Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4774

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
18/950007-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/950007-18

beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in PI Leeuwarden,

raadsman: mr. U. Ural, advocaat te Enschede.

Procesverloop

Ter terechtzitting van 17 september 2018 is het onderzoek ter terechtzitting voor regie geschorst tot 16 november 2018. Voorafgaand aan deze regiezitting heeft de verdediging per

e-mails d.d. 27 september en 24 oktober 2018 haar onderzoekswensen ingediend en gemotiveerd. Op 31 oktober 2018 heeft het openbaar ministerie schriftelijk gereageerd op deze onderzoekswensen.

Ter terechtzitting van 16 november 2018 hebben de verdediging en het openbaar ministerie hun standpunten nader toegelicht, waarna de rechtbank heeft bepaald dat op de zitting van

26 november 2018 een tussenbeslissing zal worden gegeven over de onderzoekswensen van de verdediging.

Motivering

De verdediging heeft haar verzoek herhaald om een aantal getuigen te horen bij de rechter-commissaris.

Ten aanzien van het verzoek om medeverdachte [medeverdachte] in de zaken 3.18 en 3.33 als getuige te horen, overweegt de rechtbank dat de beslissing op dit verzoek abusievelijk niet is opgenomen in de tussenbeslissing van 10 juli 2018. De rechtbank zal dit verzoek in de onderhavige beslissing alsnog toewijzen.

De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden of de maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken het verdedigingsbelang is, zoals de verdediging stelt, of het noodzakelijkheids-criterium, zoals het openbaar ministerie stelt.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat ingeval het onderzoek ter terechtzitting is geschorst en het verzoek tot het oproepen van getuigen eerst is gedaan op de terechtzitting na de schorsing, de maatstaf bij de beoordeling van het verzoek is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht is gebleken. Dat geldt ook voor getuigen die eerder met toepassing van de maatstaf van het verdedigingsbelang zijn afgewezen (ECLI:NL:HR:2014:1496).

De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat indien na schorsing van het onderzoek ter terechtzitting nog een aanvullend proces-verbaal aan het dossier wordt toegevoegd ten aanzien van de beoordeling van daaromtrent ingediende getuigenverzoeken eveneens het noodzakelijkheidscriterium als maatstaf voor de beoordeling dient te gelden (ECLI:NL:HR:2013:828).

De rechtbank is, indachtig de jurisprudentie van de Hoge Raad, van oordeel dat nu op 22 juni 2018 reeds een regiezitting heeft plaatsgevonden de getuigenverzoeken thans op grond van het noodzakelijkheidscriterium beoordeeld dienen te worden.
De omstandigheid dat de verdediging pas na de regiezitting op 22 juni 2018 de beschikking heeft gekregen over het complete dossier Akepa, brengt, anders dan de verdediging stelt, niet met zich dat het verdedigingsbelang als maatstaf dient te gelden. Temeer niet nu de getuigenverzoeken geen betrekking hebben op de aanvullende stukken van het dossier Akepa.

Ten aanzien van de herhaalde getuigenverzoeken met betrekking tot het dossier Harka overweegt de rechtbank dat zij deze verzoeken in de tussenbeslissing van 10 juli 2018 heeft afgewezen. De verdediging heeft de verzoeken thans grotendeels herhaald, voorzien van een nadere motivering. De rechtbank ziet hierin evenwel onvoldoende noodzaak de gevraagde getuigen alsnog te horen. Het enkele feit dat de betreffende getuigen in zijn algemeenheid zouden kunnen verklaren over de organisatie en/of (het beleid inzake) het plegen van gewelds- en Opiumwetdelicten maakt het horen van deze getuigen op zichzelf niet noodzakelijk. Niet voldoende concreet onderbouwd is waarom de verklaringen van deze getuigen - die in het dossier Harka geen verklaring hebben afgelegd - de betwisting van het tenlastegelegde zouden kunnen staven, dan wel ter onderbouwing kunnen dienen van een verweer of standpunt dat betrekking heeft op een van de beslissingen die de rechtbank op grond van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering zal moeten nemen. Hierbij betrekt de rechtbank dat verdachte zich tot nu toe op zijn zwijgrecht beroepen heeft en zelf dus niet wil verklaren over de gang van zaken en zijn rol binnen de motorclub No Surrender. Mede in het licht van deze omstandigheid is onvoldoende gebleken van de noodzaak de door hem genoemde getuigen te horen.

Die noodzakelijkheid blijkt meer specifiek evenmin ten aanzien van de verzochte getuigen die, zoals de verdediging stelt, binnen de organisatiestructuur van de motorclub No Surrender een vergelijkbare of zelfs hogere rang dan verdachte bekleedden en niet door het openbaar ministerie worden vervolgd, hetgeen mogelijk in strijd is met het verbod op willekeur is.
Krachtens het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht neergelegde opportuniteitsbeginsel is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of - en zo ja - wie vervolgd wordt. De verdediging stelt de vraag waarom de hiervoor bedoelde personen niet worden vervolgd, maar heeft niet voldoende gemotiveerd waarom hun verklaring van belang zou kunnen zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is van strijd met het verbod op willekeur en welke strafvorderlijke consequenties daar bij een bevestigend antwoord dan eventueel aan verbonden zouden moeten worden.

De rechtbank wijst er ten overvloede op dat zij bij toepassing van het verdedigingsbelang tot eenzelfde oordeel zou zijn gekomen.

Beslissing

De rechtbank:

- bepaalt dat in de zaken 3.18 en 3.33 als getuige wordt gehoord [medeverdachte];

- wijst af het meer of anders verzochte;

- stelt de stukken in handen van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, teneinde dit nadere onderzoek te verrichten.

Deze tussenbeslissing is gegeven door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. E.C.M. Wolfert en

mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide en A.W. ten Have-Imminga, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 november 2018.

Mr. E.C.M. Wolfert is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.