Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4338

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-10-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
18/830069-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord Nederland heeft een 33-jarige man veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden met aftrek van het voorarrest. Veroordeelde heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van diefstal van twee fietsen en twee aanhangwagens en opzetheling van motoronderdelen. Daarnaast heeft hij ruim 114 gram cocaïne aanwezig gehad. Daarnaast wordt de vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 30 dagen toegewezen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830069-18

ter berechting gevoegd parketnummer 18/830360-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 oktober 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 oktober 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.I.T. Spaan, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 8 augustus 2017 tot en met 10 augustus

2017 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen uit

een aldaar aan de [straatnaam] gelegen parkeergarage, een

damesfiets van het merk Track L300 en/of een electrische fiets van het merk

Giant Twist,in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1]

en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of

zijn mededader(s);

2.

hij in of omstreeks de periode van 19 augustus 2017 tot en met 20 augustus

2017 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aldaar aan de [straatnaam] geparkeerde aanhangwagen (met

daarin ondermeer gereedschapskarren), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders die/dat weg te nemen aanhangwagen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

3.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2017 tot en met 31 augustus

2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans

alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen twee

kentekenplaten ( [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele

toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededader(s);

Subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 30 augustus 2017 tot en met 1 september

2017 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een goed, te weten twee kentekenplaten ( [kenteken] ), heeft verworven, voorhanden

gehad en/of overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden

krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden

dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op of omstreeks 31 augustus 2017 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aldaar aan de Frederikdwarsstraat geparkeerde

aanhangwagen (kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders die weg te nemen aanhangwagen onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

5.

Primair

hij in of omstreeks de periode van 30 januari 2017 tot en met 31 januari 2017
te Rijswijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een aldaar aan de Vredeburchweg (in een parkeergarage) geparkeerde motor van het merk Suzuki (kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 5]
, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededaders die weg te nemen motor onder zijn/hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking;

Subsidiair
hij in of omstreeks de periode van 30 januari 2017 tot en met 20 september 2017 te
Rijswijk en/of Groningen, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal een of meer goederen, te weten delen van een motorframe en/of een motorblok, althans motoronderdelen heeft verworven, voorhanden gehad en/of overgedragen,
terwijl hij en zijn mededader(s) (telkens) ten tijde van de verwerving of het voorhanden
krijgen van dit/die goed(eren) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden
dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6. (gevoegd parketnummer 18-830360-17)

hij op of omstreeks 6 april 2017 te Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk (in (zolder)kamer van woning [straatnaam] ) aanwezig heeft gehad ongeveer 3,55 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal
bevattende heroïne en/of ongeveer 114,46 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde heroïne en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van
artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Vrijspraak ten aanzien van de feiten 2, 3 en 4

Feit 2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting veroordeling gevorderd voor het onder 2 ten laste gelegde. Hiji heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit de gegevens van de baken die is geplaatst onder de Opel Astra van verdachte blijkt dat deze op 20 augustus 2017 om 3:39 uur vanaf de [straatnaam] is vertrokken. Hier wonen zowel verdachte als zijn medeverdachte. Tussen 3.59 uur en 4.12 uur staat de auto stil op de [straatnaam] , waar de betreffende aanhangwagen is weggenomen, en om 4.25 uur is de auto weer terug op de [straatnaam] . Getuige [getuige] heeft enkele dagen later medeverdachte bij de aanhangwagen gezien, waarbij medeverdachte ook tegen hem heeft gezegd dat deze van hem was. Verdachte heeft erkend dat hij de diefstal van de aanhangwagen in de IJsselstraat later die nacht samen met medeverdachte heeft gepleegd. Uit de bakengegevens blijkt dat deze diefstal rond 5.00 uur is gepleegd. De [straatnaam] heeft hij echter ontkend. De officier van justitie acht dat niet geloofwaardig en is van mening dat gezien het korte tijdsbestek tussen beide diefstallen het niet anders kan dan dat verdachte bij beide diefstallen betrokken is geweest.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ontkend dat hij de diefstal van de aanhanger aan de [straatnaam] heeft gepleegd. Hij heeft aangegeven dat hij zijn auto regelmatig uitleende aan vrienden, waaronder medeverdachte. De telefoongegevens in het dossier kunnen niet bijdragen aan het bewijs. Dat getuige [getuige] een man ziet bij de aanhanger die voldoet aan het signalement van medeverdachte draagt ook niet bij aan het bewijs voor betrokkenheid van verdachte. De raadsvrouw is van mening dat verdachte wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs moet worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat medeverdachte hem vroeg in de ochtend heeft wakker gemaakt, waarna ze de aanhangwagen in de IJsselstraat hebben gestolen. Bij de diefstal van de aanhangwagen eerder die nacht aan de [straatnaam] is hij niet betrokken geweest. De rechtbank is van oordeel dat de aanwezigheid van verdachte bij de diefstal aan de [straatnaam] niet uit de bewijsmiddelen volgt en dat het scenario zoals verdachte dat heeft verklaard mogelijk is. Zij acht het onder 2 ten laste gelegde derhalve niet wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Feit 3

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting veroordeling gevorderd voor het onder 3 subsidiair ten laste gelegde, te weten opzetheling. Hiji heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Verdachte heeft ontkend dat hij enige betrokkenheid heeft gehad bij de diefstal van deze kentekenplaten dan wel dat hij hiervan wetenschap had. De kentekenplaten zijn in de nacht van 30 op 31 augustus 2017 weggenomen en betreffen eenzelfde soort auto als de Opel Astra van verdachte. Op 1 september 2017 zijn de gestolen kentekenplaten aangetroffen onder de motorkap van de auto van verdachte, terwijl hij met medeverdachte werd aangehouden met een eerder die nacht gestolen aanhangwagen. Onder deze omstandigheden is de officier van justitie van mening dat de opzetheling gepleegd in vereniging met medeverdachte wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Standpunt van de verdediging

Op 31 augustus 2017 wordt aangifte gedaan van de diefstal van twee kentekenplaten. Medeverdachte heeft verklaard bij de politie dat hij die dag de auto van verdachte had geleend, omdat verdachte ziek was en hij geld moest halen voor de garage. In de avond ging hij terug naar verdachte, waarna ze gezamenlijk naar Gouda zijn gegaan en een aanhangwagen zagen staan die ze hebben weggenomen. De politie heeft hen aangehouden. Verdachte heeft verklaard dat hij niets weet van de gestolen kentekenplaten en dat hij zijn auto had uitgeleend aan medeverdachte. De raadsvrouw is van mening dat voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt en zij verzoekt de rechtbank om verdachte vrij te spreken.

Oordeel van de rechtbank

Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat verdachte aanwezig is geweest bij de diefstal van de kentekenplaten. Voorts heeft verdachte ontkend dat hij wist dat de kentekenplaten onder de motorkap van zijn auto lagen. Hij heeft deze niet verworven dan wel voorhanden gehad. De rechtbank is van oordeel dat voor zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt, zodat zij verdachte hiervan zal vrijspreken.

Feit 4

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting veroordeling gevorderd voor het onder 4 ten laste gelegde. Hiji heeft daartoe het volgende aangevoerd. Getuige heeft op 31 augustus 2017 gezien dat een man met het signalement dat past bij medeverdachte kwam aanrijden in een Opel Astra en dat die het slot doorknipte van de aanhangwagen en deze heeft meegenomen. Op 1 september is verdachte met medeverdachte aangehouden met een eerder die nacht in Gouda gestolen aanhangwagen. Medeverdachte heeft verklaard dat hij en verdachte de betreffende aanhangwagen al anderhalf jaar in hun bezit hadden. Verdachte heeft verklaard dat hij de aanhangwagen had meegenomen vanuit Groningen, terwijl hij al vanaf 29 augustus verbleef in Rotterdam. Beide verklaringen zijn niet plausibel. De officier van justitie acht de diefstal in vereniging wettig en overtuigend bewezen.

Standpunt van de verdediging

Een getuige zag op 31 augustus 2017 een man met een fors postuur uit een Opel Astra stappen ter hoogte van de aanhangwagen en vervolgens wegrijden met de betreffende aanhangwagen. Het slot bleek te zijn doorgeknipt. De omschrijving past niet bij het signalement van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij zijn auto regelmatig uitleent. Hij heeft ontkend dat hij betrokken is geweest bij deze diefstal. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank verdachte vrij te spreken nu het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt.

Oordeel van de rechtbank

Uit de bewijsmiddelen in het dossier blijkt niet van aanwezigheid van verdachte bij de diefstal van de aanhangwagen. Dat hij de diefstal van een aanhangwagen later die nacht in Gouda wel heeft bekend doet daar niet aan af. Het is mogelijk dat verdachte pas later met medeverdachte op pad is gegaan, zoals hij heeft verklaard. Het feit kan niet wettig en overtuigend bewezen worden, zodat de rechtbank verdachte hiervan zal vrijspreken.

Feit 1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de diefstal van de fiets met het merk Track erkend. De elektrische fiets van het merk Giant is door medeverdachte weggenomen. De raadsvrouw heeft betoogd dat enkel de diefstal van één fiets wettig en overtuigend bewezen kan worden. Er is geen sprake van medeplegen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 11 oktober 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was met [medeverdachte] . We hebben elk een fiets opengemaakt en meegenomen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 augustus 2017, opgenomen op pagina 711 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017187149 d.d. 16 november 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op woensdag 09 augustus 2017, omstreeks 18:00 uur, heeft mijn echtgenote haar damesfiets van het merk Track, type L300, kleur zwart en voorzien van het framenummer: [nummer] afgesloten geplaatst in de parkeergarage. Deze parkeergarage is gelegen onder het appartementencomplex, gelegen aan de [straatnaam] te Rotterdam. Op donderdag 10 augustus 2017, omstreeks 08:00 uur, kwam mijn echtgenote terug op de plaats waar zij de fiets had achtergelaten en zag dat haar fiets in zijn geheel was weggenomen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 15 augustus 2017, opgenomen op pagina 715 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Feit: Diefstal fiets

Plaats delict: [straatnaam] Rotterdam.

Pleegdatum/tijd: Tussen dinsdag 8 augustus 2017 te 08:30 uur en donderdag 10 augustus 2017 te 18:30 uur.

Ik ben eigenaar van genoemde fiets. Op eerst genoemde dag, datum en tijdstip heb ik mijn fiets nog zien staan op genoemde locatie. Mijn fiets was terdege afgesloten door middel van een ringvormig slot en een hangslot. Toen ik op laatst genoemde dag, datum en tijdstip mijn fiets langs mijn fiets liep, zag ik dat mijn fiets door onbekende(n) was weggenomen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 20 september 2017, opgenomen op pagina 469 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medeverdachte] :

O: Verbalisanten laten een foto aan de verdachte zien (foto zaak [straatnaam] Rotterdam.)

V: Wie is dat?

A: Dat ben ik, en [verdachte] .

V: Wat deed je daar?

A: Oh, ik zie die fietsen.

0: Verdachte ziet een foto met hemzelf en [verdachte] met de fietsen.

V: Jullie pakken die fietsen, en dan?

A: We zetten ze buiten, maken een foto. Kijken of hij ze verkocht krijgt. Dan pak ik ze weer en brengen we ze bij die mensen . We laten ze gewoon buiten staan, vlakbij in een andere straat.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de verklaringen van verdachte en medeverdachte volgt duidelijk dat in hun handelen sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking op het wegnemen van de fietsen. De rechtbank acht het diefstal in vereniging gepleegd wettig en overtuigend bewezen.

Feit 5

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 5 subsidiair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat hij spullen voor medeverdachte ging verschepen en dat hij de vrachtbrief heeft ondertekend, omdat medeverdachte geen legitimatie bij zich had. Hij had geen wetenschap dat het zou gaan om goederen die van een misdrijf afkomstig waren. De raadsvrouw is van mening dat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor de primair ten laste gelegde diefstal in vereniging van de motor dan wel voor de subsidiair ten laste gelegde opzet/schuldheling van onderdelen van deze motor.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 10 april 2018, opgenomen op pagina 1016 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van verdachte:

V: [medeverdachte] heeft het een en ander verteld over een verzending, vertel eens?

A: Ja, er was wel een keer een pakketje gestuurd dat hij bij mij was.

O: De juiste datum gesteld moet zijn 18 september 2017.

V: Van wie is die auto?

A: Van een vriend van [medeverdachte] .

V: Wie zaten er in dan?

A: Ik en [medeverdachte] .

V: Wat heb jij die dag allemaal verzonden?

A: Een paar motoronderdelen.

V: Hoe heb je dat verzonden?

A: In een pallet. Zo'n krat.

V: Van wie waren die goederen?

A: Van [medeverdachte] .

V: Dat is raar, want dat spul staat op jouw naam.

A: Klopt, [medeverdachte] had zijn legitimatie niet bij zich. Ik heb mij wel gelegitimeerd.

V: Waar komen die spullen vandaan?

A: Er was een motorblok die ik voor [medeverdachte] had gekocht op Marktplaats.

V: Van wat voor motor dan?

A: Van een Suzuki 1000 volgens mij.

V: Het was een gejatte Suzuki.

A: Ja dat kan. Dat kan als je dat op Marktplaats koopt.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 31 januari 2017, opgenomen op pagina 865 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 5] :

Ik ben eigenaar van een motorfiets van het merk Suzuki, type Gsx r1000 , Zwart van

kleur, voorzien van kenteken [kenteken] . Op maandag 30 januari 2017 omstreeks 15:00 uur heb ik de motorfiets nog geparkeerd zien aan de van [straatnaam] te Rijswijk op een parkeerplaats/garage. De motorfiets stond geparkeerd in de parkeergarage van de flat .

Ik heb de motorfiets afgesloten middels stuurslot, kettingslot om he t achterwiel en ik heb gecontroleerd dat de motorfiets was afgesloten. Op dinsdag 31 januari 2017 omstreeks 22:45 uur zag ik dat de motorfiets door onbekenden was weggenomen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 juli 2017, opgenomen op pagina 868 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Op woensdag 5 juli 2017, omstreeks 14.00 uur waren wij verbalisanten aanwezig in de

tuin van de [straatnaam] te Groningen. In dit pand, de bijbehorende schuur en tuin zijn in de afgelopen periode onder andere gestolen motoren, en fietsen aangetroffen. Ook lopen er meerdere onderzoeken naar diverse bewoners en bezoekers van dit pand in verband met gestolen motoren. Deze bewoners betroffen [medeverdachte] en [verdachte] . Wij zagen hier delen van een motorframe liggen. Wij zagen dat het framenummer alsmede het typeplaatje van dit frame was verwijderd. Dit frame is onderzocht door de opsporingsambtenaar [medewerker] van de Forensische Opsporing. Met behulp van zijn bevindingen kon blijken dat het frame was voorzien van framenummer/chassisnummer [nummer] , behorende bij het Nederlandse kenteken [kenteken] , voornoemd. Uit nader onderzoek bleek de motorfiets met voornoemde kenteken op 30 januari 2017 te Rijswijk was gestolen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen identiteitsonderzoek d.d. 6 juli 2017, opgenomen op pagina 875 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

kenteken: [kenteken]

merk: SUZUKI

type: GSX-R1000

chassisnummer: [nummer] , zichtbaar tijdens de etsbehandeling.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 september 2017, opgenomen op pagina 104 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

Op donderdag 21 september 2017, omstreeks 11.00 uur onderzocht ik, verbalisant [verbalisant] , een inbeslaggenomen krat met motoronderdelen, gestald in de politieloods aan de Sontweg te

Groningen. Dit krat was op woensdag 20 september 2017 inbeslaggenomen in de loods van het

bedrijf [bedrijf] op Schiphol en vandaar vervoerd naar de Sontweg te Groningen.

Ik zag dat bij het krat een vrachtbrief was van de firma [bedrijf] , d.d. 18-09-2017 met als afzender [verdachte] , [straatnaam] . Daarbij een formulier Pakket details, d.d. 18-09-2017, zeevracht bestemming [nummer] . Daarbij een tweede formulier van [bedrijf] met als afzender [verdachte] , [straatnaam] , telefoonnummer [nummer] en ontvanger/geadresseerde [naam 1] , [straatnaam] Sanicolaas, 1 krat motoronderdelen, gedagtekend op 18-9-2017 door R. [verdachte] .

Ik zag in elk geval een motorblok met een motornummer [nummer] . Dit blok hoort volgens de Suzuki importeur Nimag bij een frame met nummer [nummer] en een

kenteken [kenteken] .

De rechtbank overweegt als volgt. Tussen 30 en 31 januari 2017 is de motor, een Suzuki met kenteken [kenteken] weggenomen uit Rijswijk. Op 5 juli 2017 zijn hiervan delen van het motorframe aangetroffen in de woning van verdachte en medeverdachte aan de [straatnaam] te Groningen. Op 18 september 2017 wilden verdachte en medeverdachte een krat met motoronderdelen laten verschepen vanaf Schiphol. Het betrof onderdelen van dezelfde motor. Verdachte heeft deze vrachtbrief ondertekend. Hij heeft verklaard dat hij deze motor heeft gekocht via Marktplaats voor medeverdachte. Hij kan zich niet meer herinneren van wie. Onder de omstandigheden waarin verdachte en medeverdachte zich vaker inlaten met gestolen goederen, al dan niet door henzelf weggenomen, en dat verdachte bij de politie heeft verklaard dat via Marktplaats een gestolen motor kopen mogelijk is, acht de rechtbank de subsidiair ten laste gelegde opzetheling in vereniging gepleegd wettig en overtuigend bewezen. Voor de primair ten laste gelegde diefstal ontbreek het wettig en overtuigend bewijs.

Feit 6

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 6 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw geeft aan dat niet geverifieerd kan worden of de rechter-commissaris toestemming heeft gegeven voor het doorzoeken van de woning aan de [straatnaam] te Groningen. Stukken hieromtrent zijn niet in het dossier aanwezig, zodat de doorzoeking en de resultaten hieruit onrechtmatig zijn verkregen.

Bij de doorzoeking zijn zakjes aangetroffen die vermoedelijk drugs bevatten. Verdachte heeft aangegeven dat hij verantwoordelijk was voor de inhoud van een zwarte sok die hij had verstopt in een jaszak in de kamer die zich op de zolder van de woning bevond. De inhoud ervan was hem niet bekend, omdat hij deze voor iemand in bewaring hield. De politie zou hem hebben verteld dat het cocaïne betrof. Uit een indicatietest van de politie is gebleken dat de inhoud waarschijnlijk cocaïne betreft, maar dit is niet vastgesteld door onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut. Dat is te weinig voor een bewezenverklaring. Naar de mening van de raadsvrouw kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte cocaïne aanwezig heeft gehad en zij verzoekt de rechtbank hem vrij te spreken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 11 oktober 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik had iets voor iemand bewaard in de jaszak die hing op de kamer op de zolder.

2. . Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 mei 2017, opgenomen op pagina 78 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017088023 d.d. 8 juni 2017, inhoudende als relatering van verbalisant:

Ik hoorde dat [verdachte] zei dat zijn drugs door de politie waren meegenomen. Ik vroeg

aan [verdachte] waar hij woonde. Hij vertel de dat hij in een kamer woont aan de [straatnaam] te Groningen. Ik vroeg [verdachte] wat voor drugs van hem was meegenomen en

waar dat vandaan kwam. [verdachte] vertelde dat hij cocaïne op de zolderkamer had liggen

en dat de cocaïne door de politie was meegenomen. [verdachte] vertelde dat hij de cocaïne op de kamer van [naam 2] had liggen. Ik hoorde dat [verdachte] zei: "Ik ben verantwoordelijk voor de cocaïne."

3. Een schriftelijk bescheid, te weten kennisgeving inbeslagneming, opgenomen op pagina 4 van voornoemd dossier, inhoudende:

Goednummer: PLO100-2017088023-859931

Object: verdovende middelen (cocaïne)

Bijzonderheden: zat in jaszak kamer [naam 2] .

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verdovende middelen d.d. 25 april 2017, opgenomen op pagina 106 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relatering van verbalisant:

goednummer: PLO100-2017088023-859931/ SIN AAKP6117NL 5 dichtgeknoopte zakjes van kleurloos plastic met:

A- witte brokken

Bruto 15,71 gram

Netto 13,55 gram

Genomen monster SIN AARD8957NL

B- witte brokken

Bruto 21,23 gram

Netto 20,17 gram

Genomen monster SIN AAK08959NL

C- Witte brokken

Bruto 9,63 gram

Netto 8,72 gram

Genomen monster SIN AAK08958NL

D- wit poeder en brokjes

Bruto 42,15 gram

Netto 39,79 gram

Genomen monster SIN AAKD8955NL

E- fijn wit poeder en brokjes

Bruto 34,26 gram

32,23 gram Netto

Genomen monster SIN AAKDB956NL

De bovenstaande goederen positief/negatief werden getest met de Ruybal test: allen positief op cocaïne.

De kleur-reactietest is een indicatie dat het testmateriaal waarschijnlijk cocaïne

bevat.

De rechtbank overweegt als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank is de doorzoeking van de woning aan de [straatnaam] rechtmatig gebeurd nu de rechter-commissaris hierbij aanwezig was. Daarmee is de toestemming tot doorzoeking van de woning gegeven.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij iets voor iemand heeft bewaard en dat hij zonder te vragen wat hij voor degene moest bewaren dat in de jaszak heeft gestopt. Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat verdachte zelf benoemde dat dit cocaïne betrof. Onder de omstandigheden waarop verdachte iets van een onbekend gebleven persoon in bewaring neemt, acht de rechtbank het ongeloofwaardig dat verdachte niet zou weten wat de inhoud daarvan is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de uitkomst van de indicatieve test door de verklaring van verdachte dat het zou gaan om cocaïne voldoende ondersteund. Wat betreft de aangetroffen heroïne is niet komen vast te staan dat verdachte deze stof opzettelijk aanwezig heeft gehad.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 8 augustus 2017 tot en met 10 augustus 2017 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen uit een aldaar aan de [straatnaam] gelegen parkeergarage, een

damesfiets van het merk Track L300 en een elektrische fiets van het merk Giant Twist toebehorende aan [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;

5. subsidiair

hij in de periode van 30 januari 2017 tot en met 20 september 2017 te Groningen, tezamen en in vereniging met een ander, eenmaal een of meer goederen, te weten delen van een motorframe en/of een motorblok, heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij en zijn mededader ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die goederen wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6. ( gevoegd parketnr. 18-830360-17)

hij op 6 april 2017 te Groningen opzettelijk in een zolderkamer van woning [straatnaam] aanwezig heeft gehad ongeveer 114,46 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Diefstal door twee of meer verenigde personen

5. Opzetheling door twee of meer verenigde personen

6. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 subsidiair, 4, 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde, alsmede twee ad informandum feiten, wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest met eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de twee door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, zoals deze op de dagvaarding zijn vermeld en welke feiten hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het in vereniging plegen van diefstal van twee fietsen en twee aanhangwagens en opzetheling van motoronderdelen. Diefstal, en ook heling, nu dat diefstallen bevordert, zijn laakbare feiten, aangezien zij enkel gepleegd worden uit oogpunt van persoonlijk gewin en voor de slachtoffers financieel nadeel en overlast met zich meebrengen. Daarnaast heeft hij ruim 114 gram cocaïne aanwezig gehad, De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte heeft geen medewerking willen verlenen aan een rapportage van de reclassering, zodat het opleggen van bijzondere voorwaarden niet is geïndiceerd. De officier van justitie is tot een hogere strafeis gekomen dan de rechtbank zal opleggen nu hij meer feiten bewezen acht. De rechtbank zal een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor na te melden duur.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 1.016,96 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 1.699,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 6] , tot een bedrag van € 770,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

4. [slachtoffer 5] , tot een bedrag van € 5.150,- ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

5. [slachtoffer 7] , tot een bedrag van € 153,55 ter vergoeding van materiële schade en € 1000,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

1. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] kan hoofdelijk worden toegewezen. Uit de bijgevoegde factuur blijkt dat de fiets net nieuw was, zodat geen matiging hoeft te worden toegepast.

2. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] kan voor een deel worden toegewezen. Uit de bijgevoegde factuur blijkt dat de fiets drie jaar geleden is gekocht, zodat de waarde momenteel € 500,- zal zijn. Voor dit bedrag kan de vordering hoofdelijk worden toegewezen en voor het overige is de vordering niet-ontvankelijk.

3. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 6] is niet voldoende onderbouwd, zodat deze niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

4. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 5] is niet onderbouwd, zodat deze niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

5. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 7] is voor het materiële deel niet onderbouwd, zodat dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard. De gevorderde immateriële schade is buitensporig hoog. Een bedrag van € 200,- is redelijk en dat kan hoofdelijk worden toegewezen.

De officier van justitie merkt op dat de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van de toegewezen vorderingen kan worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

1. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] kan deels worden toegewezen. Ten tijde van de diefstal was de fiets drie maanden oud. De raadsvrouw verzoekt de rechtbank om hiermee rekening te houden.

2. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 2] kan niet-ontvankelijk worden verklaard nu medeverdachte deze fiets heeft weggenomen. Indien de rechtbank anders oordeelt merkt de raadsvrouw op dat blijkens de factuur de fiets drie jaar geleden is gekocht.

3. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 6] kan niet-ontvankelijk worden verklaard nu de raadsvrouw heeft gepleit voor vrijspraak.

4. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 5] kan niet-ontvankelijk worden verklaard nu de raadsvrouw heeft gepleit voor vrijspraak.

5. De vordering van benadeelde partij [slachtoffer 7] kan deels (hoofdelijk) worden toegewezen. De materiële schade kan worden vastgesteld op een bedrag van € 75,98 voor de nieuwe kentekenplaat en twee wielklemmen. De immateriële schade moet niet-ontvankelijk worden verklaard nu de onderbouwing van de psychische klachten door een arts of psycholoog ontbreekt.

Oordeel van de rechtbank

1. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 augustus 2017.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

2. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. Uit de bijgevoegde factuur blijkt dat de fiets drie jaar geleden is gekocht, zodat de rechtbank rekening zal houden met een matiging van de waarde met 50%. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom deels worden toegewezen tot een bedrag van € 850,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 augustus 2017.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

3. De rechtbank acht het onder 4 ten laste gelegde feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij [slachtoffer 6] zal daarom in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

4. De benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft zijn vordering onvoldoende onderbouwd, zodat de rechtbank de schade niet kan vaststellen. De rechtbank zal daarom bepalen dat de benadeelde partij in de vordering niet ontvankelijk is.

5. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 7] de schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen ad informandum gevoegde feit. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot het bedrag van € 75,98, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 30 augustus 2017. Voor het overige bedrag van de gestelde materiële en de immateriële schade acht de rechtbank de onderbouwing onvoldoende en zal zij de benadeelde partij in de vordering voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 1 december 2016, gewezen door de politierechter in de rechtbank Noord-Holland, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 40 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 16 december 2016.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 19 september 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 30 dagen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 47, 63, 311, 416 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2, 3 primair, subsidiair, 4 en 5 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 5 subsidiair en 6 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

1. Ten aanzien van 18/830069-18, feit 1:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] hoofdelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.016,96 (zegge: duizendzestien euro en zessennegentig eurocent), (te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2017), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 1.016,96 (zegge: duizendzestien euro en zessennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

2. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 850,- (zegge: achthonderdvijftig euro), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in de vordering en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , te betalen een bedrag van € 850,- (zegge: achthonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 17 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

3. Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

4. Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet-ontvankelijk is in de vordering en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

5. Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 75,98 (zegge: vijfenzeventig euro en achtennegentig eurocent), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet ontvankelijk is in de vordering en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] , te betalen een bedrag van € 75,98 (zegge: vijfenzeventig euro en achtennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 1 dag, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

15/820715-16:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Rechtbank Noord-Holland, d.d. 1 december 2016, te weten: 30 dagen gevangenisstraf

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. F.J. Agema en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 oktober 2018.

Mr. Van Sloten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.