Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4654

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-11-2018
Datum publicatie
15-11-2018
Zaaknummer
18/830219-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830219-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 15 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte 2] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 1 november 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.C. Wijburg, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 30 december 2016 te Groningen aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en/of bloedingen onder het

harde hersenvlies en het spinnenwebvlies, heeft toegebracht door hem met kracht met een fles op/tegen het hoofd te slaan;

subsidiair

hij op of omstreeks 30 december 2016 te Groningen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met kracht met een fles op/tegen het hoofd heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 30 december 2016 te Groningen [slachtoffer] heeft mishandeld door hem (met kracht) met een fles op/tegen het hoofd te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en/of bloedingen onder het harde hersenvlies en het spinnenwebvlies, ten gevolge heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de primair ten laste gelegde zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een korte tik tegen de linkerkant van het hoofd van aangever heeft gegeven, zodat het bestanddeel "met kracht" niet bewezen kan worden en verdachte, zo begrijpt de rechtbank het betoog, geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 01 november 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik had de fles in mijn rechterhand. Ik hield de fles langs mijn lichaam. Hij wilde me slaan en toen heb ik hem een tik gegeven. Ik deed dat met een beweging uit de pols naar beneden. Ik raakte hem met de fles aan de linkerkant van zijn hoofd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 mei 2017, opgenomen op pagina 82 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016367001 d.d. 29 mei 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Ik ben op 30 december 2016 op mijn hoofd geslagen met een fles. Dit is gebeurd in een slijterij aan de Meeuwerderweg te Groningen. Door de klap heb ik ernstig letsel opgelopen en ben ik onder behandeling geweest in het Universitair Medisch Centrum Groningen en heb ik gerevalideerd in Beatrixoord.

3. Een letselrapportage op 26 april 2017 opgemaakt en ondertekend door forensisch arts drs. T. Naujocks, opgenomen op pagina 55 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudende als haar verklaring:

De meest waarschijnlijke oorzaak van de verwondingen bij betrokkene is fors stomp uitwendig werkend geweld. Dit had schedelhersenletsel tot gevolg met daardoor een verhoogde hersendruk, uitval van functies en dat leidde tot de noodzaak van een spoedoperatie. De omschrijving van het letsel bij vaststelling van de eerste diagnose is hersenkneuzingen en hersenbloedingen. De hersteltijd zal maanden tot jaren bedragen. Daarbij is het zeer waarschijnlijk dat sprake zal zijn van restverschijnselen, zoals beperkingen ten aanzien van de mobiliteit en zelfredzaamheid. Mogelijk geldt dat ook voor cognitieve problemen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 31 december 2016, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

De medewerker heeft met een fles met een lange hals een klap op zijn hoofd verkocht. Daarna was de dief knock-out. Hij sloeg van boven naar beneden.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 februari 2017, opgenomen op pagina 35 van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op 5 januari 2017 heeft [verdachte 2] aan het hoofdbureau van de politie te Groningen een verklaring afgelegd. Hij verklaarde dat hij [slachtoffer] een klap op zijn hoofd heeft gegeven met een fles Dream Line. De eigenaar stelde desgevraagd een fles Dream Line beschikbaar voor onderzoek. Deze fles is door mij op 6 januari 2017 in beslag genomen. Het betreft een glazen fles met 0,75 cl. drank en een totaal gemeten gewicht van 1586 gram.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft aangever met een volle fles drank op het hoofd geslagen. De fles woog ongeveer anderhalve kilo. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar onderdeel is van het lichaam. Zoals de raadsman in zijn pleitnota ook heeft aangevoerd, brengt het slaan met een volle fles tegen het hoofd de aanmerkelijke kans met zich dat het slachtoffer daardoor zwaar lichamelijk letsel op loopt. Naar het oordeel van de rechtbank kan de gedraging van verdachte naar haar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het, behoudens contra-indicaties, die hier niet zijn gebleken, niet anders kan zijn dan dat verdachte deze aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. De rechtbank acht het primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 30 december 2016 te Groningen aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een schedelbreuk en bloedingen onder het harde hersenvlies en het spinnenwebvlies, heeft toegebracht door hem met een fles tegen het hoofd te slaan.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primair Zware mishandeling

Standpunt van de verdediging

Verdachte doet een beroep op noodweer. De raadsman heeft ten aanzien hiervan aangevoerd dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, daaruit bestaande dat aangever zich met een fles in zijn hand dreigend richtte op verdachte en een slaande beweging maakte. Daaraan voorafgaand had aangever zijn agressie al op de ruiten van de winkel botgevierd met andere flessen. De vraag is of verdachte zich aan de aanval had kunnen en moeten onttrekken. Er was sprake van een zeer korte tijdsspanne. De situatie was derhalve acuut, verdachte kon geen kant op en ervoer de situatie als buitengewoon bedreigend. De fles was simpelweg voorhanden en verdachte heeft hier nauwelijks over nagedacht. De fles als middel om zich te verdedigen spreekt voor zich.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beroep op noodweer niet slaagt. Er was wel sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van lijf en goed. In de gegeven omstandigheden mocht en kon verdachte er immers vanuit gaan dat jegens hem dan wel in de richting van zijn winkel geweld zou worden gebruikt. In de visie van het openbaar ministerie was er ook geen reële en redelijke mogelijkheid tot onttrekking aan de situatie. Het gehanteerde middel acht het openbaar ministerie echter disproportioneel, zodat er sprake is van een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging.`

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat aangever zich door het ontstane hersenletsel weinig kan herinneren, behalve dat het ging om een fles Amaretto waardoor de winkelbediende boos werd en hem een klap op het hoofd gaf met een fles. Op grond van de verklaringen van verdachte en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] stelt de rechtbank het volgende vast.


Verdachte probeerde samen met een klant, getuige [getuige 1] , om aangever staande te houden nadat hij deze had aangesproken op het wegnemen van een fles Amaretto uit zijn winkel. Verdachte en getuige [getuige 1] raakten in een worsteling met aangever. Een voorbijganger, getuige [getuige 2] , hield in eerste instantie van buitenaf de deur dicht, zodat aangever de winkel niet kon verlaten. Aangever rukte zich los, pakte een fles van de toonbank en begon hiermee het raam van de toegangsdeur in te slaan. Hij schreeuwde dat hij weg wilde. De getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] bevestigen de verklaring van verdachte dat aangever op dat moment zeer bedreigend en agressief was. [getuige 2] liet daarom de deur los en bleef vanaf de straat toekijken wat er in de winkel gebeurde. [getuige 2] omschrijft aangever later als een man die de complete realiteitszin had verloren. Aangever pakte tot tweemaal toe nog een fles en sloeg daarmee tegen een winkelruit. Verdachte pakte in de tussentijd zelf een fles en hield deze langs zijn lichaam. Hij liep naar aangever toe en probeerde hem tot kalmte te manen. Aangever stond voor een stellingkast en blijkens de verklaringen van verdachte en getuige [getuige 1] had hij eveneens een fles in zijn hand. Ze stonden op dat moment schuin tegenover elkaar. Verdachte stond met zijn rug naar de deur. Verdachte zag dat aangever een onderhandse beweging maakte in zijn richting met de fles in zijn hand. Verdachte sloeg aangever vervolgens met de fles met een beweging vanuit zijn pols van boven naar beneden tegen de linkerzijde van het hoofd.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de hiervoor vastgestelde gang van zaken dat aangever volledig door het lint ging. Met zijn handelen heeft hij een zeer bedreigende situatie voor verdachte en getuige [getuige 1] doen ontstaan. Met de vierde fles die aangever pakte, maakte hij een beweging die verdachte zag als een aanzet om hem met die fles te slaan. De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden op dat moment sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding van verdachtes lijf, hetgeen in redelijkheid als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lijf kan worden beschouwd. Naar het oordeel van de rechtbank bestond er voor verdachte ook de noodzaak zich hiertegen te verdedigen. De positie van verdachte ten opzichte van de deur was weliswaar zodanig dat hij zich had kunnen omdraaien, de deur had kunnen openen en aangever naar buiten had kunnen laten gaan dan wel zelf de winkel had kunnen verlaten. Echter, gezien de ernst van de plots ontstane dreigende situatie en de impact daarvan, zoals blijkt uit verdachtes verklaring alsmede die van de getuigen, behoefde naar het oordeel van de rechtbank in die korte tijdsspanne van verdachte niet te worden gevergd dat hij zich realiseerde dat hij de deur kon openen. In redelijkheid was onttrekking aan de aanranding onder de gegeven omstandigheden naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen reëel alternatief. Het gekozen verdedigingsmiddel, een volle fles drank, is in deze situatie, waarin aangever hem dreigde te raken met een volle fles drank, op zichzelf niet disproportioneel. De wijze waarop verdachte de fles heeft gebruikt is dat naar het oordeel van de rechtbank echter wel. Het op het hoofd slaan met een fles, met alle gevolgen die dat kan hebben, staat niet in redelijke verhouding tot een aanranding die bestaat uit het maken van een onderhandse zwaaiende beweging met een fles richting verdachte. Verdachte had de aanval kunnen en moeten afwenden door aangever op een ander lichaamsdeel te raken. Door op het hoofd te slaan heeft verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging overschreden. De rechtbank zal derhalve het beroep op noodweer verwerpen.

Nu er geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten is het feit strafbaar.

Strafbaarheid van verdachte

Standpunt van de verdediging

De raadsman doet een beroep op noodweerexces en verzoekt de rechtbank om verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging. Hij voert daartoe aan dat verdachte die dag verzeild is geraakt in een abnormale situatie. Hij was daardoor zichzelf niet. Door schrik of angst is hij in een heftige emotionele toestand geraakt waardoor hij een snelle tik heeft uitgedeeld.

Standpunt van de officier van justitie

Vanuit het perspectief van verdachte acht de officier van justitie de overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging in het licht van de feiten en omstandigheden van de zaak verontschuldigbaar. Het handelen van verdachte was een onmiddellijk gevolg van een hevige gemoedsbeweging door de wederrechtelijke aanranding van aangever veroorzaakt. Daardoor ging zijn handelen verder dan geboden was. De officier van justitie acht het aannemelijk dat verdachte handelde vanuit noodweerexces. Verdachte moet daarom ontslagen worden van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft hiervoor overwogen dat verdachte door zijn handelen de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Volgens vaste jurisprudentie kan van een verontschuldigbare overschrijding sprake zijn indien verdachte de hem verweten gedraging heeft verricht in een situatie waarin, en op een tijdstip waarop voor hem de noodzaak bestond tot verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, maar daarbij als onmiddellijk gevolg van een hevige door die aanranding veroorzaakte gemoedsbeweging verder gaat dan geboden is.

De rechtbank stelt vast dat de situatie in de (niet grote) slijterij enorm bedreigend is geweest. Binnen een kort tijdsbestek is de situatie geëscaleerd en had verdachte in een kleine ruimte te maken met een man die volledig buiten zinnen was, die tegen hem schreeuwde, de glazen deur van de winkel kapot sloeg en flessen met drank tegen de winkelruiten gooide. Verdachte heeft verklaard dat hij Spaans benauwd en angstig was en dat zijn hart tekeer ging, omdat aangever compleet leek doorgedraaid. Gelet op de situatie, zoals hiervoor vastgesteld, is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat door het onmiddellijk dreigend gevaar voor een wederrechtelijke aanranding van zijn lijf, bij verdachte een zodanige angst is ontstaan, dat gesproken kan worden van een hevige gemoedsbeweging. De rechtbank acht ook aannemelijk dat verdachte als onmiddellijk gevolg van die hevige gemoedsbeweging bij de verdediging tegen de aanranding verder is gegaan dan geboden was.

Het beroep op noodweerexces slaagt dan ook. De rechtbank acht verdachte niet strafbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 6.615,80 ter vergoeding van materiële schade en € 15.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

Tegen de achtergrond van een ontslag van alle rechtsvervolging zal de vordering van de benadeelde partij in beginsel niet ontvankelijk moet worden verklaard, tenzij sprake is van een maatregel als bedoeld in artikel 37 en 37a van het Wetboek van Strafrecht. Nu daar geen sprake van is, zal de vordering niet ontvankelijk moeten worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De materiële schade dient te worden afgewezen. De benadeelde partij heeft onvoldoende zijn schade onderbouwd en/of het betreft geen rechtstreekse schade. De immateriële schade kan nog niet worden vastgesteld. Hooguit kan er een voorschot worden toegewezen. De vordering moet niet ontvankelijk worden verklaard dan wel worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal verdachte geen straf of maatregel opleggen en evenmin schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel. De benadeelde partij zal daarom, gelet op artikel 361, tweede lid onder a, Wetboek van Strafvordering, niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De benadeelde partij en verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel gold ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld, maar verklaart verdachte daarvoor niet strafbaar.

Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer] in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. P.H.M. Smeets en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 november 2018.

Mr. Van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.