Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4798

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
18/830089-18 en 18/080279-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 416
Wegenverkeerswet 1994 163
Wegenverkeerswet 1994 176
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummers 18/830089-18 en 18/080279-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 augustus 2018 en 13 november 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.A.Th. Lemmers, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

in de zaak met parketnummer 18/830089-18

1. primair

hij op of omstreeks 9 mei 2018, in de gemeente Groningen, op de

Friesestraatweg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om

opzettelijk hoofdagent van de Politie Eenheid Noord-Nederland, [slachtoffer 1] ,

en/of hoofdagent van de Politie Eenheid Noord-Nederland, [slachtoffer 2] , van het

leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto, op die

Friesestraatweg met gedoofde lichten en/of met hoge, althans verhoogde,

snelheid is ingereden op, althans zijn, verdachtes, voertuig heeft gestuurd in

de richting van, een politievoertuig waarin genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten,

welk politievoertuig zich gedeeltelijk bevond op de weghelft bestemd voor,

vanuit verdachtes positie gezien, het tegemoetkomend verkeer, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 9 mei 2018, in de gemeente Groningen, op de

Friesestraatweg, hoofdagent van de Politie Eenheid Noord-Nederland, [slachtoffer 1] ,

en/of hoofdagent van de Politie Eenheid Noord-Nederland, [slachtoffer 2] , heeft

bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware

mishandeling, immers heeft verdachte toen en aldaar, met een door hem,

verdachte, bestuurde personenauto op die Friesestraatweg met gedoofde lichten

en/of met hoge, althans verhoogde, snelheid ingereden op, althans zijn,

verdachtes, voertuig gestuurd in de richting van, een politievoertuig waarin

genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten, welk politievoertuig zich gedeeltelijk bevond

op de weghelft bestemd voor, vanuit verdachtes positie gezien, het

tegemoetkomend verkeer;

2. primair

hij op één of meer tijdstippen op of omstreeks 9 mei 2018, op één of meer

openbare wegen, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door

verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , van

het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat

opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto - (telkens) (onder meer) op de Friesestraatweg en/of de Pleiadenlaan met

(zeer) hoge snelheid dicht achter op het voertuig (personenauto) waarin die

[slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zaten, heeft gereden, en/of - met hoge snelheid is ingereden op, althans zijn, verdachtes, voertuig heeft

gestuurd in de richting van, het voertuig waarin genoemde [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4]

zaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 9 mei 2018, in de gemeente Groningen, op één of meer

openbare wegen, [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte

toen en aldaar, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto - (telkens) (onder meer) op de Friesestraatweg en/of de Pleiadenlaan met

(zeer) hoge snelheid dicht achter op het voertuig (personenauto) waarin die

[slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zaten, gereden, en/of - met hoge snelheid ingereden op, althans zijn, verdachtes, voertuig gestuurd in de richting van, het voertuig waarin genoemde [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zaten;

3.

hij op of omstreeks 9 mei 2018, in de gemeente Groningen, in elk geval in

Nederland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een

personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de

Wegenverkeerswet 1994, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van

een stof als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid van genoemde wet

verkeerde, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde

toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel

8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen

gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van

justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen

ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen

medewerking daaraan heeft verleend.

in de zaak met parketnummer 18/080279-18

1.

hij op of omstreeks 24 april 2018 te Groninen 10 pakken bakkeljauw, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 24 april 2018 te Groningen, een goed te weten een tweetal koffers heeft verworven, voor handen gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Beoordeling van het bewijs

in de zaak met parketnummer 18/830089-18

Feit 1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Verdachte maakte een stuurbeweging naar rechts, zodat hij een aanrijding met de verbalisanten wist te voorkomen. Het opzet op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan niet bewezen worden. Wel acht de officier van justitie de gedragingen van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het bedreigen van de verbalisanten dat hij het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde bewezen acht.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat bewijs voor het opzet op de dood of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel ontbreekt. Verdachte heeft door een stuurbeweging naar rechts te maken een botsing met de auto van verbalisanten juist voorkomen. Voor de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling moet eveneens een vrijspraak volgen. De handelingen van verdachte waren niet gericht op het doen ontstaan van een dreigende situatie. Verdachte had de tegemoetkomende auto van de verbalisanten niet eens gezien. Verdachte zag hen pas op het laatste moment en kon ze nog maar net ontwijken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder feit 1 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij dat uit de verklaringen van verbalisanten [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] blijkt dat verdachte op hen af kwam rijden en vlak voor hij hun auto kon raken een stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt, zodat hij een aanrijding heeft voorkomen. Dit volgt ook uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] die op dat moment achter verdachte reden. De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het opzet had op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel

Feit 1 subsidiair

De rechtbank past ten aanzien van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 mei 2018, opgenomen op pagina 11 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018114021, d.d. 8 juni 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Wij rijden op de Friesestraatweg en horen dat de bestuurder keert. De bestuurder heeft ongeveer ter hoogte van het Chinese restaurant gekeerd en had zijn verlichting gedoofd. Dit was doorgegeven door de 2702. Voor mij was op dat moment duidelijk dat hij zijn lichten uit had en onze kant op kwam. Ik zag de collega's van de 2702 wel rijden maar het witte voertuig niet. Op dat gedeelte van de Friesestraatweg is geen straatverlichting aanwezig. Het was er echt donker. Ik heb toen in een fractie van een seconde besloten om het dienstvoertuig aan de rechterkant van de Friesestraatweg in de berm stil te zetten. Dit deed ik ook om te oriënteren op de auto. Ik kon hem toen nog niet zien. Ik had op dat moment sowieso de optische signalen van het dienstvoertuig aanstaan. Binnen 10 à 15 seconden kwam het voertuig in zicht. Hij reed op onze weghelft. Dit was ook de reden voor mij om het dienstvoertuig nog verder aan de zijkant van de Friesestraatweg in de berm te zetten. Uiteindelijk zag ik de auto min of meer schuin over de weg rijden. Ik zag hem op de helft van zijn eigen weghelft en op de helft van mijn weghelft rijden. Ik zag ook dat hij een verhoogde snelheid had. Hij kwam vervolgens recht op ons afrijden. Het ging allemaal zo snel. Hij reed echt heel hard. Het voertuig kwam met hoge snelheid op ons af en heeft ons uiteindelijk niet geraakt. Ik was in de veronderstelling dat hij ons zou rammen. Op het allerlaatste moment, dat hij echt vlakbij ons was, maakte hij een stuurbeweging zodat hij ons niet raakte. Hij reed schuin over de weg recht op ons af, ongeveer een meter of 5 dan wel 10 voor het dienstvoertuig maakte hij een stuurbeweging naar rechts.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 mei 2018, opgenomen op pagina 16 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

We reden op de Friesestraatweg. Ik hoorde via de portofoon dat de bestuurder was

gekeerd en dat de auto nu onze richting op kwam. Omdat ik al eerder had gehoord dat

de snelheden van de bestuurder erg hoog waren, was ik nu super alert. Ik zag op een gegeven moment de kleine witte auto aan komen rijden. Ik zag dat hij slingerend reed over de middenstreep van de weg. Ik zag dat [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: verbalisant [slachtoffer 1] ) op dat moment onze auto naar rechts stuurde, naar de groenstrook. De blauwe zwaailampen van onze auto waren aan, de bestuurder van de witte auto kon dus zien dat wij van de politie waren. Ik schat de afstand tussen ons en de witte auto op zo'n 50 meter op het moment dat [slachtoffer 1] de auto naar de groenstrook rijdt. Ik kon de auto zien, omdat de verlichting van onze auto voldoende licht gaf naar voren. Op het moment dat [slachtoffer 1] naar rechts stuurde, dus naar de groenstrook, zag ik dat de bestuurder van de kleine witte auto onze kant op stuurde. Hij reed hierbij volledig op onze weghelft, sterker nog, zijn linkerbanden stuurde hij ook de groenstrook in. Ik had het gevoel dat de auto met een redelijke snelheid op ons af kwam. Ik had het gevoel dat de bestuurder zijn auto recht op ons af stuurde en tegen ons voertuig aan zou rijden. Toen de bestuurder vlak bij ons was, zag ik dat de bestuurder van de kleine witte auto de auto naar rechts stuurde en snel op trok en langs ons reed.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2018, opgenomen op pagina 61 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] :

Wij hoorden via onze portofoon en zagen dat er collegae uit de richting van Groningen in de richting van Zuidhorn reden. De collegae reden met optische geluidsignalen. Wij zagen dat de bestuurder van het witte voertuig de linkerbaan op stuurde. Wij zagen dat hij op de verkeerde weghelft reed. Wij zagen dat hij op dezelfde weghelft als onze naderende collegae reed. Wij zeiden tegen de collegae dat de bestuurder op hun af reed en dat zij aan de kant moesten gaan om een aanrijding te voorkomen. Wij hadden echt de indruk dat de bestuurder bewust in wilde rijden op de naderende collegae. Deze indruk kregen wij omdat de bestuurder bewust naar links stuurde en nog altijd zonder verlichting reed. Wij zagen dat de bestuurder met hoge snelheid op de collegae in bleef rijden. Wij zagen dat de collegae hun voertuig de berm in reden. Wij zagen dat de bestuurder op het laatste moment voor hem naar rechts stuurde en week zo om het dienstvoertuig heen. Wij zagen dat de bestuurder met zijn

rechterbanden in de rechterberm terecht kwam. Wij zagen dat hij net zijn voertuig weer onder controle kon krijgen. Wij zagen dat de bestuurder weer met hoge snelheid doorreed in de richting van Groningen.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank over de situatie voorafgaand aan de achtervolging van de politie en de aanleiding daartoe het volgende.

Alvorens verdachte zich op de ringweg van Groningen begaf blijkt uit het dossier dat hij zeer gevaarlijk rijgedrag vertoonde. Er kwam een melding van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] (aangevers feit 2) dat zij waren aangereden door een witte Peugeot in de buurt van de Pleiadenlaan. Verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] besloten ter plaatse te gaan en versterking te verlenen aan collega's die met hun dienstauto achter verdachte aanreden. Verdachte had hun stopteken genegeerd.

Ter plaatse gekomen op de Friesestraatweg hoorden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] via de portofoon dat verdachte zijn auto op de weg had gekeerd en dat hij hen op dat moment tegemoet kwam rijden. Verdachte reed op hun weghelft, zodat [slachtoffer 1] besloot aan de kant te gaan en de dienstauto zover mogelijk de berm in te sturen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , die achter verdachte reden, volgt dat zij zagen dat verdachte vervolgens naar links stuurde en met zeer hoge snelheid op de auto van verbalisanten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] afreed. Ook [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] verklaren hoe zij zagen dat verdachte schuin over de weg stuurde en met hoge snelheid recht op hen afreed. Pas op het laatste moment week de verdachte met zijn auto uit door een stuurbeweging naar rechts te maken.

Verdachte heeft, zowel bij de politie als ter terechtzitting, verklaard dat hij enkel heeft gelet op de politieauto die achter hem reed, zodat hij pas op het laatste moment zag dat er voor hem een politieauto in de berm stond. Hij heeft toen de stuurbeweging naar rechts gemaakt om deze te ontwijken. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat verdachte de politieauto in het geheel niet heeft opgemerkt. Uit zowel de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] als het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] komt naar voren dat de blauwe zwaailichten van de dienstauto aan waren. Het was nacht en dat gedeelte van de ringweg wordt weinig verlicht. Het straatbeeld was donker. De optische geluidssignalen van een politieauto moeten zichtbaar zijn geweest. De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door met hoge snelheid in de richting van de auto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] te sturen en recht op hen af is blijven rijden tot hij vlak voor hen een stuurbeweging naar rechts heeft gemaakt, een situatie heeft doen ontstaan waarin [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] redelijkerwijs mochten vrezen dat zij het leven zouden verliezen of in ieder geval zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. Gelet op de hiervoor geschetste omstandigheden moet worden aangenomen dat verdachte dit opzettelijk heeft gedaan, of in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn handelen een dergelijke bedreigende situatie zou doen ontstaan. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Standpunt van de officier van justitie

De onder feit 2 primair ten laste gelegde poging tot doodslag acht de officier van justitie wettig en overtuigend te bewijzen. Verdachte reed met hoge snelheid voor langere tijd achter aangevers aan en maakte diverse verkeersovertredingen. Uit het technisch onderzoek is gebleken dat verdachte met grote snelheid tegen de linker voorzijde van de auto van aangevers is gereden. Naar de uiterlijke verschijningsvorm heeft verdachte zodanig gehandeld dat hij opzet heeft gehad op de dood van de aangevers.

Standpunt van de verdediging

Bij feit 2 heeft verdachte eveneens geprobeerd om een botsing juist te voorkomen, in dit geval toen aangever [slachtoffer 3] ineens vol op de rem ging staan. Verdachte probeerde de auto van [slachtoffer 3] te ontwijken en heeft hem hierbij nog net geschampt aan de linkerkant. De raadsvrouw heeft verzocht verdachte vrij te spreken van het primair ten laste gelegde wegens onvoldoende bewijs voor het opzet op de dood of zwaar lichamelijk letsel. Ook voor de subsidiaire bedreiging verzoekt de raadsvrouw vrijspraak nu verdachte geen opzet heeft gehad op het doen ontstaan van een bedreigende situatie voor de aangevers, nu de aanrijding immers is ontstaan doordat aangever [slachtoffer 3] ineens remde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past ten aanzien van het onder feit 2 primair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 23 augustus 2018 afgelegde verklaring, voor

zover inhoudende:

Ik reed op 9 mei 2018 in een witte Peugeot met het kenteken [kenteken] . Ik had drugs gebruikt. Ik had cocaïne gebased. Later in de avond heb ik nog een joint gerookt. Ik was opgefokt door de ruzies die avond ervoor en door de drugs. Het klopt dat mijn rijgedrag werd versterkt door de cocaïne.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 mei 2018, opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op 9 mei 2018 reed ik in mijn auto, een rode Mitsubishi Space star, gekentekend [kenteken] . Toen ik op de Orionlaan reed, voordat ik parkeerde, zag ik een driftende auto in de Hagedisstraat. Ik zag dat dit een witte auto was. Ik zag toen dat de witte auto aan de linkerzijde van mijn auto schuin voor mij stond. Ik zag dat de bestuurder, een zwarte man, naar mij keek. Ik zag dat de man vervolgens vooruit reed en als het ware met de auto voor mij kwam te staan. Vervolgens zag ik dat hij achteruit reed. Om te voorkomen dat hij mij zou raken, ben ik snel achteruit gereden de Orionlaan verder in. Vervolgens ben ik linksaf de Hagedisstraat ingereden. Vervolgens sloeg ik rechtsaf de Ossehoederstraat. Ik zag in de binnenspiegel dat de witte auto achter mij aan kwam, op hoge snelheid. Ik sloeg linksaf de Pleiadenlaan op. Ik zag in de binnenspiegel dat hij ook in de Pleiadenlaan in ging en achter ons aan kwam. Ik reed vervolgens richting de ringweg. Ik sloeg op hoge snelheid linksaf en ging de ringweg op. We reden vervolgens op hoge snelheid over de ringweg in de richting van het Hoendiep. Ik reed hierbij wel 160 km per uur. Misschien nog wel harder. Ik schat tussen de 160 en de 180 km per uur. Ik zag in de binnenspiegel dat hij op hoge snelheid achter me aan bleef komen. Ter hoogte van de Vesta zag ik dat hij mij probeerde te rammen aan de achterzijde van mijn auto. Ik probeerde te voorkomen dat hij ons zou rammen en heb dit gedaan door volop op de rem te gaan staan. Er moeten wel remsporen op de weg staan. Ik zag en voelde toen dat hij zijn auto in de flank van mijn auto stuurde. Hij raakte hierbij de linkerzijkant van mijn auto. Ik zag daarbij de linker buitenspiegel naar binnen klappen, die hij hierbij raakte. We kwamen beide tot stilstand.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 mei 2018, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

Aan het einde zijn we linksaf de Pleiadenlaan opgegaan. Net voorbij de brug vlak voor de ringweg haalde hij ons in en blokkeerde de weg voor ons. De man kwam in zijn auto steeds heel hard achter ons aan. Hij zat echt vlak achter ons. [slachtoffer 3] kon er omheen rijden en is hard weggereden de ringweg op. We zijn door rood gereden en gingen linksaf de ringweg op. De man kwam achter ons aan. Ik weet niet hoe hard we reden. Ik was doodsbang. Net voorbij de afslag Hoendiep ramde de man onze auto. Hij raakte de bestuurderszijde.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verhoor getuige d.d. 10 juli 2018, afgenomen door de rechter-commissaris van de Rechtbank Noord Nederland, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

Hij haalde ons op de ringweg in en ramde ons tegen de zijkant van de auto. U vraagt of mijn man op enig moment nog hard geremd heeft. Ja, dat was om uit te wijken voor die man. Toen hij ons aan de zijkant ramde, heeft mijn man hard geremd.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Technisch onderzoek voertuig d.d. 17 mei 2018, opgenomen op pagina 115 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Het betrof hier een personenauto Peugeot 108. Kleur: wit. Kenteken: [kenteken] .

Het betrof hier een personenauto Mitsubishi Space star. Kleur: rood. Kenteken: [kenteken] .

Uit onderzoek aan de Peugeot kon blijken dat het voertuig aan de rechter achterzijde recente

schade had. Ik zag dat er krasschade zichtbaar was, in de witte lak, ter hoogte van het rechter achterspatbord boven het rechter achterwiel. Ik zag in deze krasschade een rode substantie welke sterk overeen kwam met de lakkleur van voertuig 2 met Mitsubishi. Ik zag op het rechter achter portier van de Peugeot een zwart veegspoor. Ik zag dat dit spoor was afgetekend vanaf de portiergreep over de beplating van dit portier.

Uit onderzoek aan de Mitsubishi kon blijken dat het linker voorspatbord van dit voertuig recente krasschade vertoonde. Ik zag tussen het linker voorwiel en het bestuurdersportier in de krasschade een witte substantie. Op de linker buitenspiegelkap werd een krasspoor

aangetroffen. Ik zag dat dit spoor donkerder was dan het materiaal van de rest van de spiegelkap. Tevens trof ik op deze spiegelkap in de nabijheid van genoemd spoor een wit spoor aan.

De hoogtes van de schades aan beide voertuigen kwamen met elkaar overeen. Met dien

verstande dat toen de Peugeot met de rechter achterzijde tegen de linker voorzijde van de

Mitsubishi geplaatst werd de hoogte van de schades op de spatborden van beide voertuigen

en de hoogte schade aan de spiegel van de Mitsubishi en het veegspoor op het rechter ach-

ter portier van de Peugeot met elkaar overeen kwamen. Derhalve is het aannemelijk dat beide voertuigen met elkaar in botsing zijn geweest.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Uit de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] komt naar voren dat verdachte gedurende langere tijd achter hen is aangereden voordat zij met verdachte in botsing kwamen op de ringweg en dat deze achtervolging met hoge snelheden gepaard ging. De aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] hebben beiden ook verklaard dat verdachte hen op een gegeven moment heeft geprobeerd te rammen met zijn auto. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij zag en voelde dat verdachte instuurde op de flank van de door hem bestuurde auto. Om een botsing te voorkomen heeft [slachtoffer 3] geremd, waarna verdachte de linkerzijkant van [slachtoffer 3] auto raakte. [slachtoffer 4] heeft dit bevestigd. Zij verklaart dat verdachte hen aan de bestuurderszijde heeft willen rammen en dat haar man toen remde om uit te wijken. Uit de objectieve gegevens die voortkomen uit het technisch onderzoek naar beide voertuigen blijkt dat de schade aan beide auto's strookt met de verklaringen van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Het schadebeeld past immers bij een botsing tussen de rechterachterkant van de auto die verdachte bestuurde en de linkervoorkant van de auto waarin aangevers zaten. Dat betekent dat de auto van verdachte zich op het moment dat de botsing zich voordeed ter linkerzijde en voor of op dezelfde hoogte bevond als de auto van aangevers. Daarbij kan het feit dat de schade zich aan respectievelijk de achterkant van de auto van verdachte en de voorkant van de auto van aangevers bevond zeer wel passen bij de verklaring van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] dat [slachtoffer 3] op het laatste moment heeft geremd om de aanrijding te voorkomen. In ieder geval past het schadebeeld niet bij de verklaring van verdachte dat hij achter de auto van aangevers aanreed en deze auto heeft geschampt bij een uitwijkmanoeuvre. In dat geval zou de schade immers niet aan de achterkant, maar aan de voorkant van zijn auto te verwachten zijn geweest.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank uit zal gaan van de lezing van de aangevers. Nu daaruit volgt dat verdachte tijdens zijn achtervolging op de ringweg met zeer hoge snelheid heeft geprobeerd om de auto van [slachtoffer 3] te raken, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank naar de uiterlijke verschijningsvorm gehandeld op een wijze waarin besloten ligt dat hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard op de dood van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Het met hoge snelheid in de flank raken van een andere auto is immers levensgevaarlijk. De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag derhalve wettig en overtuigend bewezen.

Feit 3

Standpunt van de officier van justitie

Het onder feit 3 ten laste gelegde kan wettig en overtuigend worden bewezen.

Standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent dat hij heeft geweigerd mee te werken aan het bloedonderzoek. Hij had begrepen dat de agent die het bloedonderzoek wilde afnemen hem eerst wilde laten afkoelen, omdat verdachte kwaad reageerde op een andere agent die hem had mishandeld bij de aanhouding.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 23 augustus 2018 afgelegde verklaring, voor

zover inhoudende:

Het klopt dat er een politieagent bij me is geweest voor een onderzoek om mijn drugsgebruik te testen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed d.d. 15 mei 2018, opgenomen op pagina 93 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Ik, [verbalisant 3] , heb de verdachte gevraagd toestemming te verlenen tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994. De verdachte verleende daarvoor geen toestemming. Op 9 mei 2018 om 3:14 uur, cellencomplex Groningen, heb ik in mijn hoedanigheid van hulpofficier van justitie de verdachte bevolen zich te onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994, waarbij is medegedeeld aan verdachte dat een weigering een misdrijf oplevert. De verdachte gaf geen vervolg aan dit bevel. Verdachte gaf aan elke medewerking te weigeren.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt niet dat de verbalisant aan verdachte zou hebben toegezegd dat hij na diens aanvankelijke weigering om aan het onderzoek mee te werken op een later moment nog een kans zou krijgen om zijn medewerking daaraan te verlenen. Dat is ook niet aannemelijk, aangezien het voor een goed onderzoek naar de bloedwaarden van belang is om deze af te nemen op een moment dat zo dicht mogelijk ligt tegen het incident waarvoor verdachte was aangehouden. De rechtbank acht het onder feit 3 ten laste gelegde derhalve wettig en overtuigend bewezen.

in de zaak met parketnummer 18/080279-18

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de feiten onder 1 en 2 van het in de zaak met parketnummer 18/080279-18 voldoende wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw refereert zich aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 18/080279-18 onder feit 1 ten laste gelegde. Ten aanzien van feit 2 heeft zij verzocht verdachte vrij te spreken nu op grond van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de aangetroffen koffers van een misdrijf afkomstig zijn.

Oordeel van de rechtbank

Feit 1

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder feit 1 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 augustus 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 24 april 2018, opgenomen op pagina 3 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018100413 d.d. 24 mei 2018, inhoudende de verklaring van [getuige] .

Feit 2

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 23 augustus 2018 afgelegde verklaring, voor

zover inhoudende:

Het klopt dat ik op 24 april 2018 ben aangehouden. De koffers die ik bij me had heb ik eerder gekocht van een vrouw via Marktplaats. Ik had met haar afgesproken aan het Florisplein. Ik heb de vrouw 45 euro betaald.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2018, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Ten tijde van de aanhouding had verdachte [verdachte] 2 koffers bij zich, zogenaamde

trolleys. Deze zagen eruit als nieuw. Aan beide koffers zaten nog kaartjes met daarop

productinformatie. Aan de zwarte koffer/trolley zat nog plastic aan het handvat en de

blauwe koffer/trolley voorzien van afbeeldingen van leeuwen, zat nog in het

beschermende plastic. Nadat ik de verdachte overgedragen had gekregen van de aanhoudende verbalisanten heb ik telefonisch contact opgenomen met de [benadeelde partij 2] aan de Herestraat te Groningen. Ik kon zien aan de productinformatie kaartjes dat de koffers van de [benadeelde partij 2] afkomstig waren. Ik heb toen gesproken met [medewerker] , teamleider van de [benadeelde partij 2] . Hij kon zien in de computer dat er van de blauwe koffers met de leeuwen, nog 2 in de winkel zouden moeten staan, deze stonden nog in het voorraadbestand. Toen [medewerker] ging kijken in de winkel zag hij er nog maar 1 staan.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank staat in de eerste plaats buiten redelijke twijfel vast dat in ieder geval één van de koffers in kwestie van misdrijf afkomstig was, gelet op de verkregen informatie van de [benadeelde partij 2] zoals hierboven in bewijsmiddel 2 is opgenomen en gelet op de wijze waarop de koffers nog in beschermend plastic en met de kaartjes er nog aan zijn aangetroffen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat op verdachte, in het licht van de gegeven omstandigheden (naast het uiterlijk van de koffers ook de bedongen prijs en het feit dat hij deze heeft gekocht van een hem verder onbekende vrouw op een ongebruikelijke plaats), een aanzienlijke plicht rustte om te onderzoeken wat de herkomst van de koffers was. In deze onderzoeksplicht is verdachte, die hoegenaamd geen onderzoek heeft gedaan, op grove wijze tekortgeschoten, zodat de rechtbank van oordeel is dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich ten aanzien van deze ene koffer heeft schuldig gemaakt schuldheling.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het in de zaak met parketnummer 18/830089-18 onder feit 1 subsidiair en feit 2 primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18/080279-18 onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

in de zaak met parketnummer 18/830089-18

1. subsidiair

hij op 9 mei 2018, in de gemeente Groningen, op de Friesestraatweg, hoofdagent van de Politie Eenheid Noord-Nederland, [slachtoffer 1] , en hoofdagent van de Politie Eenheid Noord-Nederland, [slachtoffer 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen en aldaar, met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto op die Friesestraatweg met gedoofde lichten en met hoge snelheid zijn, verdachtes, voertuig gestuurd in de richting van een politievoertuig waarin genoemde [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zaten, welk politievoertuig zich gedeeltelijk bevond op de weghelft bestemd voor, vanuit verdachtes positie gezien, het tegemoetkomend verkeer;

2. primair

hij op één of meer tijdstippen op 9 mei 2018, op één of meer openbare wegen, in de gemeente Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , van het leven te beroven, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto - onder meer op de Friesestraatweg en/of de Pleiadenlaan met zeer hoge snelheid dicht achter op het voertuig (personenauto) waarin die

[slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zaten, heeft gereden, en - met hoge snelheid is ingereden op het voertuig waarin genoemde [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] zaten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 9 mei 2018, in de gemeente Groningen, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de

Wegenverkeerswet 1994, terwijl het vermoeden bestond dat hij onder invloed van een stof als bedoeld in artikel 8, eerste of vijfde lid van genoemde wet verkeerde, nadat hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen

ambtenaar van politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en geen medewerking daaraan heeft verleend.

in de zaak met parketnummer 18/080279-18

1.

hij op 24 april 2018 te Groningen 10 pakken bakkeljauw, dat aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

2.

hij op 24 april 2018 te Groningen, een goed te weten een koffer heeft verworven, voor handen gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

in de zaak met parketnummer 18/830089-18

1. Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

2. Poging tot doodslag

3. Overtreding van artikel 163, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994

in de zaak met parketnummer 18/080279-18

1. Diefstal

2. Schuldheling

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 18/830089-18 onder feit 1 subsidiair, feit 2 primair en feit 3 en het in de zaak met parketnummer 18/080279-18 onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van het voorarrest, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 3 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor vrijspraak. Zij heeft aangegeven dat in het geval de rechtbank tot een veroordeling komt de strafeis van de officier van justitie te fors is. Bij verdachtes aanhouding is er meermalen op hem geschoten. Verdachte meende dat de politie hem dood wilde schieten. De aanhouding is met buitenproportioneel geweld gepaard gegaan en is daardoor onrechtmatig. Bovendien worden in vergelijkbare zaken waarin sprake was van zeer gevaarlijk rijgedrag veelal lagere straffen opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw. Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende ad informandum gevoegde feit, zoals dit op de dagvaarding ter zake van parketnummer 18/830089-18 is vermeld en welk feit hiermee is afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zeer gevaarlijk rijgedrag vertoond, waarbij hij heeft geprobeerd met hoge snelheid een personenauto met twee inzittenden te rammen en hij heeft gedreigd in te rijden op een politieauto met twee verbalisanten. Voorts heeft hij geweigerd mee te werken aan een bloedonderzoek om vast te kunnen stellen of en in welke mate hij onder invloed verkeerde van alcohol of drugs. De rechtbank merkt op dat verdachte werkelijk op een krankzinnige wijze heeft gereden met snelheden die blijkens het dossier boven de 150 kilometer per uur uitkwamen op de ringweg van Groningen, waar een maximale snelheid van 70 kilometer per uur is toegestaan. Ook blijkt uit het dossier dat verdachte rakelings langs fietsers is gegaan die ternauwernood opzij konden springen. Het mag een wonder heten dat verdachte niet meer slachtoffers heeft gemaakt dan nu is bewezenverklaard. Verder heeft hij zich schuldig gemaakt aan een winkeldiefstal en een schuldheling.

De rechtbank acht de daaropvolgende aanhouding van verdachte niet onrechtmatig. De aanhouding is door de afdeling Veiligheid Integriteit en Klachten (VIK) van de Politie Noord Nederland nader onderzocht en hieruit is naar voren gekomen dat onder meer vanuit de meldkamer aan de verbalisanten is doorgegeven dat verdachte op dat moment vuurwapengevaarlijk was. Weliswaar bleek achteraf sprake te zijn van een persoonsverwisseling met verdachte en een persoon die een aantal dagen eerder een overval zou hebben gepleegd en vuurwapengevaarlijk zou zijn, maar dat was niet bekend bij verbalisanten. Zij zagen een verdachte die stoptekens negeerde, die -koste wat het kost- aan de politie probeerde te ontkomen en daarbij, zoals reeds opgemerkt, extreem gevaarlijk rijgedrag liet zien. Uiteindelijk is verdachte tegen een verkeersbord aangereden en tot stilstand gekomen, maar nog steeds volgde hij de instructies van de politie niet op. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank zich verenigen met de conclusie van de officier van justitie onder wiens leiding dit onderzoek heeft plaatsgevonden dat de wijze waarop verdachte is aangehouden passend was. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat de wijze waarop verdachte is aangehouden behoorlijke indruk op hem heeft gemaakt, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om hiermee rekening te houden in de strafoplegging. Daarvoor is de ernst van de feiten die aan de aanrijding vooraf zijn gegaan te groot. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten, weliswaar niet van recente datum. De reclassering geeft aan dat verdachte is gediagnosticeerd als een persoon met een zwakbegaafdheid, middelenproblematiek en antisociale persoonlijkheidsproblematiek. Hij wordt omschreven als een snel geïrriteerde, soms intimiderende en manipulatieve man met zichtbaar een kwetsbare kant door de breuk met zijn gezin. De reclassering heeft geadviseerd om bij een eventuele straf geen bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat het risico op het onttrekken aan de voorwaarden zeer hoog is. Een schorsingstoezicht in een nog lopende strafzaak is onlangs geretourneerd.

Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden met aftrek van het voorarrest en daarnaast de oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 600,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 979,00 ter vergoeding van materiële schade en € 1.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie refereert zich ten aanzien van de vorderingen benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor vrijspraak ten aanzien van beide feiten, zodat de vorderingen benadeelde partij moeten worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

1. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] de gevorderde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 1 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering acht de rechtbank niet onredelijk en de hoogte ervan is onvoldoende door verdachte betwist. De rechtbank zal het bedrag daarom toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 mei 2018.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

2. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] de schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 2 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom voor een deel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 9 mei 2018. De rechtbank overweegt dat het gevorderde smartengeld van € 1.500,- niet een onredelijk bedrag is en zij acht dit bedrag voor toewijzing vatbaar. Ook de gevorderde materiële schade voor de reis- en parkeerkosten acht de rechtbank aannemelijk en zij zal dit bedrag van € 79,68 toewijzen. De schadebedragen voor het eigen risico en de eigen bijdrage voor de apotheek acht de rechtbank niet voor toewijzing vatbaar. Het te betalen eigen risico is met de toegevoegde stukken onvoldoende onderbouwd en ten aanzien van de eigen bijdrage voor de apotheek is het causaal verband niet aangetoond. Deze bedragen zal de rechtbank derhalve afwijzen.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 285, 287, 310, 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 163 en 176, 179 Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte in de zaak met parketnummer 18/830089-18 onder feit 1 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 18/830089-18 onder feit 1 subsidiair, feit 2 primair en feit 3 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 18-080279-18 onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de

opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 3 jaren.

Ten aanzien van 18/830089-18, feit 1 subsidiair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 600,00 (zegge: zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 600,00 (zegge: zeshonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 12 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/830089-18, feit 2 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.579,68 (zegge: duizendvijfhonderdnegenenzeventig euro en achtenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2018.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige wordt afgewezen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 1.579,68 (zegge: duizendvijfhonderdnegenenzeventig euro en achtenzestig eurocent, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 mei 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 79,68 aan materiële schade en € 1.500,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. M.A.A. van Capelle en mr. A.G.D. Overmars, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2018.

Mr. Overmars is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.