Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4339

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
18/830093-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor het plegen van ontuchtige handelingen met twee slachtoffers onder de 16 jaar.

Deze slachtoffers waren kwetsbare meisjes. Aan verdachte is een taakstraf van 80 uur opgelegd en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 247
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830093-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 oktober 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1958 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 oktober 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Helmantel, advocaat te Sappemeer. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Kappeyne van de Coppello.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2015 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2001), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het betasten en/of knijpen in de blote borsten van die [slachtoffer 1] ;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 juli 2016 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, meermalen, althans eenmaal, met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2002), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten en/of

knijpen in de blote borsten van die [slachtoffer 2] en/of het geven van een tongzoen aan die [slachtoffer 2] ;

3.

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2016 tot en met 31 juli 2016 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, met [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum] 2000, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het knijpen in de billen van die [slachtoffer 3] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 3 ten laste gelegde.

Voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie veroordeling gevorderd, met dien verstande dat het onder 2 ten laste gelegde kan worden bewezen gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 april 2016.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft voor vrijspraak gepleit van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de voorhanden zijnde bewijsmiddelen elkaar zo tegenspreken, dat de rechtbank op grond van die bewijsmiddelen niet de overtuiging kan bekomen dat verdachte het ten laste gelegde heeft gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen wettig bewijs is. In deze zaak ligt er slechts een aangifte. De aangifte wordt niet door ander bewijs ondersteund.

De raadsvrouw heeft voorts opgemerkt dat de auditu-verklaringen niet kunnen meewerken aan het bewijs. Daarnaast is het zo dat er diverse ontlastende verklaringen in het dossier zitten. Ook deze verklaringen moeten worden meegenomen bij de beoordeling van het bewijs. Tot slot heeft de raadsvrouw betoogd dat het erop lijkt dat de aangeefsters hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is, met de officier van justitie en de raadsvrouw, van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt dat niet voldaan wordt aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. De aangifte wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 oktober 2018, inhoudende, zakelijk weergegeven:

Er kwamen veel vriendinnen van mijn dochters bij mij thuis in Hoogezand. Ik heb de rug van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] gemasseerd. Ik heb hun bh losgemaakt, nadat ik had gevraagd of dat goed was. Het klopt dat de politie diverse briefjes en tekeningen van meisjes op mijn koelkast heeft aangetroffen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor benadeelde van Politie Noord-Nederland d.d. 27 juli 2016, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ongeveer twee jaar geleden zei ik dat ik echt last had van mijn rug. [verdachte] zat naast mij op de bank en hij zei: ik kan je wel masseren. [verdachte] zei: “ik moet je BH-band losmaken, want zo kan ik er niet bij”. [verdachte] masseerde zo bij mijn oksel en hij ging steeds meer naar voren en toen voelde hij aan mijn borsten en zei hij dat hij wilde controleren of ik borstkanker had.

Hij zat met zijn handen onder mijn BH. Ik had mijn armen om mijn borst en hij zei: “rustig maar” en hij drukte zijn handen van achteren onder mijn BH op mijn borsten. Hij ging voelen. Met zijn vingertoppen en toen met zijn volle hand. Ik zou het knijpen noemen. Ik heb dit op een gegeven moment tegen [getuige] gezegd.

Ik ging een keer naar de WC. [verdachte] liep achter mij aan. Hij vroeg : "mag ik iets DNA hebben van jou, mag ik spuug". [verdachte] zei: " dan moet jij spuug in mijn mond spugen ". Ik heb dat gedaan. [verdachte] slikte die spuug door. Toen ik dat had gedaan zei hij : "ik hou van jou, en ik wil je nooit kwijt en "Nu heb ik een stukje DNA van jou en raak ik je nooit meer kwijt".

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 27 december 2016, opgenomen op pagina 126 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

[verdachte] heeft mij best wel vaak gemasseerd. Hij ging ook met zijn vingertoppen masseren langs mijn ruggengraat en mijn rug en hier (opmerking verbalisanten: wrijft over haar borsten). Het gebeurde in zijn huis in de woonkamer op de bank. Hij zat helemaal onder mijn T-shirt. Hij zei “mag je bh-bandje even los? Dat kan ik hier ook even masseren.” Dit is sowieso wel meer dan vijf keer gebeurd. Hij masseerde mijn borsten. Hij is één keer met zijn tong in mijn mond geweest, op de bank. Ik gaf hem een kusje en hij deed in één keer zo (steekt tong uit). Die tong kwam toen in mijn mond terecht.

4. Een overig schriftelijk bescheid, te weten een kopie van een briefje, opgenomen op pagina 5 van de bijlagenmap behorend bij voornoemd dossier, inhoudende:

[slachtoffer 1] (..) heb je altijd dna van mij.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 10 januari 2017, opgenomen op pagina 317 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige] :

Ik kreeg van [slachtoffer 1] te horen dat ik voor [verdachte] uit moest kijken, omdat [verdachte] aan haar borsten had gezeten. Ze vertelde mij over dat spuug en de borsten aanraken. Ze zei: “tegen niemand zeggen, maar hij zat aan mijn borsten toen hij mij masseerde”. Ze vertelde dat ze op haar buik lag, dat ze haar BH aanhad. [verdachte] ging aan de zijkant. En toen raakte hij haar borsten aan. Om te kijken of zij kanker had of niet.

[slachtoffer 2] zei tegen mij dat ik moest uitkijken voor [verdachte] . [slachtoffer 2] zei dat [verdachte] aan haar borsten zat om te kijken of ze kanker had. [slachtoffer 2] zei dat het meerdere keren was gebeurd. Volgens mij ook BH losmaken, naar de zijkant, dan naar voren.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 8 november 2016, opgenomen op pagina 208 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik heb gezien dat [verdachte] ook aan de bovenkant van de borst van [slachtoffer 1] zat. Dat was tijdens het masseren. Ik was daarbij. Het masseren gebeurde bij [verdachte] thuis op de bank. Ze vroeg aan [verdachte] of hij haar wilde masseren. Dat deed [verdachte] en toen kwam zijn hand tijdens het masseren aan de bovenkant van de borst van [slachtoffer 1] .

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Noord-Nederland d.d. 17 januari 2017, opgenomen op pagina 394 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [verdachte] :

Het masseren van meisjes gebeurde bij mij op de bank. [slachtoffer 3] was er ook weleens bij.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Volgens het tweede lid van art. 342 Sv kan het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen ingeval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal. Daarbij geldt wel dat deze bepaling betrekking heeft op de bewezenverklaring als geheel en niet vereist dat elk aspect van de bewezenverklaring door meer dan één bewijsmiddel wordt ondersteund.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat niet is vereist dat het misbruik als zodanig bevestiging vindt in ander bewijsmateriaal, maar dat het afdoende is wanneer de verklaring van de aangever/-geefster op onderdelen voldoende steun vindt in andere bewijsmiddelen, afkomstig van een andere bron dan degene die de belastende verklaring heeft afgelegd. De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval (vgl. HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452).

In deze zaak gaat het om de tenlastelegging van twee zedendelicten in verschillende periodes, waarbij twee slachtoffers betrokken zijn. Beide slachtoffers hebben aangifte gedaan van ontuchtige handelingen. Uit de afgelegde verklaringen van de slachtoffers komt het volgende naar voren. De slachtoffers waren ten tijde van de ontuchtige handelingen 13 respectievelijk 14 jaar oud en zij waren bevriend met de dochter(s) van verdachte. Zij kwamen vaak bij verdachte thuis. Het misbruik vond in het geval van beide slachtoffers plaats op de bank in de woonkamer van verdachte, waar verdachte de slachtoffers masseerde. Alvorens over te gaan tot de ontuchtige handelingen, vroeg verdachte tijdens het masseren aan de slachtoffers of hij hun beha los mocht maken. Hij zei daarbij tegen hen dat hij wilde controleren of zij borstkanker hadden. Verdachte betastte vervolgens de ontblote borsten van de slachtoffers.

De rechtbank stelt allereerst vast dat het dossier geen aanknopingspunten bevat waaruit zou blijken dat de slachtoffers hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Uit hun verklaringen blijkt dat zij ieder op eigen wijze open en gedetailleerd hebben verklaard. Het enkele feit dat er onderling gesprekken hebben plaatsgevonden tussen (moeders van) slachtoffers, wil volgens de rechtbank nog niet zeggen dat er ook daadwerkelijk afstemming heeft plaatsgevonden.

Naar het oordeel van de rechtbank staan de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] niet op zichzelf, maar ondersteunen zij elkaar over en weer in voldoende mate. Daarnaast worden beide aangiftes ondersteund door ander bewijs. Zo vindt de aangifte van [slachtoffer 1] steun in de verklaring van verdachte zelf, de verklaring van getuige [slachtoffer 3], de verklaring van getuige [getuige] en het op de koelkast van verdachte aangetroffen briefje met daarop de tekst over het DNA.

De aangifte van [slachtoffer 2] vindt - naast de verklaring van [slachtoffer 1] - steun in de verklaring van verdachte zelf en de verklaring van getuige [getuige].

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 juli 2015 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, eenmaal met [slachtoffer 1] (geboren op [geboortedatum] 2001), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een ontuchtige handeling heeft gepleegd, bestaande uit het knijpen in de blote borsten van die [slachtoffer 1] ;

2.

hij in de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 april 2016 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, meermalen met [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2002), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten van de blote borsten van die [slachtoffer 2] en het geven van een tongzoen aan die [slachtoffer 2] .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen

2. met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek.

Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie onder andere rekening gehouden met de proceshouding van verdachte. Verdachte heeft geen berouw getoond voor de door hem gepleegde feiten. Daarnaast waren de slachtoffers kwetsbare meisjes en verdachte was daarvan op de hoogte. Tot slot heeft de officier van justitie rekening gehouden met de richtlijnen van het openbaar ministerie. Gelet op de ernst van de feiten en de ontkennende houding van verdachte is er geen ruimte voor het opleggen van een voorwaardelijke straf.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte zich, in het geval van een veroordeling, kan vinden in het advies van de reclassering. Verdachte staat open voor hulpverlening.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het betasten van de ontblote borsten van twee meisjes die toen nog geen zestien jaar oud waren. Daarnaast heeft verdachte één van de meisjes een tongzoen gegeven. De slachtoffers waren allebei vriendinnen van de dochter(s) van verdachte en zij kwamen vaak bij verdachte thuis. Door het geven van onder meer cadeautjes, geld en sigaretten aan de slachtoffers bouwde verdachte een band met hen op. De slachtoffers zagen verdachte als een (tweede) vader en zij noemden hem 'papa'. Verdachte wist dat de slachtoffers problemen thuis hadden en dat hij aldus te maken had met kwetsbare meisjes. De rechtbank rekent hem dit aan.

Door zijn handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen en van het overwicht dat hij als volwassene op de (kwetsbare) slachtoffers had. Daarnaast heeft hij op ernstige wijze de lichamelijke integriteit van deze jonge slachtoffers geschonden. Het is een feit van algemene bekendheid dat seksueel misbruik vaak langdurige en ernstige schade kan toebrengen aan de geestelijke gezondheid van slachtoffers. Uit de slachtofferverklaringen van de slachtoffers blijkt dat verdachtes handelen nog steeds negatieve gevolgen voor hen heeft.

Verdachte heeft zich kennelijk geen rekenschap gegeven van de belangen van de slachtoffers en heeft zich slechts bekommerd om de bevrediging van zijn eigen lustgevoelens.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder is veroordeeld voor strafbare feiten, zij het niet voor soortgelijke strafbare feiten.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank voorts gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd. De rechtbank zal daarom afwijken van de eis van de officier van justitie.

Rekening houdend met artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, zij het van niet langere duur dan de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Daarnaast zal de rechtbank een taakstraf van na te noemen duur aan verdachte opleggen. Om verdachte er in de toekomst van te weerhouden om (soortgelijke) strafbare feiten te plegen, zal de rechtbank hem tevens een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er geen bijzondere voorwaarden verbonden hoeven te worden aan deze voorwaardelijke straf. De rechtbank heeft er hierbij rekening mee gehouden dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft ontkend.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 25,08 ter zake van materiële schade en € 750,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 1.495,27 ter vergoeding van materiële schade en € 2.000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] kan worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] kan worden toegewezen tot een bedrag van

€ 811,37 (€ 61,37 materiële schade, te weten reiskosten en € 750,- immateriële schade). In het overige deel van de vordering moet de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard, nu het causaal verband tussen die schade en het bewezen verklaarde feit onvoldoende is komen vast te staan.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vordering, nu zij voor vrijspraak heeft gepleit van het onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw subsidiair aangevoerd dat de vordering te ingewikkeld is om te beoordelen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de benadeelde partij voorafgaand aan het strafbare feit al bekend was met hulpverlening. Niet is komen vast te staan dat er sprake is van een causaal verband tussen de schade die de benadeelde partij heeft moeten maken in het kader van haar verblijf in Spanje en het bewezen verklaarde feit.

Oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2014.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 811,37 (€ 61,37 materiële schade en € 750,- immateriële schade) te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2016.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van een causaal verband tussen de overige gevorderde schade en het bewezenverklaarde feit. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57 en 247 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 92 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 90 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

een taakstraf voor de duur van 80 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 40 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van 18/830093-17, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 775,08 (zegge: zevenhonderd vijfenzeventig euro en acht eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 775,08 (zegge: zevenhonderd vijfenzeventig euro en acht eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 15 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 25,08 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/830093-17, feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 811,37 (zegge: achthonderd elf euro en zevenendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 811,37 (zegge: achthonderd elf euro en zevenendertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 16 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 61,37 aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. J. Edgar en

mr. M.R.M. Beaumont, rechters, bijgestaan door mr. K.E. van Rhijn, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 oktober 2018.

Mr. Edgar is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.