Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4364

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
30-10-2018
Zaaknummer
C/19/121937 / HA ZA 18-36
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht; terugneemrecht echtgenoot; toepassing bewijsregels artikel 61 lid 4 Fw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/627
INS-Updates.nl 2019-0019
RFR 2019/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/121937 / HA ZA 18-36

Vonnis van 24 oktober 2018

in de zaak van

SASKIA VAN GESSEL, in haar hoedanigheid van curator in het faillissement van [LL] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. B.M.J. Pelzer te Veendam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. W.H. Bussink te Assen.

Partijen zullen hierna de curator en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 6 juni 2018.

  • -

    de comparitie van 28 september 2018.

  • -

    de aantekeningen van de zijde van de curator.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1

[gedaagde] is in 1978 in gemeenschap van goederen gehuwd met de heer [dL] (hierna: [dL] ).

2.2

In 1984 hebben [gedaagde] en [dL] een woning aan de [adres] te [woonplaats] (hierna: de woning) gekocht.

2.3

In 2008 hebben [gedaagde] en [dL] huwelijkse voorwaarden gesloten met algehele uitsluiting van de huwelijksgoederengemeenschap. Bij de verdeling heeft [gedaagde] het eigendom van de woning, een Volvo V70 met kenteken [XXX] en de saldi van een drietal bankrekeningen toebedeeld gekregen. De op de woning rustende hypotheekschuld is toebedeeld aan [dL] .

2.4

Bij vonnis van de rechtbank Noord-Nederland d.d.12 december 2017 is [dL] failliet verklaard met benoeming van Van Gessel tot curator. Het tekort in het faillissement van [dL] bedroeg per 9 februari 2018 € 9.916.237,26.

2.5

Bij brief d.d. 13 december 2017 heeft de curator aan [gedaagde] medegedeeld dat haar ten aanzien van de woning geen terugneemrecht van artikel 61 lid 1 Fw toekomt omdat aangenomen moet worden dat zij de woning niet zelf heeft betaald, althans niet voor meer dan 50% uit privé middelen heeft gefinancierd.

3 Het geschil

3.1.

Van Gessel vordert, na vermeerdering van eis, bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. te verklaren voor recht dat

- de onroerende zaken, gelegen te [woonplaats] aan de [adres] , kadastraal bekend [woonplaats] sectie [X] nr. [X] , en de zich daarop bevindende opstallen,

- de Volvo V70 met kenteken [XXX] ,

- alle goederen van [gedaagde] , gelden en/of geldswaarden die genoemde schuldenaren Coöperatieve Rabobank U.A., ABN AMRO Bank NV en Deutsche Bank AG onder zich hebben; vorderingen die [gedaagde] op genoemde schuldenaren heeft; roerende zaken die genoemde schuldenaren onder zich hebben en geen registergoederen zijn; alsmede op die vorderingen die [gedaagde] op genoemde schuldenaren uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen.

deel uitmaken van de failliete boedel van [dL] en dat [gedaagde] deze onroerende zaken derhalve niet kan/mag terugnemen uit de boedel ex artikel 61 lid 1 Fw (oud);

II. voor recht te verklaren dat ex artikel 61 Fw (oud) het faillissement van [dL] het gehele vermogen van [dL] en [gedaagde] omvat, behoudens de vermogensbestanddelen waarvan [gedaagde] ten genoege van de rechtbank in de onderhavige procedure heeft aangetoond dat zij deze ex artikel 61 Fw (oud) terug kan nemen;

III. [gedaagde] te veroordelen om op eerste verzoek van de curator bij deurwaardersexploot, voornoemde onroerende zaken met al het hare en de haren te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels, en de onroerende zaken ter vrije beschikking te stellen van de curator, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag en/of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, en de curator te machtigen om bij niet tijdige ontruiming deze zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm en de deurwaarder;

IV. [gedaagde] te veroordelen tot afgifte aan de curator van voornoemde Volvo V70 met bijbehorende sleutel en reservesleutel alsmede het bijbehorende kentekenbewijs en overschrijvingsbewijs, een en ander op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag en/of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;

V. voor recht te verklaren dat de curator bevoegd is om de sub I. genoemde zaken ten behoeve van de faillissementsboedel van genoemde gefailleerde te gelde te maken;

IV. [gedaagde] te veroordelen om op eerste verzoek van de curator bij deurwaardersexploot medewerking te verlenen aan de overdracht en levering van de in sub I. genoemde onroerende zaken aan een door de curator aan te wijzen derde, een en ander op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag en/of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen en mr. E. Akkerman, notaris te Zuidlaren, en zijn plaatsvervangers, verbonden aan Notariaat Zuidlaren gevestigd te Zuidlaren - althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen andere vertegenwoordiger - aan te wijzen als vertegenwoordiger van [gedaagde] om genoemde overdracht en levering namens haar te verrichten;

VII. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief de kosten van het conservatoir beslag dat op 15 december 2017 op de woning is gelegd en de kosten van de op 6 april 2018 ten laste van [gedaagde] gelegde beslagen op haar bankrekening en Volvo V70.

3.2.

De curator legt kort gezegd aan haar vordering ten grondslag dat de woning, de auto en de banktegoeden op grond van artikel 61 lid 4 Fw (oud) jo. 1:95 lid 1 BW als onderdeel van de faillissementsboedel dienen te worden beschouwd en dat zij op grond daarvan tot uitwinning ten behoeve van de boedel over kan gaan.

3.3

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 61 Faillissementswet (Fw) met ingang van 1 januari 2018 is gewijzigd. Op grond van het overgangsrecht is echter in dit geval, nu het faillissement van [dL] voor 1 januari 2018 is uitgesproken, de tot dan geldende versie van artikel 61 Fw van toepassing.

4.2

Aan de orde is het antwoord op de vraag of [gedaagde] het terugneemrecht van artikel 61 lid 1 Fw toekomt van de haar in eigendom toebehorende onroerende zaak, de auto en de banksaldi. De curator heeft zich, ter zake van haar standpunt dat zij tot uitwinning van de zaken over kan gaan, beroepen op artikel 61 lid 4 Fw. [gedaagde] heeft aangevoerd dat het artikel toepassing mist omdat de zaken zijn aangekocht en verkregen in de periode dat zij in gemeenschap van goederen was gehuwd, zodat geen sprake was van privévermogen. De rechtbank oordeelt als volgt.

4.3

Het uitgangspunt van de Faillissementswet is dat goederen die aan beide echtgenoten toebehoren in de faillissementsboedel vallen. Tussen [gedaagde] en [M] bestaat geen enkele huwelijksgemeenschap, zo volgt uit hun staande het huwelijk opgemaakte huwelijkse voorwaarden. Artikel 61 lid 1 Fw (oud) bepaalt dat de echtgenoot alle goederen die hem/haar toebehoren en niet in een gemeenschap vallen, uit het faillissement kan terugnemen. Artikel 61 lid 4 Fw (oud) voegt hier nog een bijzondere (bewijs)regel aan toe dat goederen, voortgesproten uit belegging of wederbelegging van aan de echtgenoot buiten de gemeenschap toebehorende gelden, door de echtgenoot kunnen worden teruggenomen, mits de belegging of wederbelegging in geval van geschil door voldoende bescheiden ten genoegen van de rechter wordt bewezen (bewijslevering door getuigenbewijs is niet toegestaan). Op de belegging/wederbelegging is artikel 1:95 lid 1, eerste volzin, BW van toepassing. Samengevat betekent dit dat de niet failliete echtgenoot ( [gedaagde] ) dient aan te tonen dat de onroerende zaken voor meer dan de helft met eigen middelen zijn gefinancierd. Gelet op artikel 1:95 lid 1 BW is het moment van verkrijgen (van de onroerende zaken) bepalend voor het antwoord op de vraag of [gedaagde] voor meer dan de helft uit eigen vermogen heeft bijgedragen. Indien [gedaagde] niet in dit bewijs slaagt valt de woning in de faillissementsboedel, ongeacht de eigendomsvraag vlg. HR 23 mei 1924, NJ 1924, p. 817 en HR 27 mei 1966, NJ 1966, 352: deze regel geldt ook voor echtgenoten die buiten iedere gemeenschap van goederen zijn gehuwd.

4.4

Volgens de wetgeschiedenis van artikel 61 Fw heeft dit artikel de strekking dat, bij verhaal op vermogen, alle goederen worden geacht gemeenschappelijk te zijn, tenzij het tegendeel wordt bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het geen verschil, anders dan door [gedaagde] is betoogd, of partijen bij aanvang van het huwelijk of staande het huwelijk huwelijkse voorwaarden hebben opgesteld. De bewijsregels van artikel 61 lid 4 Fw zijn in beide situaties van toepassing, juist om te voorkomen dat huwelijkse voorwaarden worden bedongen teneinde vermogensbestanddelen te onttrekken aan verhaal voor schuldeisers. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 61 lid 4 Fw juist voor situaties als de onderhavige bedoeld. [gedaagde] zal dan ook moeten voldoen aan de bewijsregels van artikel 61 lid 4 Fw om aanspraak te kunnen maken op het terugneemrecht. Ter zake daarvan oordeelt de rechtbank als volgt.

De woning

4.5

Tussen partijen is niet in geschil dat de woning eigendom is van [gedaagde] . De rechtbank stelt vast dat de verkrijging van de woning (in elk geval deels) is gefinancierd door middel van een verkregen hypothecaire financiering. [gedaagde] heeft dit ter zitting erkend. Hieruit blijkt dat de financiering van de onroerende zaak uit vreemd vermogen heeft plaatsgevonden en dus niet uit eigen middelen, laat staan voor meer dan de helft. Gelet daarop acht de rechtbank niet bewezen dat de woning ten tijde van de verkrijging, zoals artikel 1:95 lid 1 BW vereist, voor meer dan 50% uit privégelden van [gedaagde] zijn gefinancierd. De enkele omstandigheid dat de woning tijdens het huwelijk deels is gekocht met gemeenschapsgeld kan [gedaagde] ook niet baten, omdat ook daaruit ook niet volgt dat de woning voor meer dan 50% uit eigen vermogen van [gedaagde] is gefinancierd.

De auto

4.6

[gedaagde] heeft slechts gesteld dat de koopprijs van de auto bij de verdeling ten laste is gekomen van de huwelijksgemeenschap. Zij heeft niets gesteld over de hoogte van de koopsom van de auto. Evenmin heeft zij gesteld, althans onderbouwd dat zij de auto (voor meer dan de helft) uit eigen middelen heeft gefinancierd, laat staan dat zij ter zake schriftelijk bewijs heeft overgelegd (of aangeboden) met betrekking tot de door haar gestelde wijze van financiering van de auto. Zij heeft (dit onderdeel van) het te leveren bewijs als bedoeld in artikel 61 lid 4 Fw aldus, naar het oordeel van de rechtbank niet geleverd.

De banksaldi

4.7

De rechtbank is met de curator van oordeel dat de stellingen van [gedaagde] onvoldoende onderbouwd zijn met betrekking tot het door haar door middel van schriftelijke bescheiden te bewijzen feit dat zij voor meer dan de helft uit eigen vermogen heeft bijgedragen aan de verkrijging van de op naam van [gedaagde] gestelde bankrekeningen bij de Coöperatieve Rabobank U.A., ABN AMRO Bank NV en Deutsche Bank AG.

4.8

De door [gedaagde] overgelegde bescheiden bieden geen voldoende verklaring voor de herkomst van de saldi op deze bankrekeningen, laat staan dat daaruit genoegzaam blijkt dat bedoelde bankrekeningen met eigen middelen zijn gevoed door [gedaagde] . De handgeschreven overzichten en daarbij gegeven toelichting zijn oncontroleerbaar en bovendien door de curator gemotiveerd bestreden. [gedaagde] heeft ter zitting weliswaar aangevoerd dat zij door middel van een eigen onderneming een eigen inkomen heeft verworven, maar de bewijzen hiervan zijn niet in het geding gebracht. Dat [gedaagde] door de jaren heen belastingteruggaven, een erfenis en een uitkering van een pensioenfonds heeft ontvangen, maakt het oordeel ook niet anders, nu het gaat om banktegoeden die [gedaagde] per datum faillissement en nadien heeft ontvangen. Daarvan is geen bewijs bijgebracht, en daarnaast ook niet dat die saldi van haar eigen middelen afkomstig zijn geweest. Naar het oordeel van de rechtbank is er, mede gelet op gemotiveerde betwisting van de stellingen door de curator, geen plaats voor bewijsopdracht voor [gedaagde] , te meer nu zij niet heeft aangegeven over welke bewijsmiddelen zij verder nog beschikt en waarom die dan nog niet in het geding zijn gebracht. Dit betekent dat [gedaagde] , niet heeft voldaan de ingevolge artikel 61 lid 4 Fw op haar rustende onderbouwingsplicht, zodat de banksaldi tot de faillissementsboedel moeten worden gerekend.

Conclusie

4.9

De vorderingen van de curator zijn daarmee toewijsbaar, met dien verstande dat de in verband met de gevorderde ontruiming gevorderde oplegging van (een) dwangsom(men) zal worden afgewezen. Daartoe is redengevend dat de deurwaarder op grond van de wet (artikel 556 lid 1 Rv) met ontruiming is belast en daartoe indien nodig de hulp van de sterke arm van politie en justitie kan inroepen. Tegen die achtergrond bestaat er geen grond om een dwangsom te verbinden aan de veroordeling tot ontruiming. Uit het voorgaande vloeit tevens voort dat de gevorderde machtiging aan de curator om de ontruiming desnoods zelf te bewerkstelligen - als niet op de wet gegrond - zal worden afgewezen. De gevorderde veroordeling jegens [gedaagde] om op eerste verzoek mee te werken aan overdracht en levering van de woning door de curator aan een derde acht de rechtbank wel toewijsbaar, evenals de daaraan verbonden vordering tot oplegging van dwangsom. Ten aanzien van de gevorderde ontruiming, overdracht en levering van de woning gaat de rechtbank er vanuit dat de curator een redelijke ontruimingstermijn zal hanteren van minimaal drie maanden.

4.10

De curator heeft verder nog gevorderd [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden aan de hand van de overgelegde beslagstukken vastgesteld op een bedrag van € 774,26, bestaande uit:

- de kosten van het door de deurwaarder opgesteld proces-verbaal conservatoir beslag onroerende zaak d.d. 15 december 2017 ad € 230,87,
- de kosten van betekening van het beslagverzoek en voormeld proces-verbaal ad € 82,39,
- 1 salarispunt conform het van toepassing zijnde liquidatietarief ad € 461,00.

4.11

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Van Gessel worden begroot op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht 291,00

- salaris advocaat 1.086,00 (2,0 punt × tarief € 543,00)

Totaal € 1.475,01.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat

- de onroerende zaken, gelegen te [woonplaats] aan de [adres] , kadastraal bekend [woonplaats] sectie [X] nr. [X] , en de zich daarop bevindende opstallen,

- de Volvo V70 met kenteken [XXX] ,

- alle goederen van [gedaagde] , gelden en/of geldswaarden die genoemde schuldenaren Coöperatieve Rabobank U.A., ABN AMRO Bank NV en Deutsche Bank AG onder zich hebben; vorderingen die [gedaagde] op genoemde schuldenaren heeft; roerende zaken die genoemde schuldenaren onder zich hebben en geen registergoederen zijn; alsmede op die vorderingen die [gedaagde] op genoemde schuldenaren uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen.

deel uitmaken van de failliete boedel van [dL] en dat [gedaagde] deze onroerende zaken derhalve niet kan/mag terugnemen uit de boedel ex artikel 61 lid 1 Fw (oud);

5.2.

verklaart voor recht dat ex artikel 61 Fw (oud) het faillissement van [dL] het gehele vermogen van [dL] en [gedaagde] omvat,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om op eerste verzoek van de curator bij deurwaardersexploot, voornoemde onroerende zaken met al het hare en de haren te ontruimen en ontruimd te houden en onder afgifte van de sleutels, en de onroerende zaken ter vrije beschikking te stellen van de curator;

5.4.

veroordeelt [gedaagde] tot afgifte aan de curator van voornoemde Volvo V70 met bijbehorende sleutel en reservesleutel alsmede het bijbehorende kentekenbewijs en overschrijvingsbewijs, een en ander op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 10.000,-- voor iedere dag en/of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;

5.5.

verklaart voor recht dat de curator bevoegd is om de onder sub 5.1 genoemde zaken ten behoeve van de faillissementsboedel van genoemde gefailleerde te gelde te maken;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] om op eerste verzoek van de curator bij deurwaardersexploot medewerking te verlenen aan de overdracht en levering van de in sub I. genoemde onroerende zaken aan een door de curator aan te wijzen derde, een en ander op straffe van verbeurte van een eenmalige dwangsom van € 5.000,-- voor iedere dag en/of dagdeel dat [gedaagde] in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen en mr. E. Akkerman, notaris te Zuidlaren, en zijn plaatsvervangers, verbonden aan Notariaat Zuidlaren gevestigd te Zuidlaren - althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen andere vertegenwoordiger - aan te wijzen als vertegenwoordiger van [gedaagde] om genoemde overdracht en levering namens haar te verrichten;

5.7.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van dit geding, aan de zijde van de curator vastgesteld op € 1.475,01, alsmede in beslagkosten ad € 774,26;

5.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. Groefsema en in het openbaar uitgesproken op 24 oktober 2018.1

1 type: 552/BB coll: