Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4773

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-11-2018
Datum publicatie
26-11-2018
Zaaknummer
18/950005-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Tussenbeslissing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/950005-18

beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam],

raadsman: mr. A.H.J. Bals, advocaat te Kloetinge.

Procesverloop

Ter terechtzitting van 26 juni 2018 heeft de rechtbank het onderzoek voor onbepaalde tijd, doch maximaal 3 maanden geschorst. Vervolgens is bepaald dat een regiezitting zal worden gehouden op 19 november 2018. Voorafgaand aan deze regiezitting heeft de verdediging per

e-mails d.d. 1 en 7 oktober 2018 haar onderzoekswensen ingediend. Op 31 oktober 2018 heeft het openbaar ministerie hierop schriftelijk gereageerd.

Ter terechtzitting van 19 november 2018 hebben de verdediging en het openbaar ministerie hun standpunten nader toegelicht, waarna de rechtbank heeft bepaald dat op de zitting van

26 november 2018 een tussenbeslissing zal worden gegeven met betrekking tot de onderzoekswensen van de verdediging.

Motivering

Verzoek tot een open verwijzing van de zaak naar de rechter-commissaris

De verdediging heeft allereerst verzocht om een open verwijzing van de onderhavige zaak naar de rechter-commissaris. De rechtbank is van oordeel dat een open verwijzing naar de rechter-commissaris niet in het belang is van een doelmatige procesvoering en wenst zelf de regie in handen te houden. Voornoemd verzoek zal derhalve worden afgewezen.

Verzoek tot het horen van getuigen bij de rechter-commissaris

De verdediging heeft voorts verzocht een aantal getuigen te horen bij de rechter-commissaris. Met betrekking tot onder andere de organisatie van No Surrender heeft de verdediging verzocht de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te horen. Dit verzoek is reeds bij beslissing van 10 juli 2018 toegewezen. Op het verzoek van de verdediging om

[getuige] als getuige te horen behoeft evenmin te worden beslist, nu voornoemde persoon is overleden. Met betrekking tot de overige getuigen, leden van de national board, betreft het een herhaling van de op de regiezitting van 22 juni 2018 gedane, en bij tussenbeslissing van 10 juli 2018 afgewezen, verzoeken. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verzoeken moeten worden afgewezen.

De vraag die de rechtbank eerst dient te beantwoorden is of de maatstaf bij de beoordeling van de verzoeken het verdedigingsbelang of het noodzakelijkheidscriterium is.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat ingeval het onderzoek ter terechtzitting is geschorst en het verzoek tot het oproepen van getuigen eerst is gedaan op de terechtzitting na de schorsing, de maatstaf bij de beoordeling van het verzoek is of de noodzaak van hetgeen wordt verzocht is gebleken. Dat geldt ook voor getuigen die eerder met toepassing van de maatstaf van het verdedigingsbelang zijn afgewezen (ECLI:NL:HR:2014:1496).

De Hoge Raad heeft voorts geoordeeld dat indien na schorsing van het onderzoek ter terechtzitting nog een aanvullend proces-verbaal aan het dossier wordt toegevoegd ten

aanzien van de beoordeling van daaromtrent ingediende getuigenverzoeken eveneens het noodzakelijkheidscriterium als maatstaf voor de beoordeling dient te gelden (ECLI:NL:HR:2013:828).

De rechtbank is, indachtig de jurisprudentie van de Hoge Raad, van oordeel dat nu op 22 juni 2018 reeds een regiezitting heeft plaatsgevonden de (herhaalde) getuigenverzoeken thans op grond van het noodzakelijkheidscriterium beoordeeld dienen te worden. De omstandigheid dat de verdediging pas na de regiezitting op 22 juni 2018 de beschikking heeft gekregen over het complete dossier Akepa, brengt niet met zich dat het verdedigingsbelang als maatstaf dient te gelden; ook niet ten aanzien van de getuigen die betrekking hebben op het dossier Akepa. Het noodzakelijkheidscriterium dient ten aanzien van getuigen die betrekking hebben op het dossier Akepa, naar het oordeel van de rechtbank, met het oog op een behoorlijke verdediging, echter wel zo te worden toegepast dat deze niet wezenlijk verschilt van het verdedigingsbelang (vgl. ECLI:NL:HR:2007:AZ1702).

Ten aanzien van de herhaalde getuigenverzoeken in het dossier Harka overweegt de rechtbank dat zij deze verzoeken in de tussenbeslissing van 10 juli 2018 heeft afgewezen. De verdediging heeft de verzoeken nu herhaald, voorzien van een nadere motivering. De rechtbank ziet hierin evenwel onvoldoende noodzaak de gevraagde getuigen alsnog te horen. Het enkele feit dat de betreffende getuigen in zijn algemeenheid zouden kunnen verklaren over de organisatie en/of (het beleid inzake) het plegen van gewelds- en Opiumwetdelicten maakt het horen van deze getuigen op zichzelf niet noodzakelijk. Niet voldoende concreet onderbouwd is waarom de verklaringen van deze getuigen - die in het dossier Harka geen verklaring hebben afgelegd - de betwisting van het tenlastegelegde zouden kunnen staven, dan wel ter onderbouwing kunnen dienen van een verweer of standpunt dat betrekking heeft op een van de beslissingen die de rechtbank op grond van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering zal moeten nemen. Hierbij betrekt de rechtbank dat verdachte zich tot nu toe op zijn zwijgrecht beroepen heeft en zelf dus niet wil verklaren over de gang van zaken en zijn rol binnen de motorclub No Surrender.

De rechtbank wijst er ten overvloede op dat zij bij toepassing van het verdedigingsbelang tot eenzelfde oordeel zou zijn gekomen.

Ten aanzien van de nieuwe getuigenverzoeken is de rechtbank eveneens van oordeel dat de noodzakelijkheid van het horen van de desbetreffende personen ontbreekt. De verklaringen van deze getuigen zijn opgenomen in het dossier Akepa, dat na de regiezitting van 22 juni 2018 aan de verdediging is verschaft. Dit dossier is aan de verdediging verschaft met het oog op de gelijktijdige maar niet gevoegde geplande behandeling van de strafzaken ter terechtzitting van alle (mede-)verdachten van overtreding van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Harka), van wie een tweetal ook feiten uit het strafdossier Akepa op de tenlastelegging hebben staan. Dat het dossier Akepa desondanks op verzoek van de verdediging is verschaft, is gelegen in het door de rechtbank wenselijk geachte uitgangspunt dat alle verdachten ter zake overtreding van artikel 140 Sr, het openbaar ministerie en de rechtbank over dezelfde informatie beschikken. De hiervoor bedoelde, in het onderzoek Akepa afgelegde, getuigenverklaringen maken echter geen deel uit van het strafdossier tegen verdachte. Het openbaar ministerie heeft ter terechtzitting aangegeven dat verklaringen uit het dossier Akepa, die niet ook deel uitmaken van het dossier Harka, niet voor de bewijsvoering in de zaak tegen verdachte gebruikt zullen worden. De rechtbank zal deze bij een eventuele bewijsconstructie ook niet aanwenden. Dit verzoek van de verdediging zal om die reden worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank wijst af alle door de verdediging gedane verzoeken.

Deze tussenbeslissing is gegeven door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. E.C.M. Wolfert en

mr. M.B.W. Venema, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide en A.W. ten Have-Imminga, griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 november 2018.

Mr. E.C.M. Wolfert is buiten staat deze beslissing te ondertekenen.