Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4537

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-11-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
18/830000-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord Nederland heeft het beroep op noodweer gehonoreerd ten aanzien van de poging tot doodslag en de bedreiging met een misdrijf tot het leven gericht. De rechtbank ontslaat verdachte voor deze feiten van alle rechtsvervolging. Wel acht de rechtbank verdachte schuldig aan het voorhanden hebben van verboden wapens en munitie. Zij zal hiervoor een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 120 dagen, waarvan 76 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest.

Wetsverwijzingen
Wet wapens en munitie 26
Wet wapens en munitie 55
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830000-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 november 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 25 oktober 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.S. Özsaran, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homans.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. Primair

hij op of omstreeks 1 januari 2018 te [pleegplaats] , in de gemeente Loppersum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, al dan niet met voorbedachte rade, [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevoerd op het (boven)lichaam (te weten onder meer nabij de hartstreek en/of de lever) van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 1 januari 2018 te [pleegplaats] , in de gemeente Loppersum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk, al dan niet met voorbedachte rade, aan een persoon (te weten [slachtoffer 1] ), zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een vuurwapen een (aantal) kogel(s) heeft afgevoerd op het (boven)lichaam van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op of omstreeks 1 januari 2018 te [pleegplaats] , in de gemeente Loppersum, een of meer (vuur)wapens van categorie III, te weten een pistool (merk Walther) en/of een gasrevolver (merk Röhm) en/of een gasrevolver (merk ME) en/of munitie van categorie III, te weten een kogelpatroon (merk S&B) en/of een (aantal) knalpatro(o)n(en) (merk UNIS) en/of een (aantal) pyro-patro(o)n(en) (merk Umarex), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 1 januari 2018 te [pleegplaats] , in de gemeente Loppersum, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door een vuurwapen te richten op, althans tonen aan, die [slachtoffer 2] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag wettig en overtuigend bewezen. Ook het onder 2 ten laste gelegde bezit van de verboden wapens acht zij wettig en overtuigend bewezen, alsmede de onder 3 ten laste gelegde bedreiging.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw voert aan dat verdachte heeft erkend dat hij met een pistool op aangever [slachtoffer 1] heeft geschoten, dat hij in het bezit was van verboden wapens en dat hij ook dreigend met hetzelfde pistool heeft gericht op aangever [slachtoffer 2] .

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat bij de beoordeling van het aan verdachte ten laste gelegde uit van de verklaring van verdachte en zijn partner, getuige [getuige 1] . De rechtbank acht daarvoor van belang dat verdachte tegenover de politie direct een bekennende verklaring heeft afgelegd. Verdachte heeft verklaard dat hij met een pistool op [slachtoffer 1] heeft geschoten, nadat deze op hem geschoten had. Zijn partner, getuige [getuige 1] , heeft een eensluidende verklaring afgelegd, terwijl zij daaraan voorafgaand geen mogelijkheid hebben gehad voor overleg. Zij telefoneerde met de meldkamer totdat de politie arriveerde. Getuigen [getuige 2] en [slachtoffer 2] hebben bovendien beiden verklaard over één schietmoment. [getuige 2] omschrijft dat er werd geschoten toen [slachtoffer 1] uit zijn woning kwam rennen. Hij heeft twee schoten gehoord. Enkel uit de verklaring van [slachtoffer 1] volgt het door hem geschetste scenario waarin hij eerst beschoten zou zijn door verdachte, waarna hij gewond in zijn woning een alarmpistool heeft gepakt en daarna pas daarmee zelf op verdachte heeft geschoten. Er is echter geen bloed aangetroffen op de plaats waar aangever zijn alarmpistool in huis bewaarde, zodat het door [slachtoffer 1] beweerdelijke latere schietmoment niet wordt ondersteund door getuigenverklaringen dan wel forensisch bewijs. Voorts blijkt uit het dossier dat verdachte en [getuige 1] die avond nuchter waren, terwijl [slachtoffer 1] , [getuige 2] en [slachtoffer 2] behoorlijk onder invloed van alcohol waren. Ook hebben zij getracht het wapen van [slachtoffer 1] te verstoppen en hebben ze de aanwezigheid ervan in eerste instantie niet ter sprake gebracht. De rechtbank acht derhalve alles overwegende de verklaringen van verdachte en [getuige 1] geloofwaardig en betrouwbaar. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hierna te noemen bewijsmiddelen de onder 1 primair ten laste gelegde poging tot doodslag, het onder 2 ten laste gelegde verboden wapenbezit en de onder 3 ten laste gelegde bedreiging wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Feit 1 primair

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 primair, 2 en 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 oktober 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 15 januari 2018, opgenomen op pagina 179 e.v., d.d. 16 januari 2018, opgenomen op pagina 192 e.v. en 200 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018000595 d.d. 29 juni 2018, inhoudende de verklaringen van [slachtoffer 1] .

3. een letselrapportage betreffende [slachtoffer 1] , d.d. 5 maart 2018, opgemaakt door drs. [naam], opgenomen op pagina 214 e.v. van het voornoemd politiedossier.

Feit 2

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 oktober 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 1 mei 2018, opgenomen op pagina 225 e.v. van het voornoemd politiedossier, inhoudende de deskundige relatering van verbalisant aangaande wapens en munitie.

Feit 3

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 25 oktober 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 januari 2018, opgenomen op pagina 220 e.v. van het voornoemd politiedossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. Primair

hij op 1 januari 2018 te [pleegplaats] , in de gemeente Loppersum, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen een kogel heeft afgevoerd op het lichaam (te weten onder meer nabij de hartstreek en/of de lever) van die [slachtoffer 1] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 1 januari 2018 te [pleegplaats] , in de gemeente Loppersum, vuurwapens van categorie III, te weten een pistool (merk Walther) en een gasrevolver (merk Röhm) en een gasrevolver (merk ME) en munitie van categorie III, te weten een kogelpatroon (merk S&B) en een aantal knalpatronen (merk UNIS) en een aantal pyro-patronen (merk Umarex), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op 1 januari 2018 te [pleegplaats] , in de gemeente Loppersum, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door een vuurwapen te richten op die [slachtoffer 2] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde feit levert op:

1. Poging tot doodslag

2. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van de categorie III

3. Bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht

Strafbaarheid van de onder 1 en 3 bewezen verklaarde feiten:

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat sprake is van noodweer. Er werd op verdachte geschoten, zodat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdediging noodzakelijk was. Verdachte kon op dat moment niet anders dan terugschieten met het pistool dat hij voorhanden had. In de gegeven omstandigheid is met het schieten voldaan aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit. Hij werd immers zelf beschoten. Nadat het gevaar was geweken heeft hij geen geweld meer gebruikt. Voorts is er volgens de officier van justitie geen sprake van culpa in causa, ook al was verdachte degene die als eerste zijn vuurwapen heeft gepakt. De situatie was voor hem, gelet op de oplopende spanningen en de escalatie in de afgelegen woning, zo beangstigend dat het feit dat hij de drie indringers onder dreiging van een vuurwapen uit zijn woning zette te billijken is. Bij een gevecht zou hij, door zijn fysieke beperkingen, het onderspit delven. [slachtoffer 1] had daarentegen geen enkele reden om uit zijn huis een wapen te pakken en terug te keren naar de woning van verdachte. Bij feit 1 is derhalve sprake van noodweer. Dit is een rechtvaardigingsgrond waardoor geen sprake meer is van een strafbaar feit.

Dit geldt eveneens voor feit 3. Aangezien [slachtoffer 2] nog steeds in de deuropening bleef staan was de dreiging voor verdachte nog niet verdwenen. De officier van justitie vordert ten aanzien van de feiten 1 en 3 verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 en 3 aangevoerd dat sprake was van noodweer. Verdachte werd door [slachtoffer 1] beschoten en hij schoot direct terug. Het schieten was zo bedreigend dat dit kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Dat het uiteindelijk om een alarmpistool bleek te gaan, was op dat moment voor verdachte niet duidelijk. [slachtoffer 1] kwam rennend op hem af en schoot twee keer. Verdediging was op dat moment noodzakelijk. Verdachte kon zich niet onttrekken. Het terugschieten staat in redelijke verhouding tot de ernst van de aanranding en was proportioneel. Er was sprake van noodweer. Verdachte bevond zich in een hoogst dreigende situatie, waarin [slachtoffer 1] de agressor is geweest, zodat geen sprake is van culpa in causa. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank ten aanzien van feit 1 te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De raadsvrouw voert voor feit 3 eveneens aan dat er na het schietmoment nog steeds sprake was van een noodweersituatie. [slachtoffer 2] leunde tegen de voordeur met zijn voet op de drempel. Verdachte had in de gegeven omstandigheid geen andere mogelijkheid dan wederom te dreigen met zijn pistool.

Indien deze bedreiging zich heeft afgespeeld voor het schietmoment is naar de mening van de raadsvrouw sprake van psychische overmacht. Verdachte heeft in de beangstigende situatie gehandeld onder een wezenlijke en buitennormale -met name psychische- druk, waardoor onvoldoende sprake is van een voor strafbaarheid vereiste aanwezigheid van een daadwerkelijke wilsvrijheid ten tijde van de gedraging. De raadsvrouw heeft gepleit voor ontslag van alle rechtsvervolging.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat tussen verdachte, zijn partner en de buren al langere tijd sprake was van een burenruzie. Verdachte en zijn partner [getuige 1] hadden zich die bewuste nieuwjaarsavond daarom afzijdig gehouden van hun buren. De buurman, [slachtoffer 1] , kwam echter tweemaal aan de deur om aan verdachte en zijn partner nieuwjaarswensen over te brengen. Beide keren heeft [getuige 1] hem laten weten geen behoefte te hebben aan contact op deze avond. De derde keer, tegen de ochtend kwam [slachtoffer 1] samen met zijn broer [slachtoffer 2] en buurman [getuige 2] aan de deur. Ze waren inmiddels verregaand onder invloed van alcohol en stonden op de deur te bonken. Net daarvoor hadden zij bloempotten en sierbeelden dan wel –stenen van de familie [verdachte] in de sloot gekieperd. [slachtoffer 1] gaf nog steeds aan de situatie tussen hen te willen uitpraten en verdachte besloot uiteindelijk om ze binnen te laten. Door [slachtoffer 1] werd vervolgens geschreeuwd en gescholden naar verdachte en [getuige 1] , waarna [slachtoffer 1] uit het niets een kopstoot gaf aan verdachte, waardoor verdachte gewond raakte. Verdachte realiseerde zich dat de situatie escaleerde en dat hij en zijn partner in hun woning geen kant op konden. Buiten was een vluchtweg versperd door het uit de hand gelopen vreugdevuur van [slachtoffer 1] op de gezamenlijke weg. Bovendien had verdachte een versleten rug en vreesde hij dat hij in een gevecht met de drie mannen het onderspit zou delven. Hij wilde dat de mannen de woning zouden verlaten en zag geen andere mogelijkheid dan een pistool te pakken en daarmee te dreigen.

Volgens [getuige 1] stonden de mannen in de gang. [getuige 2] verklaart dat hij [slachtoffer 2] probeerde mee naar buiten te krijgen en dat ze in de deuropening bleven hangen. [slachtoffer 1] was op dat moment weggegaan uit de woning van verdachte, maar keerde vrij snel terug. Zowel [getuige 1] als verdachte verklaren dat [slachtoffer 1] zijn woning uit kwam en verdachte, als ook [getuige 2] verklaren dat dit rennend is geweest. [getuige 1] hoorde [slachtoffer 1] tweemaal schieten. Verdachte verklaart eveneens dat hij twee schoten zag en hoorde. In reactie daarop heeft hij direct met zijn pistool teruggeschoten. Volgens verdachte was het: 'hij of ik'. Hij heeft verklaard eenmaal ongericht op [slachtoffer 1] te hebben geschoten en daarbij heeft hij hem in het bovenlichaam geraakt. Hij stond op dat moment bij de deuropening, nog in de woning.

De rechtbank is van oordeel dat op het moment dat [slachtoffer 1] met een wapen uit zijn woning kwam rennen in de richting van verdachte en daarbij op verdachte schoot, er (wederom) sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, waardoor verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen. Dat later is gebleken dat het wapen van [slachtoffer 1] een alarmpistool betrof doet daaraan niet af omdat verdachte dat niet kon weten op het moment dat [slachtoffer 1] schoot. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte niet anders kunnen handelen of zich kunnen onttrekken aan de situatie. Verdachte bevond zich namelijk in zijn eigen woning, welke woning bovendien aan het eind van een doodlopende weg is gesitueerd, terwijl de gezamenlijke weg naar buiten was geblokkeerd. Het schieten was naar het oordeel van de rechtbank in dit geval bovendien proportioneel nu verdachte zelf beschoten werd door [slachtoffer 1] .

Voorafgaand aan het schietmoment werd verdachte in zijn eigen woning zodanig angst aangejaagd dat hij geen andere mogelijkheid zag dan het pakken van zijn pistool. De rechtbank is van oordeel dat daardoor met het pakken van het pistool geen sprake is van een gedraging voorafgaande aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer die in de weg staat voor het slagen van het beroep op noodweer. Verdachte is bovendien niet degene geweest die bewust de confrontatie met [slachtoffer 1] heeft opgezocht. Er is dan ook geen sprake van culpa in causa.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte gehandeld heeft uit noodweer, zodat het onder 1 ten last gelegde niet strafbaar is. De rechtbank zal verdachte ten aanzien van feit 1 ontslaan van alle rechtsvervolging.

Na het schietincident bleef aangever [slachtoffer 2] in de deuropening staan en wilde weer de woning van verdachte binnen gaan. [getuige 2] heeft verklaard dat hij heeft geprobeerd [slachtoffer 2] weg te halen bij de woning van verdachte, maar dat dat niet lukte. Verdachte heeft toen het pistool op [slachtoffer 2] gericht en gezegd dat hij niet in de woning mocht komen. De rechtbank is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden sprake is van een voortdurende noodweersituatie, zodat het onder 3 ten laste gelegde eveneens niet strafbaar is. De rechtbank zal verdachte ook ten aanzien van feit 3 ontslaan van alle rechtsvervolging.

Strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde feit:

Het onder 2 ten laste gelegde is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

De rechtbank acht verdachte ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met aftrek van het voorarrest.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een gevangenisstraf maximaal gelijk aan de duur van het voorarrest met aftrek en eventueel met een voorwaardelijk deel of een geldboete erbij.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van verboden wapens en munitie. Er moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegde bezit van een vuurwapen, omdat dit -zoals in het onderhavig geval- kan leiden tot het gebruik ervan en er slachtoffers vallen. Verdachte heeft met een scherp wapen geschoten en heeft daarbij het slachtoffer verwond aan zijn bovenlichaam en arm. Het slachtoffer is hiervan nog steeds niet volledig hersteld. De rechtbank rekent dit verdachte aan.

De Oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS gaan voor het verboden wapenbezit uit van een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden. De rechtbank ziet aanleiding om van deze uitgangspunten af te wijken en een lagere gevangenisstraf op te leggen.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte het betreffende pistool niet in zijn bezit had om zich te bewapenen, maar dat het een erfstuk was van zijn vader. Het diende niet bij voorbaat als een afschrikkingsmiddel. Bovendien is gebleken dat het slachtoffer de rol van agressor in het geheel heeft gehad.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. De reclassering heeft in haar rapportage van 7 mei 2018 bovendien opgemerkt dat bij verdachte geen sprake is van criminogene factoren en het recidiverisico laag is. De wel ondergane vrijheidsbeneming van zeven weken voorlopige hechtenis heeft een grote impact gehad op verdachte, die daar zodanige psychische en emotionele klachten van overhield dat hij daar medicatie voor moest gebruiken. Deze gevolgen zijn heden ten dage nog niet volledig hersteld.

Het is de rechtbank gebleken dat er nog steeds sprake is van een gespannen situatie tussen verdachte en zijn buren en er rekening moet gehouden worden met een nieuwe escalatie (en mediation kennelijk geen optie is door gebrek aan medewerking van partijen) zodat de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden acht, met aftrek van het voorarrest.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:

1.
[slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 2.029,15 ter zake van materiële schade en € 7.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 54,48 ter vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

1. Benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft, hoewel sprake is van een geslaagd beroep op noodweer, schade geleden. Er kan naar de schadevergoedingsverplichting worden gekeken. Om de hoogte van de schade te bepalen wordt rekening gehouden met de eigen bijdrage van de benadeelde partij en de redelijkheid en billijkheid. De materiële schade kan op € 0,00 worden gesteld nu de extra kosten voor mankracht fictief zijn en het inkomensverlies door de bijdrage van het UWV kleiner is gebleken. De immateriële schade kan met 75% worden gecorrigeerd, gezien het eigen aandeel van de benadeelde partij in deze situatie. Het schadebedrag kan tot € 212,78 worden toegewezen. Voor het overige moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

2. De materiële schade van benadeelde partij [slachtoffer 2] bestaat uit door hem opgenomen verlofuren in verband met het derde politieverhoor. Benadeelde partij heeft ervoor gekozen om niet meteen openheid van zaken te geven, zodat deze schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. De immateriële schade is onvoldoende onderbouwd. De vordering moet niet-ontvankelijk worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

1. Primair moet de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk worden verklaard gelet op het beroep op noodweer. Subsidiair dient de vordering te worden afgewezen en meer subsidiair, indien de vordering zal worden toegewezen, pleit de raadsvrouw ervoor om rekening te houden met het eigen aandeel van benadeelde. De vordering ten aanzien van het immateriële schadebedrag moet minstens met 75% worden gematigd. De materiële schade ten aanzien van de ziektekosten kan worden meegenomen.

2. Primair moet de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk worden verklaard gelet op het beroep op noodweer. Subsidiair moet de vordering worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank

Zoals hiervoor is overwogen zal verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging voor de ten laste gelegde feiten 1 en 3. Gelet op artikel 361, tweede lid onder a, Strafvordering zijn beide benadeelde partijen naar het oordeel van de rechtbank niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde bewezen als voormeld maar niet te zijn een strafbaar feit.

Ontslaat verdachte ter zake van alle rechtsvervolging.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 76 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van 18/830000-18, feit 1:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn vordering niet-ontvankelijk is. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Ten aanzien van 18/830000-18, feit 3:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zijn vordering niet-ontvankelijk is. Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.B. Holsink, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. M.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 november 2018.

mr. Holsink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.