Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4686

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2018
Datum publicatie
19-11-2018
Zaaknummer
18/820327-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor drie maal winkeldiefstal in vereniging. Verdachte is letterlijk op strooptocht gegaan waarbij zij en haar mededader in korte tijd in drie verschillende winkels voor een totaalbedrag van ongeveer 560 euro aan goederen hebben weggenomen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77c
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77m
Wetboek van Strafrecht 77n
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820327-18

ter berechting gevoegd parketnummer 18/089133-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/840072-17

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 10/741513-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd te JJI De Hunnerberg, Nijmegen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

29 oktober 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.J.R. Roethof, advocaat te Arnhem. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 18/820327-18

1.

zij op of omstreeks 7 augustus 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een (aldaar aan de [straatnaam] gevestigde) winkel genaamd [benadeelde partij 1], een hoeveelheid toiletartikelen en/of verzorgingsproducten o.a. tampons en/of haarproducten en/of mascara , in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

2.

zij op of omstreeks 7 augustus 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een (aldaar aan [straatnaam] gevestigde) winkel genaamd [benadeelde partij 2], een tas en/of haarklemmen en/of oorbellen en/of ringen en/of een horloge in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

3.

zij op of omstreeks 7 augustus 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen in/uit een (aldaar aan de [straatnaam] gevestigde winkel) genaamd [benadeelde partij 3], een hoeveelheid kleding ondermeer tops en/of truien en/of broeken en/of jasjes, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader(s);

parketnummer 18/089133-18

1.

hij op of omstreeks 22 januari 2018 te Ten Boer, uit een winkel gevestigd aan het [straatnaam] alhier, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

een fles Champagne (merk Moët & Chandon Imerial), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan de [benadeelde partij 4], heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

zij op of omstreeks 22 januari 2018 omstreeks 19.00 uur te Ten Boer, althans in Nederland

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [medewerker 1], assistent bedrijfsleider van de [benadeelde partij 4] gevestigd aan het [straatnaam] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, het verlenen van een dienst, het ter beschikking stellen van gegevens, het aangaan van een

schuld en/of het teniet doen van een inschuld, te weten de afgifte van een geldbedrag van 41,99 euro, en/of door

- omstreeks 18.57 uur een fles champagne (merk Moët & Chandon Imerial te kopen voor een bedrag van 41,99 euro - (vervolgens) tezamen met haar vriend een identieke fles champagne (merk Moët & Chandon Imerial) te stelen, althans mee te nemen zonder deze ter betaling aan te bieden en/of

- ( vervolgens) korte tijd erna één fles champagne (merk Moët & Chandon Imerial) in te leveren en/of om te ruilen voor geld en/of daarbij erop zin spelende dat zij de fles champagne welke net gekocht was toch te duur vond, althans de koop ongedaan wilde maken en/of

- daarbij wetende dat een fles champagne (merk Moët & Chandon Imerial) even daarvoor door haar en/of verdachtes mededader bij die [benadeelde partij 4] was gestolen;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij op of omstreeks 22 januari 2018 te Ten Boer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een fles champagne (merk Moët & Chandon Imerial) met een waarde 41,99 euro, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, en/of van een voorwerp, te weten een fles champagne (merk Moët & Chandon Imerial) met een waarde van 41,99 euro gebruik heeft gemaakt, terwijl zij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig

misdrijf.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van het onder parketnummer 18/820327-18 1, 2 en 3 ten laste gelegde. Van het onder parketnummer 18/089133-18 ten laste gelegde dient verdachte integraal te worden vrijgesproken, aldus de officier van justitie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangegeven zich in het standpunt van de officier van justitie te kunnen vinden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsvrouw het onder parketnummer 18/089133-18 1, 2 primair en 2 subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder parketnummer 18/820327-18 1, 2 en 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 oktober 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 augustus 2018, opgenomen op pagina 9 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018207803, d.d. 8 augustus 2018, inhoudende de verklaring van [medewerker 2], namens [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3];

3. ( ten aanzien van feit 1) een formulier proces-verbaal aangifte, met bijlage weggenomen goederen, op 7 augustus 2018 ingevuld door [medewerker 2], namens benadeelde [benadeelde partij 1], opgenomen op pagina 11 e.v. van voornoemd dossier;

4. ( ten aanzien van feit 2) een formulier proces-verbaal aangifte, met bijlage weggenomen goederen, op 7 augustus 2018 ingevuld door [medewerker 2], namens benadeelde [benadeelde partij 2], opgenomen op pagina 13 e.v. van voornoemd dossier;

5. ( ten aanzien van feit 3) een formulier proces-verbaal aangifte, met bijlage weggenomen goederen, op 7 augustus 2018 ingevuld door [medewerker 2], namens benadeelde [benadeelde partij 3], opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

parketnummer 18/820327-18

1.

zij op 7 augustus 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in een aldaar aan de [straatnaam] gevestigde winkel genaamd [benadeelde partij 1], een hoeveelheid toiletartikelen en verzorgingsproducten, o.a. tampons en haarproducten en mascara, toebehorende aan [benadeelde partij 1];

2.

zij op 7 augustus 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in een aldaar aan [straatnaam] gevestigde winkel genaamd [benadeelde partij 2], een tas en haarklemmen en oorbellen en ringen en een horloge, toebehorende aan [benadeelde partij 2];

3.

zij op 7 augustus 2018 te Groningen tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen in een aldaar aan de [straatnaam] gevestigde winkel genaamd [benadeelde partij 3], een hoeveelheid kleding, onder meer tops en truien en broeken en jasjes, toebehorende aan [benadeelde partij 3].

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

parketnummer 18/820327-18

1, 2 en 3: Diefstal door twee of meer verenigde personen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toepassing van het jeugdstrafrecht gevorderd. De officier van justitie heeft verder gevorderd dat verdachte ter zake van het onder parketnummer 18/820327-18 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen jeugddetentie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht en oplegging van een taakstraf van kortere duur dan gevorderd door de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het over haar opgemaakte reclasseringsrapport, het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan drie winkeldiefstallen. Verdachte is letterlijk op strooptocht gegaan waarbij zij en haar mededader in korte tijd in drie verschillende winkels voor een totaalbedrag van ongeveer 560 euro aan goederen hebben weggenomen. Winkeldiefstal is een zeer ergerlijk feit, dat naast schade vaak veel hinder en overlast veroorzaakt voor de gedupeerde bedrijven en de maatschappij als geheel.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte, waaruit blijkt dat zij eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld en dat zij de feiten gedurende twee proeftijden heeft gepleegd. Verdachte is kennelijk door deze veroordelingen niet weerhouden van het opnieuw plegen van winkeldiefstallen.

De rechtbank heeft kennis genomen van het rapport van de Reclassering Nederland d.d. 27 augustus 2018. Daarin wordt toepassing van het jeugdstrafrecht geadviseerd. De reclassering heeft daartoe overleg gehad met de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (verder: WSS) waarbij verdachte vanwege eerdere veroordelingen onder toezicht staat. Indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht zijn volgens de reclassering de beneden gemiddelde intelligentie, het sociaal emotionele functioneren en de beperkte handelingsvaardigheden van verdachte. Verdachte weet zich niet staande te houden zonder begeleiding van volwassenen en heeft op diverse leefgebieden ondersteuning nodig. Ter terechtzitting heeft mevrouw [naam], jeugdreclasseerder bij de WSS, aangegeven dat ondanks de nieuwe strafbare feiten het contact met verdachte in het kader van het toezicht goed verloopt en dat de reeds ingezette interventies hun vruchten beginnen af te werpen. Mevrouw [naam] heeft geadviseerd de bijzondere voorwaarden die verbonden zijn aan de eerdere veroordelingen, ten aanzien waarvan de officier van justitie thans een vordering na voorwaardelijke veroordeling heeft gedaan, te handhaven of bij de huidige strafafdoening opnieuw te stellen.

De rechtbank ziet in de persoonlijkheid van verdachte aanleiding om op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht te doen overeenkomstig het jeugdstrafrecht.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het van belang, mede ter vermindering van de kans op recidive, dat de bijzondere voorwaarden als gesteld bij de eerdere veroordelingen, gehandhaafd blijven. Verdachte heeft verklaard bereid en in staat te zijn deze voorwaarden na te leven. Vanwege de hierna te nemen beslissing op de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling zal de rechtbank deze voorwaarden niet opnieuw stellen.

De rechtbank acht voorts de oplegging van een taakstraf conform de eis van de officier van justitie passend en geboden. Een lagere straf, als bepleit door de raadsvrouw doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst van de feiten.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 10 maart 2017, gewezen door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Rotterdam, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een jeugddetentie voor de duur van 148 dagen, waarvan 120 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 25 maart 2017.

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 22 december 2017, gewezen door de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, is verdachte veroordeeld

tot -voor zover hier van belang- een jeugddetentie voor de duur van 87 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 6 januari 2018.

In laatstgenoemd vonnis is tevens beslist op de vordering na voorwaardelijke veroordeling van het vonnis van 10 maart 2017, waarbij de proeftijd van dat vonnis met 1 jaar is verlengd, en waarbij tevens de bijzondere voorwaarden van het vonnis van 10 maart 2017 zijn gewijzigd, in die zin dat de bijzondere voorwaarden van beide genoemde vonnissen thans gelijkluidend zijn geworden.

De officier van justitie heeft bij (schriftelijke) vordering van 9 oktober 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis van 10 maart 2017 voorwaardelijk opgelegde straf.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat zij slechts de tenuitvoerlegging van een deel van deze straf vordert, te weten voor de duur van 96 dagen. Met aftrek van de reeds in het kader van de voorlopige tenuitvoerlegging ondergane jeugddetentie zal verdachte op de dag na het uitspreken van dit vonnis in vrijheid worden gesteld.

De raadsvrouw heeft ervoor gepleit de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie zoveel mogelijk te beperken tot een dusdanig deel, dat verdachte zo snel mogelijk, doch uiterlijk op de dag van de uitspraak dan wel de dag erna in vrijheid zal worden gesteld.

De rechtbank overweegt als volgt.

De hiervoor onder parketnummer 18/820327-18 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis van 10 maart 2017 gestelde proeftijd, welke verlengd is bij vonnis van 22 december 2017.

Dit betekent dat de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf in beginsel moet worden gelast. De rechtbank ziet evenwel in het reclasseringsadvies, de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde en hetgeen ter terechtzitting is besproken reden de officier van justitie te volgen in haar vordering tot tenuitvoerlegging van 96 dagen jeugddetentie.

De rechtbank zal de vordering voor het overige afwijzen. Daarmee resteert een voorwaardelijk strafdeel van 24 dagen jeugddetentie en blijven de bij genoemd vonnis gestelde bijzondere voorwaarden, als gewijzigd bij het vonnis van 22 december 2017, gehandhaafd. De rechtbank acht een beslissing die tot een eerdere invrijheidsstelling van verdachte zal leiden, zoals voorgesteld door de raadsvrouw, niet passend. Dit gelet op de omstandigheid dat verdachte meermalen recidiveerde tijdens de proeftijd.

De officier van justitie heeft bij (schriftelijke) vordering d.d. 28 september 2018, ter griffie ontvangen op 9 oktober 2018, de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij het voormelde vonnis van 22 december 2017 voorwaardelijk opgelegde straf. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat kan worden volstaan met een verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar.

De raadsvrouw heeft zich hiertegen niet verzet.

De rechtbank overweegt als volgt.

De hiervoor onder parketnummer 18/820327-18 1, 2 en 3 bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis van 22 december 2017 gestelde proeftijd.

De rechtbank is van oordeel dat, nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, in beginsel tenuitvoerlegging dient te worden gelast van de niet ten uitvoer gelegde straf. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de vordering na voorwaardelijke veroordeling van het vonnis van 10 maart 2017, acht de rechtbank in het kader van de verdere ontwikkeling van verdachte tot een verantwoordelijk handelende en niet meer recidiverende volwassene termen aanwezig met betrekking tot de vordering na voorwaardelijke veroordeling van het vonnis van 22 december 2017 thans te volstaan met verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar.

Op grond van het voorgaande is verdachte derhalve gehouden de gelijkluidende bijzondere voorwaarden van beide genoemde vonnissen ten aanzien waarvan de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling gedaan zijn, elk met een eigen proeftijd, na te leven.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 77a, 77c, 77g, 77m, 77n en 311 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/089133-18 1, 2 primair en 2 subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18/820327-18 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 40 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

10/741513-16:

Gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 10 maart 2017, te weten: een jeugddetentie voor de duur van 96 dagen.

Beveelt dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 14fa van het Wetboek van Strafrecht, geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf.

Wijst de vordering voor het overige af.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/840072-17:

Verlengt de in het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 22 december 2017 vastgestelde proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schuth, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en mr. F.J. Agema, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 november 2018.