Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4307

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-10-2018
Datum publicatie
25-10-2018
Zaaknummer
LEE 17-4486
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2020:1191, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor plaatsen van vijf campers. Bestemmingsplantoets. Nota ruimtelijk beleid buitengebied Kollumerland c.a. 2010 - 2020. Omvangeis. Handleiding inrichtingsplan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/4486

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 oktober 2018 in de zaak tussen

1 a.[eisers] te [plaats], eisers sub 1.a.;

1.b. [eisers], te [plaats], eisers sub 1.b.;

1.c. [eisers], te [plaats], eisers sub 1.c.;

1.d. [eisers], te [plaats], eisers sub 1.d.;

1.e. [eisers], te [plaats], eisers sub 1.e.,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: [naam]),

en

DDFK Gemeenten, verweerder,

(gemachtigde: W.J. Osinga).

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen: [vergunninghouders], te [plaats], vergunninghouders.

Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghouders een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van camperplaatsen en het verplaatsen van de uitweg van de achterzijde naar de voorzijde van het perceel [adres] te [plaats].

Bij besluit van 7 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit van 10 juni 2016 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.

De zaak is behandeld op de zitting van 10 juli 2018.

Namens eisers zijn verschenen [eisers]

Namens verweerder zijn L. Sijtsma en W.J. Osinga verschenen.

De derde-belanghebbenden zijn verschenen.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij haar oordeelsvorming betrekt de rechtbank de navolgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Vergunninghouders hebben op 13 november 2013 de eigendom van het perceel [adres] te [plaats] verkregen.

1.2.

Eisers hebben op 10 februari 2016 een aanvraag om omgevingsvergunning voor het realiseren van 4-5 camperplaatsen en het verplaatsen van de uitweg van de achterzijde naar de voorzijde van het perceel [adres] te [plaats] bij verweerder ingediend.

Deze aanvraag om omgevingsvergunning heeft betrekking op de navolgende activiteiten:

- handelen in strijd met de regels van ruimtelijke ordening;

- het aanleggen of veranderen van een uitrit.

1.3.

Bij primair besluit van 10 juni 2016 heeft verweerder aan vergunninghouders een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van camperplaatsen en het verplaatsen van de uitweg van de achterzijde naar de voorzijde van het perceel [adres] te [plaats].

1.4.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 21 juli 2016 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. De gronden van bezwaar zijn bij brief van 8 september 2016 ingediend.

1.5.

Eisers hebben het bezwaarschrift toegelicht op de hoorzitting van 17 november 2016 van de algemene kamer van de adviescommissie voor bezwaarschriften Dantumadiel, Dongeradeel, Ferwerderadiel en Kollumerland c.a. (hierna: de commissie). Een verslag van deze hoorzitting bevindt zich onder de gedingstukken.

1.6.

De commissie heeft bij brief van 22 december 2016 aan verweerder geadviseerd het bezwaarschrift van eisers in zoverre gegrond te verklaren dat het bestreden besluit in de beslissing op het bezwaarschrift dient te worden voorzien van een overweging omtrent een goede ruimtelijke ordening. Verder heeft de commissie verweerder in voormelde brief geadviseerd dit in de beslissing op het bezwaarschrift alsnog te doen en het primaire besluit van 10 juni 2016, voorzien van een nadere overweging, in stand te laten.

1.7.

Naar aanleiding van voormeld advies hebben eisers bij brief van 20 maart 2017, aangevuld bij brief van 26 maart 2017, aan verweerder verzocht om herbeoordeling van de bezwaarzaak met betrekking tot voormelde omgevingsvergunning.

Verweerder heeft voormelde brieven doorgezonden aan de commissie met het verzoek om een reactie.

1.8.

De commissie heeft bij brief van 28 juli 2017 inhoudelijk gereageerd. In deze brief heeft de commissie aangegeven dat het aanbeveling verdient om ten aanzien van het kleinschalig kamperen op daartoe in aanmerking komende gronden, een duidelijke, heldere regeling in de voorschriften van het bestemmingsplan dan wel de toelichting daarop, neer te leggen.

1.9.

Onder overneming van het advies van 22 december 2016 van de commissie heeft verweerder met het bestreden besluit het bezwaarschrift van eisers ongegrond verklaard en het primaire besluit van 10 juni 2016 onder een aanvullende motivering gehandhaafd.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het, voor zover thans van belang, verboden zonder omgevings-vergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo geldt, voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen, een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo wordt de omgevings-vergunning, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, geweigerd, indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening.

Ingevolge artikel 2.10, tweede lid, van de Wabo wordt in gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, kan, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts worden verleend:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

Ingevolge artikel 2.18 van de Wabo kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2.

2.1.

De in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo bedoelde gemeentelijke verordening is de Algemene Plaatselijke Verordening van de DDFK Gemeenten (APV).

Ingevolge artikel 2.1.5.3, eerste lid, van de APV is het verboden een uitweg naar een weg te maken, te hebben of te wijzigen indien deze uitweg een veilig en doelmatig gebruik van de weg belemmert, het aanzien van de omgeving aantast of gemeentelijke groenvoorzieningen aantast.

Ingevolge artikel 2.1.5.3, tweede lid, van de APV kan het college van burgemeester en wethouders nadere regels stellen ten aanzien van het in het eerste lid genoemde verbod. Daarin kan het college van burgemeester en wethouders bepalen in welke gevallen en omstandigheden de aanleg geacht kan worden in overeenstemming te zijn met de belangen genoemd in het eerste lid.

2.2.

Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied 2012” zijn aan voormeld perceel de bestemmingen “Wonen-1”, “Tuin” en “Agrarisch met waarden – Besloten gebied” toegekend.

Ingevolge artikel 6.1 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan zijn de voor “Agrarisch met waarden – Besloten gebeid” aangewezen gronden bestemd voor:

a. agrarische cultuurgronden;

b. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;

c. groenvoorzieningen;

d. water;

e. openbare nutsvoorzieningen;

f. ontsluitingswegen;

g. voet-, fiets- en ruiterpaden;

h. parkeervoorzieningen,

en tevens voor:

i. dagrecreatief medegebruik;

j. het behoud en herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden, waarvan de landschappelijke waarden zijn gespecificeerd in de bij deze regels behorende bijlage 2 ‘Landschapskenmerken’;

k. het behoud en het herstel van het reliëf van het maaiveld ten behoeve van de landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle kruinige percelen;

l. een evenemententerrein, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch met waarden - evenemententerrein”;

m. bestaande kleinschalige kampeerterreinen.

Ingevolge artikel 6.4 van de planvoorschriften van dit bestemmingsplan wordt, voor zover thans van belang, tot een gebruik in strijd met deze bestemming begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in ieder geval wordt begrepen:

- het gebruiken of laten gebruiken van gronden als standplaats voor kampeermiddelen, met uitzondering van de bestaande kleinschalige kampeerterreinen.

Ingevolge artikel 6.5 van de planvoorschriften van dit bestemminsplan kunnen burgemeester en wethouders, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en privacysituatie;

- de landschapskenmerken als opgenomen in bijlage 2 ‘Landschapskenmerken’ behorende bij deze regels;

- de verkeersveiligheid,

bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

a. lid 6.1 en 6.4 voor het oprichten van een kleinschalig kampeerterrein dan wel het uitbreiden van een kleinschalig kampeerterrein bij agrarische bedrijven en woningen, met dien verstande dat:

1. het totaal aantal kleinschalige kampeerterreinen op het grondgebied van Kollumer-land c.a. niet meer bedraagt dan 20;

2. een kleinschalig kampeerterrein alleen is toegestaan aansluitend aan en behorende bij bestaande agrarische (klein)bedrijfserven en bestaande woonerven;

3. een kleinschalig kampeerterrein alleen is toegestaan voor zover bij het agrarisch bedrijf ten minste één bedrijfswoning dan wel een woning aanwezig is;

4. het kleinschalig kampeerterrein op gronden direct aansluitend bij de bestaande agrarische- en woonbebouwing moet worden gesitueerd;

5. niet meer dan 15 kampeerplaatsen zijn toegestaan, indien de afstand van een kampeerplaats tot de gevel van de dichtstbijzijnde (bedrijfs)woning, anders dan de bedrijfswoning behorend bij het agrarisch bedrijf, 30 m of meer bedraagt;

6. niet meer dan 25 kampeerplaatsen zijn toegestaan, indien de afstand van een kampeerplaats tot de gevel van de dichtstbijzijnde (bedrijfs)woning, anders dan de bedrijfswoning behorend bij het agrarisch bedrijf, 50 m of meer bedraagt;

7. uitsluitend mobiele kampeermiddelen op een kleinschalig kampeerterrein zijn toegestaan;

8. uitsluitend in de periode van het kampeerseizoen kampeermiddelen op een kleinschalig kampeerterrein zijn toegestaan, met dien verstande dat de afstand tot de bestaande (voormalige) agrarische bebouwing dan wel de woning behorende bij het eigen perceel niet meer dan 25 m bedraagt;

b. bij toepassing van de onder a bedoelde afwijkingsmogelijkheid bij omgevings-vergunning geldt dat:

- door de initiatiefnemer een inrichtingsplan is opgesteld dat in het kader van de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is goedgekeurd;

- het parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;

- er geen sprake mag zijn van onevenredige verkeersaantrekkende werking;

- door de initiatiefnemer moet zijn aangetoond dat in redelijkheid geen ruimte is op het bestaande woon- of agrarisch bouwperceel voor het oprichten van een kleinschalig kampeerterrein.

2.3.

De raad van de gemeente Kollumerland (hierna: de raad) heeft op 10 november 2011 de Nota ruimtelijk beleid buitengebied Kollumerland c.a. 2010 - 2020 (hierna: het beleid) vastgesteld.

In paragraaf 5.9 van het beleid is met betrekking tot kamperen aangegeven dat er op verschillende plaatsen in de gemeenten Dantumadiel en Kollumerland c.a. kleinschalige kampeerterreinen zijn. Deze terreinen sluiten goed aan bij de kleinschaligheid van het nationaal landschap de Noardlike Fryske Wâlden en de behoefte aan extensieve recreatieve voorzieningen. De gemeenten staan kleinschalige kampeerterreinen bij agrarische bedrijven en woningen in het buitengebied toe.

Voor kampeerterreinen geldt het volgende beleid:

- nieuwe en uitbreiding van bestaande kleinschalige kampeerterreintjes (maximaal 15 kampeermiddelen en onder voorwaarden tot maximaal 25 kampeermiddelen) worden toelaatbaar geacht bij agrarische bedrijven en bij woningen;

- de omvang van dergelijke terreintjes bedraagt ten minste 0,5 hectare (bij 15 staanplaatsen) en 0,75 hectare (bij 25 staanplaatsen);

- de terreintjes zijn voorzien van een adequate afschermende erfbeplanting met gebiedseigen soorten;

- gebouwen ten behoeve van sanitaire voorzieningen mogen worden gebouwd tot een oppervlakte van 50 m;

- de afstand tussen kampeerterrein en aanpalende bewoonde erven van derden dient bij 15 kampeerplekken ten minste 30 m en bij 25 kampeerplekken ten minste 50 m te bedragen.

Overwegingen

3. Tussen partijen is in geschil of verweerder in dit geval een omgevingsvergunning voor het realiseren van camperplaatsen en het verplaatsen van de uitweg van de achterzijde naar de voorzijde van voormeld perceel te [plaats] heeft kunnen verlenen. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

4. Eiser geeft aan dat in het bestemmingsplan waaraan is getoetst, het bestemmingsplan “Buitengebied 2012”, geen minimale oppervlakten zijn gegeven van minimaal 0,5 hectare bij 15 kampeerplaatsen en 0,75 hectare bij 25 kampeerplaatsen. In het daaraan voorafgaand facetbestemmingsplan was dit wel opgenomen. Dit geldt eveneens voor het “partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012”, vastgesteld op 28 september 2017. Het niet in aanmerking nemen van deze oppervlakten duidt derhalve op een vergissing nu ook in de Nota ruimtelijk beleid buitengebied Kollummerland van 10 november 2011 deze omvang in acht wordt gehouden.

4.1.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 22 september 2010 in zaak nr. 201000886/1/H1, moet bij het nemen van een besluit op bezwaar in beginsel het recht worden toegepast, zoals dat op dat moment geldt. Bij wijze van uitzondering mag een bouwaanvraag worden getoetst aan het ten tijde van de indiening ervan nog wel, maar ten tijde van het besluit op de aanvraag dan wel het besluit op een daartegen ingediend bezwaar niet meer geldend bestemmingsplan, doch slechts indien ten tijde van de indiening van de aanvraag het bouwplan in overeenstemming was met het toen geldende bestemmingsplan en op dat moment geen voorbereidingsbesluit van kracht was voor een bestemmingsplan, dan wel een ontwerp voor een bestemmingsplan ter inzage was gelegd, waarmee dat bouwplan in strijd was.

De aanvraag van eiser voor een omgevingsvergunning is ingediend op 10 februari 2016. Ten tijde van de aanvraag alsmede ten tijde van het primaire besluit van 10 juni 2016 was derhalve het bestemmingsplan “Buitengebied 2012” het vigerende bestemmingsplan. Op 28 september 2017 is vervolgens het bestemmingsplan “partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012” vastgesteld. Het vastgestelde plan treedt na afloop van de beroepstermijn in werking, tenzij er een verzoek om voorlopige voorziening (een schorsingsverzoek) is ingediend bij de Raad van State. Dit betekent dat het bestemmingsplan niet eerder dan op 10 november 2017 in werking is getreden. De rechtbank stelt vast dat de beslissing op bezwaar dateert van 7 november 2017, zodat naar het oordeel van de rechtbank het nieuwe bestemmingsplan nog niet in werking was getreden ten tijde van de beslissing op bezwaar en terecht is getoetst aan het oude bestemmingsplan. In dit bestemmingsplan zijn de betreffende eisen ten aanzien van de omvang niet opgenomen, zodat naar het oordeel van de rechtbank verweerder dit terecht buiten beschouwing heeft gelaten in het kader van de beoordeling of er strijd is met het bestemmingsplan en of om die reden kan worden voldaan aan de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.

5. Eiser stelt dat verweerder niet gehandeld heeft overeenkomstig de beleidsregel Nota ruimtelijk beleid buitengebied Kollumerland (hierna Nota). Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die het afwijken van het beleid in dit geval rechtvaardigt.

5.1.

Verweerder kan overgaan tot toepassing van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, indien wordt voldaan aan artikel 6.5, aanhef en onder a, van het bestemmingsplan, mits dit niet leidt tot een onevenredige aantasting van:

- de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en

privacysituatie;

- de landschapskenmerken als opgenomen in bijlage 2 ‘Landschapskenmerken’

behorende bij deze regels;

- de verkeersveiligheid.

Daarnaast heeft de raad van de gemeente Kollumerland de Nota ruimtelijk beleid buitengebied Kollumerland c.a. 2010 - 2020 vastgesteld. In deze Nota is onder meer opgenomen dat voor kampeerterreinen het volgende beleid geldt:

- nieuwe en uitbreiding van bestaande kleinschalige kampeerterreintjes (maximaal 15 kampeermiddelen en onder voorwaarden tot maximaal 25 kampeermiddelen) worden toelaatbaar geacht bij agrarische bedrijven en bij woningen;

- de omvang van dergelijke terreintjes bedraagt ten minste 0,5 hectare (bij 15 staanplaatsen) en 0,75 hectare (bij 25 staanplaatsen); (…)

De rechtbank stelt vast dat de criteria zoals opgenomen in de Nota niet in het bestemmingsplan waaraan getoetst moet worden zijn opgenomen, maar wel in het voorheen geldende bestemmingsplan en het vigerende bestemmingsplan.

Vaststaat dat in het onderhavige geval de totale oppervlakte van het terrein 2315 m2 bedraagt, terwijl de uitgangspunten in de Nota uitgaan van een oppervlakte van ten minste 5000 m2. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er sprake is van een kleinschalige activiteit, die in overeenstemming is met de uitgangspunten van de Nota. De reden hiervan is dat het gaat om maximaal vijf campers zonder sanitaire voorzieningen of andere voorzieningen. De minimale oppervlakte van 0,5 hectare in geval van 15 kampeerplaatsen biedt naast ruimte voor de inrichting van het kampeerterrein een bepaalde garantie voor instandhouding van de openheid van het landschap. Gelet hierop meent verweerder dat die 0,5 ha gerelateerd wordt aan het aantal staanplaatsen van maximaal 15. In diezelfde verhouding zou voor een kampeerterrein met vijf plekken een ruimte nodig zijn van bijna 1700 m2; nu het totale perceel aan oppervlakte meer dan 2315 m2 meet, wordt hier ruimschoots aan voldaan. De gronden liggen in een besloten singelgebied. De camperplaatsen worden ingepast op een deel van het perceel met een grootte van circa 2315 m2. Uit de gegevens behorende bij de aanvraag blijkt daarnaast volgens verweerder dat er geen voorzieningen in de vorm van een speelveld of andere recreatieve voorzieningen worden gerealiseerd, maar het gaat om slechts een vijftal camperplaatsen. Hiermee is er voor parkeren in principe geen aparte ruimte nodig omdat de campers op de camperplaatsen worden geplaatst. Als er incidenteel toch een parkeerplek nodig is ten behoeve van de camperplaatsen, is hiervoor op het perceel voldoende ruimte volgens verweerder.

Gelet op het feit dat de omschrijving spreekt van ten minste 0,5 hectare bij 15 staanplaatsen en 0,75 hectare bij 25 staanplaatsen, acht de rechtbank het juist om aan te nemen dat de omvangseis gekoppeld moet worden aan het aantal staanplaatsen en niet dat er in ieder geval 0,5 hectare beschikbaar moet zijn bij een camperplaats. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat er geen terrein is van 0,5 hectare in dit geval geen belemmering oplevert om aan de criteria van de Nota te voldoen, zodat deze beroepsgrond niet slaagt.

6. Eisers voeren aan dat bij het bepalen van de vereiste 30 meter afstand van het kleinschalig kampeerterrein vanaf de dichtstbijzijnde bestemmingsgrens uitgegaan had moeten worden van [adres] 7 in plaats van 12.

6.1.

De rechtbank stelt vast dat de plaatsing van de vijf camperplekken is opgenomen in de aanvraag. Dit betekent dat het gebruik van de vijf camperplekken specifiek is vergund op de plekken die zijn opgenomen in de aanvraag. In het van toepassing zijnde bestemmingsplan is voorts opgenomen dat niet meer dan 15 kampeerplaatsen zijn toegestaan, indien de afstand van een kampeerplaats tot de gevel van de dichtstbijzijnde (bedrijfs)woning, anders dan de bedrijfswoning behorend bij het agrarisch bedrijf, 30 m of meer bedraagt. Hoewel het in het onderhavige geval om vijf camperplekken heeft verweerder bezien of aan de afstandseis werd voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht de afstand gemeten van de woning [adres] 12 tot aan de camperplekken.

7. Hetgeen eiser aanvoert omtrent de toelichting en bepalingen van het bestemmingsplan “Partiële en correctie herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012” valt naar het oordeel van de rechtbank buiten de omvang van dit geding.

8. Ter zitting is voorts aan de orde gesteld de handleiding inrichtingsplan en de hierin opgenomen eisen. Eisers menen dat er niet voldaan wordt aan artikel 5 van de Bijlage van de handleiding inrichtingsplan. Hieruit volgt namelijk dat het hoofdgebouw blikvanger moet zijn en dat kan alleen volgens eisers, wanneer de camperplaatsen achter het hoofdgebouw komen.

8.1.

De rechtbank begrijpt deze grond aldus dat wordt verwezen naar bijlage 5 van het van toepassing zijnde bestemmingsplan. Bijlage 5 betreft de handleiding inrichtingsplan. In de handleiding inrichtingsplan zijn onder meer algemene richtlijnen opgenomen ten aanzien van de nevenfunctie agrarisch erf of woonerf: kleinschalig kamperen.

Ten aanzien van de inpassing en situering is onder meer opgenomen dat:

“(…)

• Bestaande hoofdgebouw blijft ‘blikvanger’.”

Ten aanzien van het aspect overige richtlijnen is aangegeven:

“(…)

• Parkeren achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw als onderdeel van het erf.

(…).”

8.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is het niet gebleken dat de aanwezigheid van maximaal vijf campers op het perceel van vergunninghouders, maakt dat het hoofdgebouw niet langer de blikvanger is gelet op de landschappelijke inpassing. Dat campers meestal wit zijn en daardoor in het oog springen, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat reeds hierom niet wordt voldaan aan de richtlijnen opgenomen in de handleiding. Daarbij overweegt de rechtbank dat er om het terrein bomen zijn geplant, waardoor uiteindelijk het zicht op de campers zal worden ontnomen. Tevens is de rechtbank van oordeel dat de richtlijn inhoudende dat het parkeren achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw moet plaatsvinden door verweerder juist is geïnterpreteerd als het parkeren van de auto bij het kampeermiddel. In dit geval zullen de campers geplaatst worden op de camperplaatsen en zullen geen auto’s worden geparkeerd op het terrein. De beroepsgrond slaagt niet.

9. Bij het primaire besluit heeft verweerder aan vergunninghouders een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van camperplaatsen en het verplaatsen van de uitweg van de achterzijde naar de voorzijde van het perceel [adres] te [plaats]. Eisers hebben ter zitting aangegeven geen bezwaren te hebben tegen het verplaatsen van de uitweg. Daarnaast doet zich de situatie voor dat uit voorschrift 8 van de omgevingsvergunning volgt dat het onderdeel aanleggen van de uitweg komt te vervallen door een bestemmingsplanwijziging. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat bij het opnemen van deze standaardoverweging in de vergunning, geen rekening is gehouden met het feit dat een nieuw bestemmingsplan zou worden vastgesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat de omgevingsvergunning inmiddels is komen te vervallen met betrekking tot de uitweg en thans geen onderdeel meer uitmaakt van de betwiste omgevingsvergunning. De rechtbank betrekt dit onderdeel dan ook niet bij haar beoordeling.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.E. Melissen als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2018.

De griffier De rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak en de tussenuitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Afschrift verzonden op: