Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:471

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-01-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
18/730033-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van witwassen. Niet bewezen kan worden dat de door de coffeeshop, waar verdachte enig aandeelhouder van was, betaalde huur voor een loods afkomstig was van enig misdrijf. Er is geen direct verband met een misdrijf. Ook zijn er omtrent de huurconstructie geen feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat het niet anders kan zijn dan dat de huurbedragen uit misdrijf afkomstig zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NBSTRAF 2018/72
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/730033-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 januari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1965 te [geboorteplaats] ,

wonende [straatnaam] [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 12 december 2017 en 2 januari 2018.

Verdachte is op (de inhoudelijke terechtzitting van) 12 december 2017 niet verschenen; wel is verschenen mr. T. van der Goot, advocaat te Leeuwarden, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting van 12 december 2017 vertegenwoordigd door mr. H. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 1 juli 2012 tot en met 8 december 2015, te Stiens, gemeente Leeuwarderadeel, althans in het arrondissement Noord-Nederland, althans in Nederland, van het plegen van witwassen al dan niet een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft zij, verdachte (telkens)

van een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 60.000 euro, blz. 775-806) de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, althans heeft zij verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemd geldbedrag was en/of voornoemd geldbedrag voorhanden had, terwijl zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf

en/of

een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 60.000,00 euro, blz. 775,806) verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet, althans van dat geldbedrag gebruik gemaakt, terwijl zij, verdachte, wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen. Volgens het proces-verbaal van de politie is immers sprake van een schijnconstructie met betrekking tot de maandelijkse betaling van € 1.500,00, door verdachte aangeduid als ‘huur’ van de loods aan de [straatnaam] te [pleegplaats] . De schijnconstructie houdt in dat een discrepantie bestaat tussen de feitelijke wil van partijen en de extern zichtbare gedragingen. Achter de schijnconstructie bestaat kennelijk een andere overeenkomst dan wel een ander samenstel van afspraken. Dit blijkt uit: a) het moment waarop de huur voor het eerst aan [slachtoffer] is voldaan; zo is de eerste huurbetaling geschied toen de loods nog niet eens was afgebouwd, b) de niet-marktconforme huurprijs, c) de loods wordt niet gebruikt voor opslag ten behoeve van de coffeeshop, d) de boekhouding en jaarresultaten van [naam bedrijf1] en e) de afwezigheid van een geldige schriftelijke huurovereenkomst. Uit deze schijnconstructie volgt volgens de officier van justitie dat het niet anders kan zijn dan dat het geld van misdrijf afkomstig is.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit, omdat niet blijkt dat de huurpenningen, die via de bank zijn overgemaakt, afkomstig waren uit enig misdrijf. Evenmin is sprake van een schijnconstructie met betrekking tot de huur, aangezien de hoogte van de huur marktconform was, de huurbetalingen zijn verantwoord in de boekhouding van coffeeshop [naam bedrijf1] en de mondelinge huurovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig was.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring is vereist dat de vanuit coffeeshop [naam bedrijf1] verrichte betalingen (in totaal ongeveer € 60.000,00) afkomstig waren uit enig misdrijf. Het gaat om maandelijkse betalingen per bankoverschrijving vanaf 1 juli 2012 van € 1.500,00, betaald door coffeeshop [naam bedrijf1] aan [slachtoffer] als huur voor een deel van de loods. Er is geen direct bewijs dat deze door [naam bedrijf1] overgemaakte geldbedragen à

€ 1.500,00 per maand uit enig misdrijf afkomstig zijn.

Blijkens bestendige jurisprudentie kan het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ toch worden bewezen indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit misdrijf afkomstig is. Het is aan het openbaar ministerie om bewijs te leveren van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien die feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag van verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring worden verwacht omtrent de herkomst.

De rechtbank zal de door de officier van justitie aangevoerde feiten en omstandigheden bespreken.

Het begin van de huurovereenkomst

Op 21 mei 2012 is door [naam bedrijf1] voor de laatste maal loon ter hoogte van € 1.200,00 overgemaakt aan [slachtoffer] . Op 20 juni 2012 heeft [naam bedrijf1] voor het eerst een bedrag van € 1.500,00 overgemaakt aan [slachtoffer] in verband met de huur van de loods.1 Het feit dat [slachtoffer] in de maand juni 2012 voor de eerste maal een huurbetaling ontvangt acht de rechtbank niet zonder meer een indicatie van een schijnconstructie. De rechtbank overweegt dat [slachtoffer] voor het verkrijgen van de hypotheek op de woning met loods twee inkomstenbronnen heeft aangevoerd.2 De huurinkomsten voor de loods overstijgen de inkomsten uit arbeid voor [naam bedrijf1] . Het was derhalve niet meer strikt noodzakelijk om voor [naam bedrijf1] arbeid te verrichten om voldoende inkomsten te genereren om de hypotheeklasten te voldoen. Daarmee is een mogelijke alternatieve verklaring gegeven voor de beëindiging van het dienstverband en de loonbetaling enerzijds en de aanvang van de huurbetalingen anderzijds. Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat de huur voor het eerst is ontvangen op een moment waarop de loods niet afgebouwd was, maar uit het dossier blijkt dat de loods, hoewel nog niet volledig afgewerkt, reeds op 8 februari 2011 in gebruik was.3

De huurprijs

In het dossier4 is geverbaliseerd dat volgens Fundainbusiness.nl de gemiddelde huurprijs voor dergelijke loodsen € 44,90 per m² per jaar bedraagt. Volgens vastgoedmakelaar [makelaar] bedraagt de huurprijs € 20,00 tot € 35,00 per m² per jaar voor een bedrijfsruimte in de regio Leeuwarden. Uit deze gegevens over gemiddelde huurprijzen blijkt echter niet of dit de kale huurprijs betreft, dan wel de huurprijs inclusief nutskosten.

Voorts is de politie bij de berekening van de huurprijs van de loods ervan uitgegaan dat de totale afmeting van de loods 281 m² bedraagt.5 Uit het dossier6 blijkt echter dat de loods vermoedelijk een minimale oppervlakte heeft van 300 m², aangezien het bestemmingsplan dat eist. De rechtbank gaat er derhalve vanuit dat de oppervlakte minimaal 300 m² bedraagt.

De verdediging heeft aangevoerd dat de huurprijs mede betrekking had op het gebruik van gas, water, elektra en beveiliging. Voorts werd volgens de verdediging de totale oppervlakte van de loods door [naam bedrijf1] gehuurd, aangezien [naam bedrijf1] ook nog de etagevloer huurde, gelegen boven het bij [getuige] en [slachtoffer] in gebruik zijnde deel van de loods. De rechtbank acht dit niet onwaarschijnlijk, omdat dit ook volgt uit de eerste verklaringen van [slachtoffer]7 en [getuige]8. Enkel de ruimte in gebruik bij [slachtoffer] , te weten het kledinghok, dient in mindering gebracht te worden op de totale gehuurde oppervlakte. De oppervlakte van dit kledinghok is echter niet bekend, zodat geen berekening kan volgen, hetgeen niet ten nadele van verdachte mag komen. De rechtbank concludeert hieruit dat niet onaannemelijk is dat [naam bedrijf1] de beschikking had over vrijwel de gehele oppervlakte van de loods, te weten bijna 300 m².

Uitgaande van het betaalde huurbedrag van € 18.000,00 per jaar voor ongeveer 300 m² bedraagt de feitelijke huurprijs € 60,00 per m² per jaar. Dit is meer dan verbalisanten op basis van Fundainbusiness.nl als gemiddelde huurprijs hebben berekend, maar er is in casu sprake van gebruik inclusief nutsvoorzieningen en beveiliging van de loods met omliggend terrein. Hierbij wijst de rechtbank erop dat een zekere terughoudendheid dient te worden betracht ten aanzien van de vraag of een overeengekomen huurprijs marktconform is. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank onvoldoende gestaafd dat de door [naam bedrijf1] betaalde huurprijs buitenproportioneel is.

Het gebruik van de loods

Uit het proces-verbaal blijkt dat vanuit het bij [getuige] en [slachtoffer] in gebruik zijnde deel van de loods eenvoudig toegang verkregen kon worden tot het door [naam bedrijf1] gehuurde deel. Tevens bevindt zich in het door [naam bedrijf1] gehuurde deel van de loods het kledinghok dat in gebruik was bij [slachtoffer] . De rechtbank acht het feit dat de door [naam bedrijf1] voor zakelijk gebruik gehuurde ruimte ook toegankelijk was voor anderen, niet zonder meer een aanwijzing dat feitelijk geen sprake was van een huurovereenkomst. Aan het feit dat de eigenaar [slachtoffer] en haar partner [getuige] in het bezit waren van sleutels van het verhuurde deel van hun eigen loods, kan evenmin betekenis worden toegekend met betrekking tot de vraag of al dan niet sprake was van verhuur.

Het gebruik van de door [naam bedrijf1] gehuurde loods voor opslag van goederen van derden -die in de veronderstelling verkeerden dat zij die opslag in gebruik kregen van [slachtoffer] en haar partner [getuige] - is verklaarbaar, aangezien [getuige] en [slachtoffer] naast de loods woonden en [slachtoffer] de eigenaar van de loods is. De rechtbank acht het aannemelijk dat met name het ‘kantoortje’ bedrijfsmatig door [naam bedrijf1] werd gebruikt.9 De rest van het door haar gehuurde deel van de loods werd door [naam bedrijf1] kennelijk slechts gebruikt voor opslag en voor stalling van vervoermiddelen van de zonen van verdachte (eigenaar van [naam bedrijf1] ) en [medeverdachte] . Dit laatste roept, mede gelet op de maandelijkse kosten, vragen op, maar dat kan worden verklaard doordat aannemelijk is te achten dat het kantoortje waar de bedrijfsmatige activiteiten voor [naam bedrijf1] plaatsvonden, binnen de huurovereenkomst viel. De wijze waarop de loods gebruikt werd, kan derhalve niet bijdragen tot het vermoeden dat de huurovereenkomst tussen [slachtoffer] en coffeeshop [naam bedrijf1] een schijnconstructie is.

De boekhouding van [naam bedrijf1]

Administratiekantoor [naam bedrijf2] heeft gegevens verstrekt waaruit blijkt dat in de ten laste gelegde periode vanaf de rekening van [naam bedrijf1] maandelijkse betalingen aan [slachtoffer] werden verricht onder de omschrijving ‘4110 Huur overig’. Uit die boekhouding is niet af te leiden dat deze transparante huurbetalingen zijn gedaan van geld dat van misdrijven afkomstig is. Voorts heeft, aldus de officier van justitie, het bedrijfsresultaat van [naam bedrijf1] zich in de periode van 2011 tot en met 2014 ontwikkeld van winst naar verlies, terwijl het loon van verdachte, enig aandeelhouder van [naam bedrijf1] , in die periode meer dan verdubbeld is.10 Zonder nadere gegevens kan de rechtbank uit dit laatste echter niet concluderen of en waarom hieruit volgt dat de betaalde huur uit misdrijf afkomstig is.

De geldigheid van de huurovereenkomst

Anders dan is geverbaliseerd, is het aangaan van een huurovereenkomst vormvrij, hetgeen betekent dat voor de geldigheid van een huurovereenkomst civielrechtelijk niet vereist is dat de huurovereenkomst op schrift is gesteld. Dat [naam bedrijf1] nog twee andere panden huurde en dat daarvoor wel schriftelijke huurovereenkomsten zijn opgesteld, doet daar niet aan af.

De conclusie

Gelet op het voorgaande kan de rechtbank niet vaststellen dat de betaalde huurbedragen van in totaal € 60.000,00 van misdrijf afkomstig zijn dan wel dat het, op grond van door de officier van justitie aangevoerde feiten en omstandigheden, niet anders kan zijn dan dat deze huurbedragen uit misdrijf afkomstig zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is het niet onwaarschijnlijk te achten dat de huurbetalingen zijn voldaan uit legale verdiensten van [naam bedrijf1] . Nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zal de rechtbank verdachte van het ten laste gelegde vrijspreken.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder het eerste cumulatief/alternatief en het tweede cumulatief/alternatief is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. M.B. de Wit en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 januari 2018.

1 Pagina 765 e.v.

2 Pagina’s 615 e.v. en 697 e.v.

3 Pagina 618.

4 Pagina’s 342 en 343.

5 Pagina 342.

6 Pagina’s 637 en 648.

7 Pagina 1766.

8 Pagina 1723.

9 Pagina 450.

10 Pagina 766 e.v.