Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4812

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-11-2018
Datum publicatie
29-11-2018
Zaaknummer
18/830200-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor de duur van twee jaren wegens het plegen van een diefstal en het aanwezig hebben van amfetamine.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830200-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd in PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 november 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. B. van der Burg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 23 augustus 2018, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een winkel aan de [straatnaam] heeft weggenomen een zonnebril en/of twee, althans een, verpakking(en) parfum (tester(s), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 23 augustus 2018, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, opzettelijk een aantal goederen, althans een goed, te weten: een zonnebril en/of twee, althans een, verpakking(en) parfum, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk(e) goed(eren) verdachte uit de winkelvoorraad van voornoemde rechthebbende had genomen onder gehoudenheid om, alvorens die winkel te verlaten voornoemd(e) goed(eren) te betalen, in elk geval ter betaling aan te bieden, en aldus dat/die goed(eren) anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

hij in of of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 2 september 2018, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een portemonnee en/of een rijbewijs en/of een kentekenbewijs en/of een zorgpas en/of een bankpas en/of twee, althans een, creditcard(s) en/of een aantal pasjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 3 september 2018, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, in elk geval in Nederland, een goed te weten een bankpas/RaboCard t.n.v. [slachtoffer 1], heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 3 september 2018, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, opzettelijk een goed, te weten een bankpas (Rabocard) op naam van [slachtoffer 1], in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevonden voorwerp, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij op of omstreeks 30 augustus 2018, te Aduard, althans in de gemeente Zuidhorn, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een ruimte/lobby van een hotel aan de [straatnaam] heeft weggenomen een telefoon (merk: HTC) en/of een rijbewijs en/of twee, althans een bankpas(sen) en/of een id-kaart, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 1 september 2018 tot en met 3 september 2018, te Aduard, althans in de gemeente Zuidhorn, een (aantal) goed(eren), te weten een bankpas (Rabo Wereldpas t.n.v. [slachtoffer 2]) en/of een rijbewijs en/of een telefoon heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van genoemd(e) goed(eren) wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

4.

hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2018 tot en met 3 september 2018, te Aduard, althans in de gemeente Zuidhorn en/of te Groningen, opzettelijk een bankpas (Rabo Wereldpas) en/of een rijbewijs en/of een telefoon, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als gevonden voorwerp(en), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

5.

hij op of omstreeks 3 september 2018, te Groningen, althans in de gemeente Groningen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 22.87 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De rechtbank heeft uit de toelichting van de officier van justitie ter terechtzitting afgeleid dat de wijziging van de tenlastelegging op die wijze moet worden begrepen dat feit 3 ziet op de telefoon van [slachtoffer 2] en dat feit 4 ziet op de passen van [slachtoffer 2].

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 2 primair en subsidiair en 3 primair ten laste gelegde en zij heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair, 2 meer subsidiair, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde. Zij heeft in het bijzonder ten aanzien van het onder 2 meer subsidiair en 4 ten laste gelegde aangevoerd dat ten aanzien van gevonden voorwerpen de verplichting bestaat om de voorwerpen af te geven en dat bij het nalaten daarvan sprake is van verduistering van die voorwerpen. De officier van justitie heeft daartoe verwezen naar HR 30 januari 2018 (ECLI:NL:HR:2018:121). Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat opzetheling van de telefoon kan worden bewezen, gelet op de nieuwprijs van de telefoon blijkens de factuur (€ 661,-).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat ten aanzien van de passen in het onder 2 en 4 ten laste gelegde sprake is van verduistering en dat ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde geen sprake is van (opzet)heling van de telefoon, nu de telefoon ruim 2 jaar oud was, de telefoon beschadigd was en verdachte zich bij verkrijging daarvan dus niet hoefde te realiseren dat de telefoon van misdrijf afkomstig was.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde

De rechtbank acht het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

De rechtbank overweegt in het bijzonder ten aanzien van het onder 2 meer subsidiair en onder 4 ten laste gelegde het volgende. Verdachte wordt verweten dat hij een bankpas van [slachtoffer 1] en een rijbewijs en bankpas van [slachtoffer 2], die hij als gevonden voorwerp onder zich had, heeft verduisterd. De rechtbank stelt op grond van de aangifte van [slachtoffer 1] vast dat deze bankpas is ontvreemd op 2 september 2018 rond 04:00 uur. De passen van [slachtoffer 2] zijn blijkens de aangifte tussen 30 augustus 2018 te 23:10 uur en 31 augustus 2018 te 00:45 uur ontvreemd. Verdachte is op 3 september 2018 omstreeks 20:36 uur aangehouden. Na fouillering zijn de drie passen bij verdachte aangetroffen.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de drie passen twee of drie dagen voor zijn aanhouding bij elkaar op straat heeft gevonden tussen de Vismarkt en de Grote Markt in Groningen. Verdachte heeft de passen vervolgens meegenomen met de bedoeling om ze naar het politiebureau te brengen. Volgens verdachte is dit er niet van gekomen.

De rechtbank overweegt dat in het geval van het onder zich houden van gevonden voorwerpen, mede bezien de door de officier van justitie genoemde jurisprudentie, sprake kan zijn van het opzettelijk wederrechtelijk toe-eigenen daarvan in de zin van artikel 321 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op de korte periode waarin verdachte de beschikking over de passen kon hebben en de verklaring van verdachte dat hij de intentie had om de passen af te geven bij de politie, kan naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet zonder meer worden vastgesteld dat verdachte zich de passen opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 meer subsidiair en het onder 4 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank gaat uit van de verklaring van verdachte dat hij de telefoon van een kennis heeft gekregen bij de Westerhaven in Groningen. Nu uit de verklaring van verdachte noch uit de overige stukken uit het dossier blijkt dat verdachte de telefoon voorhanden heeft gehad in Aduard, althans de gemeente Zuidhorn, is de rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde pleegplaats niet kan worden bewezen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het hem onder 3 subsidiair ten laste gelegde.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2018;

2. een schriftelijk bescheid, te weten een afschrift van aangifte, opgemaakt op 24 augustus 2018, opgenomen op pagina 29 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018224740 d.d. 6 september 2018, inhoudend de verklaring van

[medewerker], namens [benadeelde partij].

Deze opgave luidt ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 15 november 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 3 september 2018, opgenomen op pagina 19 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten;

3. een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2018.09.25.187, d.d. 25 september 2018 opgemaakt door ing. C.M.M. Diever-Heezen, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en 5 ten laste wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. primair

hij op 23 augustus 2018 te Groningen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkel aan de [straatnaam] heeft weggenomen een zonnebril en twee parfumtesters, toebehorende aan [benadeelde partij];

5.

hij op 3 september 2018 te Groningen opzettelijk aanwezig heeft gehad 22,87 gram amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair diefstal;

5. opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Motivering van de maatregel

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat ter zake van het onder 1 primair, 2 meer subsidiair, 3 subsidiair, 4 en 5 ten laste gelegde aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd voor de duur van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich ten aanzien van de oplegging van de ISD-maatregel gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders opleggen. Verdachte voldoet aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel, zoals gesteld in artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht. De door verdachte begane feiten betreffen misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of taakstraf veroordeeld en het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Voorts moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan en de veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel.

De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen het advies dat is uitgebracht door Reclassering Nederland in het adviesrapport d.d. 13 november 2018, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het risico op recidive is hoog, omdat verdachte de veelplegerstatus heeft en verslaafd is aan GHB. Tussen 2008 en heden zijn er vele ambulante pogingen en meerdere opnames in klinieken geweest om verdachte te helpen bij het afkicken van deze moeilijk te overwinnen verslaving. Een aantal malen lukte dat ook, maar op de lange duur ging het mis, omdat de trek in GHB hem te machtig werd. Wij concluderen dat een ambulante behandeling met begeleiding een gepasseerd station is om gedragsverandering bij verdachte te bewerkstelligen. Wij adviseren een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Binnen de ISD-maatregel kan een passende klinische opname gerealiseerd worden in een nader te bepalen kliniek. Vanuit de kliniek kan een re-integratietraject worden gestart met ambulante nazorg.

Gelet op een en ander acht de rechtbank oplegging van de maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2, 3 en 4 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en

mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 november 2018.