Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4796

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
27-11-2018
Zaaknummer
18/730018-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft, op een wegtraject waar een inhaalverbod voor vrachtwagens gold, een plotselinge inhaalmanoeuvre uitgevoerd waardoor een achteropkomende personenauto hem niet meer kon ontwijken. De daaropvolgende aanrijding heeft grote gevolgen gehad voor de inzittenden van de personenauto. Vier inzittenden hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Veroordeling voor artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat het rijgedrag van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest. Oplegging van een taakstraf voor de duur van 120 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994 175
Wegenverkeerswet 1994 179
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730018-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1970 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 november 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.C.P. Kollenburg, advocaat te Etten-Leur. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A. van 't Oever-Grootkarzijn.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 12 augustus 2016, te of bij Venray, (in elk geval) in de gemeente Venray, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg, de autosnelweg/de Rijksweg A73 zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen, te weten [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, welke bovenbedoelde gedragingen zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, met genoemd motorrijtuig ter plaatse waar (herhaald) op die weg aan beide zijden van de rijbaan een in zijn, verdachtes, richting gekeerd en voor hem bestemd bord model F3 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verboden voor vrachtauto's om motorvoertuigen in te halen - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 88 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, in elk geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of (vervolgens) op een afstand van ongeveer vijf meter, althans op een (te) korte afstand van een voor hem op de rechter rijstrook en in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende trekker met oplegger heeft gereden en/of (vervolgens) op relatief forse wijze van de rechter- naar de linker rijstrook is gewisseld teneinde deze trekker met oplegger in te halen zulks op een moment dat een over die linker rijstrook rijdende personenauto, zijnde een personenauto met daarin voornoemde personen als bestuurder en als passagiers, tot op korte afstand was genaderd, waardoor, althans mede waardoor een botsing en/of aanrijding is ontstaan

met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en voornoemde personenauto;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 12 augustus 2016, te of bij Venray, (in elk geval) in de gemeente Venray, als bestuurder van een voertuig (trekker met oplegger), daarmee rijdende op de weg, de autosnelweg/de Rijksweg A73, ter plaatse waar (herhaald) op die weg aan beide zijden van de rijbaan een in zijn, verdachtes, richting gekeerd en voor hem bestemd bord model F3 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verboden voor vrachtauto's om motorvoertuigen in te halen - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 88 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximumsnelheid, in elk geval met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse en/of (vervolgens) op een afstand van ongeveer vijf meter, althans op een (te) korte afstand van een voor hem op de rechter rijstrook en in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende trekker met oplegger heeft gereden en/of (vervolgens) op relatief forse wijze van de rechter- naar de linker rijstrook is gewisseld teneinde deze trekker met oplegger in te halen zulks op een moment dat een over die linker rijstrook rijdende personenauto, zijnde een personenauto met daarin voornoemde personen als bestuurder en als passagiers, tot op korte afstand was genaderd, waardoor, althans mede waardoor een botsing en/of aanrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig en voornoemde personenauto door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte met zijn vrachtauto heeft ingehaald op een plek waar een inhaalverbod gold. Daarbij reed hij te snel en op zeer korte afstand van zijn voorligger, waarna hij op relatief forse wijze van rijstrook heeft gewisseld waarbij hij het verkeer op de linkerrijstrook niet voor heeft laten gaan. Daarmee heeft hij als beroeps-verkeersdeelnemer meerdere verkeersvoorschriften overtreden en verwijtbaar onvoorzichtig gehandeld.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat het inhaalverbod en de snelheidsoverschrijding niet van invloed zijn geweest op het ontstaan van het ongeluk. Op het moment van het inhaalverbod was het rustig op de weg en het inhaalverbod was bijna afgelopen. De overschrijding van de snelheid was zeer gering en het enkele niet zien van een andere weggebruiker is onvoldoende om tot een aanmerkelijke mate van schuld te komen. Subsidiair is de raadsman van mening dat bij een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde er hooguit sprake kan zijn van de ondergrens van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 in de vorm van aanmerkelijke schuld. Meer subsidiair bij een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde, refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna primair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, met uitzondering van de aanmerkelijke onvoorzichtigheid. Hierop zal de rechtbank in haar bewijsoverweging nader ingaan.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 november 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse

d.d. 23 januari 2017, opgenomen in dossier van Politie Eenheid Limburg, district Noord- en Midden-Limburg met nummer PL2300-2016148210-1 d.d. 18 februari 2017, inhoudende het relaas van verbalisanten.

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 11 december 2016, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2].

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 11 december 2016 opgenomen in van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [getuige 1].

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 11 december 2016, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 3].

6. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 11 december 2016, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 1].

7. een geneeskundige verklaring inzake het letsel van [slachtoffer 2], op 14 augustus 2016 opgemaakt en ondertekend door K. de Bree, arts.

8. een geneeskundige verklaring inzake het letsel van [slachtoffer 3], op 4 oktober 2016 opgemaakt en ondertekend door D. Barten, SEH-arts.

9. medische informatie GGD Limburg-Noord inzake het letsel van [slachtoffer 1], op 18 oktober 2016 opgemaakt en ondertekend door M.E.B. Morsink, SEH-arts.

10. medische informatie GGD Limburg-Noord inzake het letsel van [slachtoffer 4], op 12 oktober 2016 opgemaakt en ondertekend door M.E.B. Morsink, SEH-arts.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van de opgenomen bewijsmiddelen stelt de rechtbank het volgende vast. Verdachte reed met zijn vrachtwagen op de rechterrijstrook van de A73 waar op dat moment een inhaalverbod voor vrachtwagens en een maximaal toegestane snelheid voor vrachtwagens van 80 kilometer per uur gold. Verdachte reed ongeveer 88 kilometer per uur en hij naderde een voor hem rijdende vrachtwagen. Verdachte besloot deze in te halen. Terwijl hij zijn voorligger naderde moest hij zijn inhaalmanoeuvre uitstellen tot een op de linkerrijstrook rijdende personenauto hem had ingehaald. Toen deze personenauto was gepasseerd en hij zijn voorligger inmiddels tot op ongeveer 5 meter was genaderd, is hij met een forse zijwaartse beweging, in een tijdsbestek van circa 1,8 seconden, van rijstrook gewisseld. Daarbij heeft hij de personenauto van de slachtoffers over het hoofd gezien. Deze auto reed ten tijde van de inhaalmanoeuvre al enige tijd op de linkerrijstrook met een snelheid van ongeveer 130 kilometer per uur en kon een aanrijding met de vrachtauto van verdachte niet meer voorkomen.

Bij de vraag of er sprake is van schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW'94 komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin (vgl. HR 1 juni 2004, LJN AO5822, NJ 2005, 252).

De rechtbank constateert dat verdachte meerdere verkeersovertredingen heeft begaan. Hij heeft de toegestane maximumsnelheid overtreden. Hij heeft onvoldoende afstand tot zijn voorligger gehouden en hij heeft het inhaalverbod overtreden. Anders dan de raadsman is de rechtbank van oordeel dat elk van deze gedragingen – in verschillende mate en op verschillende wijze – hebben bijgedragen aan het ontstaan van de aanrijding. De combinatie van deze gedragingen heeft ertoe geleid dat verdachte in een situatie terechtgekomen is waarin hij de personenauto met de slachtoffers over het hoofd heeft gezien en een aanrijding onvermijdelijk werd, met alle ernstige gevolgen voor de slachtoffers van dien. Verdachte heeft met een te hoge snelheid tot op een te korte afstand van zijn voorligger gereden. In plaats van te remmen, afstand te nemen en niet in te halen, heeft hij er voor gekozen om – in strijd met het inhaalverbod – een abrupte stuurbeweging naar links te maken. Dat vereiste snel handelen waarbij hij bovendien zijn aandacht moest richten op de vrachtwagen voor zich én de personenauto die hem daarvòòr had ingehaald schuin links voor zich. Aldus ontstond een situatie waarin hij de auto van de slachtoffers over het hoofd heeft gezien.

Juist als beroepschauffeur heeft verdachte een extra verantwoordelijkheid en had hij andere keuzes moeten maken. De rechtbank acht het dan ook wettig en overtuigend bewezen dat het rijgedrag van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest.

Op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank tevens bewezen dat de inzittenden van de personenauto, genaamd [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door dit verkeersongeval zwaar lichamelijk letsel is toegebracht.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 12 augustus 2016, in de gemeente Venray, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, trekker met oplegger, daarmede rijdende over de weg, de Rijksweg A73, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor anderen, te weten [slachtoffer 1], [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4], zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht, welke bovenbedoelde gedragingen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, met genoemd motorrijtuig ter plaatse waar herhaald op die weg aan beide zijden van de rijbaan een in zijn, verdachtes, richting gekeerd en voor hem bestemd bord model F3 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 was geplaatst - aanduidende: verboden voor vrachtauto's om motorvoertuigen in te halen - heeft gereden met een snelheid van ongeveer 88 kilometer per uur en vervolgens op een afstand van ongeveer vijf meter van een voor hem op de rechter rijstrook en in dezelfde richting als hij, verdachte, rijdende trekker met oplegger heeft gereden en vervolgens op relatief forse wijze van de rechter- naar de linker rijstrook is gewisseld teneinde deze trekker met oplegger in te halen zulks op een moment dat een over die linker rijstrook rijdende personenauto, zijnde een personenauto met daarin voornoemde personen als bestuurder en als passagiers, tot op korte afstand was genaderd, waardoor een botsing is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig en voornoemde personenauto.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair: overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een

ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt

toegebracht;

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 180 uren subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar met een proeftijd van twee jaar. Daarbij heeft zij in het voordeel van verdachte meegewogen dat hij contact heeft gehad met de slachtoffers en dat hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van de taakstraf van maximaal 90 uren bij een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde en oplegging van een geldboete als de rechtbank tot een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde komt. Gelet op het tijdsverloop, de blanco documentatie en het feit dat verdachte failliet dreigt te gaan als hij langere tijd niet mag rijden met zijn geleasede vrachtwagen, heeft de raadsman ervoor gepleit dat een ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk wordt opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het reclasseringsrapport van 19 oktober 2018, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft, op een wegtraject waar een inhaalverbod voor vrachtwagens gold, een plotselinge inhaalmanoeuvre uitgevoerd waardoor een achteropkomende personenauto hem niet meer kon ontwijken. De daaropvolgende aanrijding heeft grote gevolgen gehad voor de inzittenden van de personenauto. Vier inzittenden hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen, onder wie een jonge vrouw bij wie de linkervoet is geamputeerd en de rechtervoet blijvend functionele beperkingen kent.

Verdachte heeft de slachtoffers leed toegebracht dat deels onherstelbaar is. De impact die het ongeval op de slachtoffers heeft gehad, is van grote omvang. De rechtbank realiseert zich dat een straf het hiervoor beschreven leed van de slachtoffers niet ongedaan kan maken. De gevolgen zijn onomkeerbaar. Anderzijds dient niet uit het oog verloren te worden dat verdachte dit noodlottige gevolg evenmin heeft gewild. Ook dit element heeft bij verkeersongevallen als het onderhavige zijn weerslag op de strafoplegging. De spijt die verdachte heeft geuit ter terechtzitting maakt op de rechtbank een oprechte en doorleefde indruk. Verdachte moet hiermee leven.

Uit de over de persoon opgemaakte reclasseringsrapportage blijkt dat verdachte zijn leven goed op orde heeft en blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie is verdachte niet eerder veroordeeld voor strafbare feiten. Dat zal de rechtbank in zijn voordeel meewegen.

De rechtbank laat eveneens in het voordeel van verdachte spreken dat hij schuldbewust is en ter zitting zijn spijt heeft betuigd. Voorts heeft verdachte contact gezocht met de slachtoffers.

De rechtbank neemt als uitgangspunt de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die aangeven dat voor een feit zoals ten aanzien van verdachte is bewezenverklaard een taakstraf van 120 uur en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van zes maanden een passende straf en maatregel is.

Alles overwegende en rekening houdend met het tijdsverloop en met het feit dat verdachte als kleine zelfstandige afhankelijk is van zijn rijbewijs, zal de rechtbank aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 120 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden met een proeftijd van twee jaar.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b en 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 40 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen - bromfietsen daaronder begrepen - voor de duur van zes maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.W.G. Wijnands, voorzitter, mr. M. Brinksma en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door K. de Ruiter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2018.