Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4589

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-11-2018
Datum publicatie
13-11-2018
Zaaknummer
18/730332-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft bij vonnis van 13 november 2018 een 43-jarige man uit Groningen vrijgesproken van het medeplegen van of medeplichtig zijn een gewapende overval op een snackbar in Leeuwarden. Bij die snackbar werd door een 21-jarige vrouw een wapen op de eigenaren gericht, waarna zij die eigenaren contant geld afhandig maakte. Door die vrouw is verklaard dat verdachte bij deze overval een rol heeft gespeeld doordat hij samen met haar het plan heeft gemaakt om deze snackbar te overvallen. Ook heeft die vrouw verklaard dat zij het buitgemaakte geld heeft verdeeld. Bij de vrijspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de verklaring van de bewuste vrouw onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen. Een door een getuige afgelegde verklaring kan naar het oordeel niet als ondersteunend bewijs dienen voor de rol van verdachte bij de overval, onder meer doordat de vraagstelling in zijn verhoor niet vrij is van door de verbalisanten gegeven sturende informatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730332-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 13 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] ,

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 oktober 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B.P.M. Canoy, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode omvattende de dagen 30 augustus 2016 en 31 augustus 2016 te Leeuwarden in snackbar " [benadeelde partij] ", gevestigd aan of bij de [straatnaam] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld

(ongeveer 300 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat zijn mededader [medeverdrachte] , met medeneming van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) (en daarbij een helm op haar hoofd dragende) naar de toegangsdeur van het pand, waarin die snackbar " [benadeelde partij] " is gevestigd, is gelopen en/of (vervolgens) dat (op een) vuurwapen (gelijkend

voorwerp) heeft gericht op die [slachtoffer 2] en/of het pand van die snackbar " [benadeelde partij] " is binnengegaan en/of aldaar die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft getoond en/of vervolgens die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Give me money!", althans woorden van gelijke aard of strekking, en/of (vervolgens) die [slachtoffer 1] onder vertoon van dat (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft gevolgd tot bij de kassa en/of de vitrine (alwaar de kassa zich bevond);

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

[medeverdrachte] in of omstreeks de periode omvattende de dagen 30 augustus 2016 en 31 augustus 2016 te Leeuwarden in snackbar " [benadeelde partij] ", gevestigd aan of bij de [straatnaam] , met het oogmerk om zich en/of anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer 300 euro),

in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan die [medeverdrachte] en/of aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat [medeverdrachte] met medeneming van een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) snackbar " [benadeelde partij] " is binnengegaan en/of aldaar die

[slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 1] een (op een) vuurwapen (gelijkend voorwerp) heeft getoond en/of vervolgens die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] de woorden heeft toegevoegd: "Give me money!", althans woorden van gelijke aard of strekking, bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte in of omstreeks de periode omvattende de dagen 30 augustus 2016 en 31 augustus 2016 te Leeuwarden, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid,

middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door:

- samen met die [medeverdrachte] , althans alleen, de overval op snackbar " [benadeelde partij] " te bedenken en/of voor te bereiden en/of

- gedurende de overval op snackbar " [benadeelde partij] " op de uitkijk te staan.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd. Hij heeft ten aanzien van het wettig bewijs gesteld dat de verklaring van de medeverdachte [medeverdrachte] wordt ondersteund door de verklaring van de getuige [getuige] .

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte elke betrokkenheid bij de gewapende overval ontkent. Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat alleen medeverdachte [medeverdrachte] heeft verklaard over de betrokkenheid van verdachte bij de overval, maar dat de verklaring van de getuige [getuige] niet als ondersteunend bewijs kan dienen, noch voor het primair, noch voor het subsidiair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op basis van de stukken uit het dossier uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 30 augustus 2016 heeft er een gewapende overval op snackbar " [benadeelde partij] " aan de [straatnaam] te Leeuwarden plaatsgevonden. Door aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] is verklaard dat tegen sluitingstijd, rond 23.55 uur, een persoon gehuld in zwarte kleding, met een integraalhelm op het hoofd met een vuurwapen in de hand de snackbar binnenkwam. Onder bedreiging van dat vuurwapen heeft [slachtoffer 1] een bedrag van ongeveer 300 euro aan de overvaller afgegeven. Door medeverdachte [medeverdrachte] is verklaard dat zij voorafgaand aan de overval met verdachte het plan had gemaakt de bewuste snackbar te overvallen, dat verdachte haar heeft gezegd dat zij zich in het zwart moest kleden en een helm op haar hoofd moest zetten tijdens de overval, dat verdachte haar vlak voor de overval had gepusht om de snackbar in te gaan om de overval te plegen en dat de buit tussen [medeverdrachte] en verdachte zou worden verdeeld. Ook heeft [medeverdrachte] verklaard dat de buit van de overval daadwerkelijk is verdeeld tussen haar en verdachte en dat ook de getuige [getuige] een klein deel van de buit heeft ontvangen.

Verdachte heeft elke betrokkenheid bij de overval ontkend.

De rechtbank stelt voorop dat het bewijs dat een verdachte een strafbaar feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Dit voorschrift, vastgelegd in artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing in die zin dat niet tot een bewezenverklaring gekomen kan worden ingeval de door één getuige meegedeelde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. De vraag of aan het bewijsminimum is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.

Gelet op de belastende verklaring van [medeverdrachte] enerzijds en de ontkennende verklaring van verdachte anderzijds, ziet de rechtbank zich voor de vraag gesteld of de verklaring van [medeverdrachte] voldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de getuige [getuige] niet tot het bewijs kan worden gebezigd. De rechtbank acht de inhoud van de door [getuige] afgelegde verklaring, die vele maanden na het voorval is afgelegd, te vaag en te onbepaald om tot het bewijs te kunnen dienen voor het primair of subsidiair ten laste gelegde. Voorts heeft de raadsman naar het oordeel van de rechtbank terecht betoogd dat de vraagstelling in het verhoor van [getuige] niet vrij is van door de verbalisanten gegeven sturende informatie. Bovendien heeft [getuige] verklaard dat hij veel alcohol drinkt en veel blowt. Daardoor is het mogelijk dat hij niet veel meer van die bewuste avond weet.

Op basis van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de belastende verklaring van [medeverdrachte] onvoldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair of subsidiair ten laste gelegde. Gelet hierop dient verdachte te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 500,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 500,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [benadeelde partij] , tot een bedrag van € 500,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] gevorderd tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De officier van justitie heeft gevorderd dat de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering niet ontvankelijk moet worden verklaard, nu de schade een bedrag van

€ 300,00 bedroeg.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 2] en [benadeelde partij] heeft de officier van justitie aangegeven dat het de bedoeling is van alle drie de benadeelde partijen dat er eenmaal een bedrag aan schadevergoeding wordt betaald.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de vorderingen van de benadeelde partijen moeten worden afgewezen in verband met de door hem bepleite vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partijen zullen daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vorderingen. De vorderingen kunnen slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [benadeelde partij] in hun vorderingen niet ontvankelijk zijn en dat deze vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.Y.B. Jansen, voorzitter, mr. K. Post en mr H.G. Punt, rechters, bijgestaan door L. Palstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 13 november 2018.

Mr. Punt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.