan deze feiten. Voor het meest subsidiaire feit: openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] is eveneens onvoldoende bewijs. Verdachte is enkel in gevecht geweest met verbalisant [slachtoffer 2].

De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is, indien de betrokkene een voldoende significante of wezenlijke bijdrage levert aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.

De rechtbank stelt op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast ten aanzien van feit 1.

Verdachte heeft, nadat hij was gepepperd, verbalisant [slachtoffer 2] beetgepakt en geprobeerd hem naar de grond te werken. Verbalisant [slachtoffer 1] heeft geprobeerd zijn collega te ontzetten door verdachte met de wapenstok te slaan. Medeverdachte heeft daarop verbalisant [slachtoffer 1] van verdachte af getrokken en is met verbalisant [slachtoffer 1] in worsteling geraakt. Verdachte heeft daarna onophoudelijk verbalisant [slachtoffer 2] belaagd, door hem steeds beet te pakken en hem proberen te slaan en door hem fysiek bij medeverdachte en verbalisant [slachtoffer 1] weg te houden. Door zo te handelen heeft hij verbalisant [slachtoffer 2] belet zijn collega, die in nood verkeerde, te ontzetten. Omdat verbalisant [slachtoffer 2] verhinderd werd zijn collega te hulp te schieten, kon medeverdachte gedurende enige tijd zijn geweldshandelingen op verbalisant [slachtoffer 1] uitoefenen. Verbalisant [slachtoffer 2] heeft gezien dat verdachte en medeverdachte de beide verbalisanten gericht aanvielen en dat ze wel degelijk zagen wat ze deden. Deze situatie duurde voort tot verbalisant [slachtoffer 2] een waarschuwingsschot loste.

Op grond hiervan staat voor de rechtbank vast dat de verdachte niet enkel aan een getalsmatige versterking heeft bijgedragen, maar dat hij door te handelen als hiervoor vermeld, opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Daarmee is het verweer verworpen en komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 1 meest subsidiair ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 2, de openlijke geweldpleging tegen verbalisant [slachtoffer 2],

stelt de rechtbank op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting de navolgende feiten en omstandigheden vast.

Nadat verdachte gepepperd was, heeft hij verbalisant [slachtoffer 2] beetgepakt en geprobeerd hem tegen de grond te werken. Daarna bleef hij onophoudelijk met verbalisant [slachtoffer 2] in gevecht door hem steeds opnieuw beet te pakken en door te proberen hem te slaan. Aan deze situatie kwam in eerste instantie een einde door het waarschuwingsschot dat verbalisant [slachtoffer 2] loste. Nadat verbalisant [slachtoffer 1] zich ontworsteld had aan medeverdachte, kwam verdachte andermaal op beide verbalisanten af. Verdachte reageerde opnieuw niet op geschreeuw dat hij moest blijven staan. Nadat verbalisant [slachtoffer 1] een waarschuwingsschot had gelost, ging verdachte op de grond zitten waardoor er een einde aan de bedreigende situatie kwam.

Op grond hiervan staat voor de rechtbank vast dat de verdachte niet enkel aan een getalsmatige versterking heeft bijgedragen, maar dat hij door te handelen als hiervoor vermeld, opzet heeft gehad op de ten laste gelegde geweldshandelingen en daaraan een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd. Daarmee komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 3

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting en het proces-verbaal rijden onder invloed acht de rechtbank het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 meest subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 08 oktober 2017 te Ees, openlijk, te weten, op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] door die [slachtoffer 1] tegen de grond te werken en door met die [slachtoffer 1] in gevecht/worsteling te gaan en enige tijd met die [slachtoffer 1] in gevecht/worsteling te blijven;

2.

hij op 08 oktober 2017 te of nabij Ees, openlijk, te weten, op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2], door te proberen die [slachtoffer 2] tegen de grond te werken en/of door met die [slachtoffer 2] in gevecht/worsteling te gaan en enige tijd met die [slachtoffer 2] in gevecht/worsteling te blijven;

3.

hij op 08 oktober 2017 te Ees, als bestuurder van een voertuig, (auto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 595 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

2. openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

3. overtreding van artikel 8, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting veroordeling gevorderd voor het onder 1 meest subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met daaraan als bijzondere voorwaarden gekoppeld reclasseringstoezicht en de Gedragsinterventie Alcohol en Geweld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van de ondergane voorlopige hechtenis met een voorwaardelijke gevangenisstraf en daarnaast een werkstraf. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat, hoewel verdachte in het verleden met justitie in aanraking is geweest, er geen recidive gevaar is. Verdachte heeft veel spijt, en heeft bij herhaling gezegd heel graag zijn excuses te willen aanbieden aan de verbalisanten. Verdachte begrijpt dat hij straf verdient, maar wil ook graag schoon schip maken en doorgaan met zijn leven. Verdachte heeft een eigen bedrijf en het is belangrijk dat hij zijn eigen inkomsten kan blijven genereren, zodat hij aan zijn verplichtingen kan voldoen. Ook zorgt hij gedurende een aanzienlijk deel van de week voor zijn zoontje. Verdachte wil meewerken aan de gedragsinterventie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het reclasseringsrapport d.d. 16 januari 2018, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijk geweld jegens politieambtenaren, daarnaast heeft hij zich schuldig gemaakt aan het rijden onder invloed. Toen de verbalisanten hem wilden aanhouden op verdenking van het rijden onder invloed heeft hij zich zodanig gedragen dat verbalisanten gedwongen werden in toenemende mate politiegeweld in te zetten, hetgeen er uiteindelijk toe leidde dat verbalisant [slachtoffer 2] zich genoodzaakt zag zijn wapen te trekken en te gebruiken. Verdachte heeft, door zich van aanvang af zowel verbaal als fysiek agressief op te stellen, de aanzet gegeven tot deze geweldsspiraal, waarbij verdachte en medeverdachte met beide verbalisanten met elkaar in worsteling en gevecht kwamen. Medeverdachte heeft zich daarbij schuldig gemaakt aan een poging doodslag jegens verbalisant [slachtoffer 1]. Verdachte heeft de geweldshandelingen van medeverdachte mogelijk gemaakt door onophoudelijk verbalisant [slachtoffer 2] vast te pakken en te proberen hem te slaan, waardoor verbalisant [slachtoffer 2] fysiek belet werd zijn collega te hulp te schieten en hem te ontzetten.

Zoals uit de schriftelijke slachtofferverklaringen van beide slachtoffers blijkt, heeft de gang van zaken op beiden een grote impact gehad. Slachtoffers waren nota bene bezig met de uitoefening van hun functie. Het feit dat het uiteindelijk tot (vuur)wapengeweld heeft moeten komen is voor verbalisanten een heftige ervaring geweest. In het algemeen wordt onderschat dat het moeten inzetten van vuurwapens voor politiemensen een heftige en vaak traumatische ervaring is.

Uit het reclasseringsrapport blijkt dat verdachte een man is van 32 jaren, die eerder veroordeeld is vanwege geweldsmisdrijven en het rijden onder invloed. Hoewel bij eerdere veroordelingen geen duidelijke relatie tussen alcohol en geweld gelegd kon worden, meent de reclassering, dat in combinatie met onderhavige zaak, gesproken kan worden van onvoorspelbaar alcoholmisbruik met daardoor een verhoogde kans op risicovol/ gewelddadig gedrag. De reclassering adviseert daarom een (gedeeltelijk)voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen en/of een (gedeeltelijk) voorwaardelijke taakstraf met als bijzondere voorwaarden een meldplicht en deelname aan de gedragsinterventie Alcohol en Geweld.

Verdachte heeft ter terechtzitting meermalen gezegd zijn excuses te willen aanbieden aan de slachtoffers. Verdachte beseft heel goed, dat als hij zich niet verzet had tegen de alcoholcontrole, deze gebeurtenissen nooit hadden plaatsgevonden.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in de rechtspraak voor vergelijkbare misdrijven, gepleegd onder vergelijkbare omstandigheden, worden opgelegd. Daarbij is in aanmerking genomen dat de slachtoffers politieagenten in de uitoefening van zijn normale werkzaamheden betrof, hetgeen straf verhogend werkt. Voorts is in aanmerking genomen dat er weliswaar geen sprake is van blijvend fysiek letsel bij de slachtoffers, maar dat de psychische gevolgen aanzienlijk zijn. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank is op grond van de ernst van het bewezen geachte, in samenhang met de hiervoor weergegeven overwegingen, feiten en omstandigheden, van oordeel dat in dit geval een gevangenisstraf geboden is. De rechtbank is van oordeel dat aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf als bijzondere voorwaarde een meldplicht en deelname aan de gedragsinterventie Alcohol en Geweld ter ondersteuning van verdachte en ter voorkoming van recidive, dient te worden verbonden. Tevens legt de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid op voor het rijden onder invloed.

De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie voor wat betreft de duur van de oplegde gevangenisstraf.

Benadeelde partij

[slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] hebben zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt door [slachtoffer 2] een bedrag van € 564, - ter vergoeding van immateriële schade en door [slachtoffer 1] een bedrag van € 14, - ter vergoeding van materiële schade en € 564, - ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan en tevens wordt gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Juridische Dienstverlening Politie Noord Nederland heeft als gemachtigde van benadeelde partijen de vorderingen ter terechtzitting toegelicht.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] toe te wijzen.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard bereid te zijn de vorderingen schadevergoeding te betalen.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partijen de gestelde schade hebben geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vorderingen, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zullen daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen vanaf 8 oktober 2017.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoedingen worden gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoedingen zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoedingen door medeverdachte zijn betaald, verdachte deze bedragen niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 141 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8, 176 en 179 Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 meest subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich na schriftelijke uitnodiging meldt bij Reclassering Nederland. Dat veroordeelde zich blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, en zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

2. dat de veroordeelde deelneemt aan de gedragsinterventie Alcohol en Geweld.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens tot:

een ontzegging van de bevoegdheid een motorrijtuig te besturen voor de duur van

6 maanden,

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht

Ten aanzien van 18/930251-17, feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij namens [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 578,- (zegge: vijfhonderdachtenzeventig euro), (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2017).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 578, - (zegge: vijfhonderdachtenzeventig euro), (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2017) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 14, - aan materiële schade en € 564, - aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding worden gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Ten aanzien van 18/930251-17, feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij namens [slachtoffer 2] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 564, - (zegge: vijfhonderdvierenzestig euro, (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2017).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partijen gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 2] te betalen een bedrag van een bedrag van € 564, - (zegge: vijfhonderdvierenzestig euro), (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 oktober 2017) bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 564, - aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding worden gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Läkamp, voorzitter, mr. Chr. M. M. Oostdam en

mr. M. van Veen, rechters, bijgestaan door mr. M.A. Reese-Knigge, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 februari 2018.

Mr. Chr. M. M. Oostdam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.