Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4752

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
23-11-2018
Zaaknummer
18/730341-17
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:7822
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich op 16 november 2017 schuldig gemaakt aan een zware mishandeling door het slachtoffer in zijn arm te steken. Verdachte heeft dit feit onder invloed van alcohol en cocaïne gepleegd in de woning van het slachtoffer. Als gevolg van het steekincident is het slachtoffer twee maal geopereerd, waarbij zijn pezen aan elkaar zijn gehecht. Er kan sprake zijn van blijvend letsel.

T.a.v. de vordering van de benadeelde partij: Ter terechtzitting is gebleken dat het vermogen van verdachte onder beschermingsbewind, als bedoeld in de artikelen 1:431 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, is gesteld. Hierdoor mist verdachte de (zelfstandige) bevoegdheid tot beheer en beschikking over haar vermogen. Die bevoegdheid ligt bij de bewindvoerder, die verdachte bij de vervulling van zijn taak ook in rechte vertegenwoordigt. Hieruit volgt dat verdachte niet bevoegd is zelfstandig te procederen met betrekking tot de tegen haar ingestelde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij. Niet is gebleken dat de bewindvoerder de raadsvrouw van verdachte heeft gemachtigd tot het voeren van verweer tegen deze vordering. Oproeping van de bewindvoerder, om de procedure van verdachte als formele procespartij over te nemen, acht de rechtbank in dit stadium een onevenredige belasting van het strafproces. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dat de rechtbank de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaart, staat er niet aan in de weg dat de rechtbank verdachte ter vergoeding van de veroorzaakte schade, de schadevergoedingsmaatregel oplegt.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730341-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 16/179511-16

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 16/021748-17

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 september 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 4 september 2018.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.G.M. Rijkhoff, advocaat te Almere.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 16 november 2017, in elk geval in het tijdvak gevormd door 16 en 17 november 2017, te Heerenveen, (althans) in de gemeente Heerenveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet met een (groot) mes in haar hand een stekende beweging in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt (en daarbij die [slachtoffer] in de (onder)arm heeft geraakt), dan wel met dat opzet naar die [slachtoffer] is gelopen, terwijl zij een (groot) mes op

buikhoogte vasthield met de punt van dat mes in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] en/of dat mes op genoemde wijze in haar hand heeft gehouden op het moment dat die [slachtoffer] in haar, verdachtes, richting liep (en daarbij die [slachtoffer] in de (onder)arm heeft geraakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 16 november 2017, in elk geval in het tijdvak gevormd door 16 en 17 november 2017, te Heerenveen, (althans) in de gemeente Heerenveen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (een) steek- en/of snijwond(en) waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was en/of pees- en/of zenuwletsel, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een (groot) mes in de (onder)arm te steken en/of te snijden, dan wel met dat opzet naar die [slachtoffer] is gelopen, terwijl zij een (groot) mes op buikhoogte vasthield met de

punt van dat mes in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] en/of dat mes op genoemde wijze in haar hand heeft gehouden op het moment dat die [slachtoffer] in haar, verdachtes, richting liep, waardoor die [slachtoffer] met dat mes in aanraking kwam;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 16 november 2017 te Heerenveen, (althans) in de gemeente Heerenveen,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een (groot) mes in haar hand een stekende beweging in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] heeft gemaakt (en daarbij die [slachtoffer] in de (onder)arm heeft geraakt), dan wel met dat opzet naar die [slachtoffer] is gelopen, terwijl zij een (groot) mes op buikhoogte vasthield met de punt

van dat mes in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] en/of dat mes op genoemde wijze in haar hand heeft gehouden op het moment dat die [slachtoffer] in haar, verdachtes, richting liep (en daarbij die [slachtoffer] in de (onder)arm heeft geraakt), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 16 november 2017 te Heerenveen, (althans) in de gemeente Heerenveen,

[slachtoffer] heeft mishandeld door die [slachtoffer] met een (groot) mes in de (onder)arm te steken en/of te snijden, dan wel naar die [slachtoffer] is gelopen, terwijl zij een (groot) mes op buikhoogte vasthield met de punt van dat mes in de richting van het lichaam van die [slachtoffer] en/of dat mes op genoemde wijze in haar hand heeft gehouden op het moment dat die [slachtoffer] in haar, verdachtes, richting liep, waardoor die [slachtoffer] met dat mes in aanraking kwam.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak voor het primair ten laste gelegde en veroordeling voor het subsidiair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de gang van zaken zoals uiteengezet door verdachte niet wordt weerlegd door het dossier, terwijl de verklaring van aangever wel wordt weerlegd, voornamelijk door forensisch onderzoek. De verklaring van verdachte is aannemelijker. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op dodelijk letsel. Ook kan op grond van algemene ervaringsregels niet worden gesteld dat het enkele steken met een mes - niet in de buurt van vitale lichaamsdelen - een aanmerkelijke kans op de dood oplevert.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het primair ten laste gelegde

De rechtbank is -met de officier van justitie en de raadsvrouw- van oordeel dat het primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 4 september 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Op 16 november 2017 heb ik uit het dressoir een mes gepakt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 november 2017, opgenomen op pagina 34 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017303287 d.d. 8 januari 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op 16 november 2017 zijn [verdachte] en ik naar mijn huis vertrokken aan de [straatnaam] te Heerenveen. We hadden die avond een aantal biertjes gehad en ook beide coke gebruikt. Bij mij thuis heb ik met twee flessen shampoo gegooid. [verdachte] pakte vervolgens de shampooflessen en spoot één leeg. Ik werd kwaad. We kregen gedoe om de telefoons. Zij had mijn telefoon en ik die van haar. Ik werd door [verdachte] geslagen met de telefoon die zij in haar rechterhand had. Ze raakte mij op mijn hoofd. (…) Vanuit het niets werd ik in mijn onderarm gestoken. Ik zag dat [verdachte] het mes in haar rechterhand vast had. Ik herkende het mes als mijn eigen koksmes, welke in de dressoir la ligt. Het mes is ongeveer 30 centimeter lang.

3. Een geneeskundige verklaring, op 15 december 2017 opgemaakt en ondertekend door M. Beiboer, forensisch arts FMG, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

De wond is op de SEH gehecht (4 hechtingen) door de traumachirurg. Er is verdenking op dieper gelegen letsel (zenuw- of peesletsel). Daarom is de onderarm links met gips gespalkt en is het slachtoffer verwezen naar een plastisch chirurg van het MCL in Leeuwarden.

Subjectieve klachten

Het slachtoffer klaagt over pijn onder de wond van de linker onderarm en hij kan zijn vingers niet goed strekken.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2017, opgenomen op pagina 42 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op 17 november 2017, omstreeks 0:00 uur, kregen wij de opdracht om te gaan naar de [straatnaam] te Heerenveen i.v.m. een steekpartij. De vrouw ( [verdachte] ) zou vermoedelijk de man ( [slachtoffer] ) hebben gestoken. Wij hoorden verdachte meermaals zeggen: "Ik heb het gedaan, ik heb hem neergestoken omdat hij mij mishandeld heeft", of woorden van gelijke strekking.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 november 2017, opgenomen op pagina 44 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Wij verbalisanten namen de verdachte [verdachte] over om haar over te brengen naar het cellencomplex. Wij hoorden haar onderweg meerdere malen zeggen:

- " Ik heb hem gestoken"

- " Ik heb hem gestoken, in zijn arm"

- " Hij mishandelde mij, ik heb hem teruggepakt"

Toen wij verbalisanten waren gearriveerd op het cellencomplex te Leeuwarden hoorden wij haar zeggen: "Die kankerhond, had ik hem maar doodgestoken, het is zijn verdiende loon." Ik verbalisant [verbalisant] hoorde de verdachte tegen mij zeggen: "Hij ging naar de gang. Ik pakte een mes uit dat laatje en stak hem neer. Ik stak maar 1 keer."

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal sporenonderzoek d.d. 23 november 2017, opgenomen op pagina 78 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verbalisant:

Het onderzoek werd verricht in een woning bij [slachtoffer] te [straatnaam] , Heerenveen. Ik zag op het deurkozijn van de toegangsdeur, foto 13, op de laminaatvloer, tapijt en muur in de gang, foto's 14-16, bloed.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 17 november 2017, opgenomen op pagina 60 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Op 16 november 2017 lag ik op bed toen ik opeens mijn overbuurman [slachtoffer] hoorde schreeuwen: "Help me, help me, ik ga dood, ik ben neergestoken." Ik wachtte op de politie en toen zag ik [verdachte] lopen. Ik zag dat ze een mes in haar hand had, een soort slagersmes met een lemmet van zo'n 20 a 25 centimeter. Ik hoorde [verdachte] toen zeggen: "Hij sloeg mij, dus ik heb hem neergestoken."

8. Een aanvullende geneeskundige verklaring, op 19 februari 2018 opgemaakt en ondertekend door M. Beiboer, forensisch arts FMG, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven, als zijn/haar verklaring:

Inmiddels heeft de GGD aanvullende informatie ontvangen van de plastisch chirurg van het MCL: E.C.A. Verschuur en van het hand en polstherapiecentrum te Sneek.

Er bleek inderdaad sprake van dieper gelegen peesletsel in de linker onderarm en door de plastisch chirurg werd op 13-12-2017 een tweede operatie uitgevoerd. Er werden 2 pezen weer aan elkaar gehecht, waarbij er 1 met behulp van een verlengingsplastiek werd hersteld. Vervolgens kreeg betrokkene gedurende 2 weken gips. Hierna is betrokkene verwezen naar het Hand & Pols therapiecentrum te Sneek, om de functie van de hand/vingers te oefenen.

Conclusie

Blijvend letsel: Er kan sprake zijn van blijvend letsel.

Bewijsoverwegingen

Verdachte is subsidiair zware mishandeling ten laste gelegd.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat zij het mes heeft gepakt nadat zij door aangever mishandeld werd en dat zij dit mes naast haar zij, met de punt naar voren gericht heeft gehouden, met de bedoeling dat aangever van haar af zou blijven. Op het moment dat verdachte met het mes de gang in liep, kwam aangever op haar af en is hij in het mes gelopen, waarna aangever riep dat hij gestoken was.

Dat verdachte voorafgaand aan het onderhavige incident in de woonkamer door aangever is vastgepakt en geslagen, zoals verdachte heeft verklaard, vindt geen steun in bewijsmiddelen afkomstig uit andere bronnen dan verdachte. Hetzelfde geldt voor de verklaring van verdachte dat aangever in de hal (dreigend) op haar af kwam lopen. De rechtbank ziet ook overigens onvoldoende aanknopingspunten om uit te gaan van deze verklaringen van verdachte.

De rechtbank komt op grond van de bewijsmiddelen tot de volgende vaststelling van feiten. Verdachte en het slachtoffer bevonden zich in de woning van het slachtoffer. Zij waren onder invloed van alcohol en hadden cocaïne gebruikt. Er ontstond onenigheid. Aangever gooide met shampooflessen. Verdachte spoot vervolgens een van de flessen leeg op de grond. Aangever werd kwaad. Er ontstond onenigheid over telefoons. Verdachte had een telefoon in haar hand en sloeg aangever met de telefoon op zijn hoofd. Toen verdachte zich op een gegeven moment alleen in de kamer bevond, heeft zij het mes uit het dressoir gepakt. Op dat moment bevond aangever zich niet in het zicht van verdachte. Verdachte hield het mes, met de punt naar voren, langs haar zij. Verdachte liep de gang in, trof daar aangever en stak hem, met een stekende beweging, in zijn arm.

De rechtbank komt hiertoe mede op grond van de uitspraken die verdachte direct na het incident heeft gedaan tegen de politie en een buurvrouw, alsmede gelet op hetgeen de politie haar na de aanhouding heeft horen zeggen. Deze uitlatingen passen niet bij de verklaringen die verdachte in haar latere verhoor bij de politie en ter terechtzitting heeft afgelegd. In haar eerste uitlatingen na de gebeurtenissen heeft verdachte expliciet en meerdere keren gezegd: “Ik heb hem gestoken”. Dat zij daarmee slechts heeft bedoeld dat verdachte gewond is geraakt door het mes dat zij vasthield, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachtes opmerkingen bieden geen enkel aanknopingspunt voor die lezing. Zij heeft op geen enkele wijze aangegeven dat het niet haar bedoeling was dat hij geraakt werd. Integendeel, zij voegde er nog aan toe: “Had ik hem maar doodgestoken”. Deze uitlatingen vallen niet te rijmen met de latere verklaringen van verdachte, waarin zij aangeeft dat zij geen stekende beweging heeft gemaakt, dat aangever in het mes is gelopen en dat zij aangever geen pijn heeft willen doen”.

De rechtbank overweegt voorts dat de gang van zaken zoals verdachte ter terechtzitting heeft beschreven niet waarschijnlijk is. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat aangever in het mes is gelopen, onder meer gelet op het ontstane letsel. Naar het oordeel van de rechtbank is het bovendien niet aannemelijk dat aangever, gelet op de grootte van het mes, dit over het hoofd zou hebben gezien.

De rechtbank gaat derhalve voorbij aan de verklaringen die verdachte tijdens de verhoren bij de politie en ter terechtzitting hierover heeft afgelegd en komt tot de conclusie dat verdachte aangever met een stekende beweging in zijn onderarm heeft gestoken.

Onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht wordt onder meer begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat en voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden. Ook buiten deze gevallen kan lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.

Uit de meest recente letselverklaring blijkt dat aangever twee operaties heeft moeten ondergaan, waarbij onder andere zijn pezen aan elkaar zijn gehecht. Daarna is aangever doorverwezen naar het Hand & Pols therapie centrum te Sneek, alwaar hij de functies van de hand en vingers moest oefenen. Ter terechtzitting is gebleken dat aangever nog altijd fysieke beperkingen in zijn dagelijks leven ervaart. Daarnaast is de kans aanwezig dat aangever blijvend letsel aan het onderhavige incident zal overhouden.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er in onderhavige zaak sprake is van zwaar lichamelijk letsel.

Met betrekking tot het opzet stelt de rechtbank voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier het zwaar lichamelijk letsel – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

De beantwoording van de vraag of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank heeft vastgesteld, zoals hiervoor is overwogen, dat verdachte met het mes een stekende beweging naar aangever heeft gemaakt en hem daarbij in de onderarm heeft geraakt, waardoor hij letsel heeft opgelopen zoals hiervoor beschreven. De rechtbank is gelet op deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de gedragingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm kunnen worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Het subsidiair tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

subsidiair.

zij op 16 november 2017, te Heerenveen, in de gemeente Heerenveen, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een steekwond waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was en peesletsel, heeft toegebracht door die [slachtoffer] met een groot mes in de onderarm te steken.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Subsidiair. Zware mishandeling.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

Noodweerexces

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting een beroep op noodweerexces, althans psychische overmacht gedaan. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het pakken van het mes gebeurde na een tweetal ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanrandingen door aangever. Verdachte is voorts in het verleden stelselmatig psychisch en fysiek door aangever mishandeld. Zij vreesde voor haar lichamelijke integriteit en leven. Zij heeft een mes gepakt, dat zij voor zich heeft gehouden in de hoop dat aangever haar weg zou laten gaan. In de hal is aangever weer op haar afgekomen. Aangever is in het mes gelopen. Verdachte werd op dat moment geconfronteerd met een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding althans het onmiddellijk dreigende gevaar van een dergelijke aanranding. Op het moment dat verdachte opgesloten was in de hal kon zij zich niet meer feitelijk uit de situatie onttrekken en is een noodweersituatie ontstaan. De raadsvrouw verwijst naar een uitspraak van de Hoge Raad uit 2013, ECLI:NL:HR:2013:773. Indien de rechtbank van oordeel is dat verdachte de grens van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden stelt de raadsvrouw zich op het standpunt dat deze overschrijding het gevolg is geweest van de hevige gemoedsbeweging welke gemoedsbeweging door het herhaaldelijk aanvallen van aangever is veroorzaakt. De hevige gemoedsbeweging bestond uit angst. Zij kon geen weerstand bieden aan de drang, als gevolg waarvan zij in paniek het mes heeft gepakt en zich bij een hernieuwde aanval door aangever heeft afgeweerd. De raadsvrouw verwijst naar ECLI:NL:RBNNE:2017:3992.

Psychische overmacht

Verdachte is een 'battered women'. Door de persoon van verdachte, haar verleden in het algemeen, haar verleden met aangever en de mishandeling die plaats vond was sprake van een van buiten komende drang waaraan verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. De gedraging vloeide voort uit actuele concrete nood, de mishandeling. Verdachte wilde weg, wilde afdreigen. De gedraging van het vast houden met het mes was daartoe geëigend. Verdachte heeft bij de belangenafweging gekozen voor het evident zwaarder wegende rechtsgoed: haar eigen gezondheid.

Op grond van het bovenstaande verzoekt de raadsvrouw verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, dan wel vrij te spreken.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, omdat aangever al niet meer in de kamer was. Een beroep op noodweerexces kan daarom niet slagen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd, niet aannemelijk geworden. Zoals hiervoor is overwogen in de bewijsoverwegingen, vindt de door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen, dat verdachte voorafgaand aan het onderhavige incident in de woonkamer door aangever is vastgepakt en geslagen, geen steun in bewijsmiddelen afkomstig uit andere bronnen dan verdachte en hetzelfde geldt voor de verklaring van verdachte dat aangever in de hal (dreigend) op haar af kwam lopen. De rechtbank ziet ook overigens onvoldoende aanknopingspunten om uit te gaan van deze verklaringen van verdachte. De rechtbank verwijst naar de feitenvaststelling en de overwegingen daaromtrent naar hetgeen hiervoor in de bewijsoverwegingen is opgenomen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet aannemelijk is dat verdachte de haar verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin en op een tijdstip waarop voor haar de noodzaak bestond tot verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor.

De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is geweest van een noodweersituatie, zodat het beroep op noodweerexces reeds daarom niet slaagt.

Evenmin is aannemelijk geworden dat sprake is geweest van psychische overmacht, als een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet behoefde te bieden. Hetgeen door de verdediging in dit licht naar voren is gebracht over mishandelingen die in het verleden zouden hebben plaatsgevonden, is daartoe onvoldoende concreet.

Het verweer wordt in alle onderdelen verworpen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder subsidiair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 300 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van drie jaren en daarbij als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht, meldplicht, een behandelverplichting, begeleid wonen en middelencontroles, waaronder een alcoholverbod.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht. Zij heeft op basis van de adviezen verzocht geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over haar opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op 16 november 2017 schuldig gemaakt aan een zware mishandeling door het slachtoffer in zijn arm te steken. Verdachte heeft dit feit onder invloed van alcohol en cocaïne gepleegd in de woning van het slachtoffer. Als gevolg van het steekincident is het slachtoffer twee maal geopereerd, waarbij zijn pezen aan elkaar zijn gehecht. Er kan sprake zijn van blijvend letsel. Voor dergelijke feiten dient in beginsel een gevangenisstraf het uitganspunt te zijn.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf heeft de rechtbank de eis van de officier van justitie als uitgangspunt genomen. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie eerder is veroordeeld voor een geweldsfeit tot een taakstraf. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht. Voorts overweegt de rechtbank dat verdachte ten tijde van het plegen van het delict in een proeftijd liep.

Uit het reclasseringsrapport volgt dat verdachte zich vanaf haar kindertijd staande heeft gehouden in een complexe, verwaarlozende en gewelddadige omgeving. Er is sprake van een kwetsbare vrouw met een geringe draagkracht, maar vooral een zeer gebrekkige coping. Zij heeft een negatief zelfbeeld, moeite met het stellen van haar grenzen en bepalen wat zij zelf wil. Er is sprake van veel onvermogen, een beperkte weerbaarheid resulterend in complexe relatieproblematiek waarbij geweld in afhankelijkheidsrelaties een terugkerend patroon lijkt te zijn. Verdachte is gediagnosticeerd met een borderline persoonlijkheidsstoornis en een chronische alcoholverslaving en misbruik van cocaïne. Zij heeft in het verleden meerdere vrijwillige behandelingen binnen de verslavingszorg afgerond, zowel ambulant als klinisch. Binnen afzienbare tijd viel zij echter weer terug in het overmatig drinken van alcohol. Ter terechtzitting heeft [naam] namens de reclassering verklaard dat verdachte zich ontvankelijk opstelt naar de reclassering, alsook het GGZ FACT-team. Verdachte woont sinds een aantal maanden bij het sociaal pension van Zienn in Drachten. Er is een indicatie gesteld voor beschermd wonen in Lelystad, zodat verdachte dichter bij haar kinderen kan zijn. De reclassering heeft geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met een proeftijd van twee jaren, met daarbij als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, het verblijven in een begeleide of beschermde woonvorm, een contactverbod en middelencontroles.

Ten aanzien van de straf overweegt de rechtbank dat het in het belang van verdachte en dat het ook in het belang van de maatschappij is, dat verdachte, gelet op haar persoonlijke omstandigheden, hulp krijgt om de probleemgebieden in haar leven aan te pakken. De rechtbank zal daarom aan het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de reclassering geadviseerd. De rechtbank houdt daarbij rekening met het feit dat verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden beschouwd, overeenkomstig de rapportage van 6 april 2018 van drs. J.P.M. van der Leeuw, psycholoog.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 669,23 ter vergoeding van materiële schade en € 2.746,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert toewijzing van het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij. Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering vordert zij niet-ontvankelijkheid. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er sprake lijkt te zijn van medeschuld. In dat kader is het te ingewikkeld om uit te zoeken wat wel en niet voor toewijzing vatbaar is.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft primair aangevoerd dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard dient te worden wegens de bepleite vrijspraak/ontslag van alle rechtsvervolging. Ook heeft zij aangevoerd dat het vermogen van verdachte onder beschermingsbewind staat. Daardoor mist zij de bevoegdheid tot beheer en beschikking en is zij niet bevoegd te procederen met betrekking tot de tegen haar ingestelde vordering tot schadevergoeding. Niet is gebleken dat de bewindvoerder de verdediging heeft gemachtigd tot het voeren van een verweer tegen de vordering. Oproeping is in dit stadium van de procedure een onevenredige belasting. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd de vordering van de benadeelde partij af te wijzen dan wel te matigen. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat de verdediging geen opmerkingen heeft over de medische kosten. De vordering moet worden afgewezen voor wat betreft de kleding en de schoenen. Ook de schade aan de telefoon staat niet in redelijk verband met het tenlastegelegde en moet daarom worden afgewezen. De reiskosten kunnen worden toegekend. Ten aanzien van de medeschuld sluit de raadsvrouw zich aan bij de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Ter terechtzitting is gebleken dat het vermogen van verdachte onder beschermingsbewind, als bedoeld in de artikelen 1:431 en volgende van het Burgerlijk Wetboek, is gesteld. Hierdoor mist verdachte de (zelfstandige) bevoegdheid tot beheer en beschikking over haar vermogen. Die bevoegdheid ligt bij de bewindvoerder, die verdachte bij de vervulling van zijn taak ook in rechte vertegenwoordigt. Hieruit volgt dat verdachte niet bevoegd is zelfstandig te procederen met betrekking tot de tegen haar ingestelde vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij. Niet is gebleken dat de bewindvoerder de raadsvrouw van verdachte heeft gemachtigd tot het voeren van verweer tegen deze vordering. Oproeping van de bewindvoerder, om de procedure van verdachte als formele procespartij over te nemen, acht de rechtbank in dit stadium een onevenredige belasting van het strafproces. Daarom zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank stelt echter vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar civielrechtelijke criteria aansprakelijk is voor de schade die zij door het hiervoor bewezenverklaarde feit heeft veroorzaakt. Dat de rechtbank de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk verklaart, staat er niet aan in de weg dat de rechtbank verdachte ter vergoeding van de veroorzaakte schade, de schadevergoedingsmaatregel oplegt. De rechtbank acht oplegging van de schadevergoedingsmaatregel passend en zal die opleggen voor een bedrag van € 3.415,23, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 16 november 2017.

De vraag naar de eigen schuld van de benadeelde partij is in dit strafgeding voldoende kunnen worden onderzocht en uit het onderzoek ter terechtzitting is geen zodanige eigen schuld van de benadeelde in de zin van artikel 6:101 Burgerlijk Wetboek aannemelijk geworden dat daarmee bij de bepaling van de schadevergoeding rekening dient te worden gehouden. Het verweer wordt derhalve verworpen.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 16/179511-16

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 11 november 2016, gewezen door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland te Almere, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 14 dagen met aftrek, waarvan 13 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 25 november 2016. Bij beslissing van de politierechter d.d. 5 april 2017 is de proeftijd verlengd met één jaar.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 6 februari 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf. De officier van justitie heeft ter terechtzitting bij deze vordering gepersisteerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering op grond van de gevorderde vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging moet worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de proeftijd te verlengen. Meer subsidiair heeft zij aangevoerd de gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Het hiervoor onder subsidiair bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, kan de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de bij voornoemd vonnis van 11 november 2016 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Gelet op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, acht de rechtbank termen aanwezig een taakstraf te gelasten in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te geven.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling in de zaak met parketnummer 16/021748-17

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 5 april 2017, gewezen door de politierechter in de rechtbank Midden-Nederland te Lelystad, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met aftrek, voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 20 april 2017.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 6 februari 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf. De officier van justitie heeft ter terechtzitting bij deze vordering gepersisteerd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering tenuitvoerlegging op grond van de gevorderde vrijspraak dan wel ontslag van alle rechtsvervolging moet worden afgewezen. Subsidiair verzoekt de raadsvrouw de proeftijd te verlengen. Meer subsidiair heeft zij aangevoerd de gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Het hiervoor onder subsidiair bewezen verklaarde feit is door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, kan de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de bij voornoemd vonnis van 5 april 2017 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. Gelet op hetgeen op de terechtzitting is behandeld en besproken, acht de rechtbank termen aanwezig een taakstraf te gelasten in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf te geven.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 290 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich uiterlijk binnen 14 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis meldt bij de reclassering Tactus Verslavingszorg, Dr. Stolteweg 58 te Zwolle en zich daarna gedurende een door de reclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de reclassering te bepalen tijdstippen dient te blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang die instelling dat noodzakelijk acht;

2. dat de veroordeelde zich onder behandeling zal stellen van het forensisch FACT-team van GGZ Friesland of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die haar in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

3. dat de veroordeelde zal verblijven in een beschermde woonvorm van MindUp GGZ Friesland of soortgelijke organisatie, zulks ter beoordeling van de reclassering en zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering op stelt, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

4. dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal (laten) opnemen, zoeken of hebben met de heer [slachtoffer] , geboren [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

5. dat de veroordeelde haar medewerking zal verlenen aan middelencontroles, welke kunnen bestaan uit ademonderzoek (blaastest), urineonderzoek en/of bloedonderzoek.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Benadeelde partij

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , te betalen een bedrag van € 3.415,23 (zegge: drieduizend vierhonderdvijftien euro en drieëntwintig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 44 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 669,23 aan materiële schade en € 2.746,00 aan immateriële schade. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 16 november 2017.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

16/179511-16:

Gelast het verrichten van een taakstraf voor de duur van 55 uren, in plaats van de last tot tenuitvoerlegging van gevangenisstraf voor de duur van 13 dagen, oorspronkelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere d.d. 11 november 2016.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 13 dagen zal worden toegepast.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

16/021748-17:

Gelast het verrichten van een taakstraf voor de duur van 60 uren, in plaats van de last tot tenuitvoerlegging van gevangenisstraf voor de duur van twee weken, oorspronkelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad d.d. 5 april 2017.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde deze taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van twee weken zal worden toegepast.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. de Wit, voorzitter, mr. Th.A. Wiersma en mr. K. Bunk, rechters, bijgestaan door mr. C.G. Velvis, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 september 2018.

Mr. Bunk is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.