Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4557

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-11-2018
Datum publicatie
09-11-2018
Zaaknummer
18/730086-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Een paar dagen voor de landelijke intocht van Sinterklaas op 18 november 2017 in Dokkum heeft verdachte via Facebook mensen opgeroepen om de demonstratie tegen Zwarte Piet bij de intocht te verhinderen. Meerdere medeverdachten hebben aan die oproep gehoor gegeven en de A7 geblokkeerd. Ten gevolge van de blokkade is een file ontstaan en was gevaar te duchten voor de veiligheid van het verkeer. Mede door de blokkade zijn de anti-Zwarte Piet-demonstranten niet in Dokkum aangekomen en hebben zij niet kunnen demonstreren. De rechtbank heeft verdachte voor opruiing veroordeeld tot de maximum werkstraf van 240 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het medeplegen van het versperren van de A7, het verhinderen van de demonstratie en dwang. De rechtbank heeft een materiële schadevergoeding toegekend aan één van de demonstranten. Ook de stichting die de demonstratie mede had georganiseerd heeft een materiële schadevergoeding toegekend gekregen. Immateriële schadevergoeding in de vorm van een workshop over de geschiedenis van Sinterklaas en Zwarte Piet heeft de rechtbank afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 131
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730086-18

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8, 9, 11 en 12 oktober 2018.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot (hierna: de raadsman) en mr. W. Anker, beiden advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. P.M. van der Spek en mr. I.A.H.M. Schepers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

zij in de periode van 15 november 2017 tot en met 18 november 2017, te Drachten, in elk geval in de gemeente Smallingerland, en/of (elders) in de provincie Fryslân, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in het openbaar mondeling, bij geschrift en/of bij afbeelding tot enig strafbaar feit en/of gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid,

immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

- nadat de Burgemeester van de gemeente Dongeradeel (zakelijk weergegeven) de stichting 'Nederland wordt beter' had geoorloofd, gedurende het evenement van de landelijke intocht van Sinterklaas in Dokkum, een (anti-zwarte Piet) betoging, te weten een dynamische demonstratie (demonstratiemars) en/of een statische demonstratie, te houden (zie map 1, p. 205), een of meer perso(o)n(en) opgeruid tot

A. - het opzettelijk versperren van enige openbare landweg, te weten een of meer (snel)weg(en) in de provincie Fryslân (strafbaar gesteld in artikel 162 van het wetboek van strafrecht) en/of

B. - het door geweld of bedreiging met geweld verhinderen van een geoorloofde betoging (strafbaar gesteld in artikel 143 van het wetboek van strafrecht) en/of

C. - een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid, gericht hetzij tegen die ander hetzij tegen derden, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden (strafbaar gesteld in artikel 284 onder 1 van het wetboek van strafrecht),

door tezamen en in vereniging, althans alleen, via (de sociaalnetwerksite) Facebook een zogenoemde "event" op te starten onder de naam "Project P" en daarin de volgende oproep(en) en/of tekst(en) te vermelden:

“Aankomende zaterdagmorgen komen er bussen met onruststokers uit Amsterdam en Rotterdam naar Dokkum voor een protestmars en anti Zwarte Piet demo langs de route van de Sint” en/of

“We roepen elke oprechte Fries op om zich zaterdagmorgen om 8.30 uur met de Friese vlag te verzamelen op onderstaande locaties bij de Friese grens en bij de centrale as naar Dokkum” en/of

“De organisatie zal het vertrek van de onruststokers (ook live) volgen en updates van routes en tijden op de FB pagina zetten. Wij kunnen dan op tijd massaal met Friese Vlaggen de (snel) wegen op en om ze te vertragen/verhinderen zodat onze kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest vieren kunnen in Dokkum” en/of

“Kom met auto, vrachtwagen, motor, trekker en paard en wagen om de onruststokers te laten zien dat dit geouwehoer hier niet welkom is” en/of

“Meld je aan voor dit evenement, tag alle oprechte Friezen en “Grutte Pieren” die je kent en scheur de Friese vlag alvast van de muur!” en/of

“Begeef jullie zaterdag om 8.30 uur naar de verzamelplekken en volg vanaf 7.00 uur de berichten in dit evenement o.a. voor nieuwere instructies over de route” en/of

“LOCATIES Routiers Zurich” en/of “MC Donalds de Lemmer” en/of “Centrale as” en/of “Mobiliseer je kaats-, voetbal-, haak- en bikerclub. Gooi het in de buurt en familie whatsapp en laat zaterdag iedereen weten: Wij zijn Project P - van Grote Pier (Piet) en Zwarte Piet!”, althans een oproep van gelijke aard en/of strekking (in onderling verband en samenhang bezien met de gehele tekst zoals weergegeven op p. 32 en 33),

zulks terwijl meerdere personen gevolg hebben gegeven aan die oproep;

2.

zij in of omstreeks de periode van 15 november 2017 tot en met 18 november 2017, op de Rijksweg A7, nabij Oudehaske (in de richting van Heerenveen), in elk geval in de gemeente De Fryske Marren en/of te Drachten, in elk geval in de gemeente Smallingerland, in elk geval in Nederland, tezamen in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk enige openbare landweg, te weten de (snelweg) Rijksweg A7, heeft versperd,

immers heeft/hebben verdachtes mededader(s), na een door verdachte gedane oproep via (de sociaalnetwerksite) Facebook), op die Rijksweg A7,

- zich als bestuurder en/of inzittende van een motorrijtuig gegroepeerd/verzameld en/of doen of laten groeperen/verzamelen voor en/of achter en/of bij een of meerdere op de Rijksweg A7 rijdende autobus(sen), (met daarin onder meer demonstranten) en/of (vervolgens)

- als bestuurder van dat motorrijtuig (in die/een groep motorrijtuigen), daarmee rijdende over die Rijksweg A7 (nabij Oudehaske), abrupt en/of krachtig geremd, althans (abrupt) snelheid geminderd en/of (vervolgens) dat/die motorrijtuig(en) (abrupt) tot stilstand gebracht en/of doen of laten brengen en/of

- als inzittende van een motorrijtuig zich (in die/een groep motorrijtuigen) doen en/of laten vervoeren/verplaatsen naar de plaats op die Rijksweg A7 (nabij Oudehaske) alwaar (abrupt) snelheid werd geminderd en vervolgens dat/die (groep) motorrijtuig(en) (abrupt) tot stilstand kwam(en),

ten gevolge waarvan een of meer bestuurder(s) van die autobussen en/of een of meer andere op die Rijksweg A7 aanwezige bestuurder(s) van motorrijtuigen (ter voorkoming van een aanrijding en/of botsing) genoodzaakt werden (met) de door hen bestuurde motorrijtuig(en) abrupt en/of krachtig af te remmen en/of (vervolgens) (abrupt) tot stilstand te brengen, en/of (vervolgens) (nabij Oudehaske)

- het motorrijtuig welke hij/zij bestuurde(n) en/of in welke hij/zij was/waren gezeten, op de rijbaan en/of de vluchtstrook van die Rijksweg A7 doen en/of laten (stil)staan en/of (vervolgens)

- het motorrijtuig welke hij/zij bestuurde(n) en/of in welke hij/zij was/waren gezeten op die Rijksweg A7 verlaten en/of (vervolgens)

- zich als voetganger op die Rijksweg A7 begeven en/of (vervolgens)

- als voetganger zich op die Rijksweg A7 voor en/of bij die autobussen en een of meer zich achter of bij die autobus(sen) bevindende en stilstaande motorrijtuigen gegroepeerd/ verzameld en/of aldaar rondgelopen

en zodoende die bestuurder(s) en/of inzittende(n) van die autobus(sen) en die een of meer zich achter en/of bij die autobus(sen) bevindende motorrijtuigen gedwongen te stoppen en/of de vrije doorgang belet en/of belemmerd en/of verhinderd hun reis te vervolgen, waardoor die Rijksweg A7 voor het bestemde gebruik niet meer toegankelijk was en/of een file is ontstaan en/of zodoende die Rijksweg A7 voor langere, althans enige, tijd (ongeveer 45 minuten) versperd,

terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was;

3.

zij in of omstreeks de periode van 15 november 2017 tot en met 18 november 2017, op de Rijksweg A7, nabij Oudehaske (in de richting van Heerenveen), in elk geval in de gemeente De Fryske Marren, en/of te Dokkum, in elk geval in de gemeente Dongeradeel, en/of te Drachten, in elk geval in de gemeente Smallingerland, in elk geval in Nederland, tezamen in vereniging met een ander of anderen, door geweld of bedreiging met geweld een geoorloofde betoging heeft verhinderd, immers heeft/hebben haar mededader(s),

- nadat de Burgemeester van de gemeente Dongeradeel (zakelijk weergegeven) de stichting 'Nederland wordt beter' had toegestaan, gedurende het evenement van de landelijke intocht van Sinterklaas in Dokkum, een (anti-zwarte Piet) betoging, te weten een dynamische demonstratie (demonstratiemars) en/of een statische demonstratie, te houden (zie map 1, p. 205) en/of

- al dan niet na een oproep/berichtgeving van verdachte via (de sociaalnetwerksite) Facebook betreffende een zogenoemd 'event', (onder meer) (zakelijk weergegeven) aangaande een oproep om massaal de wegen op te gaan om ze (de (anti-zwarte Piet) demonstranten) te vertragen/verhinderen, zodat de kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest in Dokkum konden vieren, althans een oproep van soortgelijke aard en/of strekking in de (sociale) media (zie map 1, p. 32 en 33) en/of

- nadat de (anti-zwarte Piet) demonstranten van de stichting 'Nederland wordt beter' zich in een of meer autobussen over de Rijksweg A7 (nabij Oudehaske) in de richting van Dokkum had(den) begeven (op weg naar die geoorloofde betoging),

als bestuurder(s) en/of inzittende(n) van (een) (groep) motorrijtuig(en) zich op de Rijksweg A7 gegroepeerd/verzameld en/of doen of laten groeperen/verzamelen voor en/of achter en/of bij een of meerdere op die weg rijdende autobussen met (anti-zwarte Piet) demonstranten en vervolgens

- op die Rijksweg A7 (nabij Oudehaske), abrupt en/of krachtig geremd, althans (abrupt) snelheid geminderd, en vervolgens dat motorrijtuig (abrupt) tot stilstand gebracht en/of

- als inzittende van een motorrijtuig zich doen en/of laten vervoeren/verplaatsen naar de plaats op die Rijksweg A7 (nabij Oudehaske) alwaar abrupt en/of krachtig werd geremd, althans (abrupt) snelheid werd geminderd en vervolgens die (groep) motorrijtuigen (abrupt) tot stilstand kwam(en),

ten gevolge waarvan een of meer bestuurder(s) van die autobussen en/of een of meer andere op die Rijksweg A7 aanwezige bestuurder(s) van motorrijtuigen (ter voorkoming van een aanrijding en/of botsing) genoodzaakt werden (met) de door hen bestuurde motorrijtuig(en) abrupt en/of krachtig af te remmen en/of deze (vervolgens) tot stilstand te brengen, en/of (vervolgens) (nabij Oudehaske)

- het motorrijtuig op de rijbaan en/of de vluchtstrook van die Rijksweg A7 doen of laten parkeren/staan en/of (vervolgens)

- het motorrijtuig op de Rijksweg A7 verlaten en/of (vervolgens)

- zich als voetganger op die Rijksweg A7 begeven en/of (vervolgens)

- als voetganger zich op die Rijksweg A7 voor en/of bij die autobussen en een of meer zich achter of bij die autobussen bevindende en stilstaande motorrijtuigen gegroepeerd/verzameld en/of aldaar rondgelopen

en zodoende die inzittenden van die autobussen, te weten die (anti-zwarte Piet) demonstranten,

- de vrije doorgang heeft belet en/of belemmerd en/of

- langere, althans enige, tijd heeft verhinderd hun reis naar Dokkum te vervolgen en/of

- langere, althans enige, tijd heeft verhinderd dat werd gereden in de richting van de plaats hunner bestemming, te weten de geplande (anti-zwarte Piet)betoging te Dokkum, en/of

- heeft gedwongen te dulden dat zij voor langere (ongeveer 45 minuten), althans enige, tijd in een file terecht kwamen,

in elk geval bewerkstelligd dat die inzittenden van die autobussen zodanige vertraging ondervonden, zodat werd verhinderd dat zij de geplande en geoorloofde (anti-zwarte Piet) betoging in Dokkum (tijdig) konden bereiken, waardoor het recht om in Dokkum een betoging te houden niet kon worden verwezenlijkt,

en bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit het tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- over de vluchtstrook inhalen van een of meer van die autobus(sen) met (anti-zwarte Piet) demonstranten en/of

- zogenoemd afsnijden van een of meer van die autobus(sen) met (anti-zwarte Piet) demonstranten en/of

- abrupt en krachtig afremmen en/of (abrupt) snelheid minderen voor een of meer van die autobus(sen) met (anti-zwarte Piet) demonstranten en/of

- het (abrupt) tot stilstand brengen van een of meer van die autobus(sen) met (anti-zwarte Piet) demonstranten op die Rijksweg A7 en/of

- blokkeren van die Rijksweg A7, door meerdere motorrijtuigen op de rijba(a)n(en) en/of vluchtstrook van die Rijksweg A7 te parkeren/plaatsen en/of

- al dan niet dragen van gezicht bedekkende kleding, te weten (een) sjaal(s) en/of hoodie(s) en/of helm(en) en/of

- zwaaien met de (gebalde) vuisten (richting de autobussen) en/of het omhoog houden van de/een arm(en), althans het maken van provocerende en/of opruiende en (be)dreigende bewegingen/gebaren en/of

- slaan tegen een of meerdere autobus(sen);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

zij in of omstreeks de periode 15 november 2017 tot en met 18 november 2017, op de Rijksweg A7, nabij Oudehaske (in de richting van Heerenveen), in elk geval in de gemeente De Fryske Marren, en/of te Dokkum, in elk geval in de gemeente Dongeradeel, en/of te

Drachten, in elk geval in de gemeente Smallingerland, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte en verdachtes mededader(s) voorgenomen misdrijf om tezamen in vereniging, door geweld of bedreiging met geweld een geoorloofde betoging te verhinderen, tezamen en in vereniging met haar mededaders,

- nadat de Burgemeester van de gemeente Dongeradeel (zakelijk weergegeven) de stichting 'Nederland wordt beter' had toegestaan, gedurende het evenement van de landelijke intocht van Sinterklaas in Dokkum, een (anti-zwarte Piet) betoging, te weten een dynamische demonstratie (demonstratiemars) en/of een statische demonstratie, te houden (zie map 1, p. 205) en/of

- na berichtgeving van verdachte via (de sociaalnetwerksite) Facebook betreffende een zogenoemd event, (onder meer) (zakelijk weergegeven) aangaande een oproep om massaal de wegen op te gaan om ze (de (anti-zwarte Piet) demonstranten) te vertragen/verhinderen, zodat de kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest in Dokkum konden vieren, althans een oproep van soortgelijke aard en/of strekking in de (sociale) media (zie map 1, p. 32 en 33) en/of

- nadat de (anti-zwarte Piet) demonstranten van de stichting 'Nederland wordt beter' zich in een of meer autobussen over de Rijksweg A7 (nabij Oudehaske) in de richting van Dokkum hadden begeven (op weg naar die geoorloofde betoging),

als bestuurder(s) en/of inzittende(n) van (een) (groep) motorrijtuig(en) zich pp de Rijksweg A7 heeft gegroepeerd/verzameld en/of doen en/of laten groeperen/verzamelen voor en/of achter en/of bij een of meerdere op die weg rijdende autobussen met (anti-zwarte Piet) demonstranten en vervolgens

- op die Rijksweg A7 (nabij Oudehaske), abrupt en/of krachtig heeft geremd, althans (abrupt) snelheid heeft geminderd en vervolgens dat motorrijtuig (abrupt) tot stilstand heeft gebracht en/of (daarbij)

- als inzittende van een motorrijtuig zich heeft doen en/of laten vervoeren/verplaatsen naar de plaats op die Rijksweg A7 (nabij Oudehaske) waar abrupt en/of krachtig werd geremd, althans (abrupt) snelheid werd geminderd, en vervolgens die (groep) motorrijtuig(en) (abrupt) tot stilstand kwam(en),

ten gevolge waarvan een of meer bestuurder(s) van die autobussen en/of een of meer andere op die Rijksweg A7 aanwezige bestuurder(s) van motorrijtuigen (ter voorkoming van een aanrijding en/of botsing) genoodzaakt werden (met) de door hen bestuurde motorrijtuig(en) abrupt en/of krachtig af te remmen en/of deze (vervolgens) tot stilstand te brengen, en/of (vervolgens) (nabij Oudehaske)

- het motorrijtuig op de rijbaan en/of de vluchtstrook van die Rijksweg A7 heeft doen of laten parkeren/staan en/of (vervolgens)

- het motorrijtuig op de Rijksweg A7 heeft verlaten en/of (vervolgens)

- zich als voetganger op die Rijksweg A7 heeft begeven en/of (vervolgens)

- als voetganger zich op die Rijksweg A7 voor en/of bij die autobussen en een of meer zich achter of bij die autobussen bevindende en stilstaande motorrijtuigen heeft gegroepeerd/ verzameld en/of aldaar heeft rondgelopen en zodoende die inzittenden van die autobussen, te weten die (anti-zwarte Piet) demonstranten,

- de vrije doorgang heeft belet en/of belemmerd en/of

- langere, althans enige, tijd heeft verhinderd hun reis naar Dokkum te vervolgen en/of

- langere, althans enige, tijd heeft verhinderd dat werd gereden in de richting van de plaats hunner bestemming, te weten de geplande (anti-zwarte Piet) betoging te Dokkum, en/of

- heeft gedwongen te dulden dat zij voor langere (ongeveer 45 minuten), althans enige, tijd in een file terecht kwamen,

en bestaande dat geweld en/of die bedreiging met geweld uit het tezamen en in vereniging, althans alleen,

- over de vluchtstrook inhalen van een of meer van die autobus(sen) met (anti-zwarte Piet) demonstranten en/of

- zogenoemd afsnijden van een of meer van die autobus(sen) met (anti-zwarte Piet) demonstranten en/of

- abrupt en krachtig afremmen, althans (abrupt) snelheid minderen voor een of meer van die autobus(sen) met (anti-zwarte Piet) demonstranten en/of

- het (abrupt) tot stilstand brengen van een of meer van die autobus(sen) met (anti-zwarte Piet) demonstranten op die Rijksweg A7 en/of

- blokkeren van die Rijksweg A7, door meerdere motorrijtuigen op de rijba(a)n(en) en/of vluchtstrook van die Rijksweg A7 te parkeren/plaatsen en/of

- al dan niet dragen van gezicht bedekkende kleding, te weten (een) sjaal(s) en/of hoodie(s) en/of helm(en) en/of

- zwaaien met de (gebalde) vuisten (richting de autobussen) en/of het omhoog houden van de/een arm(en), althans het maken van provocerende en/of opruiende en (be)dreigende bewegingen/gebaren en/of

- slaan tegen een of meerdere autobus(sen);

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

4.

zij in de periode van 15 november 2017 tot en met 18 november 2017, op de Rijksweg A7, nabij Oudehaske (in de richting van Heerenveen), in elk geval in de gemeente De Fryske Marren, en/of te Drachten, in elk geval in de gemeente Smallingerland, tezamen in vereniging met haar mededaders, een ander of anderen, te weten een of meer bestuurder(s) van autobussen en/of een of meer inzittende(n) van die autobussen en/of een of meer andere op die weg aanwezige bestuurder(s) en/of inzittende(n) van motorrijtuig(en), door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die voornoemde bestuurder(s) en/of inzittende(n), wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden,

immers hebben verdachtes mededaders als bestuurder(s) en/of inzittende(n) van (een) (groep) motorrijtuig(en), tezamen en in vereniging, althans alleen, na een oproep van verdachte via (de sociaalnetwerksite) Facebook, althans via de (sociale) media (zie map 1, p. 32 en 33), (op die Rijksweg A7) die een of meer bestuurder(s) van die autobussen en/of een of meer andere bestuurder(s) van motorrijtuigen en/of een of meer inzittende(n) van die autobussen en/of die andere op die weg aanwezige motorrijtuig(en)

- gedwongen de/het door hem/hen bestuurde motorrijtuig(en) abrupt en/of krachtig af te remmen en/of (vervolgens) (abrupt) tot stilstand te brengen en/of (zodoende)

- gedwongen te dulden dat zij in een onveilige verkeerssituatie en/of een file terecht kwamen en/of

- gedwongen te dulden dat zij hun reis niet konden vervolgen en/of de plaats hunner bestemming niet (tijdig) konden bereiken en/of (ernstige) vertraging ondervonden en/of

- gedwongen te dulden dat zij hun recht om een betoging te houden in Dokkum niet konden verwezenlijken/uitvoeren

en bestaande dat geweld of enige andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of enige andere feitelijkhe(i)d(en) uit het tezamen en in vereniging, althans alleen,

- over de vluchtstrook inhalen van een of meer van die autobus(sen) en/of

- zogenoemd afsnijden van een of meer van die autobus(sen) en/of

- abrupt en krachtig afremmen en/of (abrupt) snelheid minderen voor een of meer van die autobus(sen) en/of

- het (abrupt) tot stilstand brengen van een of meer van die autobus(sen) en/of

- blokkeren van die Rijksweg A7, door meerdere motorrijtuigen op de rijba(a)n(en) en/of vluchtstrook van die Rijksweg A7 te parkeren/plaatsen en/of

- al dan niet dragen van gezicht bedekkende kleding, te weten (een) sjaal(s) en/of hoodie(s) en/of helm(en) en/of

- zwaaien met de (gebalde) vuisten en/of wijzen (in de richting de autobussen) en/of het omhoog houden van de/een arm(en), althans het maken van intimiderende en/of provocerende en/of opruiende en (be)dreigende bewegingen/gebaren en/of

- slaan tegen een of meer autobus(sen).

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Schending van het vertrouwensbeginsel

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde feit (kort gezegd: opruiing), omdat die vervolging in strijd is met het vertrouwensbeginsel. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

Op Facebook is een content (oftewel een oproep of event) geplaatst onder de naam "Kick Out Kick Out Zwarte Piet". Dit event werd gehost door [naam 1] (hierna: [naam 1] ) en verdachte. Verdachte is op 16 november 2017 door verbalisant [verbalisant 1] gebeld met het verzoek de content te verwijderen van Facebook. [verbalisant 1] heeft verklaard dat voorafgaand aan dit gesprek overleg had plaatsgevonden met (onder meer) het openbaar ministerie en dat hij tegen verdachte heeft gezegd dat het openbaar ministerie en de burgemeester hebben aangegeven dat verdachte, als deze content zou blijven staan, zou kunnen worden vervolgd voor opruiing. Verdachte heeft deze opmerking zo begrepen dat zij niet zou worden vervolgd wanneer de content zou worden verwijderd. Na het verzoek van de politie is de content van Facebook verwijderd. Daarbij komt dat min of meer gelijktijdig een gesprek plaatsvond tussen verbalisant [verbalisant 2] en [naam 1] . [verbalisant 2] heeft over dit gesprek gerelateerd dat hij [naam 1] heeft meegedeeld dat hij hem uitdrukkelijk opdracht gaf het bericht te verwijderen, dat hij zich - bij niet nakomen van de opdracht - schuldig maakte aan opruiing en dat dit tot strafrechtelijke vervolging zou kunnen leiden. [verbalisant 2] heeft ter terechtzitting verklaard dat hij met [naam 1] heeft gesproken over [verdachte] en dat "het best zou kunnen" dat hij in meervoudsvorm heeft gesproken toen hij zei dat als de oproep niet werd verwijderd, ze konden worden vervolgd. [naam 1] is daadwerkelijk niet vervolgd en zelfs niet als verdachte aangemerkt.

Volgens de verdediging mocht verdachte er, gelet op deze feiten en omstandigheden, gerechtvaardigd op vertrouwen dat zij louter een risico op strafvervolging liep indien zij de oproep op Facebook niet verwijderde.

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel moet worden verworpen. Daartoe is aangevoerd dat [verbalisant 1] en [verbalisant 2] niet tegen verdachte respectievelijk [naam 1] hebben gezegd dat zij niet vervolgd zouden worden als zij de oproep zouden verwijderen. Voorts heeft het openbaar ministerie daartoe aangevoerd dat verdachte zich ook na het verwijderen van de oproep is blijven mengen in de discussie op Facebook, dat zij zich - ondanks dat zij door de politie is aangesproken - actief is blijven bemoeien met de afspraken over het tegenhouden van de demonstranten en dat zij ondanks het verwijderen van de teksten niet is gestopt met haar activiteiten om mensen op te roepen om de demonstranten tegen te houden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in artikel 167, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) aan het openbaar ministerie de bevoegdheid is toegekend zelfstandig te beslissen of naar aanleiding van een ingesteld opsporingsonderzoek al dan niet strafvervolging moet plaatsvinden. Dit wordt ook wel aangeduid als het opportuniteitsbeginsel. De beslissing van het openbaar ministerie om tot vervolging over te gaan leent zich slechts in zeer beperkte mate voor een inhoudelijke rechterlijke toetsing en wel in die zin dat slechts in uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging op de grond dat het instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met beginselen van een goede procesorde.

Zo'n uitzonderlijk geval doet zich onder meer voor wanneer de vervolging wordt ingesteld of voortgezet nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij of zij niet (verder) zal worden vervolgd. Onder omstandigheden kan aan een toezegging van een politieagent het gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat vervolging achterwege zal blijven. De rechtbank verwijst in dit kader naar een arrest van de Hoge Raad van 3 maart 2015 (ECLI:NL:HR:2015:513).

De rechtbank stelt vast dat uit het dossier blijkt dat zowel tegen verdachte als tegen [naam 1] - zakelijk weergegeven - is gezegd dat zij de oproep op Facebook dienden te verwijderen en dat zij zouden kunnen worden vervolgd voor opruiing, indien zij dit niet zouden doen. Voorts stelt de rechtbank vast dat de oproep na deze opdracht van Facebook is verwijderd, dat [naam 1] niet als verdachte is aangemerkt en niet is vervolgd en dat verdachte wel als verdachte is aangemerkt en wel is vervolgd.

De rechtbank is van oordeel dat de mededelingen die de verbalisanten aan verdachte en [naam 1] hebben gedaan, strikt genomen niet kunnen worden aangemerkt als een toezegging dat verdachte niet zou worden vervolgd voor opruiing, indien de oproep werd verwijderd.

Voor zover verdachte deze mededelingen wel als een dergelijke toezegging heeft opgevat, kon zij naar het oordeel van de rechtbank niet het gerechtvaardigd vertrouwen hebben dat zij niet zou worden vervolgd voor opruiing, aangezien zij, nadat de oproep van Facebook was verwijderd, nog allerlei handelingen heeft verricht die in het verlengde lagen van deze oproep.

Het gaat daarbij om het plaatsen van berichten in een chatgesprek op Facebook tussen personen die, al dan niet direct, betrokken waren bij het incident, om het kort vóór, tijdens en vlak na de blokkade op de A7 onderhouden van telefonische contacten met één van de medeverdachten die aanwezig was bij deze blokkade en om het na afloop van de blokkade geven van een interview aan (onder meer) Omrop Fryslân en de Telegraaf in Dokkum voor het vak dat bestemd was voor de mensen die wilden demonstreren tegen Zwarte Piet. Deze handelingen blijken uit de later in dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen.

Uit deze handelingen leidt de rechtbank af dat verdachte wist dat de actie waartoe is opgeroepen in het door haar gehoste Facebook event - ondanks het verwijderen van de oproep - zou doorgaan. Voorts leidt de rechtbank hieruit af dat verdachte zich niet heeft gedistantieerd van de (verwijderde) oproep, maar dat zij juist aan mogelijke deelnemers van de actie heeft laten weten dat zij het ermee eens was dat de actie zou doorgaan. Ook heeft zij vóór en tijdens de actie contact gehouden met mogelijke deelnemers door middel van het plaatsen van berichten in het chatgesprek op Facebook en het voeren van telefoongesprekken. Voorts heeft zij kort na de actie de pers te woord gestaan over de actie.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer.

Schending van het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel wegens het niet vervolgen van [naam 1]

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten, omdat die vervolging in strijd is met het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

De rollen van verdachte en [naam 1] zijn gelijk en inwisselbaar. Beiden zijn verantwoordelijk voor het hosten van de Facebookpagina en de daarop geplaatste oproep. Bovendien zijn beiden aangesproken door de politie en dringend verzocht de content te verwijderen, waarna de content ook daadwerkelijk is verwijderd. Hoewel het gaat om identieke gevallen is verdachte vervolgd en [naam 1] niet.

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel moet worden verworpen. Daartoe is aangevoerd dat het geval van [naam 1] niet gelijk is aan het geval van verdachte, omdat [naam 1] na het verwijderen van de oproep op Facebook met zijn activiteiten is gestopt, terwijl verdachte na het verwijderen van die oproep onverminderd met haar activiteiten is doorgegaan.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdediging genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn. Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting is besproken is de rechtbank niet gebleken dat [naam 1] zich - nadat de oproep van Facebook was verwijderd - nog op enigerlei wijze heeft bemoeid met de actie waartoe was opgeroepen. Daarentegen blijkt uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen naar aanleiding van het beroep op het vertrouwensbeginsel dat verdachte - nadat de oproep van Facebook was verwijderd - nog meerdere handelingen heeft verricht die in het verlengde lagen van die oproep. Hieruit volgt dat dit beroep op het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel feitelijke grondslag mist. Daarom verwerpt de rechtbank het verweer.

Schending van het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel wegens het niet vervolgen van de daders van andere wegblokkades

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde feit, omdat die vervolging in strijd is met het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat het openbaar ministerie niet heeft gemotiveerd waarom verdachte en de medeverdachten wel worden vervolgd, terwijl in andere min of meer vergelijkbare gevallen, waarin sprake was van het stilleggen van het verkeer en het blokkeren van wegen, niemand is vervolgd. De raadsman heeft een korte - niet limitatief bedoelde - opsomming gegeven van deze gevallen.

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel moet worden verworpen. Daartoe is aangevoerd dat de door de verdediging genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn met deze zaak. Daarbij is nader ingegaan op twee van de door de raadsman genoemde andere blokkades. Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat de blokkade van de Erasmusbrug op 18 november 2017 door anti-Zwarte Piet-demonstranten onder meer verschilt van de blokkade op de A7, omdat de blokkeerders van de A7 - anders dan de blokkeerders van de Erasmusbrug - geen demonstratie hielden, maar juist bewust demonstranten hebben tegengehouden en dat zij daarbij strafbare feiten hebben gepleegd. Voorts heeft het openbaar ministerie erop gewezen dat de maximumsnelheid op de Erasmusbrug 50 kilometer per uur bedroeg en de maximumsnelheid op de A7 130 kilometer per uur, waardoor het te duchten gevaar aanmerkelijk verschilde. Voorts heeft het openbaar ministerie aangevoerd dat de langzaamaanacties die de politie in 2015 heeft gevoerd niet vergelijkbaar zijn met de blokkade van de A7, omdat de politieauto's met een snelheid van 60 kilometer per uur over de snelweg reden, deze acties in de media zijn aangekondigd met de geplande routes en tijden erbij, het rijden op de snelwegen door deze acties niet onmogelijk werd gemaakt en bij parkeerplaatsen soms even werd uitgeweken, zodat het verkeer weer kon doorrijden. Daardoor was volgens het openbaar ministerie in dat geval in het geheel geen sprake van een versperring in de zin van artikel 162 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de door de verdediging genoemde gevallen niet vergelijkbaar zijn met het geval waar het in deze zaak om gaat. Naar het oordeel van de rechtbank is de achterliggende gedachte van de aan verdachte ten laste gelegde versperring van de A7 anders dan die van de andere door de raadsman genoemde blokkades. De blokkade van de A7 was gericht tegen een specifieke groep weggebruikers (de inzittenden van drie bussen met anti-Zwarte Piet-demonstranten) en meerdere personen uit die groep hebben ook aangifte gedaan van die blokkade. Daar staat tegenover dat de slachtoffers van de meeste door de raadsman genoemde blokkades willekeurige weggebruikers waren. Dit was alleen anders bij de blokkade van de toegangsweg naar de Johan Cruijff Arena in Amsterdam in april 2018. Die blokkade was gericht tegen de inzittenden van de spelersbus van Ajax. Uit hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, blijkt echter niet dat de inzittenden van de spelersbus aangifte hebben gedaan naar aanleiding van die blokkade. Bovendien had de versperring van de A7 niet alleen ten doel om de inzittenden van de drie bussen te beperken in hun bewegingsvrijheid, maar had die versperring - anders dan de door de raadsman genoemde blokkades - tevens ten doel om het de inzittenden van de drie bussen onmogelijk te maken om gebruik te maken van hun (grond)recht van betoging. Hieruit volgt dat dit beroep op het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel feitelijke grondslag mist. Daarom verwerpt de rechtbank het verweer.

Schending van het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel wegens het niet vervolgen van de inzittenden van enkele andere auto's die ook voor de bussen stonden

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van verdachte ten aanzien van de onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde feiten, omdat die vervolging in strijd is met het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Een verbalisant heeft de kentekens genoteerd van in totaal negentien auto's die voor de groene bus stonden. Van deze negentien auto's zijn zeventien auto's gelinkt aan verdachten in deze zaak. De twee resterende auto's betreffen een Fiat Punto met het kenteken [kenteken 1] en een Nissan Qashqai met het kenteken [kenteken 2] . Ook deze auto's zijn voor de bussen blijven staan. Verder stond de auto van [naam 2] rechts voor de groene bus geparkeerd op de vluchtstrook. [naam 2] heeft zijn auto verlaten, hij heeft voorafgaand aan de blokkade deelgenomen aan het chatgesprek op Facebook en ook hij heeft de plek voor de bussen niet verlaten. Toch zijn [naam 2] en de inzittenden van de beide genoemde auto's - anders dan verdachte en de medeverdachten - niet vervolgd. Uit het dossier blijkt niet waarom geen nader onderzoek is ingesteld naar de inzittenden van de twee genoemde auto's, noch waarom [naam 2] niet is vervolgd. Juist omdat de politie en het openbaar ministerie zich op het standpunt stellen dat de inzittenden van de auto's die voor de bussen hebben gestaan verantwoordelijk zijn voor het blokkeren van de weg is het vervolgen van de eigenaren/houders/bestuurders/inzittenden van slechts zeventien van de twintig auto's volgens de verdediging volstrekt willekeurig.

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat het beroep op het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel moet worden verworpen. Daartoe is het volgende aangevoerd. Bij het onderzoek ging het het openbaar ministerie niet om kentekenhouders maar om de personen die voor de bussen hebben gelopen. Daarbij speelde onder meer een rol dat de mogelijkheid bestaat dat sommige voertuigen ongewild in de blokkade stonden. Er zijn twee personen aangeduid als verdachten (te weten NN16 en NN17) van wie de politie - ondanks pogingen daartoe - de identiteit niet heeft kunnen achterhalen. Het openbaar ministerie heeft geen andere personen als verdachte kunnen aanmerken. [naam 2] is niet vervolgd voor de blokkade omdat hij een boete heeft gekregen voor het zonder noodzaak stilstaan op de vluchtstrook. Op grond van het ne bis in idem beginsel kan hij niet opnieuw worden vervolgd voor hetzelfde feit, aldus het openbaar ministerie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de door de officier van justitie ter terechtzitting gegeven toelichting, geen sprake is van een schending van het verbod van willekeur en het gelijkheidsbeginsel. Uit deze toelichting leidt de rechtbank af dat de politie de inzittenden van de beide door de raadsman genoemde voertuigen niet heeft kunnen achterhalen en dat het openbaar ministerie ervoor heeft gekozen [naam 2] niet te vervolgen, omdat hij reeds is bestraft voor een ander feit.

Hierbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat de enkele aangevoerde omstandigheid dat derden, wier gedragingen (mogelijk) evenzeer als die van verdachte het voorwerp van strafvervolging zouden dienen te zijn, ten onrechte niet worden vervolgd, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tegen verdachte. De rechtbank verwijst in dit kader bijvoorbeeld naar een arrest van de Hoge Raad van 11 februari 2014 (ECLI:NL:HR:2014:286).

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het verweer.

Conclusie ten aanzien van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De rechtbank heeft alle verweren strekkende tot het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie verworpen. Nu de rechtbank ook overigens geen redenen aanwezig acht voor niet-ontvankelijkverklaring, zal zij het openbaar ministerie ontvankelijk verklaren in de vervolging van verdachte.

Beoordeling van het bewijs ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft veroordeling gevorderd voor de onder 1. ten laste gelegde opruiing. Daartoe is onder meer aangevoerd dat verdachte samen met [naam 1] in het Facebook event "Project P" heeft opgeroepen tot het vertragen of verhinderen van de demonstranten. Door het plaatsen van de oproep op Facebook is deze in de openbaarheid gebracht. Hoewel het versperren van de openbare weg niet expliciet wordt genoemd, kan dit worden inbegrepen in het woord "verhinderen". Volgens het openbaar ministerie heeft verdachte willens en wetens anderen aangezet om te voorkomen dat de demonstranten in Dokkum een betoging konden houden of anders heeft zij minst genomen de aanmerkelijke kans aanvaard dat anderen door haar oproep zouden worden aangezet tot dit ongeoorloofde gedrag. Verdachte is na het stopgesprek doorgegaan en is via Facebook in contact gebleven met mensen die zich hadden aangemeld voor de actie. Voorts heeft het openbaar ministerie aangevoerd dat de oproep van verdachte niet was gericht op het uitdragen van een gemeenschappelijke meningsuiting, maar op het tegenhouden van de demonstranten en het verhinderen van hun betoging in Dokkum. Volgens het openbaar ministerie zijn dit zogenaamde "violent intentions" die niet worden begrepen onder het recht van vrijheid van vreedzame vergadering en vrijheid van vereniging.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. ten laste gelegde.

De raadsman heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat verdachte de in de tenlastelegging opgenomen tekst niet heeft gemaakt en niet op de Facebookpagina heeft gezet, dat zij daarom alleen verantwoordelijk kan worden gehouden voor deze tekst als sprake is van medeplegen en dat niet kan worden bewezen dat daarvan sprake is. Volgens de raadsman is het enkele feit dat verdachte uiteindelijk verantwoordelijk is voor het hosten van de Facebookpagina onvoldoende om aan te kunnen nemen dat sprake is van medeplegen. De raadsman heeft erop gewezen dat in het opsporingsonderzoek vrijwel geen onderzoek is gedaan naar de gang van zaken rondom het plaatsen van de oproep en naar de contacten en de samenwerking hierover.

In de tweede plaats heeft de raadsman aangevoerd dat het opzet van verdachte niet was gericht op het aanzetten tot iets ongeoorloofds. Het idee van verdachte zag op een langzaamaanactie en uit de tekst van de oproep blijkt dat het bijna niet anders kan dan dat verdachte daar ludieke bedoelingen bij had. In deze tekst wordt niet opgeroepen tot het versperren van een landweg, het verhinderen van een betoging of dwang en dit was ook niet de bedoeling van verdachte.

In de derde plaats heeft de raadsman aangevoerd dat een veroordeling wegens opruiing in strijd zou zijn met de in artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting. De uitlatingen van verdachte waren niet opruiend, omdat ze kunnen worden gezien als bijdrage aan het publieke debat. Verdachtes doel was om een ludieke demonstratie te organiseren in de vorm van een langzaamaanactie. Daarmee wilde zij een signaal afgeven in verband met de veiligheid van de kinderen bij de intocht van Sinterklaas. De zorgen van verdachte over de veiligheid kwamen voort uit de rellen en verstoringen van de openbare orde tijdens de intocht van Sinterklaas in voorgaande jaren, waarbij meerdere malen anti-Zwarte Piet-demonstranten zijn aangehouden. Dat de angst van verdachte niet onterecht hoeft te zijn, blijkt volgens de raadsman uit het feit dat de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding Kick Out Zwarte Piet (hierna: KOZP) heeft opgenomen in het dreigingsbeeld Terrorisme Nederland.

Oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank stelt op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen1 die de daartoe redengevende feiten en omstandigheden bevatten, het volgende vast.

Op 18 november 2017 was de landelijke intocht van Sinterklaas in Dokkum. De actiegroep KOZP en de stichting "Nederland wordt beter" (hierna: de stichting) hebben een demonstratie gepland tijdens deze intocht.2 KOZP is een groepering die protesteert tegen Zwarte Piet.3 KOZP zou gaan demonstreren in Dokkum en de stichting zou garant staan voor een veilig verloop van de demonstratie.4

Op 10 november 2017 heeft [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) namens de stichting kennis gegeven aan de burgemeester van de gemeente Dongeradeel (hierna: de burgemeester) dat de stichting op 18 november 2017 tussen 10:30 uur en 13:30 uur een betoging zou houden in Dokkum met als doel "opkomen voor een racisme vrij Sinterklaasfeest + Nederland". Naar aanleiding van deze kennisgeving heeft de burgemeester bij besluit van 16 november 2017 voorschriften en beperkingen gesteld ten aanzien van de aangekondigde betoging. Deze houden onder meer in dat het is toegestaan om op 18 november 2017 gedurende het tijdvak van 10:30 uur tot 11:15 uur, voorafgaand aan de daadwerkelijke intocht van Sinterklaas, een dynamische demonstratie (demonstratiemars) te houden op een gedeelte van de route van Sinterklaas door de binnenstad van Dokkum. Daarnaast is het op grond van deze voorschriften en beperkingen toegestaan om gedurende het tijdvak van 11:15 uur tot 13:30 uur op een door de burgemeester aangewezen locatie op het terrein van de intocht een statische demonstratie te houden.5

Op 11 november 2017 is op de Facebookpagina van "Zwarte Piet is Racisme" bekend gemaakt dat KOZP een oproep deed om op 18 november 2017 naar de landelijke Sinterklaasintocht in Dokkum te komen. Tevens is bekend gemaakt dat van 10.30 uur tot 11.15 uur een "Mars voor beschaving (met toespraken)" zou plaatsvinden en van 11.15 uur tot 13.00 uur een "protest tegen Zwarte Piet" en dat vanuit Amsterdam en Rotterdam bussen zouden vertrekken.6 Via de website stopblackface.com hebben zich 150 à 160 deelnemers aangemeld.7

Op 12 november 2017 is op het twitteraccount van verdachte (@ [verdachte] ) een tweet geplaatst met de tekst: "Het sjibbolet van Grutte Pier moet weer van stal! "Bûter, brea en griene tsiis..." #zwartepiet." Dit was een reactie op een tweet van het Algemeen Dagblad met de tekst: "De groep Kick Out Zwarte Piet heeft voor de deadline in Dokkum een demonstratievergunning aangevraagd." Op 15 november 2017 heeft verdachte een tweet geplaatst met de tekst: "De eerste Friese acties komen los. Onruststokers KOZP niet welkom in #Dokkum#ZwartePiet." Diezelfde dag heeft [naam 3] een tweet geplaatst met de tekst: "Friese onderneemster @ [verdachte] wil geen randstedelijke relschoppers 'tussen onze kinderen' bij intocht Sinterklaas in Dokkum." Bij die tweet is een filmpje gevoegd. In dit filmpje zegt verdachte: “Oké, even serieus. [verdachte] je moet je er niet zo druk om maken. Oh, we gaan toch niet rellen om een kinderfeestje. Nee inderdaad. Ik maak me er wel druk om. Mensen, Friesland. Er komen gewoon 150 relschoppers van Kick Out Zwarte Piet. Echt Google die mensen. Die komen naar, zaterdag ochtend naar Dokkum toe, met bussen uit Amsterdam uit Rotterdam om tussen onze kinderen, op een A locatie langs de intocht van Sinterklaas te staan gaan. Omringd met politie. Grote spandoeken, roepend dat wij racisten zijn. Sorry hoor, maar dat is voor mij geen vreedzaam protest. Dat is gewoon opdringen, dat is gewoon schreeuwen, roepen, razen. Discussie over Zwarte Piet, oké daar heb ik echt geen problemen mee. Als je Zwarte Piet wilt afschaffen, praat er over, houd een demonstratie, stem, maar niet tussen de kinderen. Kom op. En dan denk ik, we zijn in Friesland, laten ze met hun agressieve gesodemieter überhaupt met het gezeur in Amsterdam blijven. Dat ze daar niet wijs zijn weten we allang. Maar hier hebben we nog een beetje nuchter verstand. Dus ik dacht ja, laten we op een ludieke manier zien dat we het daar helemaal niet mee eens zijn. Dat we helemaal geen zin in dat gezeur hebben hier. En deel dit evenement en kom allemaal langs. En uh ja echt, niet tussen onze kinderen. En nu moet ik aan het werk."8 Verdachte heeft dit filmpje opgenomen en op internet geplaatst. Het filmpje van verdachte is toegevoegd aan een Facebook event dat al door iemand anders was aangemaakt. In het filmpje heeft verdachte opgeroepen dit event te delen.9 Op 15 november 2017 heeft verdachte gereageerd op de tweet van [naam 3] met het bericht: "Spesjale boadskip foar Kick Out Zwarte Piet @ [naam 4] @ [naam 5] :)." Op 16 november 2017 heeft verdachte gereageerd op een tweet van @ [naam 4] met het bericht: "Wij willen jullie protest niet tussen, of zelfs maar in de buurt van onze kinderen. Zo simpel is het." Ook heeft zij op 16 november 2017 getweet: "Wel allemaal aanmelden voor de Fryske Opstand hé? ;)" Onder de tweet stond een link naar een Facebook event.10

[naam 1] heeft op Facebook een event aangemaakt met de naam "Kick Out Kick Out Zwarte Piet". In dit event werd een oproep gedaan om langzaam te gaan rijden op de toegangswegen naar Dokkum. Na het aanmaken van dit event heeft [naam 1] contact gehad met verdachte over dit event. Verdachte heeft tegen hem gezegd dat hij het misschien anders moest aanpakken, omdat er nu misschien mensen waren die dachten dat hij voor KOZP was.11 Verdachte heeft vanaf ongeveer 15 november 2017 contact gehad met [naam 1] over het event "Project P".12 Verdachte en degene die het oorspronkelijke event had aangemaakt (de rechtbank begrijpt: [naam 1] ), zijn bij elkaar gekomen om te bespreken wat ze gingen doen. Vervolgens is het event van naam veranderd en is de tekst erop gezet.13 Kort na het contact met verdachte heeft [naam 1] de tekst van het event veranderd. Verdachte heeft deze tekst als organisator mede naar buiten gebracht.14

Op Facebook is een eventpagina aangemaakt met de naam "Project P". Daarbij is vermeld dat dit evenement zal plaatsvinden op 18 november 2017 van 08.30 uur tot 11.30 uur. Het event werd gehost door [naam 1] en verdachte. Op de site van "Project P" stond een oproep in het Fries, welke vertaald naar het Nederlands inhield: "Geen gesodemieter met herrieschoppers tijdens ons kinderfeest. We geven toch niks om een paar miezerige busjes met ZeurPieten, Bliksem?! Aankomende zaterdagmorgen komen er bussen met onruststokers uit Amsterdam en Rotterdam naar Dokkum voor een protestmars en anti-Zwarte Piet-demo langs de route van de Sint. Dat ze gek in het hoofd zijn daar in 't westen dat weten we al lang. Wij zullen nou eens zien laten dat wij nog wel over een beetje nuchter verstand beschikken. Discussie prima, maar geen gesodemieter in de buurt van onze kinderen. We roepen elke oprechte Fries op om zich zaterdagmorgen om 8.30 uur met de Friese vlag te verzamelen op onderstaande locaties bij de Friese grens en bij de centrale as naar Dokkum. De organisatie zal het vertrek van de onruststokers (ook live) volgen en updates van routes en tijden op de FB pagina zetten. Wij kunnen dan op tijd massaal met Friese Vlaggen de (snel)wegen op en om ze te vertragen/verhinderen zo dat ze onze kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest vieren kunnen in Dokkum. Kom met auto, vrachtwagen, motor, trekker en paard en wagen om de onruststokers te laten zien dat dit geouwehoer hier niet welkom is. Dokkum heeft ons nodig! VRAAG: 1- Meld je aan voor dit evenement, tag alle oprechte Friezen en "Grutte Pieren" die je kent en scheur de Friese vlag alvast van de muur! 2- Begeef jullie zaterdag om 08.30 uur naar de verzamelplekken en volg vanaf 07.00 uur de berichten in dit evenement o.a. voor nieuwere instructies over de route. LOCATIES: Routiers Zurich, MC Donalds de Lemmer, Centrale as. Mobiliseer je kaats-, voetbal-, haak- en bikerclub. Gooi het in de buurt en familie whatsapp en laat zaterdag iedereen weten: Wij zijn Project P - van Grote Pier en Zwarte Piet Frysk bloed tsjoch op! Wol no ris brûze en siede, En bûnzje troch us ieren om! (Fries volkslied)."15

Op 16 november 2017 heeft een politieagent verdachte opgebeld en tegen haar gezegd dat de actie op Facebook door het openbaar ministerie en de burgemeester wordt gezien als opruien en dat de politie wil dat alle content omtrent deze actie van internet wordt verwijderd. Verdachte heeft in dit telefoongesprek aangegeven dat zij dit zal doen maar dat ze wil overleggen alvorens de content te verwijderen.16

Verdachte heeft contact gehad met [naam 1] over het stoppen van het event en zij is in overleg met [naam 1] gestopt met het event.17 [naam 1] heeft de Facebookpagina van het event "Project P" verwijderd.18

Verdachte heeft op 17 november 2017, om 23:44 uur, in een chatgesprek op Facebook tussen personen die, al dan niet direct, betrokken waren bij het incident, het bericht geplaatst: "Ik wil alleen even zeggen dat iedereen gewoon voorzichtig moet doen met nieuwe mensen want het zou jammer zijn als er politie of journalisten nu tussenkomen." Een andere deelnemer aan het gesprek heeft daarop gereageerd met het bericht: "Jaa wa kreit et nou ienne holle om imien mei de televaag te praten." Daar heeft verdachte weer op gereageerd met het bericht: "Ik ben bang dat hij het nu echt heel groot gaat worden en dan is die kant ook heel groot." Daarop heeft medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) de berichten geplaatst: "Geen mensen meer toevoegen" en "Maar we gaan door?!?" Al deze berichten zijn direct na elkaar geplaatst in dezelfde minuut in hetzelfde chatgesprek.19

Een minuut later heeft [medeverdachte 1] in datzelfde chatgesprek het bericht geplaatst: "Neegens wat van aantrekken gewoon doorgaan." Weer een minuut later heeft verdachte daarop gereageerd met het bericht: "Ja mee eens." Tussen deze beide berichten zijn geen andere berichten geplaatst in het chatgesprek.20 Na enkele instemmende reacties van anderen heeft verdachte diezelfde minuut het bericht geplaatst: "En in de gaten houden als er nu nog wat in de pers verschijnt dan kunnen we het hopelijk traceren waar het vandaan komt."21

Een uur later, om 00:46 uur, heeft verdachte in hetzelfde chatgesprek een link geplaatst naar de webpagina "https://www.nrc.nl/nieuws/2017/11/17/gastvrij-dokkum-houdt-ook-rekening-met-rampelementen-14063055-a1581536" en direct daarna berichten met de teksten: "Het is toch niet te geloven", "ze krijgen een warm onthaal van de burgemeester", "inclusief rondleiding" en "werkelijk."22 Twee minuten later heeft zij een bericht gestuurd met de tekst: "Ik heb t op mijn facebookpagina gezet, allemaal ff delen!!"23

De volgende ochtend, zaterdag 18 november 2017, om 7:19 uur, heeft verdachte in hetzelfde chatgesprek het bericht geplaatst: "Ik ga zo nog een filmpje online gooien de burgemeester heeft mij vrijdagavond bedreigd jgt ik word echt zo boos."24 Om 7:36 uur heeft verdachte het bericht geplaatst: "Ik gooi zo filmpje op Facebook." Daarop hebben anderen gereageerd met de berichten: "Goedzo [verdachte] " en "Aanpakken dat wijf." Vervolgens heeft verdachte het bericht geplaatst: "En daarna ga ik uit de groep."25 Om 7:54 uur en 8:03 uur heeft verdachte in het chatgesprek links geplaatst naar een Facebookpagina en haar eigen twitteraccount.26

Op zaterdag 18 november 2017, om 8:56 uur, heeft verdachte in hetzelfde chatgesprek het bericht geplaatst: "Geen ongelukken veroorzaken!!!! Hou het veilig!!!!!"27

Op 18 november 2017, omstreeks 08:45 uur, is een groep demonstranten in drie bussen, een rode, een witte en een groene, en enkele personenauto's vanuit Amsterdam vertrokken richting Dokkum. Zij waren onderweg naar de demonstratie van KOZP in Dokkum.28 De bussen reden door de polder over de A6 naar Friesland.29 De bussen reden achter elkaar en de groene bus reed voorop30, daarachter reed de rode31 en de witte bus reed als laatste.32

Op 18 november 2017 tussen 08.30 uur en 09.00 uur stonden op sportcomplex De Walden te Damwoude negen voertuigen en achttien mannen. Om 09.01 uur reden al deze auto's in colonne de N356 op richting Burgum. Om 09.45 uur reden de voertuigen de A7 op.33

Op 18 november 2017, omstreeks 09.00 uur, verzamelde zich op de Afsluitdijk bij het tankstation Texaco ter hoogte van de Breezanddijk een grote groep personen. Deze personen waren in meerdere voertuigen. Op verscheidene van deze voertuigen werd een Friese vlag gedragen. Omstreeks 09.15 uur stapten de personen allemaal in hun voertuigen en reden zij weg richting Leeuwarden.34

Op 18 november 2017, omstreeks 09:45 uur reden de bussen over de A6 op een plek waar pionnen stonden en de linkerbaan was afgesloten.35 Dit was op een nagenoeg recht weggedeelte van de autosnelweg A6 van Lemmer richting Joure vóór het knooppunt Joure. In verband met wegwerkzaamheden gold ter plaatse een snelheidsbeperking tot 70 kilometer per uur. Er was sprake van een min of meer constante stroom van voertuigen.36 De achterste bus werd ingehaald door een wit bestelbusje dat met hoge snelheid over de vluchtstrook reed. Het bestelbusje sneed de bus af, schoot voor de bus langs en remde hard. Daarop remde de achterste bus ook hard. De bestuurder van de auto was aan het wijzen en zwaaide met zijn vuisten. Kort daarop werd de achterste bus ingehaald door een motorrijder op een zwarte motor. De motorrijder was in het zwart gekleed en droeg een zwarte helm. De motorrijder ging voor de achterste bus rijden en remde heel hard. Daarna ging hetzelfde witte bestelbusje over de vluchtstrook naar de andere bussen.37 Omstreeks 09:50 uur werd de groene bus in de omgeving van Joure afgesneden door een witte bestelauto die voor de bus kwam rijden. Daardoor moest de groene bus stoppen op de snelweg.38 De witte bestelauto kwam vanaf de linkerkant voor de bus rijden en sneed de bus. De buschauffeur moest hard op de rem.39 De groene bus moest abrupt remmen en kwam heel snel tot stilstand. Daardoor klapte één van de passagiers van deze bus naar achteren en kwam hij met de bovenkant van zijn nek tegen de rugleuning van zijn stoel, waardoor hij hoofdpijn kreeg en een hersenschudding opliep.40 Enkele auto's reden slingerend rond de bussen.41 De groene bus werd op de snelweg A6 klem gezet door een aantal voertuigen. Voor de bus stonden een witte bestelauto en een blauwe Seat Ibiza en naast de bus stond nog een auto.42 Op een gegeven moment reed de blauwe Seat Ibiza, die links voor de bus stond, naar de linker rijbaan om een tweede (rode) bus tot stilstand te brengen. Toen werd in de groene bus geroepen: "Rijden, rijden" en probeerde de chauffeur verder te rijden. Op dat moment reed een motorrijder voor de groene bus en bracht hij zijn motor links voor de bus tot stilstand. De motorrijder wees met zijn rechterhand naar de chauffeur. Kort daarop stuurde de chauffeur van de bus naar rechts.43 Daarop zette de motorrijder zijn motor recht voor de bus.44 Kort daarna kon de rode bus, die op de linker rijstrook werd geblokkeerd, verder rijden. De rode bus reed van de linker naar de rechter rijstrook en bleef daar rijden. Op het moment dat de rode bus wegreed, reed de motorrijder achter de rode bus aan.45 De motorrijder reed met hoge snelheid naar de bus toe.46 De motorrijder ging naast de rode bus rijden en gebaarde naar de chauffeur om de bus aan de kant te zetten. De bus ging niet van de weg af. Daarop sneed de motorrijder de rode bus af en hij stopte abrupt voor de bus. De buschauffeur moest een noodstop maken om te voorkomen dat de motorrijder werd overreden.47 Doordat de buschauffeur hard moest remmen, kwam de camera(man) tegen de voorruit van de bus en is die ruit stuk gegaan.48 De motorrijder was agressief. Op een gegeven moment deed hij zijn helm af en liep hij dreigend langs de bussen.49 Nadat alle bussen stilstonden, liep de motorrijder naar de achterste bus. Hij liep op een agressieve manier naar de buschauffeur en gaf aan waar zij met de bus moest gaan staan.50 Het kenteken van de motor was [kenteken 3] .51 Er was geen sprake van een volledige versperring van de weg. Het overige verkeer reed de blokkade voorbij via de meest linker (afgesloten) strook.52 Op een gegeven moment ging de voorste bus langs/door de barricade. Vervolgens reden de bussen de A7 op.53

Op 18 november 2017, omstreeks 09:53 uur, reed het verkeer op de Rijksweg A7 ter hoogte van Joure langzaam door filevorming en enige tijd later kwam het verkeer geheel tot stilstand.54 Dit gebeurde op de autosnelweg A7 van Joure richting Heerenveen, kort voorbij het aldaar langs de weg gelegen tankstation en nabij de afrit Oudehaske. Deze locatie bevond zich ongeveer anderhalve kilometer na de wegwerkzaamheden bij het knooppunt Joure. Ter plaatse gold een maximumsnelheid van 130 kilometer per uur. Voorbij het tankstation maakte de weg een flauwe bocht naar links.55 De bussen reden langs het tankstation. Vanaf het tankstation reden ongeveer vijftien auto's de weg op.56 Er reden auto's links en rechts langs de achterste bus. Enkele inzittenden hadden gebalde en opgeheven vuisten.57 Meerdere auto's bleven stilstaan voor de bussen, waardoor de bussen ook moesten stoppen.58 De bussen stonden achter elkaar en er stonden personenauto's tussen de bussen in.59 De personenauto's stonden zo opgesteld over beide rijstroken en de vluchtstrook van de A7 dat het overige verkeer niet kon passeren.60 De personenauto's blokkeerden de snelweg.61 Het duurde ongeveer 15 minuten, voordat de politie er was.62 De voertuigen waren verlaten, zodat de ter plaatse gekomen politie de bestuurders niet kon aanspreken. Politieagenten hebben hier en daar mensen aangesproken en hen gevraagd of zij bestuurder waren van de stilstaande auto's. Alle aangesproken personen wensten de vragen niet te beantwoorden.63 Er ontstond een file van ongeveer drie kilometer.64 De drie bussen stonden stil achter de personenauto's. In deze bussen zaten mensen die een trui of T-shirt droegen met anti-Zwarte Piet-teksten.65 Diverse mensen stapten uit de auto's en liepen richting de bussen66 en de voorzijde van de file.67 Bij de bus bewogen de mensen met hun armen en handen. Ook sloegen mensen tegen de bus.68 Er liepen tientallen mensen op de rijbaan.69 Er kon niemand langs.70 Er zijn meerdere mensen en voertuigen door de blokkade gelaten71, zoals een vrachtwagen, een oudere man die naar het ziekenhuis moest en een stel met een klein kindje. De mensen die er langs wilden, zijn doorgereden.72

Op een gegeven moment deed de officier van dienst van de politie een algemene oproep aan de aanwezige personen om zich bij hem te verzamelen en vervolgens sprak hij een groep van 25 tot 30 personen aan. Hij zei tegen hen dat zij hun punt hadden gemaakt, hij verzocht hen in de auto of bus te stappen en de weg weer vrij te maken en hij zei desgevraagd dat zij minimaal 60 kilometer per uur mochten rijden. Vervolgens stapten diverse personen in personenauto's en reden weg. Kort daarna werden de bussen begeleid door een motorrijder en even later haakten ook enkele busjes van de mobiele eenheid aan.73

De chauffeur van de achterste bus besloot de rit niet af te maken en terug te gaan. Daarop verlieten de passagiers deze bus en verdeelden zij zich over de twee andere bussen.74

Om 10.45 uur gingen de voertuigen weer stapvoets rijden.75 De bussen hebben ongeveer 45 minuten stilgestaan.76 De bussen gingen weer rijden onder politiebegeleiding. De bussen reden niet naar Dokkum, maar in een andere richting.77 Bij Harlingen kregen de inzittenden van de bussen te horen dat ze niet naar Dokkum gingen omdat er een demonstratieverbod gold.78 De bussen werden toen door de politie begeleid naar Amsterdam.79

Op zaterdag 18 november 2017, tussen 9:31 uur en 10:49 uur is er zes maal (een poging tot) contact geweest tussen de telefoon van verdachte en de telefoon van [medeverdachte 1] , waarbij vier maal verbinding is gemaakt. Vanaf 9:31:56 uur is gedurende 151 seconden met de telefoon van verdachte gebeld naar de telefoon van [medeverdachte 1] . Om 9:57:18 uur is geprobeerd te bellen met de telefoon van [medeverdachte 1] naar de telefoon van verdachte. Vier seconden later is enkele seconden gebeld met de telefoon van [medeverdachte 1] naar de telefoon van de verdachte. Vanaf 9:58:43 uur is gedurende 29 seconden gebeld met de telefoon van verdachte naar de telefoon van [medeverdachte 1] . Om 10:45:05 uur is geprobeerd te bellen met de telefoon van verdachte naar de telefoon van [medeverdachte 1] en vanaf 10:49:50 uur is gedurende 57 seconden gebeld met de telefoon van [medeverdachte 1] naar de telefoon van verdachte.80

[medeverdachte 1] was aanwezig bij de blokkade van de A7.81 Nu verdachte niet heeft verklaard dat haar telefoon die dag door anderen is gebruikt en zij heeft verklaard dat zij die dag heel veel contact heeft gehad, dat het kan zijn dat [medeverdachte 1] haar heeft gebeld en dat zij die dag ook wel nummers heeft teruggebeld82, gaat de rechtbank ervan uit dat verdachte deze gesprekken zelf heeft gevoerd.

Op zaterdag 18 november 2017, na afloop van de blokkade, heeft verdachte in Dokkum voor het vak dat bestemd was voor de mensen die wilden demonstreren tegen Zwarte Piet een interview gegeven aan (onder meer) Omrop Fryslân en de Telegraaf.83

Op zaterdag 18 november 2017 heeft verdachte een tweet gestuurd met de tekst: "As it net kin sa't it mat, dan mat it mar sa't it kin. Bedankt Fryslân! #Trots." Dit is een reactie op een tweet met de tekst: " [verdachte] is blij met leeg demonstratievak bij intocht Sinterklaas. "Friesland wil dit gewoon niet!" telegraaf.nl/nieuws/1265923… via @ [naam 6] ."84

Meerdere personen die aanwezig waren bij de blokkade van de A7, onder wie de medeverdachten [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] , hebben kennis genomen van de oproep van verdachte op Facebook en wilden aanwezig zijn bij en/of meedoen aan de daarin genoemde actie.85

Medeplegen

Naar aanleiding van het verweer dat verdachte de in de tenlastelegging opgenomen tekst niet heeft gemaakt en niet op de Facebookpagina heeft gezet, dat zij daarom alleen verantwoordelijk kan worden gehouden voor deze tekst als sprake is van medeplegen en dat niet kan worden bewezen dat daarvan sprake is, overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

Uit de hierboven samengevat weergegeven bewijsmiddelen leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde het volgende af.

[naam 1] heeft op Facebook een event aangemaakt met de naam "Kick Out Kick Out Zwarte Piet", waarin hij heeft opgeroepen langzaam te gaan rijden op de toegangswegen naar Dokkum. Verdachte heeft een filmpje opgenomen en op internet gezet. Dit filmpje is toegevoegd aan het event van [naam 1] . In het filmpje zegt verdachte, zakelijk weergegeven, dat ze het niet eens is met KOZP en dat zij vindt dat ze met hun "agressieve gesodemieter" en "het gezeur" in Amsterdam moeten blijven. Verder heeft zij in het filmpje mensen opgeroepen om het event te delen en allemaal langs te komen. Ook heeft zij op haar twitteraccount een tweet geplaatst waarin zij mensen oproept zich aan te melden voor "de Fryske Opstand", terwijl daaronder een link staat naar een Facebook event. Doordat dit event inmiddels is verwijderd, is niet na te gaan welk event het is, maar naar het oordeel van de rechtbank kan het niet anders dan dat dit het event betreft dat door [naam 1] is aangemaakt. Verdachte en [naam 1] hebben contact gehad over het event. Ze zijn bij elkaar gekomen om te bespreken wat ze gingen doen. Verdachte heeft tegen [naam 1] gezegd dat hij het misschien anders moest aanpakken. Kort na dit contact heeft [naam 1] de naam van het event veranderd in "Project P" en heeft hij de tekst van het event veranderd in de uiteindelijke tekst, die is opgenomen in de tenlastelegging. Verdachte heeft het event "Project P" samen met [naam 1] gehost en zij heeft de uiteindelijke tekst als organisator mede naar buiten gebracht. Nadat de politie verdachte en [naam 1] had opgedragen de content van het event te verwijderen van Facebook, hebben verdachte en [naam 1] contact gehad over het stoppen van het event en is verdachte in overleg met [naam 1] gestopt met het event. Daarop heeft [naam 1] de Facebookpagina van het event "Project P" verwijderd.

Op grond van het voorgaande oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [naam 1] gericht op het plaatsen van de in de tenlastelegging vermelde tekst op de Facebookpagina van het event "Project P", het hosten van dit event en het openbaar maken van de tekst. Vaststaat dat [naam 1] de tekst op Facebook heeft geplaatst. Hoewel verdachte dus niet degene is geweest die de tekst op Facebook heeft geplaatst en zij deze tekst ook niet heeft opgesteld, is haar bijdrage aan het tenlastegelegde naar het oordeel van de rechtbank van zodanig gewicht dat deze kan worden aangemerkt als medeplegen. Het door verdachte gemaakte en op internet geplaatste filmpje heeft dezelfde strekking als de in de tenlastelegging vermelde tekst. Verdachte was ervan op de hoogte dat dit filmpje was toegevoegd aan het oorspronkelijke Facebook event van [naam 1] en zij heeft in het filmpje opgeroepen dit event te delen en om gevolg te geven aan de daarin vermelde oproep. Bovendien heeft zij overleg gevoerd met [naam 1] over het aanpassen van het event, was zij (co-)host van de uiteindelijke eventpagina waarop de tekst was geplaatst en heeft [naam 1] de tekst pas verwijderd, nadat hij daarover had overlegd met verdachte. Verder geldt dat de na het verwijderen van de tekst door verdachte verrichte gedragingen aansluiten bij de inhoud van die tekst en de daarin gedane oproep.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen bewezen.

Opruiing

Naar aanleiding van het verweer dat het opzet van verdachte niet was gericht op het aanzetten tot de in de tenlastelegging vermelde misdrijven overweegt de rechtbank het volgende.

Aan verdachte is onder 1. - kort gezegd - ten laste gelegd het medeplegen van in het openbaar mondeling, bij geschrift of bij afbeelding opruien tot het opzettelijk versperren van een openbare landweg, het door geweld of bedreiging met geweld verhinderen van een geoorloofde betoging en een ander door (bedreiging met) geweld of (bedreiging met) enige andere feitelijkheid, gericht tegen die ander of tegen derden, wederrechtelijk dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden.

Met de term opruiing wordt - voor zover hier van belang - bedoeld dat wordt geprobeerd om anderen feiten te laten plegen die als strafbaar feit kunnen worden beschouwd. Anders gezegd is opruiing het bij anderen opwekken van de gedachte aan het plegen van een strafbaar feit, het trachten de mening te vestigen dat dit feit wenselijk of noodzakelijk is en het opwekken van het verlangen om dat feit te bewerkstelligen. In de delictshandeling "opruien" ligt opzet besloten. Het opzet van de opruier moet gericht zijn geweest op de wezenlijke bestanddelen van het strafbare feit of de strafbare feiten waartoe is opgeruid. Dit opzet kan ook de vorm van voorwaardelijk opzet hebben (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1818).

Het strafbare feit of de strafbare feiten waartoe wordt opgeruid, moet(en) rechtstreeks in het geschrift zijn aangeduid, maar daarbij hoeven niet de woorden van de (straf)wet te zijn gebruikt. Daarbij kan worden gekeken naar de gehele inhoud van het geschrift en de strekking daarvan (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 11 mei 1914, ECLI:NL:HR:1914:157). Uit de omschrijving van de handelingen in de tenlastelegging moet voldoende blijken dat de handelingen waartoe is opgeroepen, indien zij waren uitgevoerd, strafbare feiten zouden opleveren (vgl. het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2007 (ECLI:NL:RBROT:2007:BB7174). Voor opruiing is niet vereist dat de opruier wist dat hij of zij opriep tot feiten die strafbaar zijn (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 1937, ECLI:NL:HR:1937:231). Ook is niet vereist dat degene tot wie de aansporing is gericht het feit als een strafbaar feit heeft kunnen onderkennen.

De opruiing dient plaats te vinden in het openbaar mondeling, bij afbeelding of bij geschrift. Bij het vereiste van openbaarheid gaat het erom dat de opruiing geschiedt onder zodanige omstandigheden en op zodanige wijze dat zij tot het publiek is gericht en door het publiek kan worden gehoord, gezien en/of gelezen. Een uitlating op een website op internet is in het openbaar gedaan, mits de toegang tot de feitelijke inhoud van de website vrij is en niet door een wachtwoord wordt beschermd (vgl. het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 23 november 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4139). Het opzet van de dader dient ook te zijn gericht op de openbaarheid (vgl. het voormelde arrest van de Hoge Raad van 29 mei 2001). De term geschrift moet breed worden geïnterpreteerd en omvat meer dan alleen papieren documenten. Het gaat erom of sprake is van een boodschap die kan worden gelezen. Ook op internet geplaatste berichten vallen onder de term geschrift.

Om tot een bewezenverklaring van opruiing te kunnen komen, is niet vereist dat de opruiing enig gevolg heeft gehad (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 28 juni 1937, ECLI:NL:HR:1937:231). Ook is niet vereist dat komt vast te staan dat redelijkerwijs waarschijnlijk is te achten dat het strafbare feit, waartoe is opgeruid, zal plaatsvinden (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7237).

In de ten laste gelegde tekst van het event "Project P" wordt - kort gezegd - opgeroepen om aankomende zaterdagmorgen (de rechtbank begrijpt: 18 november 2017) om 08.30 uur te verzamelen op enkele met naam genoemde locaties in Friesland en daarna massaal met (onder meer) auto's de (snel)wegen op te rijden om enkele bussen met mensen die willen demonstreren tegen Zwarte Piet te vertragen/verhinderen om te laten zien dat "dit geouwehoer hier niet welkom is", zodat de kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest kunnen vieren in Dokkum.

De rechtbank stelt vast dat de tekst een boodschap is die kan worden gelezen en dat deze is geplaatst op een eventpagina van de website Facebook. De toegang tot deze website is vrij en de oproep kon dan ook door het publiek worden gelezen. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de oproep in het openbaar bij geschrift is gedaan.

Naar het oordeel van de rechtbank wordt door middel van deze oproep rechtstreeks aangespoord tot de daarin vermelde handelingen, te weten het zich op enkele locaties verzamelen en daarna massaal de (snel)wegen oprijden om de bussen te vertragen en/of te verhinderen. Ook wordt daarin impliciet opgeroepen om door middel van deze handelingen te voorkomen dat de demonstranten in Dokkum aankomen voor het einde van de intocht van Sinterklaas.

Verdachte heeft verklaard dat zij een langzaamaanactie voor ogen had en dat het niet haar bedoeling was dat de wegen zouden worden geblokkeerd.

De rechtbank constateert dat in de tekst niet expliciet wordt opgeroepen tot het versperren van landwegen, maar dat daarin ook niet wordt gemeld dat het de bedoeling is dat een langzaamaanactie wordt gehouden. Door het gebruik van de termen vertragen en verhinderen, worden beide mogelijkheden open gelaten.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte door - zonder nadere concretisering - op te roepen om massaal de (snel)wegen op te rijden om de demonstranten te vertragen en/of te verhinderen met het kennelijke doel om te voorkomen dat de demonstranten voor het einde van de intocht in Dokkum aan zouden komen, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat personen die mogelijk gehoor zouden gaan geven aan deze oproep niet alleen langzaam zouden gaan rijden maar ook stil zouden gaan staan, waardoor de weg zou worden versperd. De rechtbank merkt hierbij op dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte niet gericht hoefde te zijn op het bestanddeel van artikel 162 Sr dat van de versperring van de landweg gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was, nu dit een geobjectiveerd bestanddeel is.

De rechtbank is voorts van oordeel dat in de tekst onmiskenbaar wordt opgeroepen tot het verhinderen van een (geoorloofde) betoging. De rechtbank acht echter niet bewezen dat het opzet van verdachte erop was gericht dat deze verhindering zou plaatsvinden door middel van geweld of dreiging met geweld. Daartoe overweegt zij het volgende.

Indien de verhindering zou hebben plaatsgevonden door middel van een langzaamaanactie, zoals volgens verdachte de bedoeling was, was de kans klein dat daarbij sprake zou zijn geweest van (bedreiging met) geweld.

De rechtbank is van oordeel dat ook in het geval dat de verhindering van de betoging, waartoe verdachte heeft opgeroepen, plaats zou vinden door middel van het blokkeren van één of meer wegen (zoals uiteindelijk ook het geval is geweest), er geen aanmerkelijke kans bestond dat deze verhindering zou worden veroorzaakt door middel van geweld. Naar het oordeel van de rechtbank kan het met voertuigen (zeer) langzaam over de volle breedte van een weg rijden, het tot stilstand brengen van deze voertuigen op die weg en het met deze voertuigen blokkeren van die weg niet worden aangemerkt als geweld of bedreiging daarmee. De rechtbank realiseert zich dat er een mogelijkheid bestond dat enkele van de personen die zouden gaan deelnemen aan de actie waartoe verdachte heeft opgeroepen tijdens die actie geweld zouden gaan gebruiken of daarmee zouden gaan dreigen. Voor zover al zou kunnen worden aangenomen dat de kans daarop aanmerkelijk was, acht de rechtbank niet bewezen dat het (voorwaardelijk) opzet van verdachte erop was gericht dat de verhindering van de betoging zou worden gerealiseerd door middel van (bedreiging met) geweld.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet kan worden bewezen dat verdachte heeft opgeruid tot het verhinderen van een betoging in de zin van artikel 143 Sr. Daarom zal de rechtbank haar vrijspreken van dit onderdeel van het onder 1. ten laste gelegde feit.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verdachte door middel van de oproep mensen heeft aangezet om anderen door enige andere feitelijkheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, wordt in de tekst opgeroepen om de demonstranten met (onder meer) auto's op de (snel)wegen zodanig te vertragen/verhinderen dat zij niet zouden kunnen demonstreren in Dokkum tijdens de intocht van Sinterklaas. Verdachte heeft dit ook niet ontkend. Naar eigen zeggen had zij een langzaamaanactie voor ogen. Het onvermijdelijke gevolg van een dergelijke actie is dat de mensen die achter de actievoerders rijden worden gedwongen langzaam te rijden en dat zij moeten dulden dat ze (ernstige) vertraging oplopen. Uit de oproep blijkt dat de bedoeling van de actie was dat de demonstranten zodanig zouden worden vertraagd/verhinderd dat zij (zouden moeten dulden dat zij) niet in Dokkum zouden kunnen demonstreren tijdens de intocht. Voorts geldt ook hier dat verdachte naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat personen die mogelijk gehoor zouden gaan geven aan de oproep niet alleen langzaam zouden gaan rijden maar ook stil zouden gaan staan. Indien dat zou gebeuren, zouden zowel de bestuurders van de bussen als de bestuurders van het overige achteropkomende verkeer worden gedwongen de door hen bestuurde motorrijtuigen tot stilstand te brengen, zouden zij en hun inzittenden moeten dulden dat zij in een file terechtkwamen en zouden zij worden gedwongen te dulden dat zij hun reis niet konden vervolgen, zij de plaats hunner bestemming niet (tijdig) konden bereiken en zij (ernstige) vertraging ondervonden.

Vrijheid van meningsuiting

Naar aanleiding van het verweer dat een veroordeling voor opruiing in strijd zou zijn met het in artikel 10 EVRM neergelegde recht op vrijheid van meningsuiting en dat de uitlatingen van verdachte niet opruiend waren, omdat deze kunnen worden gezien als bijdrage aan het publieke debat, overweegt de rechtbank het volgende.

Op grond van artikel 10, eerste lid, EVRM heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen.

Op grond van artikel 10, tweede lid, EVRM kan de uitoefening van deze vrijheden worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij de wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen.

Hieruit volgt dat de vrijheid van meningsuiting mag worden ingeperkt indien:

1. de beperking is voorzien bij wet;

2. de beperking strekt tot het verwezenlijken van één van de doeleinden, genoemd in artikel 10 EVRM en

3. de beperking noodzakelijk is in een democratische samenleving.

De rechtbank stelt vast dat in dit geval sprake is van een beperking van de vrijheid van meningsuiting die is voorzien bij wet en die strekt tot het verwezenlijken van één van de doeleinden, genoemd in artikel 10 EVRM. Opruiing is immers strafbaar gesteld in artikel 131 Sr en de strafbaarstelling van dit feit is bedoeld om te voorkomen dat anderen worden aangezet tot het plegen van strafbare feiten.

De rechtbank is van oordeel dat de beperking van het recht op vrijheid van meningsuiting in dit geval ook noodzakelijk is in een democratische samenleving. Daartoe overweegt zij het volgende. De anti-Zwarte Piet-demonstranten hebben kennisgeving gedaan van de betoging in Dokkum. De burgemeester heeft, als rechtmatig en bevoegd gezag, die betoging niet verboden. Wel heeft zij daaraan voorschriften en beperkingen verbonden. Verdachte heeft zich niet beperkt tot het plaatsen van kritische kanttekeningen bij het standpunt van de anti-Zwarte Piet-demonstranten, het volgens haar te verwachten gedrag van de anti-Zwarte Piet-demonstranten en/of de beslissing van de burgemeester. De handelingen waartoe verdachte heeft opgeroepen kunnen niet worden aangemerkt als een betoging of demonstratie, omdat deze niet primair het karakter van gemeenschappelijk meningsuiting hebben, maar daarbij andere elementen, zoals feitelijke dwang, overheersen (vgl. Kamerstukken II, 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 8 en 9, en het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:669). Verdachte heeft zich in opruiende bewoordingen uitgelaten over het verhinderen van de demonstratie van de anti-Zwarte Piet-demonstranten. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen heeft verdachte met haar uitlatingen anderen aangezet tot het plegen van strafbare feiten. Daarom kunnen haar uitlatingen niet worden beschouwd als bijdrage aan het publieke debat (vgl. het arrest van de Hoge Raad 15 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7237), bestaat er een dringende sociale noodzaak voor inmenging in het recht op vrije meningsuiting en is deze inmenging proportioneel.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat de inbreuk op verdachtes recht op vrijheid van meningsuiting gerechtvaardigd is en dat deze inbreuk niet in strijd is met artikel 10 EVRM. Daarom verwerpt de rechtbank het verweer.

Conclusie ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van opruiing.

Beoordeling van het bewijs ten aanzien van het onder 2. en 4. ten laste gelegde

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 2. en 4. ten laste gelegde. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de blokkeerders van de A7. Volgens het openbaar ministerie is de intellectuele bijdrage van verdachte van zeer groot gewicht, aangezien haar plan, inclusief de op Facebook genoemde tijden en plaatsen door andere mensen zijn overgenomen en uitgevoerd. De blokkeerders hebben dat met elkaar afgestemd in een chatgesprek op Facebook, waaraan verdachte - ook na het verwijderen van de oproep - actief is blijven deelnemen. In de voorbereiding van de actie door medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verdachte via Facebook contact met hem gehad. [medeverdachte 1] is blijkens zijn berichten in het chatgesprek op Facebook één van de leiders van de blokkeerders. Verdachte heeft kort vóór, tijdens en na de blokkade intensief telefonisch contact met [medeverdachte 1] gehad. Gelet op de tijdstippen waarop deze gesprekken zijn gevoerd, kan het niet anders dan dat die gesprekken over de blokkade gingen. Verdachte moet zich bewust zijn geweest van het strafbare karakter van de blokkade, aangezien zij door de politie is gewaarschuwd voor opruiing. In plaats van haar mede-chatters te waarschuwen, is zij onverminderd actief gebleven in de chat waarin concrete afspraken voor de blokkade werden gemaakt. Verder is verdachte zonder haar kind naar de intocht van Sinterklaas in Dokkum gegaan en heeft zij zich na afloop van de blokkade laten interviewen voor het lege vak dat bestemd was voor de anti-Zwarte Piet-demonstranten. Volgens het openbaar ministerie komt de aanwezigheid en het gedrag van verdachte in Dokkum over als van iemand die komt inspecteren of haar actie is geslaagd en daarover graag de pers te woord staat.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 2. en 4. ten laste gelegde, omdat niet kan worden bewezen dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van deze feiten. De raadsman heeft betoogd dat verdachte geen wezenlijke rol heeft gespeeld in de blokkade en dat geen sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten. Daartoe heeft hij aangevoerd dat verdachte niet ter plaatse was op de A7 en dat nergens uit blijkt dat zij op voorhand op de hoogte was van de blokkade, laat staan dat zij daarop aanstuurde. Het doel van verdachte was een langzaamaanactie. Het enkele feit dat verdachte de actie niet heeft afgekeurd en dat zij sympathie heeft voor de mensen die op de A7 stonden, maakt niet dat sprake is van medeplegen. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzet heeft gehad op de onder 4. ten laste gelegde varianten van (bedreiging met) geweld en (bedreiging met) andere feitelijkheden. Volgens de raadsman zijn er geen aanwijzingen dat verdachte ten tijde van haar gedragingen heeft aangestuurd op dwang en heeft zij zelfs geadviseerd om het veilig te houden.

Oordeel van de rechtbank

Aan verdachte is onder 2. - kort gezegd - ten laste gelegd het medeplegen van het opzettelijk versperren van de Rijksweg A7, terwijl daarvan gevaar voor de veiligheid van het verkeer te duchten was. Onder 4. is aan haar - kort gezegd - ten laste gelegd het medeplegen van het op de A7 door (bedreiging met) geweld en/of (bedreiging met) enige andere feitelijkheid wederrechtelijk dwingen van de bestuurders en inzittenden van de geblokkeerde bussen en auto's om iets te doen, niet te doen of te dulden.

Ook hier stelt de rechtbank voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak vóór of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte niet aanwezig is geweest bij de blokkade van de A7 en dat zij tijdens die blokkade ook overigens geen materiële bijdrage heeft geleverd aan de uitvoering van de onder 2. en 4. ten laste gelegde feiten.

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank echter wel een belangrijke rol gespeeld in de aanloop naar de blokkade. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, acht zij bewezen dat verdachte door het hosten van een event op Facebook, waarin een oproep was geplaatst, anderen heeft opgeruid tot het versperren van een landweg en tot het door enige andere feitelijkheid wederrechtelijk dwingen van anderen om iets te doen, niet te doen of te dulden. Uit de verklaringen van meerdere medeverdachten blijkt dat zij kennis hebben genomen van deze oproep en dat deze voor hen (mede) aanleiding is geweest om deel te nemen aan de actie.

Nadat de oproep in opdracht van de politie was verwijderd van Facebook, heeft verdachte nog meerdere berichten geplaatst in een chatgesprek op Facebook dat was gerelateerd aan de actie. De inhoud van deze berichten, waaraan ook door het openbaar ministerie is gerefereerd, is hiervoor weergegeven bij de bewijsmiddelen.

Zoals de rechtbank in het kader van het beroep op het vertrouwensbeginsel heeft overwogen, leidt zij uit deze berichten af dat verdachte wist dat de actie waartoe was opgeroepen in het door haar gehoste Facebook event - ondanks het verwijderen van de oproep - zou doorgaan en dat verdachte zich niet heeft gedistantieerd van de (verwijderde) oproep.

De rechtbank is echter van oordeel dat uit het hosten van het event op Facebook en het plaatsen van deze berichten in het chatgesprek op Facebook niet kan worden afgeleid dat verdachte een belangrijke (intellectuele) rol heeft gespeeld in de planning en de voorbereiding van de blokkade van de A7. Daartoe overweegt zij het volgende.

De oproep op Facebook was weinig concreet ten aanzien van de manier waarop de actie zou moeten worden uitgevoerd. In de oproep werd weliswaar gesproken over het verhinderen/vertragen van de demonstranten, maar daarin werd niet gesproken over een blokkade. In de oproep werden weliswaar meerdere verzamellocaties genoemd, maar de A7 kwam in die oproep niet voor. Daarbij komt dat de oproep slechts korte tijd op Facebook heeft gestaan. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt niet dat verdachte in de periode dat de oproep op Facebook stond of de daaraan voorafgaande periode al contacten met medeverdachten had over de planning en de voorbereiding van de actie. Ook blijkt niet dat verdachte haar plannen voor de actie nadien nader heeft geconcretiseerd of dat zij haar plannen met medeverdachten heeft besproken, laat staan dat zij daar met hen afspraken over heeft gemaakt of dat zij hen aanwijzingen of opdrachten heeft gegeven gericht op het uitvoeren van die plannen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte actief heeft deelgenomen aan het chatgesprek op Facebook. In dat chatgesprek heeft zij onder meer in algemene zin te kennen gegeven dat zij het eens was met het doorgaan van de actie en heeft zij opgeroepen om voorzichtig te zijn met het toevoegen van nieuwe mensen omdat het volgens haar jammer zou zijn als er politie of journalisten tussen zouden komen. Voorts heeft zij in de ochtend van 18 november 2017 - kort voor het begin van de blokkade - opgeroepen om voorzichtig te zijn en geen ongelukken te veroorzaken.

Hieruit blijkt dat verdachte in het chatgesprek tot kort voor het begin van de blokkade heeft gecommuniceerd met de personen die (mogelijk) de actie zouden gaan uitvoeren. Verdachte heeft zich in dat gesprek echter niet uitgelaten over de afspraken die daarin werden gemaakt over (het verzamelen voor) de actie en zij heeft daarin geen aanwijzingen of opdrachten gegeven over de manier waarop de actie diende plaats te vinden.

Uit de bewijsmiddelen blijkt voorts dat verdachte vlak voor, tijdens en vlak na de blokkade enkele telefoongesprekken heeft gevoerd met één van de medeverdachten die wel aanwezig was bij de blokkade. De rechtbank acht het aannemelijk dat daarin is gesproken over de blokkade. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt echter niet wat er tijdens deze telefoongesprekken is gezegd, laat staan dat verdachte tijdens deze gesprekken aanwijzingen of opdrachten heeft gegeven of op een andere wijze een intellectuele bijdrage heeft geleverd aan de blokkade.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte na afloop van de blokkade meerdere malen de pers te woord heeft gestaan over de blokkade. Hoewel dit naar het oordeel van de rechtbank bevestigt dat verdachte steeds op enigerlei wijze betrokken is gebleven bij de gang van zaken rondom de blokkade, kan dit naar haar oordeel niet worden aangemerkt als een rol in de afwikkeling van het delict en kan daaruit ook geen wezenlijke bijdrage aan het delict worden afgeleid.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet is komen vast te staan.

Gelet op het voorgaande zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 2. en 4. ten laste gelegde.

Beoordeling van het bewijs ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 3. primair ten laste gelegde. Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte en de medeverdachten door geweld en bedreiging met geweld de betoging van de anti-Zwarte Piet-demonstranten in Dokkum hebben verhinderd. Daartoe is onder meer aangevoerd dat uit het dossier blijkt dat sprake was van een ernstig openbare orde probleem en dat door het toepassen van dwang, een versperring, intimidatie en het in gevaar brengen van personen en goederen de betoging is verhinderd. Door fors te remmen en door een motor dwars voor een bus te zetten en een botsing te veroorzaken hebben 20 automobilisten de bussen tot stilstand gebracht en vervolgens intimiderend en dreigend (gebalde vuisten, boze blikken, slaan tegen de bus, roepen van teksten, blote kont laten zien) de reis naar Dokkum belet. Deze handelingen dienen volgens het openbaar ministerie te worden aangemerkt als geweld en bedreiging met geweld.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3. primair ten laste gelegde.

Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake was van geweld of bedreiging daarmee en dat er bovendien geen causaal verband bestond tussen de verweten (gewelds)handelingen en het niet doorgaan van de betoging.

Daarnaast heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte en de medeverdachten de betoging van de anti-Zwarte Piet-demonstranten niet hebben verhinderd, aangezien het niet doorgaan van de dynamische en de statische betoging niet zijn veroorzaakt door de blokkade op de A7. Volgens de raadsman had de loco-burgemeester de dynamische betoging al verboden vóór het begin van de blokkade, omdat de bussen van de anti-Zwarte Piet-demonstranten te laat waren vertrokken en daardoor niet op tijd in Dokkum zouden aankomen. Voorts blijkt volgens de raadsman uit de verklaring van de loco-burgemeester dat het verbod van de statische betoging en de blokkade op de A7 niets met elkaar te maken hadden.

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 3. subsidiair ten laste gelegde. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake kan zijn van een poging. Ten aanzien van de dynamische betoging is volgens de raadsman sprake van een absoluut ondeugdelijke poging, omdat het gebruikte middel en het object of doel niet kunnen leiden tot voltooiing van het misdrijf, aangezien de ten laste gelegde handelingen plaatsvonden nadat de dynamische betoging reeds was verboden en aangezien er na afloop van de blokkade nog voldoende tijd was om de statische betoging te houden. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat, voor zover ten aanzien van de statische betoging al sprake was van een poging, verdachte en de medeverdachten vrijwillig zijn teruggetreden en zij om die reden moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de niet-voltooiing van het delict het gevolg is van omstandigheden die van de wil van verdachte afhankelijk waren.

Oordeel van de rechtbank

Aan verdachte is onder 3. primair - kort gezegd - ten laste gelegd het medeplegen van het door (bedreiging met) geweld verhinderen van een geoorloofde betoging. Onder 3. subsidiair is aan verdachte ten laste gelegd het medeplegen van poging tot het door (bedreiging met) geweld verhinderen van een geoorloofde betoging.

In artikel 143 Sr is alleen het verhinderen van een (geoorloofde) betoging strafbaar gesteld, voor zover dit gebeurt door middel van geweld of bedreiging met geweld. Hieruit volgt dat er om tot een bewezenverklaring te kunnen komen niet alleen sprake moet zijn geweest van geweld of bedreiging met geweld, maar dat dit geweld of de bedreiging daarmee ook de oorzaak moet zijn geweest van het niet doorgaan van de betoging.

Volgens de tenlastelegging bestond het door verdachte en de medeverdachten gepleegde geweld en/of de bedreiging daarmee uit één of meer van de volgende handelingen.

1. Het over de vluchtstrook inhalen van de bussen met anti-Zwarte Piet-demonstranten.

2. Het afsnijden van die bussen.

3. Het abrupt en krachtig afremmen en/of (abrupt) snelheid minderen voor die bussen.

4. Het (abrupt) tot stilstand brengen van die bussen op de Rijksweg A7.

5. Het blokkeren van de Rijksweg A7 door meerdere motorrijtuigen op de rijbanen en vluchtstrook van die Rijksweg A7 te plaatsen.

6. Het dragen van gezicht bedekkende kleding, te weten (een) sjaal(s), hoodie(s) en/of helm(en).

7. Het zwaaien met de (gebalde) vuisten (richting de bussen) en/of het omhoog houden van de/een arm(en), althans het maken van provocerende en/of opruiende en (be)dreigende bewegingen/gebaren.

8. Het slaan tegen een of meerdere bussen.

De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier blijkt dat het afsnijden van de bussen, het abrupt en krachtig afremmen en abrupt snelheid minderen voor die bussen en het abrupt tot stilstand brengen van de bussen heeft plaatsgevonden op de A6. Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de op de A6 verrichtte handelingen niet hebben geleid tot het verhinderen van de betoging, aangezien de bussen ondanks deze handelingen - na korte tijd stil te hebben gestaan - verder konden rijden en hun weg konden vervolgen richting de A7 met als uiteindelijke doel Dokkum.

De rechtbank acht niet bewezen dat op de A7 bussen of andere voertuigen zijn afgesneden of dat op de A7 door het gedrag van de medeverdachten voertuigen abrupt hebben moeten remmen.

De rechtbank leidt uit het dossier en de ter terechtzitting afgelegde verklaringen af dat op de A7 één persoon een sjaal voor zijn gezicht droeg, één persoon een helm droeg en meerdere personen een capuchon/hoodie over hun hoofd droegen. Ook leidt de rechtbank daaruit af dat op de A7 arm- en handbewegingen in de richting van de bussen zijn gemaakt en dat tegen één van de bussen is geslagen.

De rechtbank acht aannemelijk dat deze handelingen dreigend zijn overgekomen op de anti-Zwarte Piet-demonstranten die in de bussen zaten en zij kan zich voorstellen dat hierdoor mogelijk een dreigende sfeer is ontstaan.

Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze handelingen onder de gegeven omstandigheden echter niet worden aangemerkt als geweld of bedreiging met geweld in de zin van artikel 143 Sr. De rechtbank acht niet bewezen dat het opzet van verdachte en de medeverdachten erop was gericht om door het dragen van deze kleding, het maken van deze arm- en handbewegingen en het slaan tegen de bussen de betoging te verhinderen. Ook leveren deze handelingen naar het oordeel van de rechtbank geen (bedreiging met) geweld op dat geëigend is of schijnt om de betoging te verhinderen, nu deze handelingen niet geschikt waren om te verhinderen dat de (bussen met) demonstranten verder zouden rijden en Dokkum zouden bereiken. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de meeste handelingen zijn verricht, terwijl de demonstranten in de bussen zaten en de deuren van de bussen gesloten waren. Voorts acht de rechtbank van belang dat uit het dossier en de ter terechtzitting afgelegde verklaringen niet blijkt dat verdachte en de medeverdachten als groep op een dreigende manier op de bussen en/of de demonstranten zijn afgekomen of hen hebben ingesloten. Op de videobeelden in het dossier is alleen te zien dat een deel van de verdachten op dreigende wijze met versnelde pas op [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) is afgelopen. Uit het dossier blijkt echter dat [slachtoffer 2] niet als één van de demonstranten aanwezig was op de A7 maar als journalist. De rechtbank kan zich voorstellen dat dit dreigend is overgekomen op de demonstranten in de bussen, maar deze dreiging was niet tegen hen gericht.

Ten aanzien van het dragen van de gezichtsbedekkende kleding merkt de rechtbank voorts nog op dat dit op zichzelf geen (bedreiging met) geweld oplevert. Bovendien acht de rechtbank aannemelijk dat de reden voor het dragen van deze kleding (in ieder geval in de meeste gevallen) was gelegen in de koude weersomstandigheden en de wens om herkenning te voorkomen. De reden dat één van de verdachten een helm droeg, was dat hij met zijn motor naar de A7 was gekomen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat het dragen van deze kleding, het maken van deze arm- en handbewegingen en het slaan tegen de bussen er ook niet toe hebben geleid of bijgedragen dat de demonstranten niet verder konden of wilden gaan naar Dokkum.

De rechtbank acht bewezen dat op de A7 enkele voertuigen de bussen met anti-Zwarte Piet-demonstranten hebben ingehaald over de vluchtstrook, dat op de A7 meerdere voertuigen voor die bussen snelheid hebben geminderd en dat de bussen daardoor uiteindelijk tot stilstand zijn gebracht op de A7. Ook acht de rechtbank bewezen dat de A7 is geblokkeerd doordat meerdere voertuigen op de rijbanen en de vluchtstrook van de A7 zijn geplaatst.

Naar het oordeel van de rechtbank waren deze handelingen in beginsel geschikt om daarmee te verhinderen dat de demonstranten verder zouden rijden en ook om te verhinderen dat de demonstranten voorafgaand en tijdens de intocht van Sinterklaas in Dokkum een betoging zouden houden.

De rechtbank is echter van oordeel dat deze handelingen niet kunnen worden aangemerkt als (bedreiging met) geweld in de zin van artikel 143 Sr. Daartoe overweegt zij dat geen sprake is van verhinderen door (te dreigen met) het aanwenden van fysieke kracht tegen personen of goederen, maar van verhinderen door het de demonstranten onmogelijk te maken om de plaats van de betoging te bereiken door andere feitelijkheden dan geweld. Het verhinderen van een betoging door andere feitelijkheden is in artikel 143 Sr echter niet strafbaar gesteld.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte en de medeverdachten op de A7 de betoging van de anti-Zwarte Piet-demonstranten hebben verhinderd door geweld of bedreiging met geweld. Daarom zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het onder 3. primair ten laste gelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het voorgaande evenmin wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte en de medeverdachten op de A7 hebben gepoogd de betoging van de anti-Zwarte Piet-demonstranten te verhinderen door geweld of bedreiging met geweld. Daarom zal de rechtbank verdachte ook vrijspreken van het onder 3. subsidiair ten laste gelegde.

Nu de rechtbank verdachte reeds op grond van de hiervoor vermelde redenen zal vrijspreken van het onder 3. ten laste gelegde, zal zij niet ingaan op het verweren van de verdediging dat de loco-burgemeester de dynamische betoging al had verboden vóór het begin van de blokkade en dat het verbod van de statische betoging en de blokkade op de A7 niets met elkaar te maken hadden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

zij in de periode van 15 november 2017 tot en met 18 november 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, in het openbaar, bij geschrift, tot enig strafbaar feit heeft opgeruid, immers heeft verdachte tezamen en in vereniging met een ander, nadat de burgemeester van de gemeente Dongeradeel de stichting 'Nederland Wordt Beter' had geoorloofd, gedurende het evenement van de landelijke intocht van Sinterklaas in Dokkum, een anti-Zwarte Piet-betoging, te weten een dynamische demonstratie (demonstratiemars) en een statische demonstratie, te houden, personen opgeruid tot

A. het opzettelijk versperren van enige openbare landweg, te weten één of meer (snel)weg(en) in de provincie Fryslân (strafbaar gesteld in artikel 162 Sr) en

C. een ander door enige andere feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden (strafbaar gesteld in artikel 284, onder 1, Sr),

door tezamen en in vereniging via de sociaalnetwerksite Facebook een zogenoemd "event" op te starten onder de naam "Project P" en daarin de volgende oproep en tekst te vermelden:

“Aankomende zaterdagmorgen komen er bussen met onruststokers uit Amsterdam en Rotterdam naar Dokkum voor een protestmars en anti Zwarte Piet demo langs de route van de Sint” en

“We roepen elke oprechte Fries op om zich zaterdagmorgen om 8.30 uur met de Friese vlag te verzamelen op onderstaande locaties bij de Friese grens en bij de centrale as naar Dokkum” en

“De organisatie zal het vertrek van de onruststokers (ook live) volgen en updates van routes en tijden op de FB pagina zetten. Wij kunnen dan op tijd massaal met Friese Vlaggen de (snel) wegen op en om ze te vertragen/verhinderen zodat onze kinderen ongestoord een mooi Sinterklaasfeest vieren kunnen in Dokkum” en

“Kom met auto, vrachtwagen, motor, trekker en paard en wagen om de onruststokers te laten zien dat dit geouwehoer hier niet welkom is” en

“Meld je aan voor dit evenement, tag alle oprechte Friezen en “Grutte Pieren” die je kent en scheur de Friese vlag alvast van de muur!” en

“Begeef jullie zaterdag om 8.30 uur naar de verzamelplekken en volg vanaf 7.00 uur de berichten in dit evenement o.a. voor nieuwere instructies over de route” en

“LOCATIES Routiers Zurich, MC Donalds de Lemmer en Centrale as” en

“Mobiliseer je kaats-, voetbal-, haak- en bikerclub. Gooi het in de buurt en familie whatsapp en laat zaterdag iedereen weten: Wij zijn Project P - van Grote Pier (Piet) en Zwarte Piet!”, in onderling verband en samenhang bezien met de gehele tekst zoals weergegeven op p. 32 en 33,

zulks terwijl meerdere personen gevolg hebben gegeven aan die oproep.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van in het openbaar, bij geschrift, opruien tot enig strafbaar feit.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1., 2., 3. primair en 4. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair gepleit voor het niet-ontvankelijk verklaren van het openbaar ministerie. Subsidiair heeft hij gepleit voor vrijspraak van alle ten laste gelegde feiten. Meer subsidiair heeft hij aangevoerd dat bij het bepalen van de strafmaat ten gunste van verdachte rekening moet worden gehouden met de volgende omstandigheden. Verdachte had een nobel doel, namelijk het voorkomen van wanorde tijdens een traditioneel kinderfeest. Verdachte was onwetend met betrekking tot de bestuursrechtelijke procedures over het kennisgeven van een demonstratie. De zaak tegen verdachte maakt deel uit van een niet alledaags proces en zou normaal gesproken zijn aangebracht bij de politierechter. De zaak heeft een grote impact op verdachte gehad en heeft royale aandacht gekregen van de media.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van het openbaar ministerie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Op 18 november 2017 was in Dokkum de landelijke intocht van Sinterklaas. De Stichting Nederland Wordt Beter heeft kennis gegeven dat zij tijdens deze intocht wilde demonstreren in Dokkum. Naar aanleiding van deze kennisgeving heeft de burgemeester aan deze demonstratie voorschriften en beperkingen verbonden op grond waarvan het was toegestaan om voorafgaand aan de intocht een demonstratiemars te houden op de route die Sinterklaas kort daarna zou gaan lopen en om tijdens de intocht van Sinterklaas een statische betoging te houden in een speciaal daarvoor aangewezen vak langs de route. De actiegroep KOZP heeft op haar Facebookpagina mensen opgeroepen om naar de demonstratie te komen.

Enkele dagen vóór de intocht heeft verdachte samen met een kennis op Facebook een event gehost met de naam "Project P". In dit event hebben zij opgeroepen om op 18 november 2017 om 08.30 uur te verzamelen op enkele locaties in Friesland en daarna massaal met (onder meer) auto's de (snel)wegen op te rijden om enkele bussen met mensen die tijdens de landelijke intocht van Sinterklaas in Dokkum wilden demonstreren tegen Zwarte Piet te vertragen/verhinderen, kennelijk met het doel om te voorkomen dat deze demonstranten voor het einde van de intocht zouden aankomen in Dokkum. Eerder had verdachte al een filmpje met dezelfde strekking op Facebook geplaatst.

Enkele medeverdachten zijn op 18 november 2017 op de A6 met hun (bestel)auto's en een motor voor de bussen van de demonstranten gaan rijden. Ook hebben zij daar met een bestelauto en een motor de bussen van de demonstranten afgesneden en voor deze bussen geremd, waardoor de chauffeurs van deze bussen werden gedwongen hard te remmen en te stoppen op de snelweg. Daardoor is een passagier van één van de bussen met zijn hoofd/nek tegen de rugleuning van zijn stoel gebotst, ten gevolge waarvan hij een hersenschudding heeft gekregen. Door het harde remmen is in een andere bus een camera (of cameraman) tegen de voorruit gevallen, waardoor deze ruit kapot is gegaan. Ook hebben deze medeverdachten dreigende armbewegingen gemaakt in de richting van (de chauffeurs van) de stilstaande bussen. Door de acties van deze medeverdachten is op de A6 een onveilige verkeerssituatie ontstaan en hebben de inzittenden van de bussen zich bedreigd gevoeld. Na korte tijd konden de bussen hun weg vervolgen richting de A7.

Een groot aantal medeverdachten is enkele minuten later op de A7 met hun auto's voor de bussen met de demonstranten gaan rijden, waarna zij snelheid hebben geminderd en de A7 hebben geblokkeerd door hun auto's over de gehele breedte van de snelweg en op de vluchtstrook te plaatsen. Door deze blokkade, die ongeveer 45 minuten heeft geduurd, is een kilometerslange file ontstaan, die heeft geleid tot ernstige (verkeers)hinder en verstoring van de openbare orde. Door het bewust veroorzaken van deze file is een ernstige inbreuk gemaakt op de bewegingsvrijheid van de overige weggebruikers. Bovendien heeft deze onverwachte file ervoor gezorgd dat er gevaar te duchten was voor de veiligheid van het verkeer.

Wat de blokkade van de A7 bijzonder en des te kwalijker maakt, is dat deze was gericht tegen een specifieke groep mensen, te weten de anti-Zwarte Piet-demonstranten.

Verdachte en de medeverdachten waren van mening dat het niet wenselijk was dat de demonstranten juist tijdens de landelijke intocht van Sinterklaas kwamen demonstreren in Dokkum en zij wilden dit verhinderen. Zij stellen dat zij een nobel doel hadden, aangezien zij wilden voorkomen dat de demonstranten zouden gaan betogen tussen de kinderen. Zij vreesden dat de demonstranten tussen de kinderen zouden gaan staan schreeuwen en dat er mogelijk vechtpartijen zouden ontstaan tussen of in de nabijheid van de kinderen. Verdachte en de medeverdachten baseerden deze vrees onder meer op beelden die zij hebben gezien van ongeregeldheden tijdens de landelijke intocht van Sinterklaas in de voorgaande jaren. Zij voelen zich (achteraf) gesterkt in hun overtuiging door de omstandigheid dat KOZP wordt genoemd in het door de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid in november 2017 opgestelde Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland (hierna: het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland). Verdachte en de medeverdachten zijn van mening dat de burgemeester een verkeerde beslissing heeft genomen door de demonstranten toe te staan om op 18 november 2017 te demonstreren op en langs de route van Sinterklaas in Dokkum. Velen van hen hebben er geen bezwaar tegen dat wordt gedemonstreerd tegen Zwarte Piet, maar zij zijn van mening dat dit niet mag tijdens de intocht van Sinterklaas in de aanwezigheid van kinderen. Verdachte en de medeverdachten voelen zich niet gehoord en begrepen door de autoriteiten.

Daar tegenover staat de mening van de anti-Zwarte Piet-demonstranten. Enkele demonstranten hebben als slachtoffers gebruik gemaakt van hun spreekrecht. Ook zij voelen zich niet gehoord en begrepen in de Nederlandse samenleving. Zij hebben benadrukt dat de Sinterklaastijd voor hen en voor andere mensen met een donkere huidskleur geen prettige tijd is omdat zij dan worden geconfronteerd met pesterijen en met door hen als discriminerend en racistisch ervaren beelden en opmerkingen. Dit geldt in het bijzonder voor kinderen met een donkere huidskleur. De landelijke intocht van Sinterklaas, die slechts eenmaal per jaar plaatsvindt, was voor de anti-Zwarte Piet-demonstranten de uitgelezen mogelijkheid om hun standpunt over het slavernijverleden van Nederland en het door hen als racistische aangemerkte karakter van Zwarte Piet onder de aandacht van het nationale publiek te brengen. In de aankondiging van de betoging hebben de organisatoren expliciet aangegeven dat zij niet uit zijn op gewelddadige activiteiten, rellen, delicten of andere vormen van protest die tot onnodige provocatie en agressie kunnen leiden en hebben zij iedereen opgeroepen om zijn of haar (letterlijke) strijdbijl thuis te laten, het constructief te houden en uit te kijken met provocerende uitspraken. Ook bij de uitoefening van het spreekrecht is nogmaals benadrukt dat men enkel een vreedzame betoging wilde houden. De anti-Zwarte Piet-demonstranten hebben een kennisgeving gedaan van de door hen geplande betoging en de burgemeester heeft de betoging niet verboden.

De rechtbank stelt voorop dat het recht om te demonstreren een grondrecht is. Het uitgangspunt is dat burgers vrij zijn om te demonstreren wanneer, waar, hoe en waarover ze maar willen, zonder dat daar een vergunning of een andere vorm van toestemming voor nodig is. De overheid mag slechts onder strikte, in de wet bepaalde voorwaarden grenzen stellen aan de demonstratievrijheid. De burgemeester heeft tot taak om, met hulp van de politie, al het redelijkerwijs mogelijke te doen om demonstraties in zijn of haar gemeente te faciliteren en te beschermen, zodat demonstranten in vrijheid hun mening - hoe impopulair die ook is - kunnen laten horen. Juist impopulaire meningen die indruisen tegen de (lokaal) heersende vatting en die mogelijk op verzet kunnen rekenen, moeten in het kader van een demonstratie geuit kunnen worden. Bij de vraag of een demonstratie zou moeten worden verboden mag de burgemeester geen belangenafweging maken tussen de demonstratievrijheid en de belangen van de openbare orde. Dit neemt niet weg dat de overheid in haar besluitvorming alle omstandigheden tezamen in ogenschouw dient te nemen. Ervaringen uit het verleden met de betreffende groep demonstranten en de verwachting dat er tegendemonstranten of vijandige omstanders zullen zijn, kunnen dan ook een rol spelen in de besluitvorming. Controversiële demonstraties kunnen heftige reacties oproepen van omstanders en tegenstanders, waardoor een risico op ongeregeldheden kan ontstaan en belangen van omstanders in het geding kunnen komen. Dergelijke factoren zouden in de eerste plaats aanleiding moeten zijn tot meer politie-inzet om te voorkomen dat de situatie uit de hand loopt en de demonstratie zoveel mogelijk doorgang te laten vinden. Het is niet juist om een demonstratie te beperken of te verbieden vanwege de vrees voor de reacties van een vijandig publiek. Het moet niet lonen om te dreigen met het verstoren van een demonstratie. Pas wanneer er een bestuurlijke overmachtssituatie ontstaat waarin het voor een burgemeester - zelfs met inzet van zeer veel politie - naar verwachting onmogelijk is om wanordelijkheden te voorkomen, kan een demonstratie worden beperkt of, in het uiterste geval, verboden. De rechtbank verwijst in dit kader naar het rapport "Demonstreren, een schurend grondrecht?" van de Nationale ombudsman (rapportnummer 2018/015 d.d. 14 maart 2018).

Ten aanzien van de vrees die verdachte en de medeverdachten hadden voor het ontstaan van ongeregeldheden tijdens de intocht van Sinterklaas overweegt de rechtbank het volgende. De rechtbank is niet gebleken dat er een aanleiding was om te vrezen voor gewelddadig optreden of verstoring van de openbare orde door de anti-Zwarte Piet-demonstranten. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat deze demonstranten naar Dokkum kwamen voor iets anders dan het uiten van hun mening. De reden voor het uiteindelijke verbod op de betoging door de locoburgemeester was ook niet dat werd gevreesd voor geweld van de kant van de demonstranten, maar dat werd gevreesd voor het plegen van geweld of het veroorzaken van wanordelijkheden door personen die de demonstranten wilden tegenhouden. Enkele verdachten hebben aangegeven dat uit beelden van eerdere intochten van Sinterklaas zou kunnen worden afgeleid dat tijdens sommige van die intochten ongeregeldheden zijn ontstaan en dat daarbij anti-Zwarte Piet-demonstranten betrokken waren. Deze beelden bevinden zich niet bij de stukken en er is door de verdachten ook geen verzoek gedaan om deze beelden aan het dossier toe te voegen. Alleen al om die reden kan de rechtbank de verdachten niet volgen in dit betoog. KOZP wordt genoemd in het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland. Deze actiegroep wordt in het rapport aangeduid als een extreemlinkse antiracistische actiegroep die strijd tegen (in hun ogen) racistische en koloniale symbolen in de Nederlandse maatschappij, zoals Zwarte Piet. KOZP is in het rapport niet aangeduid als een terroristische organisatie en uit het rapport blijkt ook niet dat KOZP een gewelddadige organisatie is, noch dat er concrete redenen zijn om te vrezen voor gewelddadig optreden door KOZP.

Verdachte en de medeverdachten zijn in hun opzet geslaagd, aangezien de anti-Zwarte Piet-demonstranten mede door de blokkade niet in Dokkum zijn aangekomen. Daardoor konden de demonstranten hun recht om daar een betoging te houden niet verwezenlijken. Door middel van de blokkade is bewust een ernstige inbreuk gemaakt op de rechten op betoging en vrijheid van meningsuiting van deze demonstranten. Dit zijn fundamentele rechten die essentieel zijn in een democratische samenleving. Daarbij komt dat (een deel van) de demonstranten zich door de blokkade bedreigd en geïntimideerd hebben gevoeld en dit voor (een deel van) hen een emotionele en traumatische gebeurtenis is geweest, waardoor zij zich minder vrij voelen om in de toekomst gebruik te maken van hun betogingsrecht, zoals ook blijkt uit het door enkelen van hen uitgeoefende spreekrecht.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn verdachte en de medeverdachten op een verkeerde manier omgegaan met hun vrees en hun overtuigingen. Voor zover zij op de hoogte waren van plannen van anderen om de confrontatie met de anti-Zwarte Piet-demonstranten aan te gaan, hebben zij dit niet gemeld bij de burgemeester, de politie of andere instanties. Ook hebben zij geen gebruik gemaakt van hun recht om zelf een betoging te houden. De blokkade van de A7 kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangemerkt als een betoging of demonstratie, omdat deze niet primair het karakter had van gemeenschappelijk meningsuiting, maar daarbij andere elementen, zoals feitelijke dwang, overheersen (vgl. Kamerstukken II, 1985/86, 19 427, nr. 3, p. 8 en 9, en het arrest van de Hoge Raad van 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:669).

Verdachte en de medeverdachten hebben ervoor gekozen om het recht in eigen hand te nemen. Dit terwijl het reguleren van betogingen en het handhaven van de openbare orde en veiligheid bij uitstek taken zijn van de overheid en niet van (groepen van) individuele burgers. Het was dan ook niet aan verdachte en de medeverdachten om te bepalen waar en wanneer de anti-Zwarte Piet-demonstranten mochten demonstreren. Ook was het niet aan hen om door hen gevreesde ongeregeldheden te voorkomen door het plegen van strafbare feiten. Van een overmachtssituatie was ten tijde van de blokkade geen sprake. Eigenrichting door (groepen van) individuele burgers kan niet worden getolereerd, omdat dit ernstige afbreuk doet aan de democratische rechtsstaat.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een ernstig strafbaar feit met kwalijke gevolgen.

De rechtbank is van oordeel dat daarvoor een forse straf moet worden opgelegd en dat een geldboete dan ook geen recht doet aan de ernst van het feit.

Mede gelet op de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de omstandigheid dat zij nooit eerder is veroordeeld voor vergelijkbare strafbare feiten, is de rechtbank van oordeel dat het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf evenmin op zijn plaats is.

Voorts neemt de rechtbank hierbij in aanmerking dat bij de blokkade op de A7 geen sprake is geweest van (bedreiging met) geweld en dat deze blokkade niet heeft geleid tot ongevallen.

Verdachte heeft met haar oproep anderen aangezet tot het plegen van deze strafbare feiten, te weten het versperren van de A7 en het door andere feitelijkheden dwingen van anderen om iets te doen, niet te doen of te dulden.

Als strafverzwarende omstandigheden weegt de rechtbank mee dat de strafbare feiten waartoe verdachte heeft opgeroepen ook daadwerkelijk zijn gepleegd, terwijl uit de verklaringen van een aantal medeverdachten blijkt dat de oproep van verdachte daaraan heeft bijgedragen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte een belangrijke rol gespeeld in de aanloop naar de blokkade. De rechtbank acht ook strafverzwarend dat verdachte, ondanks het feit dat de politie haar heeft gewaarschuwd in verband met het opruiende karakter van haar oproep, tot het einde toe betrokken is gebleven bij de blokkade van de A7. Nadat de oproep event in opdracht van de politie van Facebook was verwijderd, heeft verdachte via een chatgesprek op Facebook contact gehouden met de personen die deze actie (mogelijk) zouden gaan uitvoeren. In dat gesprek heeft zij onder meer aangegeven dat ze het ermee eens was dat de actie door zou gaan en heeft zij de (mogelijke) deelnemers opgeroepen geen ongelukken te veroorzaken. Verder heeft zij kort vóór, tijdens en vlak na de blokkade telefonisch contact gehad met één van de medeverdachten die bij de blokkade aanwezig was. Bovendien heeft zij diezelfde dag in Dokkum een interview gegeven voor het lege vak dat bestemd was voor de anti-Zwarte Piet-demonstranten. Dit kan naar het oordeel van de rechtbank moeilijk anders worden gezien dan als een daad van iemand die bewust iets in gang heeft gezet, heeft gecontroleerd of het is gegaan zoals zij het had bedoeld en tevreden is met het resultaat. Gelet op het voorgaande houdt de rechtbank verdachte - als opruier - mede verantwoordelijk voor (de gevolgen van) de blokkade. Dat de rechtbank niet bewezen acht dat verdachte een wezenlijke rol heeft gespeeld in de daadwerkelijke organisatie en uitvoering van de uiteindelijke blokkade en dat zij daarom niet als medepleger van de blokkade kan worden aangemerkt, doet hier niet aan af.

Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van drie jaren passend en zij zal deze straffen dan ook opleggen.

Benadeelde partij [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] )

Vordering van de benadeelde partij

[slachtoffer 3] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. [slachtoffer 3] vordert een bedrag van € 687,03 ter vergoeding van materiële schade en € 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

De door [slachtoffer 3] gestelde materiële schade bestaat uit de volgende posten:

1. kosten ongebruikt AMC/ASC sportabonnement, één maand € 14,04

2. kosten busticket Amsterdam - Dokkum € 10,00

3. kosten Diclofenac € 10,49

4. kosten eten € 16,88

5. vervoerskosten € 64,96

6. reiskosten openbaar vervoer in verband met aangifte € 23,34

7. dossierkosten € 1,15

8. collegegeld UvA, één maand € 200,60

9. kosten eigen risico zorgverzekering 2017 € 345,57

-------------

totaal € 687,03

Aan de gestelde immateriële schade heeft [slachtoffer 3] ten grondslag gelegd dat de bus, waarin hij zat, abrupt moest remmen en dat hij daardoor een hersenschudding, oorsuizen, slaapproblemen en psychische klachten in de vorm van PTSS heeft gekregen.

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich op het standpunt gesteld dat in de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] de gevorderde materiële schadevergoeding volledig en de gevorderde immateriële schadevergoeding deels, namelijk tot een bedrag van € 2.000,00, hoofdelijk dienen te worden toegewezen, dit alles vermeerderd met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [slachtoffer 3] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, omdat de gestelde schade is gekoppeld aan het onder 4. ten laste gelegde feit en dit feit niet kan worden bewezen. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet kan worden toegewezen, omdat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de onder 4. ten laste gelegde dwang en de door [slachtoffer 3] gestelde schade. Er was volgens de raadsman geen sprake van mishandeling of van een onveilige verkeerssituatie of iets dergelijks. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat er een causaal verband bestaat tussen het incident op de A6 en de door [slachtoffer 3] gestelde schade. [slachtoffer 3] heeft gesteld dat hij met zijn hoofd tegen een rugleuning van de bus is gekomen. Deze stelling wordt niet onderbouwd door getuigenverklaringen of ander bewijs. Uit de verklaringen van andere personen die bij [slachtoffer 3] in de bus zaten, blijkt niet dat zij er iets van gezien of over gehoord hebben. Daarbij komt dat [slachtoffer 3] pas op 26 november 2017 met zijn klachten naar een huisarts is gegaan, terwijl het incident heeft plaatsgevonden op 18 november 2017 en [slachtoffer 3] in de tussentijd, op 23 november 2017, wel met anderen klachten bij een arts is geweest. Toen is kennelijk niets over de nu gestelde klachten gezegd. Ten aanzien van de gestelde immateriële schade heeft de raadsman verder nog aangevoerd dat het enkel stellen van PTSS en letsel onvoldoende is, dat een deugdelijke onderbouwing van de letselschade ontbreekt en dat de gevorderde immateriële schadevergoeding erg hoog is. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat uit de aangifte van [slachtoffer 3] blijkt dat hij kennelijk denkt dat het letsel is veroorzaakt door een actie van de motorrijder en dus niet door een actie van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

Rechtstreeks verband tussen het ten laste gelegde en de gestelde schade

Ten aanzien van het betoog dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het ten laste gelegde en de door [slachtoffer 3] gestelde schade overweegt de rechtbank het volgende.

Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat in het algemeen niet kan worden gesteld dat aan het vereiste dat een betrokken benadeelde "rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit"’ als bedoeld in artikel 51f, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering uitsluitend is voldaan in die gevallen waarin deze benadeelde is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd. Voor de beantwoording van de vraag of rechtstreekse schade is geleden door een strafbaar feit zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Er moet sprake zijn van voldoende verband tussen het tenlastegelegde feit en de gestelde schade. De rechtbank verwijst in dit kader naar een arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1522).

Onder 1. is - kort gezegd - aan verdachte ten laste gelegd (en door de rechtbank bewezen verklaard) dat zij anderen heeft opgeruid tot het opzettelijk versperren van één of meer (snel)weg(en) in de provincie Fryslân en anderen door enige andere feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, doordat zij heeft opgeroepen om op 18 november 2017 met (onder meer) auto's de (snel)wegen op te gaan om de anti-Zwarte Piet-demonstranten te vertragen/verhinderen.

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 2., 3. en 4. ten laste gelegde. Voor zover de vordering ziet op schade die voortvloeit uit deze feiten, dient (dat deel van) de vordering om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, voldoende verband bestaat tussen de door [slachtoffer 3] gestelde materiële en immateriële schade en het ten laste gelegde (en door de rechtbank bewezen verklaarde) feit. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat is gesteld dat de schade voortvloeit uit het incident op de A6 en de blokkade van de A7 en dat dit incident en deze blokkade mede zijn veroorzaakt door de oproep van verdachte.

Materiële en immateriële schade in verband met lichamelijke en psychische klachten

De rechtbank leidt uit de vordering van [slachtoffer 3] , de daarbij gevoegde bijlagen en de daarop door hem ter terechtzitting gegeven toelichting, alsmede de verklaring van [slachtoffer 3] bij de politie, af dat de posten 1., 3., 4., 5., 7., 8. en 9. van de gestelde materiële schade en ook de gestelde immateriële schade volgens [slachtoffer 3] zijn veroorzaakt doordat de groene bus, waarin hij als passagier zat, een noodstop moest maken, waardoor hij met zijn hoofd/nek tegen een rugleuning van die bus is gebotst.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, kan uit de verklaring van [slachtoffer 3] op pagina 215 van het dossier niet worden afgeleid dat de door hem beschreven noodstop is veroorzaakt door een actie van de motorrijder. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij niet weet wat zich voor de bus afspeelde voordat de bus een noodstop moest maken (map 1, p. 219). [slachtoffer 4] , die bij [slachtoffer 3] in de groene bus zat, heeft verklaard dat er omstreeks 09:50 uur een witte bestelauto voor de bus kwam rijden, dat de bus werd afgesneden en dat de bus moest stoppen op de snelweg (map 1, p. 229). [getuige 1] , die eveneens in de groene bus zat, heeft verklaard dat zij zag dat een witte bestelauto vanaf de linkerkant voor de bus kwam rijden, dat deze bestelauto de bus sneed, dat de buschauffeur hard op de rem moest en dat de bus vrij snel tot stilstand kwam (map 1, p. 268). Hieruit leidt de rechtbank af dat de noodstop ten gevolge waarvan [slachtoffer 3] met zijn hoofd/nek tegen de rugleuning van de bus is gebotst, een gevolg was van het afsnijden van de groene bus door het witte bestelbusje. Uit het proces-verbaal bevindingen AH-NN5-01 (map 5, p. 1707), gelezen in verband met de verklaringen van [slachtoffer 4] en [getuige 1] , leidt de rechtbank af dat dit incident heeft plaatsgevonden op de A6 en dat het witte bestelbusje de door medeverdachte [medeverdachte 4] bestuurde witte Volkswagen Caddy met het kenteken [kenteken 4] betrof.

Uit het bij de vordering gevoegde journaal van de huisarts blijkt dat [slachtoffer 3] op 26 november 2017 contact heeft opgenomen met de huisartsenpost in verband met klachten van hoofdpijn, nekpijn, duizeligheid en misselijkheid. Voorts blijkt daaruit dat [slachtoffer 3] op 27 november 2017 met deze klachten naar een huisarts is gegaan, dat hij die dag is onderzocht in het ziekenhuis en dat is geconcludeerd dat sprake was van een hersenschudding.

De omstandigheid dat [slachtoffer 3] in verband met deze klachten eerst op 26 november 2017 contact heeft opgenomen met de huisartsenpost, terwijl hij tussen die datum en de datum van de blokkade nog wel voor andere klachten bij de huisarts is geweest, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen het incident op de A6 en het letsel. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het niet ongebruikelijk is dat patiënten pas als bepaalde klachten na enige tijd niet vanzelf overgaan een (huis)arts raadplegen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat de hersenschudding is veroorzaakt doordat medeverdachte [medeverdachte 4] de groene bus heeft afgesneden, waardoor de groene bus abrupt moest remmen en waardoor [slachtoffer 3] met zijn nek tegen de rugleuning van de bus is gebotst.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen deze schade en het handelen van verdachte. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat het incident op de A6 en de blokkade van de A7 mede zijn veroorzaakt door de oproep van verdachte. De rechtbank acht echter niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan betrokkenheid bij de blokkade in de vorm van medeplegen. Daarbij komt dat betrokkenheid bij het incident op de A6 niet aan verdachte ten laste is gelegd. De rechtbank is van oordeel dat het verband tussen de oproep van verdachte en het afsnijden van de groene bus door medeverdachte [medeverdachte 4] te ver verwijderd is om de schade die door dit afsnijden is veroorzaakt in redelijkheid mede aan verdachte te kunnen toerekenen. Daarom zal de rechtbank het deel van de vordering dat daarmee verband houdt (te weten de posten 1., 3., 4., 5. 7., 8. en 9. van de gevorderde materiële schade en de gevorderde immateriële schade) afwijzen.

Materiële schade in verband met de aanschaf van een busticket en het doen van aangifte

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [slachtoffer 3] € 10,00 heeft betaald voor een busticket van Amsterdam naar Dokkum in verband met zijn wens om deel te nemen aan de betoging van de anti-Zwarte Piet-demonstranten in Dokkum (post 2.). Doordat de betoging niet is doorgegaan, heeft [slachtoffer 3] dit bedrag voor niets betaald en heeft hij dus schade geleden. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk geworden dat het niet doorgaan van de statische betoging - en dus het ontstaan van de schade - mede is veroorzaakt door het onder 1. bewezen verklaarde. Dat ook het besluit van de loco-burgemeester een rol heeft gespeeld bij het niet doorgaan van de betoging, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat de door [slachtoffer 3] geleden schade in redelijkheid aan verdachte en de medeverdachten kan worden toegerekend. In het kader van deze toerekening is immers niet vereist dat het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de medeverdachten de enige oorzaak is voor het ontstaan van de schade.

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat verdachte € 23,34 aan reiskosten heeft moeten maken voor het doen van aangifte in Zwolle (post 6.). Naar het oordeel van de rechtbank is deze aangifte een rechtstreeks gevolg van het onder 1. bewezen verklaarde.

Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank dit deel van de vordering, dat in totaal € 33,34 bedraagt, toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 november 2017.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en de medeverdachten - die de blokkade feitelijk hebben uitgevoerd - naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor dit deel van de schade. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door één van de medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan [slachtoffer 3] hoeft te betalen, en andersom.

Afsluitende overwegingen

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die [slachtoffer 3] tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die [slachtoffer 3] ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Benadeelde partijen Stichting Nederland Wordt Beter (hierna: de Stichting), [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] )

De Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] hebben zich ieder afzonderlijk als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

De Stichting vordert een bedrag van € 8.275,46 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan. Deze schade bestaat uit de kosten voor het huren van drie bussen op 18 november 2017 (€ 2.170,00), de kosten ten gevolge van de schade die op 18 november 2017 is ontstaan aan een ruit van de rode bus (€ 5.656,50) en de drukkosten van demonstratiemateriaal (€ 448,96). De Stichting heeft verzocht verdachte en de medeverdachten hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor deze schade en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Ten aanzien van de kosten voor het huren van de drie bussen heeft de Stichting aangevoerd dat de passagiers weliswaar € 10,00 hebben betaald om te worden vervoerd naar de demonstratie, maar dat de demonstratie niet is doorgegaan en dat de Stichting heeft toegezegd dat zij de € 10,00 zal terugbetalen aan de passagiers als zij de kosten vergoed krijgt, waardoor de kosten voor de bushuur schade voor de Stichting zijn. Ten aanzien van de drukkosten heeft de Stichting aangevoerd dat het demonstratiemateriaal specifiek is gemaakt voor deze demonstratie en dat dit materiaal niet meer kan worden gebruikt.

De Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] hebben gesteld dat zij immateriële schade hebben geleden ten gevolge van de schending van het fundamentele recht om te demonstreren en het fundamentele recht op vrijheid van meningsuiting. Ter vergoeding van de immateriële schade hebben zij een schadevergoeding in natura gevorderd, in de vorm van het opleggen aan verdachte en de medeverdachten van de verplichting om gedurende één dag de workshop "Diversiteit in de klas" en lessen op basis van het lespakket "De Geschiedenis van Sinterklaas en Zwarte Piet" te volgen bij de Stichting. De Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] hebben aangevoerd dat de bedoeling van deze schadevergoeding is dat er meer wederzijds begrip en kennisuitwisseling plaatsvindt tussen de verdachten en de slachtoffers in deze zaak. Volgens de Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] zal een dergelijke schadevergoeding bijdragen aan het herstel van het rechtsgevoel en bemiddelen tussen daders en slachtoffers. Om te bewerkstelligen dat verdachte en de medeverdachten de workshop en de lessen daadwerkelijk zullen volgen, hebben de Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] gevorderd dat de rechtbank elke verdachte die niet deelneemt aan de workshop en de lessen veroordeelt tot het betalen van een dwangsom van € 200,00.

Voorts hebben de Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] vergoeding van de proceskosten gevorderd, met toepassing van het liquidatietarief.

Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie heeft zich ten aanzien van de vorderingen van de Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet kan worden toegewezen, omdat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de ten laste gelegde feiten en de gevorderde schade. De Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] worden volgens de verdediging niet getroffen in een belang dat rechtstreeks wordt beschermd door de strafbepalingen die volgens de tenlastelegging zijn geschonden.

Ten aanzien van de drukkosten heeft de raadsman voorts aangevoerd dat niet blijkt dat het demonstratiemateriaal niet meer bruikbaar is.

Ten aanzien van de kosten voor het vervangen van de busruit heeft de raadsman aangevoerd dat er onduidelijkheid bestaat over de oorzaak van de schade. De Stichting stelt dat het gaat om een ruit van de rode bus. [slachtoffer 1] , die in de rode bus zat, heeft verklaard dat de rode bus een noodstop moest maken en dat daardoor vier personen tegen de voorruit kwamen. Ook heeft hij verklaard dat twee personen een hersenschudding hadden. Dit wordt echter door niemand bevestigd. De overige aangevers en de getuigen zaten in de andere bussen. [slachtoffer 3] heeft gehoord dat er een camera door de ruit van een bus is gegaan, maar hij heeft het daarbij over de witte bus. Van schade aan de witte bus is echter niets gebleken. [slachtoffer 4] en [getuige 1] hebben niets verklaard over schade aan een busruit. In het dossier zit een proces-verbaal van bevindingen betreffende een gesprek met de chauffeur van de rode bus. Deze chauffeur heeft geen verklaring willen afleggen. Dat is zeer opmerkelijk. Verder is niet duidelijk of de busruit nog niet beschadigd was, voordat de bus vertrok. Daarbij is van belang dat de bus na 18 november 2017 kennelijk ook nog acht maanden heeft rondgereden met een scheur in de ruit.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding heeft de raadsman aangevoerd dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen de ten laste gelegde feiten en de gestelde schade. De Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] stellen dat zij in hun persoon zijn aangetast door het verhinderen van de betoging. De uitspraken waarnaar zij hebben verwezen, hebben echter allemaal betrekking op de relatie tussen de overheid en burgers. De Grondwet en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden zijn niet van toepassing op de relatie tussen burgers onderling. Dat levert een formeel beletsel op voor het toewijzen van de vorderingen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de gestelde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd. De enkele opmerking dat de demonstratie niet heeft plaatsgevonden, is in dat kader onvoldoende.

Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] hebben gevraagd om de vergoeding van schade. Een schadevergoeding kan plaatsvinden in de vorm van geld en niet in de vorm van een workshop. Bovendien vooronderstelt de gevorderde workshop dat verdachte geen begrip heeft voor Zwarte Piet en de rol van het kolonialisme en diversiteit in de samenleving. Dat is niet juist. Daarom kan die workshop niet bijdragen aan het vergoeden van de gestelde schade.

Oordeel van de rechtbank

Rechtstreeks verband tussen het ten laste gelegde en de gestelde schade

Ten aanzien van het betoog dat er geen rechtstreeks verband bestaat tussen het ten laste gelegde en de door de Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] gestelde schade verwijst de rechtbank in de eerste plaats naar hetgeen zij hiervoor in het kader van de vordering van [slachtoffer 3] heeft overwogen met betrekking tot de rechtspraak van de Hoge Raad over dit onderwerp en hetgeen aan verdachte ten laste is gelegd.

De rechtbank is van oordeel dat er, gelet op de concrete omstandigheden van het geval, voldoende verband bestaat tussen de door de Stichting gestelde materiële schade en de door de Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] gestelde immateriële schade en het ten laste gelegde (en door de rechtbank bewezen verklaarde) feit. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat is gesteld dat de schade voortvloeit uit het incident op de A6 en de blokkade van de A7 en dat dit incident en deze blokkade mede zijn veroorzaakt door de oproep van verdachte.

Materiële schade bestaande uit kosten voor bushuur

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de Stichting € 2.170,00 heeft betaald voor het huren van drie bussen, teneinde daarmee de anti-Zwarte Piet-demonstranten naar Dokkum te vervoeren. Doordat de betoging niet is doorgegaan, heeft de Stichting dit bedrag voor niets betaald en heeft zij dus schade geleden. Dat alle demonstranten de Stichting € 10,00 hebben betaald voor het vervoer naar Dokkum, doet hier naar het oordeel van de rechtbank niet aan af, nu uit de toelichting blijkt dat de Stichting deze bedragen zal terugbetalen als deze schade wordt vergoed. Naar het oordeel van de rechtbank is aannemelijk geworden dat het niet doorgaan van de statische betoging - en dus het ontstaan van de schade - mede is veroorzaakt door het onder 1. bewezen verklaarde. Dat ook het besluit van de loco-burgemeester een rol heeft gespeeld bij het niet doorgaan van de betoging, doet er naar het oordeel van de rechtbank niet aan af dat de door de Stichting geleden schade in redelijkheid aan verdachte en de medeverdachten kan worden toegerekend. In het kader van deze toerekening is immers niet vereist dat het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de medeverdachten de enige oorzaak is voor het ontstaan van de schade.

De rechtbank zal het deel van de vordering dat ziet op de kosten voor het huren van de bussen toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 18 november 2017. De rechtbank zal hierop in mindering brengen het bedrag van € 10,00 dat zij heeft toegewezen aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor een busticket van Amsterdam naar Dokkum. Nu [slachtoffer 3] dit bedrag terugkrijgt van verdachte en de medeverdachten, hoeft de Stichting dit bedrag niet meer aan [slachtoffer 3] terug te betalen. Dit betekent dat de rechtbank aan de Stichting een bedrag van € 2.160,00 zal toewijzen in verband met het huren van de bussen. Het bedrag van € 10,00 zal de rechtbank afwijzen.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte en de medeverdachten - die de blokkade feitelijk hebben uitgevoerd - naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor dit deel van de schade. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door één van de medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de Stichting hoeft te betalen, en andersom.

Materiële schade bestaande uit kosten voor het vervangen van een busruit

Op grond van de hiervoor samengevat weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank aannemelijk dat medeverdachte [medeverdachte 5] op de A6 de rode bus heeft afgesneden en abrupt voor de rode bus is gestopt, dat de chauffeur van de rode bus daarom een noodstop moest maken en dat daardoor een camera (of cameraman) tegen de voorruit van deze bus is gekomen en dat de voorruit van de rode bus ten gevolge van deze botsing stuk is gegaan.

De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende causaal verband bestaat tussen deze schade en het handelen van verdachte. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is zij van oordeel dat het incident op de A6 en de blokkade van de A7 mede zijn veroorzaakt door de oproep van verdachte. De rechtbank acht echter niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan betrokkenheid bij de blokkade in de vorm van medeplegen. Daarbij komt dat betrokkenheid bij het incident op de A6 ook niet aan verdachte ten laste is gelegd. De rechtbank is van oordeel dat het verband tussen de oproep van verdachte en het afsnijden van de rode bus door [medeverdachte 5] te ver verwijderd is om de schade die door dit afsnijden is veroorzaakt in redelijkheid mede aan verdachte te kunnen toerekenen. Daarom zal de rechtbank het deel van de vordering dat daarmee verband houdt afwijzen.

Materiële schade bestaande uit drukkosten

De rechtbank is van oordeel dat de Stichting onvoldoende heeft onderbouwd dat de gedrukte demonstratiematerialen niet op een ander moment alsnog kunnen worden gebruikt. De enkele stelling dat dit niet kan, omdat de materialen speciaal voor deze demonstratie zijn gedrukt, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het zeer wel mogelijk is dat de Stichting (of de organisatie KOZP waarmee de Stichting in dit geval samenwerkte) in de toekomst opnieuw zal gaan demonstreren tegen Zwarte Piet en dat de Stichting niet heeft aangegeven welke teksten er op het demonstratiemateriaal staan.

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat zij over onvoldoende informatie beschikt om deze schadepost te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de Stichting deze schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. Daarom zal de rechtbank daar niet toe overgegaan. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Immateriële schade door schending van fundamentele rechten

Op grond van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) heeft de benadeelde voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding, indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Voor de toewijsbaarheid van een vordering gericht op vergoeding van immateriële schade wegens een aantasting in de persoon op andere wijze, zoals bedoeld in deze bepaling, is uitgangspunt dat de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Op dit uitgangspunt kan een uitzondering worden aanvaard, indien sprake is van een bijzonder ernstige normschending met bijzonder ernstige gevolgen voor het slachtoffer. Een dergelijk geval kan zich voordoen wanneer sprake is van een zeer ingrijpende aantasting van een fundamenteel recht. De rechtbank verwijst in dit kader naar arresten van de Hoge Raad van 18 maart 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AR5213) en 29 juni 2012 (ECLI:NL:HR:2012:BW1519).

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte anderen heeft opgeruid tot het opzettelijk versperren van één of meer (snel)weg(en) in de provincie Fryslân en anderen door enige andere feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden, doordat zij heeft opgeroepen om op 18 november 2017 met (onder meer) auto's de (snel)wegen op te gaan om de anti-Zwarte Piet-demonstranten te vertragen/verhinderen. De rechtbank acht aannemelijk dat (een deel van) de medeverdachten (mede) door deze oproep zijn aangezet tot het blokkeren van de A7. Naar het oordeel van de rechtbank hebben verdachte en de medeverdachten door middel van de blokkade van de A7 de anti-Zwarte Piet-demonstranten gedwongen te dulden dat zij hun recht om een betoging te houden in Dokkum voor een deel niet konden verwezenlijken.

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een zo ingrijpende aantasting van zo fundamentele rechten, te weten de rechten op vrijheid van meningsuiting en betoging, dat deze in zichzelf dient te worden beschouwd als een aantasting van de persoon van de Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] . Het gaat hierbij naar het oordeel van de rechtbank om een zeer ernstige normschending met ernstige gevolgen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het recht op vrijheid van meningsuiting en het daarmee verbonden recht op betoging behoren tot de fundamenten van een democratische samenleving. Voorts acht de rechtbank van belang dat de landelijke intocht van Sinterklaas de uitgelezen mogelijkheid voor de Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] is om hun standpunt ten aanzien van Zwarte Piet onder de aandacht van het nationale publiek te brengen en dat deze intocht slechts eenmaal per jaar wordt gehouden. Daarom is de rechtbank van oordeel dat in dit geval in beginsel de mogelijkheid bestaat om een immateriële schadevergoeding toe te kennen.

De Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] hebben verzocht een immateriële schadevergoeding in natura toe te kennen in de vorm van het opleggen aan verdachte en de medeverdachten van de verplichting om gedurende één dag de workshop "Diversiteit in de klas" en lessen op basis van het lespakket "De Geschiedenis van Sinterklaas en Zwarte Piet" te volgen bij de Stichting.

Artikel 6:103 BW biedt de rechter de mogelijkheid om op vordering van de benadeelde schadevergoeding in andere vorm dan betaling van een geldsom toe te kennen. De rechtbank is van oordeel dat de mogelijkheid van het toekennen van een schadevergoeding in natura ook in het geval van immateriële schade niet zonder meer is uitgesloten.

De rechtbank is echter van oordeel dat de immateriële schade die de Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] hebben geleden door de schending van de rechten op betoging en vrijheid van meningsuiting niet kan worden vergoed door middel van de door hen gevorderde schadevergoeding in natura. Daartoe overweegt de rechtbank dat de essentie van schadevergoeding is dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht zoals die zonder de schade toebrengende gebeurtenis zou zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het opleggen van de verplichting aan verdachte en de medeverdachten om een workshop en lessen bij de Stichting te volgen er niet toe dat de Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] zoveel mogelijk in de toestand worden gebracht zoals die zou zijn geweest wanneer zij wel in Dokkum hadden kunnen demonstreren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de geschonden rechten zien op het naar buiten (kunnen) brengen van meningen, terwijl het opleggen van de verplichting tot het volgen van de workshop en de lessen gericht zouden zijn op het (onder dwang) overbrengen van kennis en standpunten op specifieke personen.

Daarom zal de rechtbank de door de Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] gevorderde immateriële schadevergoeding afwijzen.

Schadevergoedingsmaatregel

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Proceskostenvergoeding

De rechtbank acht aannemelijk dat de Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] kosten hebben gemaakt ten behoeve van rechtsbijstand, nu zij een advocaat hebben ingeschakeld die namens hen een vordering heeft ingediend en die namens hen het woord heeft gevoerd ter terechtzitting.

De rechtbank zoekt voor de vaststelling van de hoogte van deze kosten aansluiting bij het Liquidatietarief rechtbanken en gerechtshoven. Daarbij is het bedrag van de proceskosten afhankelijk van de verrichte (genormeerde) werkzaamheden en van het belang van de zaak. Het belang van de zaak wordt gebaseerd op het bedrag van de gevorderde hoofdsom. Bij zaken met een hoofdsom tot € 10.000,00 geldt tarief I. In dit tarief wordt ieder punt gewaardeerd op € 461,00.

De Stichting, [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] hebben gebruik gemaakt van de diensten van dezelfde raadslieden. Deze raadslieden hebben namens hen drie afzonderlijke voegingsformulieren ingediend, maar de vorderingen zijn - voor wat betreft de immateriële schade - gelijkluidend. Ook de toelichting op de gevorderde immateriële schade, zowel schriftelijk als ter terechtzitting, is ten aanzien van alle drie deze benadeelde partijen gelijkluidend. Bovendien heeft de rechtbank de vordering tot vergoeding van immateriële schade afgewezen.

Alleen namens de Stichting is vergoeding van materiële schade gevorderd tot een hoofdsom van € 8.275,46. Daarom zal de rechtbank verdachte alleen veroordelen in de proceskosten van de Stichting en zal zij de vorderingen tot vergoeding van proceskosten van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] afwijzen.

Voor het opstellen van de vordering en het verlenen van rechtsbijstand ter terechtzitting kent de rechtbank telkens 1 punt toe. Uitgaande van de gevorderde hoofdsom, is tarief I van toepassing en bedragen de proceskosten (2 x € 461,00 =) € 922,00. De rechtbank acht het niet redelijk om verdachte en al zijn medeverdachten ieder te veroordelen tot het betalen van een bedrag van € 922,00 aan proceskosten aan de Stichting. Dit zou er immers toe leiden dat de Stichting in totaal (34 x € 922,00 =) € 31.348 aan proceskosten zou ontvangen, hetgeen een veelvoud is van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Daarom zal de rechtbank de per verdachte te betalen proceskosten vaststellen op € 50,00. De rechtbank zal verdachte veroordelen in deze kosten.

Daarnaast zal de rechtbank verdachte veroordelen in de kosten die de Stichting ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 131 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2., 3. primair, 3. subsidiair en 4. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Een gevangenisstraf voor de duur van één maand.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 33,34 (zegge: drieëndertig euro en vierendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige af.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , te betalen een bedrag van € 33,34 (zegge: drieëndertig euro en vierendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van één dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2017.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij de Stichting Nederland Wordt Beter toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.160,00 (zegge: eenentwintighonderd en zestig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 november 2017, in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Wijst de vordering van de benadeelde partij de Stichting Nederland Wordt Beter af voor zover deze ziet op de schade aan de busruit, op het bedrag van € 10,00 dat is toegewezen aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor een busticket van Amsterdam naar Dokkum en op de immateriële schade.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 50,00.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer de Stichting Nederland Wordt Beter, te betalen een bedrag van € 2.160,00 (zegge: eenentwintighonderd en zestig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 31 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader(s) van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat volledig uit materiële schade. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 november 2017.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer de Stichting Nederland Wordt Beter, daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] af.

Bepaalt dat deze benadeelde partijen de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. G.C. Koelman en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. F.F. van Emst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 november 2018.

1 De genoemde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm op ambtseed en door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren opgemaakt; de genoemde pagina's bevinden zich in het doorgenummerde proces-verbaal van het onderzoek NN1R017097-HEIGULL, gesloten op 1 maart 2018. Dit proces-verbaal is opgenomen in zeven mappen die zijn aangeduid als map 1 tot en met map 7.

2 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4] d.d. 18 december 2017, map 1, p. 229, en het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 13 december 2017, map 1, p. 183.

3 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4] d.d. 18 december 2017, map 1, p. 229.

4 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 13 december 2017, map 1, p. 183.

5 Het besluit van de burgemeester d.d. 16 november 2017, map 1, p. 20 t/m 22.

6 Het proces-verbaal van bevindingen AH-016-01 d.d. 4 januari 2018, map 1, p. 27 en 28.

7 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4] d.d. 18 december 2017, map 1, p. 229.

8 Het proces-verbaal van verdenking [verdachte] d.d. 5 februari 2018, map 7, p. 2682 t/m 2685.

9 De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 11 oktober 2018.

10 Het proces-verbaal van verdenking [verdachte] d.d. 5 februari 2018, map 7, p. 2682 t/m 2685.

11 De verklaring van getuige [naam 1] ter terechtzitting van 11 oktober 2018.

12 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 8 februari 2018, map 7, p. 2693.

13 De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 11 oktober 2018.

14 De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 11 oktober 2018.

15 Het signaaldocument van de Dienst Regionale Informatie Organisatie d.d. 15 november 2017, map 1, p. 31 t/m 33.

16 Het proces-verbaal van bevindingen PL0100-2018010541-2 d.d. 15 januari 2018, map 1, p. 36 en 37.

17 De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van 11 oktober 2018.

18 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 8 februari 2018, map 7, p. 2695.

19 Map 2 van het dossier met de titel "A-008-03 Facebookchat", p. 509.

20 Map 2 van het dossier met de titel "A-008-03 Facebookchat", p. 507.

21 Map 2 van het dossier met de titel "A-008-03 Facebookchat", p. 506.

22 Map 2 van het dossier met de titel "A-008-03 Facebookchat", p. 501.

23 Map 2 van het dossier met de titel "A-008-03 Facebookchat", p. 500.

24 Map 2 van het dossier met de titel "A-008-03 Facebookchat", p. 495.

25 Map 2 van het dossier met de titel "A-008-03 Facebookchat", p. 493 en 494.

26 Map 2 van het dossier met de titel "A-008-03 Facebookchat", p. 549.

27 Map 2 van het dossier met de titel "A-008-03 Facebookchat", p. 472.

28 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 13 december 2017, map 1, p. 183, en het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4] d.d. 18 december 2017, map 1, p. 229.

29 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 19 december 2017, map 1, p. 257.

30 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4] d.d. 18 december 2017, map 1, p. 229.

31 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 13 december 2017, map 1, p. 183, en het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 3] d.d. 14 december 2017, map 1, p. 217.

32 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 3] d.d. 14 december 2017, map 1, p. 217.

33 Het proces-verbaal van bevindingen PL0100-2017304735-2 d.d. 18 november 2017, map 1, p. 41 en 42.

34 Het proces-verbaal van bevindingen PL0100-2017304735-1 d.d. 18 november 2017, map 1, p. 51.

35 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 19 december 2017, map 1, p. 259.

36 Het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d. 22 januari 2018, map 1, p. 164 t/m 166 en 171.

37 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 19 december 2017, map 1, p. 257.

38 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4] d.d. 18 december 2017, map 1, p. 229.

39 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] d.d. 28 december 2017, map 1, p. 268.

40 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 3] d.d. 14 december 2017, map 1, p. 215, 216, 218 en 219.

41 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 13 december 2017, map 1, p. 183

42 Het proces-verbaal van bevindingen AH-NN6-01 d.d. 18 december 2017, map 5, p. 1748 en 1752, en het proces-verbaal van bevindingen AH-NN6-02 d.d. 6 februari 2018, map 5, p. 1754, 1756 en 1757.

43 Het proces-verbaal van bevindingen AH-NN6-01 d.d. 18 december 2017, map 5, p. 1748 en 1752, en het proces-verbaal van bevindingen AH-NN6-02 d.d. 6 februari 2018, map 5, p. 1754, 1756 en 1757.

44 Het proces-verbaal van bevindingen AH-NN6-01 d.d. 18 december 2017, map 5, p. 1748 en 1752, het proces-verbaal van bevindingen AH-NN6-02 d.d. 6 februari 2018, map 5, p. 1757.

45 Het proces-verbaal van bevindingen AH-NN6-01 d.d. 18 december 2017, map 5, p. 1748 en 1752, en het proces-verbaal van bevindingen AH-NN6-02 d.d. 6 februari 2018, map 5, p. 1757.

46 Het proces-verbaal van bevindingen AH-NN6-02 d.d. 6 februari 2018, map 5, p. 1757.

47 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 13 december 2017, map 1, p. 183.

48 Het proces-verbaal van bevindingen AH-012-01 d.d. 20 december 2017, map 1, p. 273.

49 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 3] d.d. 14 december 2017, map 1, p. 215.

50 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 19 december 2017, map 1, p. 257 en 258.

51 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 19 december 2017, map 1, p. 260.

52 Het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d. 22 januari 2018, map 1, p. 171.

53 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 19 december 2017, map 1, p. 258.

54 Het proces-verbaal van bevindingen AH-064-02 d.d. 8 februari 2018, map 1, p. 109 en 110.

55 Het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d. 22 januari 2018, map 1, p. 165, 167 en 168.

56 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 13 december 2017, map 1, p. 183.

57 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 19 december 2017, map 1, p. 258.

58 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 13 december 2017, map 1, p. 183.

59 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 13 december 2017, map 1, p. 183.

60 Het proces-verbaal van bevindingen PL0100-2017304735-3 d.d. 21 november 2017, map 1, p. 54, en het rapport PL0100-2017304585-5 d.d. 10 januari 2018, map 1, p. 104.

61 Het proces-verbaal van bevindingen PL0100-2017304735-3 d.d. 21 november 2017, map 1, p. 54.

62 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 19 december 2017, map 1, p. 258.

63 Het rapport PL0100-2017304585-5 d.d. 10 januari 2018, map 1, p. 104.

64 Het proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d. 17 februari 2018, map 1, p. 180.

65 Het proces-verbaal van bevindingen PL0100-2017304735-3 d.d. 21 november 2017, map 1, p. 54 en 55.

66 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 13 december 2017, map 1, p. 183.

67 Het proces-verbaal van bevindingen AH-064-02 d.d. 8 februari 2018, map 1, p. 110.

68 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 13 december 2017, map 1, p. 184.

69 Het proces-verbaal van bevindingen PL0100-2017304735-3 d.d. 21 november 2017, map 1, p. 54.

70 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 6] d.d. 22 januari 2018, map 7, p. 2536.

71 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 6] d.d. 22 januari 2018, map 7, p. 2536, en het proces-verbaal van verhoor van A.R. Buimer d.d. 15 januari 2018, map 5, p. 1685.

72 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 6] d.d.22 januari 2018, map 7, p. 2536.

73 Het proces-verbaal van bevindingen PL0100-2017304585-3 d.d. 21 december 2017, map 1, p. 118 en 119.

74 Het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 19 december 2017, map 1, p. 258.

75 Het proces-verbaal van bevindingen PL0100-2017304735-2 d.d. 18 november 2017, map 1, p. 42.

76 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 13 december 2017, map 1, p. 184, het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4] d.d. 18 december 2017, map 1, p. 230, en het proces-verbaal van verhoor van [getuige 2] d.d. 19 december 2017, map 1, p. 258.

77 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 1] d.d. 13 december 2017, map 1, p. 184.

78 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 3] d.d. 14 december 2017, map 1, p. 220 en 221, en het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4] d.d. 18 december 2017, map 1, p. 230.

79 Het proces-verbaal van verhoor van [slachtoffer 4] d.d. 18 december 2017, map 1, p. 230.

80 Het proces-verbaal van bevindingen AH-069-01 d.d. 18 mei 2018 en het als bijlage daarbij gevoegde overzicht van historische telefoongegevens, los in het dossier gevoegd.

81 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 9 januari 2018, map 6, p. 2362 t/m 2366.

82 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 8 februari 2018, map 7, p. 2697.

83 Het proces-verbaal van verhoor van [verdachte] d.d. 8 februari 2018, map 7, p. 2691.

84 Het proces-verbaal van bevindingen AH-062-01 d.d. 5 februari 2018, map 7, p. 2687.

85 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 12 januari 2018, map 5, p. 1879 t/m 1882, het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 3] d.d. 23 januari 2018, map 6, p. 2268 en 2269, en het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte 1] d.d. 9 januari 2018, map 6, p. 2363.