Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4781

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-11-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
C/18/185504 / FA RK 18-2113
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Is de moeder belanghebbende bij het verzoek het gezag van de vader te beëindigen? Toepassing HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463 leidt in dit geval tot de slotsom dat dat niet het geval is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaakgegevens : C/18/185504 / FA RK 18-2113

datum uitspraak: 27 november 2018

beschikking beëindiging van de voogdij


in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming, Regio Noord Nederland, Regio Groningen,

die hierna "de Raad" wordt genoemd,

en die gevestigd is in Utrecht,

die betrekking heeft op

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , die hierna [minderjarige] wordt genoemd.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

de gecertificeerde instelling

Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis Groningen,

die hierna "de GI" wordt genoemd,

en die gevestigd is in Groningen,

[belanghebbende 1]

die hierna "de vader" wordt genoemd,

en die woont in [woonplaats] ,

[belanghebbende 2] ,

die hierna "de pleegmoeder" wordt genoemd,

en die woont in [woonplaats] .

1 De procedure

1.1.

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift en onderzoeksrapport van de Raad, ingekomen ter griffie op 29 juni 2018 en de brief met bijlagen van de GI, ingekomen ter griffie op 8 november 2018.

1.2.

Op 19 november 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting achter gesloten deuren behandeld. Verschenen en gehoord zijn de pleegmoeder, de heer [naam 1] , als vertegenwoordiger van de Raad en mevrouw [naam 2] , namens de GI. De vader is, hoewel hij behoorlijk is opgeroepen, niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank kan bij de beoordeling uitgaan van de volgende feiten.

2.2.

Uit een affectieve relatie van de vader met [naam 3] , die hierna de moeder wordt genoemd, is [minderjarige] geboren.

2.3.

Op 18 november 2008 heeft de toenmalige rechtbank Groningen op grond van een daarop gericht verzoek van de moeder, de moeder ontheven uit het ouderlijk gezag en Stichting Bureau Jeugdzorg, toentertijd gevestigd in Groningen, belast met de voogdij over [minderjarige] .

2.4.

Op 10 december 2008 heeft de vader [minderjarige] als zijn dochter erkend.

2.5.

In 2012 is de moeder zonder afscheid te nemen naar Afghanistan vertrokken om daar te worden uitgehuwelijkt. Sinds mei 2013 is er geen contact meer geweest tussen [minderjarige] en de moeder, wat samenhangt met een reële dreiging van eerwraak.

2.6.

De vader heeft op enig moment een affectieve relatie gekregen met de pleegmoeder. Vanaf 2012 woont [minderjarige] bij haar vader en de pleegmoeder.

2.7.

Op 9 september 2014 heeft deze rechtbank de Stichting Bureau Jeugdzorg Groningen ontslagen als voogd over [minderjarige] de vader tot voogd benoemd over [minderjarige] .

2.8.

In het najaar van 2014 gaan de vader en de pleegmoeder uiteen. [minderjarige] blijft bij de pleegmoeder wonen.

2.9.

Op 12 april 2017 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI en een machtiging verleend voor de uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder. Deze maatregelen zijn jaarlijks verlengd.

2.10.

De GI heeft zich bij brief van 18 juni 2018 bereid verklaard om de voogdij te aanvaarden.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt de rechtbank de voogdij van de vader over [minderjarige] te beëindigen en de GI tot voogd te benoemen. Daartoe stelt de Raad, samengevat weergegeven, dat het perspectief van [minderjarige] bij haar pleegmoeder ligt. Volgens de Raad verzet de vader zich echter tegen de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder, wat klemt omdat de verhouding tussen [minderjarige] en de vader ernstig is verstoord. Volgens de Raad ontbreekt tussen [minderjarige] en de vader ieder contact en wil [minderjarige] ook geen contact met de vader. De Raad voert verder aan dat de jaarlijkse verlengingszitting van de ondertoezichtstelling een belasting voor [minderjarige] vormt, omdat het onrust geeft en onduidelijkheid over haar woonperspectief veroorzaakt. De Raad stelt dat het in het belang van de ontwikkeling van [minderjarige] nodig is dat duidelijkheid over haar woonperspectief ontstaat en dat duidelijkheid hierover haar ook rust zal geven. Die rust is nodig voor [minderjarige] zodat zij zich kan richten op haar eigen ontwikkeling. Volgens de Raad is de vader niet in staat om binnen een aanvaardbare termijn verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen. [minderjarige] woont inmiddels ruim vijf jaar bij pleegmoeder en wil daar blijven wonen. De Raad stelt verder dat het wenselijk is dat de GI tot voogd worden benoemd, omdat de GI een neutrale positie kan innemen ten opzichte van de vader en de pleegmoeder.

3.2.

De GI onderschrijft het verzoek van de Raad. De GI verwacht dat het [minderjarige] rust zal geven als zij duidelijkheid krijgt over haar woonperspectief en wanneer zij niet meer afhankelijk is van vader omtrent belangrijke beslissingen. Omdat de vader zich tegen dat perspectief verzet is beëindiging van de voogdij van vader nodig.

3.3.

De pleegmoeder ervaart dat het helpend zou zijn als de voogdij bij de GI komt te liggen, omdat het laten voortduren van de ondertoezichtstelling met zich brengt dat [minderjarige] vaak wordt opgeroepen door instantie en er ook zittingen zijn. Die brengen [minderjarige] uit haar evenwicht en maken haar boos en opstandig. Als de voogdij bij de GI komt te liggen, zal dat volgens de pleegmoeder [minderjarige] geruststellen.

4 De beoordeling

4.1.

Het gaat in deze zaak om de vraag of de voogdij van de vader moet worden beëindigd en de GI tot voogd over [minderjarige] moet worden benoemd. Voordat de hierop gerichte verzoeken van de Raad kunnen worden behandeld, zal de kinderrechter eerst ingaan op de wijze waarop tot zover in de voogdij over [minderjarige] is voorzien en op de vraag of de moeder van [minderjarige] als belanghebbende in deze zaak moet worden aangemerkt. Daarvoor is het volgende redengevend.

4.2.

Op 9 september 2014 is de vader tot voogd over [minderjarige] benoemd. De kinderrechter stelt vast dat deze beslissing berust op een kennelijke misslag, omdat op het moment dat die beslissing werd genomen de vader [minderjarige] al als zijn dochter had erkend. Daardoor stond het ouderschap van de vader vast. De vader kon daarom niet tot voogd worden benoemd. Hij had als ouder het gezag over haar kunnen gaan uitoefenen (at. 1:245 lid 3 BW). De kinderrechter leest om die reden de beschikking van 9 september 2014 zo dat daar waar "voogdij" staat, door hem "gezag" wordt gelezen.

4.3.

De Raad heeft, gelet op de bewoordingen die de rechtbank in de beschikking van 9 september 2014 heeft gebezigd en in aanmerking genomen datgene was is opgenomen in het gezagsregister, de rechtbank in deze procedure verzocht de voogdij van de vader te beëindigen. Uit de daarop ter zitting gegeven toelichting blijkt dat de Raad heeft bedoeld een gezagsbeëindigende maatregel te verzoeken en dat de Raad zijn formele verzoek heeft willen laten aansluiten op het gegeven dat de rechtbank de vader tot voogd over [minderjarige] heeft benoemd.

4.4.

In het licht van deze feiten en omstandigheden vat de kinderrechter het verzoek van de Raad op als een verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel te nemen zoals bedoeld is in art. 1:266 lid 1 BW.

4.5.

Het op dat artikel gebaseerde verzoek van de Raad brengt mee dat de kinderrechter ambtshalve moet beoordelen wie belanghebbenden zijn, zoals blijkt uit art. 279 lid 1, laatste zin Rv. Daardoor komt de kinderrechter voor de vraag te staan of de moeder van [minderjarige] belanghebbende is bij de behandeling van het verzoek om een gezagsbeëindigende maatregel te nemen. Bij beantwoording van die vraag acht de kinderrechter het volgende van belang.

4.6.

Het begrip belanghebbende is gedefinieerd in art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv en dat artikellid is van toepassing bij beëindiging van door ouders gezamenlijk uitgeoefend ouderlijk gezag zoals bedoeld in art. 1:266 BW.

4.7.

Art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv bepaalt dat onder belanghebbende wordt verstaan “degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft”.

4.8.

Uit de hierover ontwikkelde rechtspraak blijkt dat tot de in art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv beschermde "rechten of verplichtingen" de rechten behoren die worden beschermd door internationale verdragen, zoals het EVRM en het Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten, voor zover daarop door een burger in rechte rechtstreeks een beroep kan worden gedaan (omdat die rechten zijn neergelegd in een ieder verbindende bepalingen als bedoeld in art. 93 Grondwet).

4.9.

De Hoge Raad heeft uit een en ander de conclusie getrokken dat de door art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv bestreken kring van belanghebbenden in zaken van personen- en familierecht (in andere zaken dan scheidingszaken) niet in algemene zin kan worden afgebakend. Welke persoon of instelling als belanghebbende moet worden aangemerkt, wordt volgens de Hoge Raad bepaald – aan de ene kant – door het onderwerp van de aan de rechter voorgelegde zaak en – aan de andere kant – door de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept. Slechts als het onderwerp van de zaak ertoe kan leiden dat de rechten of verplichtingen waarop de betrokkene zich beroept, rechtstreeks door de rechterlijke beslissing worden geraakt, is die betrokkene in die zaak belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv (zie HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:463). Op deze prejudiciële beslissing van de Hoge Raad baseert de kinderrechter zich bij het geven van de navolgende overwegingen.

4.10.

De hiervoor gegeven rechtsregel heeft de Hoge Raad toegepast bij beantwoording van de vraag naar de belanghebbende ouder in een op art. 1:266 BW gebaseerde procedure.

4.11.

Uit wat de Hoge Raad heeft overwogen kan worden afgeleid dat als de gezagsbeëindigende maatregel strekt tot beëindiging van het door de ouders gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag over een kind met wie die ouders gezinsleven hebben, er onmiskenbaar een inmenging in het gezinsleven van de vader, de moeder en het kind plaatsvindt als bedoeld in art. 8 lid 2 EVRM. Een zaak die tot een dergelijke beslissing kan leiden, raakt dan ook "rechtstreeks" het recht op gezinsleven van elk van beide ouders in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv, in verbinding met art. 8 lid 1 EVRM, aldus de Hoge Raad. Dat brengt mee dat elk van beide ouders in het kader van die zaak moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv. Aldus is ook verzekerd dat wordt voldaan aan de uit art. 8 EVRM voortvloeiende eis dat elk van beide ouders in voldoende mate wordt betrokken bij het besluitvormingsproces met betrekking tot de beëindiging van het door die ouders gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag, zo oordeelt de Hoge Raad.

4.12.

In de zaak die tot het arrest heeft geleid speelt dat de rechtbank het gezag van beide ouders heeft beëindigd en alleen de vader tegen die beslissing in hoger beroep is opgekomen. De Hoge Raad overweegt daarover (rov. 3.7.4 ):

De omstandigheid dat het in deze zaak door de vader ingestelde hoger beroep slechts betrekking heeft op de beëindiging van zijn ouderlijk gezag over [de zoon] (en niet op de beëindiging van het ouderlijk gezag van de moeder), brengt niet mee dat de moeder in dit hoger beroep niet (meer) moet worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 798 lid 1, eerste volzin, Rv in verbinding met art. 806 lid 1 Rv. Beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader raakt rechtstreeks het recht op gezinsleven van zowel de vader als de moeder, nu zij aanvankelijk gezamenlijk met het ouderlijk gezag over [de zoon] waren belast, gezinsleven met [de zoon] hebben, en beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader invloed kan hebben op de wijze waarop de vader en de moeder nadien invulling kunnen geven aan hun gezinsleven met [de zoon]. Bovendien waarborgt het aanmerken van de moeder als belanghebbende in het hoger beroep van de vader dat zij – in overeenstemming met art. 8 EVRM – in voldoende mate betrokken blijft bij het besluitvormingsproces met betrekking tot de beëindiging van het door de ouders aanvankelijk gezamenlijk uitgeoefende ouderlijk gezag (…).

4.13.

De kinderrechter overweegt dat een en ander in de zaak die hij hier behandelt, anders ligt. De moeder is al jaren geleden, in 2008, ontheven uit het ouderlijk gezag. Het contact tussen de moeder en [minderjarige] is bovendien al jaren geleden verloren gegaan. De beslissing die de kinderrechter in deze zaak over het gezag neemt, raakt daardoor niet het gezinsleven van de moeder.

4.14.

Een en ander leidt tot de conclusie dat alle belanghebbende bij het verzoek zijn opgeroepen, zodat de kinderrechter de zaak kan behandelen en beslissen.

4.15.

Inhoudelijk staat te beoordelen of het ouderlijk gezag van de vader moet worden beëindigd, omdat [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij bij het laten voortduren van dat ouderlijke gezag in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, haar ouders niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor verzorging en opvoeding te nemen en hierin binnen een [minderjarige] aanvaardbare termijn geen verandering valt te verwachten, een en ander zoals bedoeld in art. 1:266 lid 1 BW.

4.16.

Uit de stukken en wat ter zitting is besproken blijkt dat [minderjarige] een nu 15-jarig meisje is dat door middel van een netwerkpleegzorgplaatsing bij haar voormalige stiefmoeder woont. Haar woonplek is echter niet geborgd, omdat de vader zich tegen de plaatsing verzet. Dit vormt een ontwikkelingsbedreiging. Daaraan doet niet af dat er geen reële kan bestaat dat de wil van vader wordt verwezenlijkt. Daargelaten dat [minderjarige] met haar vader geen contact heeft en met hem ook geen contact wil hebben, blijkt uit de ondertoezichtstelling en het onderzoek dat in dat verband is gedaan, dat de vader ook met benodigde hulpverlening niet in staat is inhoud te geven aan zijn opvoedingsverantwoordelijkheid. Hierin valt ook geen verandering meer te verwachten. De kinderrechter komt tot de conclusie dat de vader niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding zoals bedoeld in art. 1:247 lid 2 BW, te dragen binnen een voor [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.

4.17.

Voor de kinderrechter weegt zwaar dat [minderjarige] wordt belast met de onduidelijkheid over haar perspectief en in het bijzonder het gegeven dat de vader niet berust in de gegeven situatie die hieruit bestaat dat [minderjarige] al meer dan vijf jaar bij de pleegmoeder woont en daar ook wil blijven wonen. Uit het onderzoeksrapport van de Raad blijkt dat dit ook voor [minderjarige] een bedreiging in haar sociaal-emotionele ontwikkeling vormt. De kinderrechter trekt hieruit de conclusie dat de ondertoezichtstelling als maatregel tekort schiet en dat [minderjarige] zodanig opgroeit dat zij in haar ontwikkeling ernstig wordt bedreigd.

4.18.

[minderjarige] heeft recht op en behoefte aan duidelijkheid over haar perspectief. Die duidelijkheid ontstaat met een gezagsbeëindiging, omdat dan een jaarlijkse verlenging van de maatregelen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing niet meer nodig is. Het laten voortduren van de huidige situatie betekent dat jaarlijks opnieuw moet worden beoordeeld of de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing moet worden verlengd, met alle spanning en onzekerheid voor [minderjarige] van dien. Doordat de vader de uithuisplaatsing niet accepteert, is er een reëel risico dat de vader zich ook in de toekomst tegen de verleningen van de machtiging tot uithuisplaatsing zal verzetten.

4.19.

De kinderrechter is verder van oordeel dat de aanvaarbare termijn waarbinnen de vader in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen, inmiddels ruimschoot is verstreken. Het is in het kader van de ondertoezichtstelling niet gelukt eerdergenoemde zorgen over de ontwikkelingsbedreigingen weg te nemen, terwijl [minderjarige] inmiddels al meer dan vijf jaar uit huis is geplaatst. [minderjarige] langer in onzekerheid laten verkeren ten aanzien van haar (woon)perspectief is niet in haar belang en bovendien schadelijk voor haar verdere ontwikkeling.

4.20.

Gelet op al het voorgaande zal het ouderlijk gezag van de vader worden beëindigd.

4.21.

Omdat de beëindiging van de voogdij van de vader ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, zal de rechtbank een voogd over haar benoemen. De kinderrechter zal de GI tot voogd benoemen in overstemming met het daarop gerichte verzoek en het daarover gegeven advies.

5 De beslissing


De rechtbank

1. beëindigt het gezag van [belanghebbende 1] over [minderjarige], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

2. benoemt tot voogd over [minderjarige] Jeugdbescherming Noord & Veilig Thuis Groningen,

3 verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden.