Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4538

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
18/850089-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen en dat hij opzettelijk cocaïne en heroïne aanwezig heeft gehad. Verdachte wordt dan ook van deze feiten vrijgesproken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/850089-17

vorderingen na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 18/820187-14 en

18/830363-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] ,

thans UAH gedetineerd te PI Leeuwarden te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

25 oktober 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. van der Graaf, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 oktober 2016 t/m 14 november 2017, in de gemeente Groningen en/of elders in Nederland, van het plegen van witwassen al dan niet een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij (op verschillende tijdstippen in genoemde periode) meermalen, althans eenmaal, (van) een of meer voorwerp(en), te weten

- in totaal (ongeveer) 23.800 euro, zijnde de uitkomst van een kasopstelling, in elk geval (telkens) een hoeveelheid geld, verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans gebruik gemaakt,

en/of

- een of meer horloges (merken Rolex, Marc Ecko, Hublot en/of Cartier, met

accessoires), en/of

- meerdere dure (merk)kledingstukken en/of schoenen, en/of

- ( op of omstreeks 4 juli 2017) een auto, merk BMW, kenteken [kenteken], verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans gebruik gemaakt,

terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerp(en) geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf,

2.

hij op of omstreeks 14 november 2017, in de gemeente Groningen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 104 gram heroïne en/of 0,78 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne en/of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de

Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting veroordeling gevorderd voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De verklaring van verdachte met betrekking tot feit 1 omtrent de inkomsten die hij naast zijn uitkering heeft gehad, is volstrekt ongeloofwaardig. Uit navraag bij de belastingdienst blijkt dat verdachte over het jaar 2017 geen belastingaangifte heeft gedaan. Als er al alternatieve inkomstenbronnen zijn geweest, heeft verdachte hiervan geen aangifte gedaan, hetgeen strafbaar is. Dit betekent ook dat verdachte uitkeringsfraude heeft gepleegd, nu inkomsten invloed hebben op de hoogte van zijn Wajong-uitkering. Verdachte heeft een geldbedrag en voorwerpen omgezet die met name onmiddellijk afkomstig zijn uit de misdrijven belasting- en uitkeringsfraude. Van het ten laste gelegde geldbedrag moet het aankoopbedrag van de BMW worden afgetrokken. Tevens moeten de horloges uit de tenlastelegging worden gestreept, nu het om nephorloges gaat.

Met betrekking tot de onder 2 ten laste gelegde heroïne is komen vast te staan dat slechts 0,6% heroïne is. Omdat het overgrote deel bestaat uit versnijdingsmiddelen, is voor de ten laste gelegde heroïne geen straf gevorderd. De louter ontkennende verklaring die verdachte omtrent de aangetroffen cocaïne heeft afgelegd, is ongeloofwaardig.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte met betrekking tot feit 1 een concrete, min of meer verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van de voorwerpen en het geldbedrag. Die verklaring kan getoetst worden en de bewijslast ligt daarom weer bij het openbaar ministerie. De officier van justitie heeft niet aannemelijk gemaakt dat het geld en de voorwerpen middellijk of onmiddellijk afkomstig zijn van enig misdrijf. De redenering van de officier van justitie dat het geld en de voorwerpen afkomstig zijn van belasting- en uitkeringsfraude gaat niet op. Dan hadden deze feiten ten laste gelegd moeten worden, hetgeen niet is gebeurd.

Met betrekking tot feit 2 kan op grond van het NFI-rapport geconcludeerd worden dat geen sprake is van heroïne. Betreffende de aangetroffen 0,78 gram cocaïne is verdachte zich niet in meer of mindere mate bewust geweest van de aanwezigheid daarvan. Geen bewijsmiddel wijst op wetenschap van verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

ten aanzien van feit 1

Naar inmiddels bestendige jurisprudentie kan, in een geval zoals dat zich hier voordoet, witwassen bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geld of de goederen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het ligt op de weg van het openbaar ministerie om het bewijs aan te dragen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Indien de aangedragen feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld of de goederen. De door verdachte te geven verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn.

De rechtbank heeft uit de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband kunnen afleiden tussen het ten laste gelegde voorwerp en een bepaald misdrijf. In dit geval heeft verdachte concrete informatie gegeven omtrent zijn alternatieve inkomstenbronnen. De rechtbank acht deze verklaring concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Onder deze omstandigheden had het op de weg van het openbaar ministerie gelegen om nader onderzoek te doen naar de door verdachte gestelde herkomst van het geld en de goederen. Het openbaar ministerie heeft enig onderzoek verricht, maar dit onderzoek heeft geen feiten en omstandigheden aan het licht gebracht op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat het niet anders kan zijn dan dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag en de goederen onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Dit betekent dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen zoals ten laste is gelegd.

ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de aangetroffen cocaïne en heroïne opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Ten aanzien van de heroïne stelt de rechtbank vast dat de heroïne is aangetroffen in een door verdachte gehuurde opslagruimte. Verdachte heeft verklaard dat hij niet wist dat er heroïne bevattende stof in deze ruimte lag en voorts dat ook anderen toegang tot de opslagruimte hadden. Of de opslagruimte door anderen werd gebruikt, is door de politie echter niet onderzocht, zodat het mogelijk is dat naast verdachte ook anderen beschikkingsmacht gehad zouden kunnen hebben over de heroïne.

Ook met betrekking tot de cocaïne heeft verdachte een ontkennende verklaring afgelegd. Nu uit het dossier niet duidelijk is geworden waar de cocaïne precies is aangetroffen, is er naar het oordeel van de rechtbank ook met betrekking tot dit deel van de tenlastelegging geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen voorwerpen, te weten nephorloges en –doosjes, vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu het bezit ervan strafbaar is op grond van artikel 337 van het Wetboek van Strafrecht en het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte derhalve in strijd is met de wet.

Vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 2 februari 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van deze rechtbank van 27 november 2014 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 240 dagen.

Tevens heeft de officier van justitie bij vordering d.d. 28 februari 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij vonnis van deze rechtbank van 17 april 2015 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 120 dagen.

Nu verdachte wordt vrijgesproken van de hem ten laste gelegde feiten, zullen beide vorderingen worden afgewezen.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de volgende in beslag genomen voorwerpen:

- 1 horloge, kleur zilver, Marc Ecko;

- 1 horloge, kleur zwart, Hublot Big Bang;

- 1 horloge, kleur zilver, Rolex;

- 2 Rolex doosjes, kleur groen;

- 1 horloge, kleur goud, Rolex;

- 1 horloge, Cartier (zwart polsbandje/klokje met steentjes);

- 1 Rolex doosje, kleur groen (Rolextasje met Rolexdoosje).

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/820187-14:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van deze rechtbank d.d. 27 november 2014.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/830363-14:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van deze rechtbank d.d. 17 april 2015.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.B. Holsink, voorzitter, mr. A. Jongsma en

mr. M.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door A.W. ten Have-Imminga, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 november 2018.

Mr. Holsink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.