Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4679

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
16-11-2018
Zaaknummer
18/930287-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Op 15 november 2018 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank Noord Nederland, locatie Leeuwarden, een voormalig gerechtsdeurwaarder veroordeeld tot 120 uur werkstraf subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis wegens knevelarij en verduistering.

De man heeft in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder aan schuldenaren kosten in rekening gebracht, terwijl hij dat op grond van het Besluit tarieven ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders niet had mogen doen. Het daartoe gedane beroep op ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid werd door de rechtbank verworpen.

Daarnaast heeft hij incassogelden verduisterd die op de derdenrekeningen van zijn deurwaarderskantoor waren gestort.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 321
Wetboek van Strafrecht 322
Wetboek van Strafrecht 366
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/930287-15

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1954 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

18 september 2018 en 1 november 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. W. Bierens, advocaat te Assen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 september 2010 tot en met 1 september 2014, in de gemeente Assen, althans in Nederland, (telkens) als ambtenaar (gerechtsdeurwaarder), in de uitoefening van zijn bediening, als verschuldigd aan hemzelf, aan een andere ambtenaar of aan enige openbare kas, van een of meerdere personen heeft gevorderd en/of ontvangen en/of bij uitbetalingen terug heeft gehouden, een of meer geldbedragen, waarvan hij, verdachte, (telkens) wist dat deze een of meerdere personen

die/dat bedrag(en) (op grond van het Besluit tarieven ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders) niet verschuldigd was/waren, te weten van (onder meer):

- [slachtoffer 1] , een geldbedrag van 58,46 euro (exclusief BTW) of 69,57 euro (inclusief BTW), althans een geldbedrag, zijnde kosten van een exploot van 16 september 2010 welke aan die [slachtoffer 1] werd aangezegd,

en/of

- [slachtoffer 2] , een geldbedrag van 58,46 euro (exclusief BTW) of 69,57 euro (inclusief BTW), althans een geldbedrag, zijnde kosten van een exploot van 11 oktober 2010 welke aan die [slachtoffer 2] werd aangezegd, en/of - [slachtoffer 3] , een geldbedrag van 60,26 euro, althans een geldbedrag, zijnde kosten van een exploot van 25 mei 2012, welke aan die [slachtoffer 3] werd aangezegd,

en/of

- [slachtoffer 4] , een geldbedrag van 61,33 euro (exclusief BTW) of 74,21 euro (inclusief BTW), althans een geldbedrag, zijnde kosten van een exploot van 13 februari 2014 welke aan die [slachtoffer 4] werd aangezegd;

2.

hij in of omstreeks het tijdvak van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2014, in de gemeente Assen, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk geldbedragen, althans enig goed, dat geheel of ten deel toebehoorde aan derden/benadeelden, in elk geval aan een ander dan aan hem, verdachte, welk(e) geldbedrag(en) hij, verdachte, in verband met zijn werkzaamheden als gerechtsdeurwaarder ten behoeve van derden/benadeelden onder zich had en/of welk(e) geldbedrag(en) (onder meer) afkomstig waren uit incassowerkzaamheden in verband met openstaande vorderingen van derden/benadeelden op anderen, althans welk(e) geldbedrag(en) hij, verdachte,

(telkens) anders dan door misdrijf uit hoofde van zijn beroep en/of tegen geldelijke vergoeding onder zich had, zich (telkens) wederrechtelijk heeft toegeëigend, te weten (onder meer):

- een geldbedrag van 2000 euro, althans een geldbedrag, welk geldbedrag door [slachtoffer 5] , althans een ander, op de derdenrekening van gerechtsdeurwaarder [verdachte] , zijnde het deurwaarderskantoor van verdachte, was gestort ten behoeve van benadeelde/aangever [slachtoffer 6] ,

en/of

- een geldbedrag van 1164,66 euro, althans een geldbedrag, welk geldbedrag door [bedrijf 1] uit Hoogeveen, althans een ander, op de derdenrekening van gerechtsdeurwaarder [verdachte] , zijnde het deurwaarderskantoor van verdachte, was gestort ten behoeve van benadeelde/aangever [slachtoffer 7] ,

en/of

- een geldbedrag van 714,52 euro, althans een geldbedrag, welk geldbedrag door benadeelde/aangever [slachtoffer 7] op de rekening van gerechtsdeurwaarder [verdachte] , zijnde het deurwaarderskantoor van verdachte, was gestort ten behoeve van het uitbrengen van een dagvaarding tegen bovengenoemde [bedrijf 1] uit Hoogeveen,

en/of

- een geldbedrag 782,21 euro, althans een geldbedrag, welk geldbedrag door verdachte op basis van een vordering werd geïnd van [slachtoffer 1] ten behoeve van de rechthebbende gemeente Assen, althans een ander,

en/of

- een geldbedrag 1069,96 euro, althans een geldbedrag, welk geldbedrag door verdachte op basis van een vordering werd geïnd van [slachtoffer 1] ten behoeve van de rechthebbende [naam] , althans een ander,

en/of

- een geldbedrag 147,14 euro, althans een geldbedrag, welk geldbedrag door verdachte op basis van een vordering werd geïnd van [slachtoffer 1] ten behoeve van de rechthebbende [bedrijf 2] , althans een ander.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman een beroep gedaan op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid.

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde gepleit tot vrijspraak. Hij heeft daartoe aangevoerd dat geen sprake is geweest van wederrechtelijke toe-eigening. Met betrekking tot de ten laste gelegde onderdelen kan niet worden bewezen welke geldbedragen verduisterd zijn.

Weliswaar zijn de geldbedragen op één van de derdenrekeningen gestort van verdachte, maar van deze gelden zijn ook weer de nodige kosten betaald. De vraag die dan gesteld kan worden is dan ook welke bedragen nu precies verduisterd zijn. Nu dat niet voldoende kan worden vastgesteld dient vrijspraak te volgen.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt.

Aan verdachte is tenlastegelegd dat hij incassogelden heeft verduisterd welke op een drietal derdenrekeningen ten name van zijn deurwaarderskantoor waren gestort.

Deze op de derdenrekening gestorte geldbedragen waren bestemd voor de opdrachtgevers waarvoor verdachte de gelden had geïnd. Uit de aard der zaak mag een derdenrekening niet voor andere doeleinden worden gebruikt, uitgezonderd het verrekenen van verschotten.

Vast is komen te staan dat verdachte gelden van de derdenrekeningen heeft benut voor andere doeleinden dan waarvoor zij zijn verkregen van de schuldenaar, namelijk ter aflossing van de schuld bij de desbetreffende schuldeiser.

Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte als heer en meester over de op de derdenrekening staande bedragen is gaan beschikken en deze heeft gebruikt voor doeleinden waarvoor zij niet aangewezen waren.

Aldus heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank de betreffende geldbedragen in zijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder opzettelijk wederrechtelijk toegeëigend.

De rechtbank acht daarmee het onder 2 ten laste gelegde bewijsbaar, met dien verstande dat zij verdachte van het onderdeel van de tenlastelegging betreffende een geïnd geldbedrag ten behoeve van de [bedrijf 2] zal vrijspreken, nu de rechtbank op basis van het proces-verbaal niet kan vaststellen dat dit bedrag dan wel enig geldbedrag is verduisterd.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 1 november 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

In de periode van 1 september 2010 tot en met 1 september 2014 heb ik te Assen, in mijn hoedanigheid van gerechtsdeurwaarder van meerdere personen geldbedragen gevorderd waarvan ik wist dat zij die door mij aan hen in rekening gebrachte onkosten op grond van het Besluit tarieven ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarder niet verschuldigd waren.

Ik heb tevens geldbedragen die op de derdenrekeningen van mijn deurwaarderskantoor stonden voor andere doeleinden gebruikt. Ik had daartoe geen toestemming van de rechthebbenden voor wie die geïnde geldbedragen bestemd waren.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 oktober 2014, opgenomen op pagina 12 - 14 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2014129858 d.d. 1 augustus 2016, inhoudende als verklaring van [naam 2] :

V: Van welke strafbare feiten wilt u aangifte doen?

A: Verduistering en knevelarij. Er was tekort op de kantoorrekening voor salaris, kantoorkosten en auto' s. Je leent dan wat van de bijzondere rekening. Maar als dit niet aangezuiverd kan worden loopt dit op.

Volgens het Bureau Financieel Toezicht (BTF) is dit berekend op ongeveer 400.000 euro.

V: Tot nu toe hebben we als foutief in rekening gebrachte kosten geconstateerd, het

herhaald bevel, aanzeggingen en verdeelkosten bij loonbeslag. Zijn er nog meer posten

geweest die onjuist zijn verantwoord?

A: Het zijn kosten die niet of anders in het besluit tarieven ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders staan vermeld. In deze gevallen zijn de schuldenaren benadeeld.

3. Een schriftelijk stuk, te weten bijlage I, opgenomen op pagina 15, 16 van voornoemd proces-verbaal politie, inhoudende als verklaring van [naam 2] :

Ik kwam exploten tegen die aan schuldenaren in rekening zijn gebracht zonder dat dit wettelijk toegestaan is. Er bestaat een Besluit tarieven ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders waarin wordt vastgelegd welk tarief voor welke exploten aan schuldenaren mogen worden berekend.

In dit besluit komen geen exploten voor waarbij aan schuldenaren wordt aangezegd dat er beslaglegging volgt. Deze exploten mogen worden betekend, maar dan dient duidelijk vermeld te worden dat de kosten van het exploot voor rekening van de opdrachtgever zijn, en mag men niet de indruk wekken dat de kosten door de schuldenaar zijn verschuldigd. Voorts mogen deze kosten geenszins ten laste van de schuldenaar worden geboekt.

4. Een schriftelijk bescheid, te weten een op pagina 62, 63 opgenomen exploot d.d. 13 februari 2014, gericht aan [slachtoffer 4] , kosten exploot € 61,33 (excl. BTW) en

€ 74,21(incl. BTW).

5. Een schriftelijk stuk, te weten een op pagina 64, 65 opgenomen exploot, d.d. 16 september 2010, gericht aan [slachtoffer 1] , kosten exploot € 58,46 (excl. BTW) en € 69,57(incl. BTW).

6. Een schriftelijk bescheid, te weten een op pagina 66, 67 opgenomen exploot d.d. 25 mei 2012, gericht aan [slachtoffer 3] , kosten exploot € 60,26.

7. Een schriftelijk bescheid, te weten een op pagina 74,75 opgenomen exploot d.d. 11 oktober 2010, gericht aan [slachtoffer 2] , kosten exploot 58,46(excl. BTW) en € 69,57(incl. BTW).

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 december 2014, opgenomen op pagina 106, 107 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 6] :

Ik doe aangifte van verduistering door dhr. [verdachte] van [verdachte] , gerechtsdeurwaarder & incasso, gevestigd aan de [straatnaam] te Assen.

Op 22 oktober 2013 heeft de kantonrechter een uitspraak gedaan in een zaak die ik had aangespannen tegen [slachtoffer 5] . Op 22 oktober 2013 is het vonnis uitgesproken in deze zaak. Daarin werd gesteld dat dhr. [slachtoffer 5] 3.132,11 euro moest betalen aan de deurwaarder [verdachte] . Ik heb contact gehad met mijn werkgever [slachtoffer 5] waarin hij aangaf dat hij 600 euro in mei 2014 had overgemaakt en 2000 euro in juni 2014 aan deurwaarder [verdachte] . Ik heb op 9 mei 2014 een bedrag van 400 euro ontvangen op mijn rekening. Ik moet nu nog 2200 euro ontvangen van deurwaarder [verdachte] .

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 december 2014, opgenomen op pagina 111 - 113 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 7] :

Ik doe aangifte van verduistering. Ik heb een eigen bedrijf.

Ik heb diensten geleverd aan [bedrijf 1]. uit Hoogeveen. Na het leveren van mijn diensten stond er een bedrag open welke nog betaald moest worden. Medio december 2013 ben ik naar [verdachte] gerechts-deurwaarders & incasso gegaan. Ik heb [verdachte] opdracht gegeven om de betaling uit mijn naam te vorderen. Ondertussen had ik een bedrag aan [verdachte] betaald van 714,52 euro om de zaak voor de rechter te laten komen. Maar omdat [verdachte] een akkoord had bereikt met de advocaat van [bedrijf 1] ben ik hierin mee gegaan voor de snelle afhandeling. Toen ben ik het met [verdachte] eens geworden dat de 714,52 euro die ik reeds gestort had, niet aangewend hoefde te worden voor een dagvaarding. Begin augustus 2014 heb ik met [verdachte] contact opgenomen. Ik heb toen met [verdachte] afgesproken dat hij de 714,52 euro die ik eerder had overgemaakt en de twee betalingen van 583,33 euro die waren gedaan door [bedrijf 1] zou overmaken. Tot op heden is het geld door [verdachte] nog steeds niet uitbetaald.

10. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 januari 2016, opgenomen op pagina 128, 129 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[naam 3]:

Ik doe aangifte van verduistering namens mijn cliënt, mevrouw [slachtoffer 1] , woonachtig te Assen.

Bij het opvragen van de stand van zaken van mevrouw [slachtoffer 1] bij gerechtsdeurwaarder [verdachte] destijds gevestigd aan de [straatnaam] te Assen, kreeg ik geen bericht. Als bewindvoerder heb ik bij [naam 2] de stukken op kunnen vragen van mevrouw [slachtoffer 1] .

Daaruit bleek dat er vorderingen liepen, waarop wel geld werd geïnd, maar niet werd afgedragen aan de partijen die daar recht op hadden.

De partijen die recht hadden op gelden van mevrouw [slachtoffer 1] , zijn de gemeente Assen en mw.

[naam] . Uit de stukken blijkt dat de bedragen wel bij mevrouw [slachtoffer 1] te zijn geïnd.

Omdat er loonbeslag is gelegd op de inkomsten van mevrouw [slachtoffer 1] , heeft de gemeente Assen de bedragen maandelijks laten overmaken naar gerechtsdeurwaarder [verdachte] .

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0100-2014167505-3, d.d. 7 januari 2016, opgenomen op pagina 147, 148 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 22 augustus 2014 deed [slachtoffer 6] aangifte. Op 15 juni 2016 heb ik telefonisch contact opgenomen met aangever [slachtoffer 6] en deze verklaarde dat een aantal bedragen, welke in de aangifte vermeld staan, niet correct zijn. Omdat [slachtoffer 6] via deurwaarder [verdachte] 400 euro van [slachtoffer 5] heeft ontvangen moet het nog te ontvangen bedrag dan ook 2000 euro zijn in plaats van 2200 euro zoals in de aangifte vermeld is. [slachtoffer 6] verklaarde dat hij tot op heden geen geld heeft ontvangen in deze zaak.

12. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0300-2014066228-5, d.d. 15 juni 2016, opgenomen op pagina 151, 152 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 22 augustus 2014 deed [slachtoffer 7] , aangifte ter zake verduistering.

Op 7 juni 2016 heb ik contact opgenomen met waarnemend gerechtsdeurwaarder [naam 2]

en aan hem gevraagd de administratie van deurwaarder [verdachte] te bekijken ten aanzien

van de zaak [slachtoffer 7] - [bedrijf 1] . Op dezelfde datum heb ik van deurwaarder [naam 2] de

volgende informatie per mail toegestuurd gekregen:

Hierbij zend ik u een overzicht van de boekingen. Daaruit kunt u concluderen dat [verdachte] (onder kolom 1) heeft ontvangen euro 1.164,66 en op kolom 6 (voorschot) een bedrag van euro 714,52. Deze zijn niet afgedragen.

13. Een schriftelijk bescheid, te weten een op pagina 153 (kolom 1), opgenomen overzicht boekingen, d.d. 7 juni 2016, inhoudende:

10-6-2014: ABNAMRO kwaliteitsrekening € 1.164,66.

14. Een schriftelijk bescheid, te weten een op pagina 154 (kolom 6), opgenomen overzicht boekingen, d.d. 7 juni 2016, inhoudende:

13-2-2014: voorschot € 714,52.

15. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, nummer PL0100-2014129858-10, d.d. 13 februari 2017, inhoudende als relaas van verbalisant:

Door [naam 2] werd een berekening toegepast op de gemeente Assen. De

resultaten werden aangeleverd in een schematische weergave, welke als bijlage I is

toegevoegd aan dit proces - verbaal van bevindingen.

16. Een schriftelijk bescheid, te weten een schematische weergave, welke als bijlage 1 is gevoegd bij het hiervoor onder 18 genoemde proces-verbaal van bevindingen, houdt -zakelijk weergegeven- onder meer in:

dossier [verdachte] / [slachtoffer 1] ; 20130108; Ontvangen: € 782,21; Afgedragen: € 0,00.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 september 2010 tot en met 1 september 2014, in de gemeente Assen, telkens als ambtenaar (gerechtsdeurwaarder), in de uitoefening van zijn bediening, als verschuldigd aan hemzelf, van meerdere personen heeft gevorderd geldbedragen, waarvan hij, verdachte, telkens wist dat deze personen die bedragen op grond van het Besluit tarieven ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders niet verschuldigd waren, te weten van:

- [slachtoffer 1] , een geldbedrag van 58,46 euro (exclusief BTW) of 69,57 euro (inclusief BTW), zijnde kosten van een exploot van 16 september 2010 welke aan die [slachtoffer 1] werd aangezegd,

en

- [slachtoffer 2] , een geldbedrag van 58,46 euro (exclusief BTW) of 69,57 euro (inclusief BTW), zijnde kosten van een exploot van 11 oktober 2010 welke aan die [slachtoffer 2] werd aangezegd,

en

- [slachtoffer 3] , een geldbedrag van 60,26 euro, zijnde kosten van een exploot van 25 mei 2012, welke aan die [slachtoffer 3] werd aangezegd,

en

- [slachtoffer 4] , een geldbedrag van 61,33 euro (exclusief BTW) of 74,21 euro (inclusief BTW), zijnde kosten van een exploot van 13 februari 2014 welke aan die [slachtoffer 4] werd aangezegd;

2.

hij in het tijdvak van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2014, in de gemeente Assen, meermalen, telkens opzettelijk geldbedragen, dat geheel toebehoorde aan derden/ benadeelden, welke geldbedragen hij, verdachte, in verband met zijn werkzaamheden als gerechtsdeurwaarder ten behoeve van derden/benadeelden onder zich had en welke geldbedragen afkomstig waren uit incassowerkzaamheden in verband met openstaande vorderingen van derden/benadeelden op anderen, telkens anders dan door misdrijf uit hoofde van zijn beroep en tegen geldelijke vergoeding onder zich had, zich telkens wederrechtelijk heeft toegeëigend, te weten:

- een geldbedrag van 2000 euro, welk geldbedrag door [slachtoffer 5] , op de derdenrekening van gerechtsdeurwaarder [verdachte] , zijnde het deurwaarderskantoor van verdachte, was gestort ten behoeve van benadeelde/aangever [slachtoffer 6] ,

en

- een geldbedrag van 1164,66 euro, welk geldbedrag door [bedrijf 1] uit Hoogeveen, op de derdenrekening van gerechtsdeurwaarder [verdachte] , zijnde het deurwaarderskantoor van verdachte, was gestort ten behoeve van benadeelde/aangever [slachtoffer 7] ,

en

- een geldbedrag van 714,52 euro, welk geldbedrag door benadeelde/aangever [slachtoffer 7] op de rekening van gerechtsdeurwaarder [verdachte] , zijnde het deurwaarderskantoor van verdachte, was gestort ten behoeve van het uitbrengen van een dagvaarding tegen bovengenoemde [bedrijf 1] uit Hoogeveen,

en

- een geldbedrag 782,21 euro, welk geldbedrag door verdachte op basis van een vordering werd geïnd van [slachtoffer 1] ten behoeve van de rechthebbende gemeente Assen,

en

- een geldbedrag, welk geldbedrag door verdachte op basis van een vordering werd geïnd van [slachtoffer 1] ten behoeve van de rechthebbende [naam] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Knevelarij, meermalen gepleegd.

2. Verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn beroep en tegen geldelijke vergoeding onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde aangevoerd dat in casu sprake is van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. De raadsman is van mening dat verdachte weliswaar niet heeft gehandeld overeenkomstig het bepaalde in het Besluit tarieven ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders, met betrekking tot de door hem uitgebrachte herhaalbevelen (exploten), maar dat hiertegenover kan worden gesteld dat hij door zo te handelen als hij heeft gedaan, de schuldenaren heeft willen ontzien.

De schuldenaren waren door deze handelwijze minder kosten verschuldigd, dan in het geval dat er direct beslag werd gelegd.

Het is vaste rechtspraak dat slechts in zeer uitzonderlijke gevallen sprake kan zijn van een geslaagd beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Enkel wanneer een redelijk middel is gehanteerd tot het dienen van een redelijk doel, waarbij het doel een evident voordeel voor de rechtsorde betekent en waarbij het middel onmisbaar en niet vervangbaar is door een ander middel, zou hiertoe kunnen worden gekomen.

De rechtbank is van oordeel dat terzake het onder 1 ten laste gelegde geen sprake kan zijn van het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid. Verdachte wist, zo heeft hij ook ter terechtzitting erkend, dat hij handelde in strijd met het Besluit tarieven ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders. Verdachte had andere mogelijkheden moeten benutten zoals het trachten de desbetreffende voorschriften van het Besluit tarieven ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders aangepast te krijgen bij het ministerie (al dan niet via de brancheorganisatie). Ook bestond de mogelijkheid om de herhaalde bevelen niet in rekening te brengen dan wel in rekening te brengen bij schuldeiser. Het is in ieder geval niet aannemelijk geworden dat er voor verdachte geen andere wegen openstonden om de schuldenaren te ontzien. Het verweer wordt verworpen.

Dit brengt mee dat de rechtbank geen aanleiding ziet om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging in verband met het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot 120 uur werkstraf subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gepleit voor een voorwaardelijke straf. Subsidiair heeft de raadsman gepleit voor oplegging van een werkstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het omtrent verdachte opgemaakte voorlichtingsrapport, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft verdachte schuldig bevonden aan knevelarij, omdat hij als gerechtsdeurwaarder aan schuldenaren kosten in rekening bracht, terwijl hij dat op grond van het Besluit tarieven ambtshandelingen Gerechtsdeurwaarders niet had mogen doen.

Daarnaast acht de rechtbank bewezen dat verdachte incassogelden heeft verduisterd van de derdengeldenrekeningen van zijn deurwaarderskantoor.

Met de bewezenverklaarde knevelarij en verduistering heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten.

De ernst van de feiten wordt in het bijzonder bepaald door het feit dat verdachte ten tijde van het plegen ervan deurwaarder was. Als deurwaarder heeft verdachte de eed afgelegd dat hij zich zal gedragen naar de wetten en voorschriften op zijn ambt van toepassing en dat hij zijn taak eerlijk en nauwgezet zal uitvoeren. Door te handelen als bewezenverklaard heeft hij afbreuk gedaan aan de afgelegde eed en het vertrouwen en de reputatie geschonden in het beroep van deurwaarder.

Intussen is verdachte geen gerechtsdeurwaarder meer, is zijn gerechtsdeurwaarderskantoor failliet en is hij ook in privé in staat van faillissement verklaard.

De rechtbank rekent verdachte de bewezenverklaarde feiten in hoge mate aan en is op grond van de ernst van de feiten en gelet op de bijzondere positie van een gerechtsdeurwaarder, van oordeel dat op zich een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op het aanzien van de gerechtsdeurwaarder in zijn algemeenheid.

De rechtbank ziet echter aanleiding om af te zien van een gevangenisstraf. De rechtbank houdt daarbij in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat verdachte first-offender is, dat er geen sprake is van herhalingsgevaar nu hij geen deurwaarder meer is, en dat het inmiddels tamelijk oude feiten betreft.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie geformuleerde eis passend en geboden is. De rechtbank zal deze eis overnemen en aan verdachte de door de officier van justitie gevorderde werkstraf opleggen.

Benadeelde partij

[slachtoffer 6] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 168,34 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd tot niet ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij, nu verdachte in staat van faillissement is.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft eveneens vanwege het feit dat verdachte in staat van faillissement verkeerd, geconcludeerd tot niet ontvankelijkverklaring.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte is in staat van faillissement verklaard. Blijkens artikel 26 van de Faillissementswet kunnen vorderingen die reeds bestonden ten tijde van de faillietverklaring, gedurende het faillissement op geen andere wijze worden ingesteld dan door aanmelding bij de curator ter verificatie. Aangezien in het onderhavige geval sprake is van een vordering die haar grond vindt in het onrechtmatig handelen van verdachte vóór datum faillissement en voorts het faillissement nog niet is opgeheven, is de rechtbank van oordeel dat de benadeelde partij niet ontvankelijk is in zijn vordering in dit strafproces. De benadeelde partij kan zijn vordering slechts ter verificatie aanmelden bij de curator.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 22c, 22d, 57, 321, 322 en 366 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in zijn vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. F.J. Agema en mr. J.Y.B. Jansen, rechters, bijgestaan door A. van Dijk, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 november 2018.