Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4250

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22-10-2018
Datum publicatie
23-10-2018
Zaaknummer
18/119733-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

veroordeling wegens wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 62
Wetboek van Strafrecht 282
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/119733-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 22 oktober 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 oktober 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C. Eenhoorn, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 8 februari 2018 te Hoogezand, gemeente Midden-Groningen opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door,
-nadat die [slachtoffer] zich in de hal van zijn woning bevond de voordeur dicht te doen en/of
-de deurklink (telkens) vast te houden en/of zijn voet (telkens) tegen de deur te zetten en/of
-tegen die [slachtoffer] te schreeuwen en/of slaande en/of zwaaiende bewegingen te maken,
dat terwijl die [slachtoffer] meermalen heeft gezegd dat ze weg wilde en haar aldus te beletten de woning te verlaten;

subsidiair
hij op of omstreeks 8 februari 2018 te Hoogezand, gemeente Midden-Groningen, een ander, te weten [slachtoffer], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het verblijven in verdachtes woning, door,
-nadat die [slachtoffer] zich in de hal van zijn woning bevond de voordeur dicht te doen en/of
-de deurklink (telkens) vast te houden en/of zijn voet (telkens) tegen de deur te zetten en/of
-tegen die [slachtoffer] te schreeuwen en/of slaande en/of zwaaiende bewegingen te maken,
dat terwijl die [slachtoffer] meermalen heeft gezegd dat ze weg wilde en haar aldus te beletten de woning te verlaten.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen sprake is van opzet dan wel voorwaardelijk opzet op het ten laste gelegde. Volgens de raadsman heeft verdachte niet bewust de kans aanvaard dat aangeefster de situatie als wederrechtelijke vrijheidsberoving zou ervaren. Het opzet van verdachte was gericht op het buiten zijn woning houden van de overige drie verbalisanten en niet op de vrijheidsberoving van de vrouwelijke verbalisant. Verdachte verkeerde bovendien in de veronderstelling dat er twee verbalisanten in zijn woning waren overgebleven en dat de deur niet in het slot was gevallen. Het voorval heeft volgens de verbalisanten slechts 30-60 seconden geduurd. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de situatie gekleurd is doordat er onterecht een negatief beeld van verdachte is ontstaan, namelijk dat hij een harddrugsgebruiker zou zijn en een gevaarlijke hond en wapens in huis zou hebben. De beleving van aangeefster is hierdoor hoogstwaarschijnlijk ook gekleurd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 8 oktober 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Er is een worsteling ontstaan bij de voordeur. De verbalisanten wilden de deur opendoen en ik wilde de deur dicht. Ik heb mijn voet tegen de deur gezet zodat hij niet verder openging. Er werd heen en weer gedrukt. De adrenaline kwam bij mij omhoog. Ik heb mijn voet en mijn armen tegen de deur gezet. Ik heb gehoord dat ze zeiden dat ik de deur open moest maken. Ik heb de deur niet open gedaan. Ik heb misschien wel geschreeuwd. Als de agente de situatie als beangstigend heeft ervaren dan snap ik dat wel. Er was namelijk een blaffende hond in huis, ik was boos en we stonden in een kleine ruimte.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 februari 2018, opgenomen op pagina 7 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018032781 d.d. 16 februari 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer]:

Op 8 februari 2018 omstreeks 00:30 uur kregen wij de melding om te gaan naar [straatnaam] te Hoogezand. Met collega's [verbalisant 1] en [verbalisant 2] zijn we samen naar dit adres gereden.

Op dat moment bevond hij zich alweer in de deuropening van zijn woning. Ik zag dat hij zich omdraaide en richting zijn woonkamer liep. Ik ben toen achter hem aangelopen de woning binnen. Ik zag dat mijn collega [verbalisant 1] ook achter mij aan kwam en al half in de deuropening stond. Ik zag dat [verdachte] zich plotseling omdraaide in onze richting een heel snel op mij af kwam. Ik zag dat hij mij snel voorbij liep richting zijn voordeur. Ik zag toen dat hij de deur vastpakte en kennelijk met kracht dicht duwde. Ik zag dat mijn collega [verbalisant 1] door deze actie naar buiten werd geduwd door de deur en ik hoorde dat de deur ook direct in het slot viel. Ik zag ook direct dat hij de deurklink vastpakte en hield en ik zag vervolgens dat hij zijn linkervoet klemzette tegen de deur, kennelijk om de deur te barricaderen met zijn lichaam. Op dat moment realiseerde ik mij dat ik alleen met die gevaarlijke man in de woning was. Ik wist ook dat achter mij in de woning een gevaarlijke herdershond was en besefte dat ik geen kant meer op kon. Ik zag ook direct de houding van [verdachte] veranderen. Onmiddellijk nadat hij mij binnen gesloten had begon hij in mijn richting te schreeuwen. Ik zag ook dat hij met zijn rechterarm begon te zwaaien in mijn richting. Mij was direct duidelijk dat hij mij niet uit zijn woning wilde laten gaan. Ik werd op dat moment zo bang dat ik niet eens meer kon horen wat hij schreeuwde. Ik hoorde de collega's aan de andere kant van de deur ook schreeuwen. Ik hoorde gelijk ook dat ze tegen de deur aan trapten. Ik heb in elk geval drie of vier keer tegen hem gezegd - op rustige toon - dat hij de deur moest openen. Ik heb hem gezegd dat ik weg wilde en niet wilde dat hij mij tegen mijn wil vast zou houden. Ik hoorde dat de collega's steeds harder tegen de deur trapten. Ik zag dat hij daar gewoon bleef staan en ook zijn voet tegen de deur hield, kennelijk om de deur tegen te houden. Hij bleef schreeuwen in mijn richting en ik werd steeds angstiger. Ik begreep ook dat de collega's middels trappen de deur niet open konden krijgen. Op een gegeven moment leek het erop dat [verdachte] in de gaten kreeg dat de collega's zijn deur aan het vernielen waren. Ik hoorde dat hij nog harder begon te schreeuwen en ik zag dat hij zichtbaar nog bozer werd. De hele tijd heeft hij de deurklink vastgehouden en de voet tegen de deur gehad. Ik zag dat hij zwaaiende bewegingen maakte in mijn richting. Ik zag dat hij de deurklink losliet. Ik heb al mijn kracht gebruikt en heb [verdachte] aan de kant geduwd en heb toen de deurklink naar beneden gedaan. Gelukkig ging de deur direct open en de collega's hebben mij ontzet. Ik ben direct de woning uit gevlucht. De afstand tussen mij en [verdachte] was ongeveer een halve meter. Het betreft een smalle hal van ongeveer een meter breed en ongeveer drie meter lang. Deze man maakte een gestoorde en gevaarlijke indruk op mij en ik was erg bang voor hem ondanks dat ik een politievrouw ben. Dit incident heeft mij heel veel gedaan en ik hoop nooit weer in zo'n situatie te komen. Ik ben door deze man van mijn vrijheid beroofd en het gedrag van de man was voor mij zeer bedreigend. Ik weet zeker dat deze man niet zelf de deur open had gedaan.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 8 februari 2018, opgenomen op pagina 14 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Ik, verbalisant [verbalisant 1], zag dat collega [slachtoffer] voor mij de woning binnenging. Op het moment dat ik haar wilde volgen werd de deur dichtgeduwd door [verdachte]. Ik, verbalisant [verbalisant 2], zag dat collega [slachtoffer] bij het binnenlopen achter [verdachte] aanliep. Vervolgens zag ik dat [verdachte] in een vlugge beweging om [slachtoffer] heen liep naar de toegangsdeur en deze sloot. Wij, verbalisanten, stonden op dat moment samen met collega [verbalisant 3] op de balustrade buiten de woning. Wij hoorden collega [slachtoffer] tot driemaal toe zeggen dat [verdachte] de deur moest openen. Wij, verbalisanten, hebben meerdere malen geroepen dat [verdachte] de deur moest openen. Aangezien de deur niet werd geopend en wij collega [slachtoffer] vanuit de woning tot drie keer toe hoorden zeggen: “Doe de deur open!”, hebben wij meerdere schoppen tegen de voordeur gegeven om deze te proberen te openen. Ik, verbalisant [verbalisant 2], hoorde collega [slachtoffer] zeggen: “Ik vind dit niet prettig! Wil je de deur opendoen!”. Na enige tijd, wij schatten tussen de 30 en 60 seconden, werd de deur geopend en kwam collega [slachtoffer] naar buiten.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het dossier volgt niet dat verdachte zogenoemd ‘vol’ opzet had op de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangeefster. De vraag is vervolgens of verdachte voorwaardelijk opzet had hierop.

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - in casu de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangeefster - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zo’n kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht.

Verdachte heeft - toen hij en aangeefster in de smalle hal van verdachtes woning stonden - de voordeur gesloten, terwijl de collega’s van aangeefster buiten de woning - aan de andere kant van de deur - stonden. Verdachte heeft daarbij de voet tegen de deur gezet en met zijn armen de deurklink vastgehouden. Daarnaast was verdachte van woede aan het schreeuwen en maakte hij zwaaiende bewegingen met zijn armen. Zijn hond blafte vanuit de woning. Aangeefster heeft vervolgens 3 à 4 maal gezegd dat verdachte de deur moest openen, dat ze weg wilde omdat ze het niet prettig vond en dat hij haar niet tegen haar wil moest vasthouden. Verdachte gaf hieraan geen gehoor. Ook toen de collega’s van aangeefster meerdere malen schreeuwden dat verdachte de deur moest openen en tegen de deur aanduwden en trapten om deze open te krijgen, hield verdachte de deur gesloten. De rechtbank is van oordeel dat al deze omstandigheden maken dat er een aanmerkelijke kans was dat aangeefster tegen haar wil van haar vrijheid werd beroofd en dat verdachte door de deur dicht te houden terwijl hij door verschillende mensen meerdere malen is gevraagd zijn handelwijze te staken, deze aanmerkelijke kans bewust heeft aanvaard. Dat het voorval slechts korte tijd heeft geduurd doet daar niets aan af. Concluderend acht de rechtbank de primair ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 8 februari 2018 te Hoogezand, gemeente Midden-Groningen, opzettelijk [slachtoffer] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door
-nadat die [slachtoffer] zich in de hal van zijn woning bevond de voordeur dicht te doen en
-de deurklink vast te houden en zijn voet telkens tegen de deur te zetten en
-tegen die [slachtoffer] te schreeuwen en zwaaiende bewegingen te maken,
dat terwijl die [slachtoffer] meermalen heeft gezegd dat ze weg wilde en haar aldus te beletten de woning te verlaten.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

primairopzettelijk iemand van de vrijheid beroven

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een maand, voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met oplegging van de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, bestaande uit een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting en het meewerken aan middelencontrole. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een taakstraf op te leggen voor de duur van 60 uren, te vervangen door 30 dagen hechtenis. Bij het bepalen van de strafeis heeft de officier van justitie rekening gehouden met de impact die het feit op aangeefster en haar collega’s heeft gehad. Daarnaast heeft zij de reclasseringsrapportage van Verslavingszorg Noord Nederland d.d. 30 augustus 2018, waarin een positief beeld van verdachte wordt geschetst, meegewogen in de strafeis en acht zij artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de taakstraf te matigen indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt. Ten aanzien van de door de officier van justitie gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf heeft de raadsman bepleit dat onder andere uit het reclasseringsrapport van 30 augustus 2018 blijkt dat de persoonlijke omstandigheden van verdachte zodanig zijn gewijzigd dat er niet langer vrees voor herhaling bestaat.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage, de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving van een ambtenaar in functie. Aangeefster was als verbalisant, tezamen met haar collega’s, in de woning van verdachte. Op enig moment werden zij verzocht de woning te verlaten, maar mochten later toch weer naar binnen. Aangeefster ging daarop naar binnen, waarna haar collega’s haar zouden volgen. Zover kwam het echter niet, omdat - nadat aangeefster de woning had betreden - verdachte de voordeur sloot. Hierbij heeft verdachte zijn voet en zijn armen tegen de deur gezet/gehouden om te voorkomen dat de deur zou worden geopend. Aangeefster heeft verdachte meerdere malen verzocht de deur te openen omdat zij naar buiten wilde. Hieraan gaf verdachte geen gehoor, ook niet toen de collega’s van aangeefster vanaf de buitenzijde van de deur verdachte sommeerden de deur te openen en - toen hij hier geen gehoor aan gaf - met kracht de deur probeerden te openen. Aangeefster - die samen met verdachte in een smalle hal stond - heeft zich niet vrij kunnen bewegen en werd geconfronteerd met verdachte, die kwaad was en wilde bewegingen maakte met zijn lichaam, dit met een blaffende hond op de achtergrond. Door aldus te handelen heeft verdachte een angstig moment doen ontstaan voor aangeefster en inbreuk gemaakt op haar persoonlijke integriteit. Ook nadien heeft aangeefster - zo blijkt uit de onderbouwing van de vordering die zij als benadeelde partij heeft ingediend - hier mentaal last van gehad, onder andere in de uitoefening van haar dagelijkse werkzaamheden als politiefunctionaris.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten. De rechtbank houdt tevens rekening met het toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft ook gelet op het reclasseringsrapport, waarin is opgenomen dat verdachte werkloos is, mogelijk gaat starten met een re-integratietraject, drank en softdrugs gebruikt en kampt met angstklachten en depressieve gevoelens. Voor zijn psychosociale problemen is verdachte al langere tijd vrijwillig in behandeling en volgens de reclassering is hij hiermee voldoende ingebed in de zorg. De kans dat verdachte op enig moment recidiveert acht de reclassering wel reëel. Via een reclasseringstoezicht kan gewerkt worden aan terugvalpreventie met betrekking tot het middelengebruik en toegewerkt worden naar een meer structurele dagbesteding. De reclassering adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting bij de Forensische Polikliniek van VNN en een verplichte middelencontrole.

Mede gelet op het reclasseringsadvies acht de rechtbank met name van belang dat verdachte bij de door hem in vrijwillig kader opgestarte behandeling toezicht en ondersteuning krijgt van de reclassering. Hierin ziet de rechtbank aanleiding te volstaan met het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur, met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde voorwaarden en een proeftijd van drie jaar.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 255,- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de door de benadeelde partij ingediende vordering geheel toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, nu volgens haar sprake is van rechtstreekse schade.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard, nu zij haar vordering niet heeft onderbouwd met bewijsstukken en nader onderzoek naar deze vordering een onevenredige belasting voor het strafgeding zou opleveren.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. Immers, verdachte heeft met zijn handelen op 8 februari 2018 een inbreuk gemaakt op de persoonlijke integriteit van aangeefster en het is aannemelijk dat dit op de benadeelde partij, zelfs in haar hoedanigheid van politieagent waarin zij veelvuldig met bedreigende situaties wordt geconfronteerd, een diepe impact heeft gehad. Ook zonder stukken van een deskundige acht de rechtbank zich gezien de onderbouwing van de vordering voldoende ingelicht om te kunnen vaststellen dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen dat te begroten is op het gevorderde bedrag van € 255,-. De vordering zal daarom geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 8 februari 2018.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 63 en 282 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 weken.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland (VNN) te Groningen, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig acht om het reclasseringstoezicht uit te oefenen;

2. dat de veroordeelde zich laat behandelen door de Forensische Polikliniek van VNN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De reeds gestarte behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering of behandelaar nodig acht. De veroordeelde dient zich aan de regels en de aanwijzingen te houden die de zorgverlener in het kader van de behandeling geeft, waarbij het innemen van medicijnen hiervan onderdeel kan uitmaken;

3. dat de veroordeelde wordt verplicht mee te werken aan controle op het gebruik van alcohol en drugs, waarbij de reclassering bepaalt hoe frequent en met welke controlemiddelen de veroordeelde wordt gecontroleerd. Mogelijke controlemiddelen zijn een ademonderzoek (blaastest), urineonderzoek en bloedonderzoek.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 255,- (zegge: tweehonderd-vijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 255,- (zegge: tweehonderdvijfenvijftig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 februari 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 5 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 255,- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr. M. Haisma en mr. M.R.M. Beaumont, rechters, bijgestaan door mr. A. Boersma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 22 oktober 2018.