Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4755

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-11-2018
Datum publicatie
30-11-2018
Zaaknummer
LEE 18/326
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

AW. Het gaat om het onvoorwaardelijk strafontslag van een casemanager van een PI, die heeft nagelaten bij zijn leidinggevende melding te maken van het feit dat hij als verdachte is verhoord in een strafrechtelijk onderzoek (verduistering). Verder heeft eiser geen deugdelijke administratie bijgehouden van het financiële beheer en het gebruik van de pinpas van een cliënt van zijn eigen re-integratieberdrijf. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 18/326

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 november 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Arends),

en

de Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. F.P.M. Kousen).

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd.

Bij besluit van 8 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam 1] vestigingsdirecteur. Tevens waren [namen 2 en 3] , HR-adviseurs, aanwezig. Het onderzoek is ter zitting geschorst om eiser de gelegenheid te geven nog ontbrekende stukken te produceren en om verweerder hierop vervolgens te laten reageren.

Bij brief van 11 juni 2018 heeft eiser een aantal stukken overgelegd. Bij brief van 2 juli 2018 heeft verweerder hierop gereageerd.

Met toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht is een nadere zitting achterwege gebleven en is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Vanaf 16 februari 1980 is eiser werkzaam geweest bij de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI). Eiser heeft gewerkt als [naam functie] bij de Penitentiaire Inrichting (PI) [plaatsnaam 2] . Eiser heeft samen met zijn collega B. [naam 5] en met medeweten van de DJI het re-integratiebedrijf [naam bedrijf] opgericht, dat ex-gedetineerden hulp biedt bij terugkeer in de maatschappij. Het bedrijf is op 17 oktober 2011 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en is vanaf 20 augustus 2014 geregistreerd als eenmanszaak met eiser als eigenaar, nadat [naam 5] de samenwerking met hem had beëindigd.

2. Vanaf oktober 2012 heeft de heer J. [naam 6] vanuit [naam bedrijf] begeleiding gekregen, met eiser als zijn persoonlijk begeleider. De begeleiding bestond onder meer uit het beheren van de financiën van [naam 6] . [naam 6] heeft daartoe op 26 oktober 2012 een contract getekend met [naam bedrijf] . [naam 6] was de eerste cliënt van [naam bedrijf] en was aangemeld via Prison Gate Office (PGO) van het Leger des Heils. [naam 6] was afkomstig uit de PI de [plaatsnaam 3] in Hoogeveen. Vanaf 25 oktober 2013 is [naam 6] in verband met een nog openstaande straf van tien maanden gedetineerd geweest in de PI [plaatsnaam 4] en vanaf 10 februari 2014 tot en met 17 juli 2014 in de PI [plaatsnaam 2] . In augustus 2015 heeft [naam 6] de begeleiding door [naam bedrijf] beëindigd.

3. Op 6 oktober 2015 heeft [naam 6] bij de politie aangifte gedaan tegen eiser wegens verduistering. De politie heeft eiser in verband daarmee op 2 mei 2016 als verdachte gehoord.

4. Op 21 juli 2016 is verweerder door het Bureau Integriteit van de DJI op de hoogte gesteld van een melding van de politie Assen dat eiser als verdachte is gehoord in een strafrechtelijk onderzoek. Naar aanleiding van deze melding is eiser op 15 augustus 2016 gehoord door de vestigingsdirecteur, de plaatsvervangend vestigingsdirecteur en een HR-adviseur.

5. Bij besluit van 15 augustus 2016 heeft verweerder eiser -zoals hem reeds in het hoorgesprek op die datum was meegedeeld- met onmiddellijke ingang de toegang tot de PI [plaatsnaam 2] en de PI [plaatsnaam 5] (waar hij inmiddels was gedetacheerd na een periode van ziekte vanaf april 2014) ontzegd en is hem bijzonder verlof verleend. Hierbij is aangegeven dat verweerder is gebleken dat eiser zich mogelijk schuldig heeft gemaakt aan niet-integer gedrag en dat verweerder besloten heeft tegen hem een feitenonderzoek in te stellen, dat wordt uitgevoerd door het Bureau Integriteit van de DJI.

6. In het kader van het onderzoek dat is verricht door het Bureau Integriteit van de DJI hebben op 5 oktober 2016 gesprekken plaatsgevonden met [naam 5] en eiser en op 27 oktober 2016 met [naam 6] . Bureau Integriteit heeft op 18 november 2016 omtrent de onderzoeksbevindingen gerapporteerd.

7. Bij brief van 9 januari 2017 is aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om aan hem de disciplinaire straf van ontslag op te leggen omdat hij zich schuldig heeft gemaakt aan strafbaar plichtsverzuim. Bij brief van 19 januari 2017 heeft eiser zijn zienswijze hierop gegeven.

8. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan eiser per 21 april 2017 de disciplinaire straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd. Verweerder heeft hierbij in aanmerking genomen dat voor hem is vast komen te staan dat:

I. eiser niet bij zijn leidinggevende gemeld heeft dat hij als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek inzake een misdrijf (verduistering) gehoord is. Hierdoor heeft eiser gehandeld in strijd met de Gedragscode DJI en niet de openheid getoond die van een DJI-medewerker verwacht wordt.

II. eiser zonder toestemming met een aan hem toevertrouwde bankpas van [naam 6] via pintransacties ten behoeve van zichzelf bedragen heeft opgenomen en betalingen heeft gedaan (onder andere bij de Praxis). Eiser heeft geen sluitende administratie bijgehouden van de uitgaven die hij gedaan heeft ten laste van de rekening van [naam 6] .

III. eiser heeft in het hoorgesprek op 15 augustus 2016 gelogen over het feit dat, zoals zowel [naam 6] als [naam 5] heeft verklaard, de begeleiding pro deo was. Daarbij blijkt uit hun verklaringen dat eiser de pinpas van [naam 6] alleen zou beheren voor het betalen van door [naam 6] gemaakte onkosten.

IV. eiser heeft in het hoorgesprek van 15 augustus 2016 gelogen over het feit dat hij nooit gedetineerden uit de PI [plaatsnaam 2] heeft begeleid. Eiser heeft immers [naam 6] begeleid in een periode vanaf februari 2014 toen hij in PI [plaatsnaam 2] verbleef. Dit is in strijd met de afspraak tussen eiser en de voormalig vestigingsdirecteur, dat eiser geen gedetineerden afkomstig uit de PI [plaatsnaam 2] zou begeleiden.

Volgens verweerder heeft eiser door zijn gedragingen het imago van de DJI en in het bijzonder de PI [plaatsnaam 2] beschadigd. Verweerder neemt verder in aanmerking dat een ambtenaar werkzaam in een PI of bij de DJI een voorbeeldfunctie bekleedt. Daarom dient eiser in hoge mate onkreukbaar en integer te zijn. Eiser heeft laten blijken niet onkreukbaar te zijn doordat hij misbruik heeft gemaakt van de goedgelovigheid van een aan zijn begeleiding toevertrouwde, beïnvloedbare persoon als [naam 6] door zonder toestemming, middels het gebruik van diens pinpas, privé-uitgaven te doen en bedragen over te schrijven naar een privérekening van eisers echtgenote. Dit betreft een totaal bedrag van € 9.341,45. Verweerder betrekt hierbij dat eiser een dagvaarding en strafrechtelijke vervolging voorkomt door gevolg te geven aan het schikkingsvoorstel van het Openbaar Ministerie om de zaak buitengerechtelijk af te doen onder de voorwaarde dat hij voormeld bedrag volledig (terug)betaalt. Verweerder is van opvatting dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. Er zijn verweerder geen feiten of omstandigheden bekend op grond waarvan het plichtsverzuim niet volledig aan eiser zou kunnen worden toegerekend. Verweerder is zich ervan bewust dat strafontslag een ingrijpende maatregel is, dat eiser gelet op zijn leeftijd moeilijk ander werk zal kunnen bemachtigen en dat hij als gevolg van het besluit mogelijk financiële problemen zal ondervinden. Dit weegt volgens verweerder echter niet op tegen de ernst van het plichtsverzuim en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Hetzelfde geldt voor eisers etzeeHlange staat van dienst. Verweerder is daarom van mening dat de disciplinaire straf van ontslag evenredig is aan het eiser verweten plichtsverzuim.

9. In het kader van de behandeling van het bezwaar dat eiser tegen het primaire besluit heeft ingediend heeft een hoorzitting plaatsgevonden ten overstaan van de Adviescommissie bezwaarschriften Algemene wet bestuursrecht inzake personele aangelegenheden Ministerie van Veiligheid en Justitie (commissie), die op 20 oktober 2017 advies aan verweerder heeft uitgebracht. Het advies luidt een nieuw besluit te nemen waarbij aan eiser een voorwaardelijk strafontslag met een proeftijd van twee jaar wordt opgelegd. Volgens de commissie heeft het onvoorwaardelijk strafontslag voor eiser dermate vergaande consequenties dat het opleggen ervan onevenredig is aan het gepleegde plichtsverzuim. De commissie heeft hierbij in aanmerking genomen dat eiser 37 jaar bij de DJI heeft gewerkt, dat niet eerder sprake is geweest van twijfel over zijn integriteit, dat hij door het besluit zware financiële nadelen zal ondervinden en dat het gelet op zijn leeftijd van 59 jaar voor hem moeilijk zal zijn om ander werk te vinden. Overigens staan volgens de commissie de aan eiser tegengeworpen gedragingen I, II en IV voldoende vast. Ten aanzien van gedraging IV heeft de commissie aangegeven dat verweerder een nuancering heeft aangebracht, namelijk dat eiser weliswaar niet heeft gelogen over het feit dat hij geen gedetineerden uit de PI [plaatsnaam 2] heeft begeleid, maar dat het werven via de PGO, die gevestigd is in [plaatsnaam 2] , heel dicht komt bij werven in de PI [plaatsnaam 2] . Volgens verweerder had eiser hierover met zijn leidinggevende moeten overleggen, maar heeft hij dit niet gedaan. De commissie volgt het standpunt van verweerder dat eiser onvoldoende duidelijk en transparant is geweest. Gedraging III, betreffende het verwijt dat eiser tijdens het gehoorgesprek heeft gelogen over het feit dat de begeleiding van [naam 6] niet pro deo zou zijn, is volgens de commissie echter onvoldoende komen vast te staan. De commissie geeft hierbij aan dat uit de stukken weliswaar niet blijkt dat een vergoeding voor de begeleiding is overeengekomen, maar dat evenmin is vastgelegd dat dit niet het geval zou zijn, en dat het ook niet voor de hand ligt om geen enkele financiële bijdrage te vragen. Volgens de commissie heeft eiser zich schuldig gemaakt aan ernstig plichtsverzuim. De commissie neemt hierbij in aanmerking dat aan eiser met het oog op zijn functie hoge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en verantwoordelijkheid mogen worden gesteld en dat uit de vastgestelde gedragingen blijkt dat hij in strijd heeft gehandeld met deze eisen. Hierdoor heeft eiser het in hem te stellen vertrouwen dat noodzakelijk is voor zijn functioneren als casemanager bij een PI, in ernstige mate beschaamd. De commissie stelt verder vast dat eiser geen argumenten, feiten of omstandigheden heeft aangedragen op grond waarvan het plichtsverzuim hem niet volledig toegerekend kan worden.

10. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Verweerder wijst er hierbij op dat de commissie met hem van mening is dat sprake is van ernstig plichtsverzuim en dat de eiser verweten gedragingen ten volle aan hem kunnen worden toegerekend. De conclusie van de commissie dat de opgelegde straf niet evenredig is aan de aard en ernst van het plichtsverzuim volgt verweerder echter niet. In zoverre neemt verweerder het advies van de commissie dan ook niet over. Verweerder geeft hierbij aan dat reeds in het primaire besluit is aangegeven dat hij zich ervan bewust is dat ontslag een zeer ingrijpende maatregel voor eiser is. Naar de mening van verweerder kan dit echter niet opwegen tegen de buitengewone ernst van het plichtsverzuim. Met name het feit dat eiser als verdachte van verduistering is aangemerkt en onderwerp is geworden van een strafrechtelijk onderzoek en dat hij het bevoegd gezag daarvan niet op de hoogte heeft gebracht, vindt verweerder van doorslaggevend belang. Dat eiser niet is veroordeeld maar een schikking heeft getroffen met het Openbaar Ministerie doet daaraan niet af en heeft verweerder juist gesterkt in de overtuiging dat hij zijn toenmalige cliënt financieel heeft benadeeld. Verweerder wijst in dit verband nog op de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 4 juli 2017 (ECLI:NL:RBNNE:2017:2445) die het strafontslag evenredig heeft geacht aan het gepleegde plichtsverzuim

11. Eiser handhaaft in beroep de bedenkingen die hij in de zienswijze naar voren heeft gebracht en de bezwaren die hij in de bezwaarprocedure heeft aangevoerd.

Volgens eiser zijn niet alle hem verweten gedragingen komen vast te staan en kunnen de gedragingen die wel vaststaan niet zonder meer als ernstig plichtsverzuim worden gekwalificeerd. Eiser erkent dat hij het politieverhoor uit zichzelf had moeten melden en dat hij zijn administratie beter op orde had moeten hebben.

Ter zake van gedraging I stelt eiser dat er geen sprake was van een ‘bewust niet melden’ . Eiser geeft hierbij aan dat hij zich schaamde en dat hij gedurende een lange periode (van veertien maanden vanaf april 2014) ziek is geweest gedurende welke hij niets van zijn werkgever heeft gehoord. Het feit dat eiser het verhoor door de politie niet uit zichzelf heeft verteld, maakt volgens hem niet dat hij na een dienstverband van 37 jaar ineens niet meer integer is.

Ter zake van gedraging II brengt eiser naar voren dat hij niet zonder toestemming gebruik heeft gemaakt van de bankpas van [naam 6] . Eiser verwijst hierbij naar de volmacht die daartoe is opgenomen in het door [naam 6] getekende contract. Volgens eiser zijn de transacties in overleg met [naam 6] gedaan. De contante opnames werden volgens eiser ofwel aan [naam 6] verstrekt of ten behoeve van uitgaven voor [naam 6] aangewend. Dat verzuimd is een nauwkeurige administratie bij te houden betekent niet dat eiser [naam 6] financieel heeft benadeeld. Daarvan was geen sprake en eiser heeft daartoe ook nimmer de intentie gehad. Eiser heeft de pintransacties die hij heeft gedaan niet verricht om zichzelf te verrijken, maar om het eerder voorgeschoten geld terug te krijgen en de onkosten van [naam bedrijf] te dekken. Eiser geeft aan dat hij een flink bedrag aan [naam 6] had voorgeschoten, dat hij dit natuurlijk wilde terugontvangen en dat hij het in kleine beetjes van de rekening van [naam 6] heeft gehaald. De betalingen die eiser met de pinpas van [naam 6] heeft gedaan, waren volgens eiser dus niet als zodanig voor hem zelf bedoeld. Er is ook geen sprake van verduistering en ook niet van een strafrechtelijke veroordeling. Eiser stelt dat hij akkoord is gegaan met de voorwaarden van de officier van Justitie om de zaak buitengerechtelijk af te doen omdat hij geen keus had. Eiser geeft hierbij aan dat hem was voorgehouden dat in geval van een strafproces hij zeker een onvoorwaardelijk strafontslag zou krijgen. Eiser hoopte dit te kunnen voorkomen door de zaak buitengerechtelijk af te doen.

Ter zake van gedraging III voert eiser aan dat hij met klem betwist dat hij heeft gelogen over het feit dat de begeleiding van [naam 6] niet pro deo was.

Ook ter zake van gedraging IV betwist eiser met klem dat hij heeft gelogen over het feit dat hij nooit gedetineerden uit PI [plaatsnaam 2] heeft begeleid. Los daarvan stelt eiser dat het nimmer de afspraak is geweest dat hij nooit gedetineerden uit de PI [plaatsnaam 2] zou begeleiden. De afspraak was dat [naam bedrijf] geen cliënten in de PI [plaatsnaam 2] zou werven en daarvan is ook geen sprake geweest. Overigens is volgens eiser ook geen sprake geweest van werven via de PGO. [naam bedrijf] is benaderd door de PGO en niet andersom. [naam 6] was ten tijde van het aangaan van het contract niet gedetineerd in de PI [plaatsnaam 2] . Eiser is van mening dat hem ten onrechte wordt verweten dat hij onvoldoende duidelijk en transparant is geweest.

Eiser brengt verder naar voren dat een combinatie van omstandigheden maakt dat de verweten gedragingen niet aan hem kunnen worden toegerekend. Eiser geeft hierbij aan dat hij zich niet heeft gerealiseerd wat het betekent om een eigen bedrijf als [naam bedrijf] te hebben en dat zijn gemoedstoestand als gevolg van zijn medische historie en de voorgeschiedenis met zijn toenmalige echtgenote ook niet altijd even stabiel is geweest.

Met betrekking tot de evenredigheid onderschrijft eiser het advies van de commissie. Eiser is van opvatting dat de motivering van verweerder in het bestreden besluit om af te wijken van het advies van de commissie niet toereikend is. Volgens eiser staat de opgelegde straf niet in verhouding tot de verweten gedragingen en is deze te zwaar. Eiser wijst hierbij op zijn lange en onberispelijke staat van dienst en geeft hierbij aan dat hij nog nooit een waarschuwing, berisping of iets dergelijks heeft gehad en dat hij dus een “first offender” is. Naar de mening van eiser maakt een enkele ‘misstap’ niet dat iemand niet langer integer is of geschikt is voor het werk. Eiser wijst er hierbij tevens op dat hij ten gevolge van het bestreden besluit zijn opgebouwde wettelijke en bovenwettelijke uitkeringsrechten kwijt is en dat hij pensioenschade lijdt. Eiser stelt verder dat de opgelegde straf daarnaast te zwaar is vanwege zijn persoonlijke (medische) omstandigheden. Tot slot is volgens eiser het ontbreken van voortvarendheid aan de kant van verweerder van belang. Eiser heeft hierdoor lange tijd in onzekerheid verkeerd. Eiser stelt dat verweerder geen enkele verklaring heeft gegeven voor het feit dat het disciplinair onderzoek zo lang heeft geduurd.

12. Ingevolge artikel 80, eerste lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) kan de ambtenaar, die de hem opgelegde verplichtingen niet nakomt of zich overigens aan plichtsverzuim schuldig maakt, deswege disciplinair worden gestraft.

Ingevolge artikel 80, tweede lid, van het ARAR omvat plichtsverzuim zowel het overtreden van enig voorschrift als het doen of nalaten van iets, hetwelk een goed ambtenaar in gelijke omstandigheden behoort na te laten of te doen.

In artikel 81, eerste lid, van het ARAR zijn de disciplinaire straffen opgesomd die kunnen worden opgelegd, waaronder -sub l- ontslag.

Ingevolge artikel 81, derde lid, van het ARAR kan bij het opleggen van een straf worden bepaald, dat zij niet ten uitvoer zal worden gelegd, indien de ambtenaar zich gedurende een vastgestelde termijn niet schuldig maakt aan soortgelijk plichtsverzuim, als waarvoor de bestraffing plaats vindt, noch aan enig ander ernstig plichtsverzuim en zich houdt aan bij het opleggen van de straf eventueel gestelde bijzondere voorwaarden.

13. De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 16 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2367) een disciplinaire straf wegens plichtsverzuim behoort te berusten op een eigenstandige feitenvaststelling door de werkgever. Op die feitenvaststelling zijn niet de in het strafrecht geldende, zeer strikte bewijsregels van toepassing. Wel geldt dat op basis van deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging moet zijn verkregen dat de ambtenaar zich aan de hem verweten gedragingen heeft schuldig gemaakt.

14. De rechtbank heeft, net zoals de commissie in het door verweerder bij het bestreden besluit overgenomen advies, niet de overtuiging gekregen dat de begeleiding van [naam 6] pro deo was, zoals [naam 6] en [naam 5] hebben verklaard, en dat de andersluidende verklaring van eiser op dit punt derhalve een leugen was. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat, zoals de commissie in haar advies heeft geconstateerd, uit de overgelegde stukken weliswaar niet blijkt dat is overeengekomen dat eiser voor de begeleiding van [naam 6] een vergoeding zou ontvangen, maar dat evenmin is vastgelegd dat dit niet het geval zou zijn. Volgens de commissie ligt het ook niet voor de hand om geen enkele vergoeding te vragen voor de begeleiding. De rechtbank onderschrijft dit standpunt, waarvoor ook steun kan worden gevonden in het overgelegde begeleidingsverslag, waarin eiser onder de datum 19 oktober 2012 heeft aangegeven dat [naam 6] zich kon vinden in de met hem gemaakte afspraken en dat hij daar waar mogelijk voor de geleverde diensten een bijdrage aan [naam bedrijf] betaalt. De rechtbank voegt hieraan toe dat eiser in het kader van de begeleiding van [naam 6] onkosten heeft gemaakt en bedragen heeft voorgeschoten, hetgeen verweerder ook niet betwist. De rechtbank wijst er in dit verband voorts op dat [naam 6] niet in aanmerking kwam voor financiering van de begeleiding via een indicatiestelling door het CIZ en dat volgens het begeleidingsverslag pas op 14 november 2012 een uitkering voor hem kon worden aangevraagd. Eiser zou tot december 2012 geen uitkering hebben gehad. Het is begrijpelijk dat eiser in ieder geval de onkosten die hij in het kader van de begeleiding van [naam 6] gemaakt had en de bedragen die hij hem had voorgeschoten vergoed wilde hebben.

15. De rechtbank heeft ook niet de overtuiging gekregen dat eiser, zoals verweerder hem eveneens tegenwerpt, gehandeld heeft in strijd met de afspraak die de voormalige vestigingsdirecteur met hem gemaakt had, doordat hij een gedetineerde uit de PI [plaatsnaam 2] zou hebben begeleid. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat niet in geschil is dat de voormalige vestigingsdirecteur met eiser heeft afgesproken dat hij geen gedetineerden in de PI [plaatsnaam 2] zou werven. Verweerder betwist niet dat [naam 6] ook niet op deze wijze geworven is. [naam 6] was immers afkomstig uit de PI de [plaatsnaam 3] in Hoogeveen en voorts is gebleken dat hij door de PGO bij [naam bedrijf] is aangemeld. Het standpunt van verweerder dat de afspraak met de voormalige vestigingsdirecteur ruimer moet worden uitgelegd en mede zag op de begeleiding van gedetineerden uit de PI [plaatsnaam 2] , volgt de rechtbank niet. Bovendien is gebleken dat de begeleiding van [naam 6] door [naam bedrijf] is stopgezet tijdens zijn detentie in de PI [plaatsnaam 2] en dat eiser -die inmiddels ziek was geworden- de begeleiding vervolgens niet heeft voortgezet.

16. De rechtbank stelt vast dat eiser erkent dat hij niet bij zijn leidinggevende gemeld heeft dat hij als verdachte in een strafrechtelijk onderzoek inzake een misdrijf (verduistering) is gehoord. Eiser erkent tevens dat hij geen adequate administratie heeft bijgehouden van het beheer van de financiën van [naam 6] en van de opnames en betalingen die hij met diens bankpas heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze gedragingen van eiser terecht aangemerkt als plichtsverzuim als bedoeld in artikel 80, tweede lid, van het ARAR. Hetgeen eiser hiertegen heeft aangevoerd, doet hieraan niet af. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat aan eiser als medewerker van de DJI die werkzaam was binnen een PI, zeker ook in de functie van [naam functie] die hij bekleedde, hoge eisen kunnen worden gesteld op het gebied van integriteit, betrouwbaarheid en besef van verantwoordelijkheid. Verweerder neemt terecht het standpunt in dat eiser deze aan hem te stellen eisen heeft geschonden door geen melding te doen van zijn verhoor als verdachte van een misdrijf, waarmee hij ook de verplichting die daarover in de Gedragscode DJI is opgenomen heeft geschonden. De rechtbank neemt hierbij tevens in aanmerking dat eiser, doordat hij geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden, niet kan verantwoorden dat de in geding zijnde pinpastransacties ten behoeve van [naam 6] zijn verricht en dat daarmee in het kader van diens begeleiding gemaakte onkosten en verstrekte voorschotten zijn verrekend, zoals eiser betoogt. Dit geldt te meer voor zover eiser met gebruikmaking van de pinpas van [naam 6] betalingen voor zichzelf heeft verricht, bijvoorbeeld bij de Praxis en voor theaterkaartjes. Door eisers toedoen heeft aldus een vermenging van gelden van [naam 6] met die van hem plaatsgevonden en kan niet aan de hand van een deugdelijke administratie worden gecontroleerd of eiser hierbij, zoals hij stelt, zichzelf niet heeft bevoordeeld en [naam 6] niet heeft benadeeld. Het betoog dat de gelden via verrekening wel aan eiser toekwamen, zou hierin alleen verandering kunnen brengen indien voor alle bedragen tenminste aannemelijk zou zijn geworden dat er een recht tot verrekening bestond. Dit is niet het geval en is ook niet aangetoond nadat de rechtbank de zaak na behandeling op zitting had geschorst. Dat aan eiser een volmacht was afgegeven ontsloeg hem niet van de verplichting de uitgaven deugdelijk te verantwoorden. Voor de onduidelijkheid die op dit punt resteert, is hij zelf verantwoordelijk. De enkele stellingen van eiser, dat hij zich niet heeft gerealiseerd wat het betekent om een eigen bedrijf als [naam bedrijf] te hebben en dat zijn gemoedstoestand als gevolg van zijn medische historie en de voorgeschiedenis met zijn toenmalige echtgenote ook niet altijd even stabiel is geweest, kunnen niet leiden tot het door hem gewenste resultaat dat deze hem als plichtsverzuim verweten gedragingen niet aan hem kunnen worden toegerekend.

17. Naar het oordeel van de rechtbank neemt verweerder eveneens terecht het standpunt in dat deze gedragingen, bezien tegen de achtergrond van de hoge eisen van integriteit, betrouwbaarheid en besef van verantwoordelijkheid die aan eiser als [naam functie] in een PI kunnen worden gesteld, ernstig plichtsverzuim opleveren.

18. De rechtbank is met verweerder en anders dan de commissie van oordeel dat de aan eiser opgelegde straf van onvoorwaardelijk strafontslag niet onevenredig is aan de aard en ernst van het gepleegde plichtsverzuim. Hierbij is naast hetgeen hiervoor onder 17 reeds is overwogen van belang dat het vertrouwen van verweerder in eiser onherstelbaar is beschadigd, zoals de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft aangegeven. De rechtbank acht dit voorstelbaar, gelet op de aard en ernst van het plichtsverzuim bij de begeleiding van [naam 6] , de omstandigheid dat in eisers functie van [naam functie] de begeleiding van gedetineerden tot het dagelijkse werk behoort en gelet op het belang van verweerder als werkgever dat de betrokken functionaris van onbesproken gedrag is op het punt van integriteit, betrouwbaarheid en besef van verantwoordelijkheid. Verweerder heeft op goede gronden geoordeeld dat aan dit belang een groter gewicht toekomt dan aan het belang van eiser bij het behoud van zijn baan. De verwijzing door eiser naar zijn lange en onberispelijke staat van dienst en de voor hem ingrijpende gevolgen van het opgelegde onvoorwaardelijke strafontslag doet hier niet aan af, evenmin als zijn stelling dat hij lange tijd in onzekerheid heeft verkeerd vanwege de duur van het disciplinair onderzoek.

19. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand houdt en dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

20. Omdat het beroep ongegrond is, wijst de rechtbank het verzoek van eiser om schadevergoeding af.

21. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.M. Schuiling, voorzitter, en mr. P.G. Wijtsma en

mr. H.D. Tolsma, leden, in aanwezigheid van mr. P.A. Schoenmakers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.