Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:448

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-02-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
18/730145-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontucht plegen en ontuchtige handelingen verrichten met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige. Lange periode. Bekennende verdachte. First offender.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 245
Wetboek van Strafrecht 248
Wetboek van Strafrecht 259
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730145-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 9 februari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 januari 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Albayrak, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van [geboortedag slachtoffer] 2006 tot [geboortedag slachtoffer]

2011, te Oosterwolde, gemeente Ooststellingwerf, meermalen, ontucht heeft

gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, althans een aan zijn zorg

toevertrouwde minderjarige, te weten met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] 1993, bestaande die ontucht uit het:

-likken van haar vagina en/of

-zich door haar laten aftrekken en/of

-het klaarkomen op haar buik;

2.

hij in of omstreeks de periode van [geboortedag slachtoffer] 2006 tot [geboortedag slachtoffer] 2009, te

Oosterwolde, gemeente Ooststellingwerf, meermalen, met een kind dat hij

verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn gezin, althans met een aan zijn

zorg toevertrouwde minderjarige, te weten met [slachtoffer] (geboren op

[geboortedag slachtoffer] 1993), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van

zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige

handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede

bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer]

, hebbende verdachte haar (telkens) vaginaal gepenetreerd met zijn

vinger en/of penis.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Met betrekking tot het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft de raadsman verzocht de aanvangsdatum van de periode te verleggen naar 1 juni 2007, gelet op de verklaringen van aangeefster en verdachte. Aangeefster is rond haar 13e verjaardag bij verdachte komen wonen en de seksuele handelingen zijn daarna begonnen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 1 en 2 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 januari 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 17 maart 2017, opgenomen op pagina 38 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2017047432 d.d. 19 april 2017, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .

Met betrekking tot het verweer van de raadsman over de startdatum van de periode is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat zowel uit de verklaring van aangeefster als uit de verklaring van verdachte kan worden opgemaakt dat de bewezenverklaarde feiten niet zijn begonnen op [geboortedag slachtoffer] 2006, de dag waarop aangeefster 13 jaar oud is geworden. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat het onder 1 en 2 bewezenverklaarde heeft plaatsgevonden in de periode vanaf 1 juni 2007 tot en met [geboortedag slachtoffer] 2011 respectievelijk [geboortedag slachtoffer] 2009.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 01 juni 2007 tot [geboortedag slachtoffer] 2011, te Oosterwolde, meermalen, ontucht heeft gepleegd met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, te weten met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] 1993, bestaande die ontucht uit het:

-likken van haar vagina en

-zich door haar laten aftrekken en

-het klaarkomen op haar buik;

2.

hij in de periode van 01 juni 2007 tot [geboortedag slachtoffer] 2009, te Oosterwolde, meermalen, met een kind dat hij verzorgde en opvoedde als behorend tot zijn gezin, te weten met [slachtoffer] , geboren op [geboortedag slachtoffer] 1993, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte haar vaginaal gepenetreerd met zijn vinger en/of penis.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. ontucht plegen met een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige, meermalen gepleegd.

2. met iemand die de leeftijd van twaalf jaren, maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl hij het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt en opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met als bijzondere voorwaarden reclasseringscontact en een behandeling bij de GGZ.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte zal zijn baan en woning verliezen bij een langdurige detentie. Hij heeft verzocht een gevangenisstraf van maximaal 1 maand op te leggen met daarnaast een fors voorwaardelijk deel en een onvoorwaardelijke taakstraf. Ter onderbouwing van zijn verzoek heeft de raadsman verwezen naar een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland, waarin een straf is opgelegd zoals hier door de officier van justitie is geëist (ECLI:NL:RBNNE:2017:4049). In die uitspraak was er sprake van twee slachtoffers. Nu in casu sprake is van één slachtoffer, is volgens de raadsman de door hem bepleite straf meer passend.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de rapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veelvuldig verrichten van ontuchtige handelingen, waaronder het seksueel binnendringen, met een minderjarig meisje gedurende een periode van ruim vier jaar. Het slachtoffer was de dochter van zijn ex-partner. Een aantal maanden voordat het misbruik begon, is zij bij verdachte komen wonen omdat zij bij haar moeder geen veilig thuis had. Met dit handelen heeft hij niet alleen een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, maar heeft hij tevens misbruik gemaakt van het overwicht dat hij als volwassene had. Daarmee heeft hij het vertrouwen, dat het slachtoffer in hem mocht hebben, ernstig geschonden, te meer nu het slachtoffer verdachte beschouwde als haar vader. Dit ontuchtig handelen kan, naar de ervaring leert, voor het slachtoffer nadelige psychische gevolgen van mogelijk lange duur met zich brengen. Daarnaast heeft verdachte het slachtoffer geld of wiet gegeven na het verrichten van de ontuchtige handelingen. Hoewel verdachte aangeeft dat hij dit niet had mogen doen, heeft verdachte tot op heden weinig inzicht in de gevolgen die het voor het slachtoffer heeft. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte blijkens zijn strafblad niet eerder onherroepelijk is veroordeeld.

De rechtbank is van oordeel dat op de bewezenverklaarde feiten niet anders kan worden gereageerd dan met een langdurige (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gekeken naar de straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd, waaronder de uitspraak waarnaar is verwezen door de raadsman. De rechtbank komt daardoor tot een lagere straf dan geëist door de officier van justitie. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, passend en geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Zij vordert een bedrag van € 153,34 ter vergoeding van materiële schade en € 1.500,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van deze schadevergoeding, vermeerderd met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft de civiele vordering van de benadeelde partij niet betwist.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden en dat deze een rechtstreeks gevolg is van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. De vordering, waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf [geboortedag slachtoffer] 2009. Nu vast staat dat verdachte aansprakelijk is voor deze schade, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 245, 248 en 259 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden

Bepaalt dat (van) deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarde(n):

  1. dat de veroordeelde zich op uitnodiging van de reclassering meldt bij Reclassering Nederland, Zoutbranderij 1 te Leeuwarden. Hierna zal veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;

  2. dat de veroordeelde een behandeling bij de GGZ Friesland polikliniek forensische psychiatrie of bij een soortgelijke ambulante forensische zorginstelling zal ondergaan, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die de veroordeelde in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-) directeur van die instelling zullen worden gegeven.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.653,34 (zegge: duizend zeshonderddrieënvijftig euro en vierendertig eurocent), (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf [geboortedag slachtoffer] 2009).

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € € 1.653,34 (zegge: duizend zeshonderddrieënvijftig euro en vierendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 26 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 153,34 aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. C.A.J. Tuinstra, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 februari 2018.

Mrs. W.S. Sikkema en C.A.J. Tuinstra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.