Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4614

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
10-01-2019
Zaaknummer
5589873 CV EXPL 16-17896
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Er is sprake van een bemiddelingsovereenkomst strekkende tot het tot stand brengen van een huurovereenkomst tussen een derde en de opdrachtgever. De lasthebber heeft geen recht op loon jegens de huurder/opdrachtgever. Niet bepalend is dat de verhuurder aan de lasthebber geen vergoeding heeft betaald.

In tussenvonnis bewijs opgedragen aan huurder dat handtekening op kwitantie voor betaling bemiddelingskosten namens lasthebber is geplaatst. Na bewijslevering: toewijzing vordering aan huurder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rolnummer: 5589873 \ CV EXPL 16-17896

vonnis van de kantonrechter d.d. 13 november 2018

inzake

[eiser] ,

wonende te [plaats] ,

eiser, in persoon,

(gemachtigde tot en met dagvaarding): Invorderingsbedrijf B.V.,)

tegen

Spot IN Vastgoed B.V.,

gevestigd te Groningen,

gedaagde,

gemachtigde: [naam gemachtigde]

Partijen zullen hierna [eiser] en Spot IN worden genoemd.

DE VERDERE PROCESGANG

Bij vonnis van 27 maart 2018 is [eiser] toegelaten tot bewijslevering.

[eiser] heeft zichzelf als partijgetuige doen horen en tevens heeft hij zijn vader alsmede de heer [naam getuige] als getuigen doen horen. [eiser] heeft voorts ter griffie doen deponeren een bankafschrift van 18 januari 2016 alsmede een tweetal originele kwitanties van

18 december 2015 van respectievelijk hemzelf en van [naam getuige] .

Spot IN heeft vervolgens dagbepaling gevraagd voor het doen horen van haar medewerkster [naam medewerkster] . Op de voor het getuigenverhoor vastgestelde datum, 10 oktober 2018, is de getuige niet verschenen. Spot IN is evenmin verschenen.

Partijen zijn nadien in de gelegenheid gesteld nader te reageren op de gedeponeerde stukken alsmede op de in de enquête afgelegde verklaringen. [eiser] heeft schriftelijk gereageerd, Spot IN heeft wederom niet gereageerd.

Vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

1 De verdere beoordeling

1.1

In het vonnis van 27 maart 2018 is over de vraag of, indien er bemiddelingskosten zijn betaald, daarvoor een toereikende rechtsgrond bestond in rechtsoverweging 4.1 het volgende overwogen:

" 4.1 Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geconcludeerd dat de grondslag aan de vordering terzake de bemiddelingskosten is komen te ontvallen, zodat [eiser] deze kosten zonder rechtsgrond en mitsdien onverschuldigd zou hebben betaald."

1.2

In dat vonnis is, waar Spot IN betwistte dat [eiser] een bedrag van € 540,00 aan bemiddelingskosten had betaald, [eiser] vervolgens toegelaten te bewijzen dat de handtekening onder de door [eiser] overgelegde kwitantie van de medewerker van Spot IN, mevrouw [naam medewerkster] , is.

1.3

De door [eiser] , zijn vader alsmede de door [naam getuige] als getuigen afgelegde verklaringen zijn opgenomen in het daarvan opgemaakte proces verbaal. De inhoud van die verklaringen dient als zijnde herhaald en ingelast te worden beschouwd.

1.4

Met die verklaringen in onderling verband bezien, heeft [eiser] genoegzaam bewezen dat hij in bijzijn van zijn vader en [naam getuige] op 18 december 2015 een bedrag van € 540,00 heeft voldaan aan een medewerkster van Spot IN en dat hem daarvoor een door [naam medewerkster] ondertekende kwitantie is overhandigd.

[eiser] heeft bovendien in aanvulling op die verklaringen de originele kwitanties ter griffie gedeponeerd waaruit eveneens van de gestelde betaling blijkt.

1.5

Spot IN heeft, ondanks de eerdere aankondiging [naam medewerkster] in de contra-enquête te doen horen daar kennelijk vanaf gezien. Spot IN heeft ook overigens niet de echtheid of juistheid van de gedeponeerde kwitanties betwist hoewel zij in de gelegenheid is gesteld zich bij akte uit te laten.

1.6

[eiser] is dan ook geslaagd in het hem opgedragen bewijs. De hoofdsom is dan ook toewijsbaar.

De vordering tot betaling van de wettelijke handelsrente wordt afgewezen nu geen sprake is van een handelsovereenkomst in de zin van artikel 6:119 a BW.

1.7

De op basis van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten gevorderde vergoeding is eveneens toewijsbaar. Er is genoegzaam gebleken van buitengerechtelijke incassowerkzaamheden die de gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke kosten rechtvaardigen. Het gevorderde bedrag is conform het tarief van voormeld Besluit.

1.8

Spot IN wordt veroordeeld tot betaling van een totaalbedrag van € 638,01.

1.9

Spot IN wordt voorts veroordeeld in de proceskosten.

Die kosten worden vastgesteld op € 107,39 aan explootkosten, € 223,00 aan griffierecht en

(€ 100,00 aan salaris gemachtigde en 2 x € 25,00 aan verletkosten) € 150,00 uitmakend een totaalbedrag van € 580,39 aan proceskosten.

Beslissing

De kantonrechter:

-veroordeelt Spot IN om tegen bewijs van betaling aan [eiser] te voldoen een bedrag van € 638,01;

-veroordeelt Spot IN in de kosten van de procedure die aan de zijde van Spot IN tot aan deze uitspraak worden begroot op een bedrag van € 580,39;

-verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

-wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. B. van den Bosch, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Typ:334