Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4192

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-10-2018
Datum publicatie
19-10-2018
Zaaknummer
18/830156-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van bedreiging. Naast de aangifte is er onvoldoende wettig bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring te komen. Vrijspraak begunstiging. Op grond van het dossier is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte handelingen heeft verricht die ertoe strekken dat hij NAAM opzettelijk behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing of aanhouding door justitie of politie, dan wel dat hij NAAM opzettelijk heeft verborgen. Vrijspraak voorhanden hebben wapens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830156-18

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/830009-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken

d.d. 19 oktober 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

21 september 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen en

mr. G.N. Weski, advocaat te Rotterdam.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

parketnummer 18/830156-18

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2017 tot en met 31 december

2017, in de gemeente Groningen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf

tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer] dreigend

de woorden toe te voegen "de mensen die hebben gepraat die sla ik hun schedel

kapot" en/of "ik ga langs je huis", althans woorden van gelijke dreigende aard

of strekking.

parketnummer 18/830009-18

1.

hij in of omstreeks de periode van 23 oktober 2017 tot en met 6 november 2017,

in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen,

althans alleen, opzettelijk [naam], die verdachte was van enig misdrijf, te

weten (onder meer) poging moord en/of poging doodslag, heeft/hebben verborgen

en/of behulpzaam is/zijn geweest in het ontkomen aan de nasporing van en/of

aanhouding door een of meer ambtenaren van de justitie of politie;

2.

hij op of omstreeks 6 november 2017, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk BBM, kaliber 6.35), voorhanden heeft gehad;

3.

hij op of omstreeks 6 november 2017, in de gemeente Groningen, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukpistool (merk Hellfire Compact), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen, voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 18/830156-18

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het ten laste gelegde nu er naast de aangifte onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

Parketnummer 18/830009-18

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde, waarbij in ieder geval de periode van

23 en 24 oktober 2017 en van 6 november 2017 wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe heeft de officier van justitie aangevoerd dat op de telefoon van verdachte filmpjes zijn aangetroffen die zijn gemaakt op 23 en 24 oktober 2017 op het adres [straatnaam] te Groningen. De politie heeft naast [naam], ook verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op de beelden herkend. Op grond van de inhoud van de filmpjes kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op de hoogte waren van het feit dat [naam] werd gezocht door de politie en zijn hem, door hem onderdak te verschaffen, behulpzaam geweest in het ontkomen aan de nasporing en aanhouding door politie en justitie.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat

de kamer waar verdachte is aangehouden erg klein en overzichtelijk was, waardoor hij zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van het wapen. Het wapen, aangetroffen op een stapel kleding, lag als het ware voor het oprapen. Verdachte had tevens directe beschikkingsmacht over het wapen. De officier van justitie heeft aangevoerd dat hij geen waarde hecht aan de ter terechtzitting afgelegde getuigenverklaring van medeverdachte [naam] dat het wapen van hem was. Het lijkt er op dat [naam] heeft geprobeerd om verdachte te ontlasten door de schuld van dit feit op zich te nemen nu [naam] verdacht wordt van een ernstig delict waar een hoge strafmaat op staat. Op grond van het arrest van de Hoge Raad uit 2013, waarbij sprake was van medeplegen van het voorhanden hebben van meerdere vuurwapens, kan het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.1

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 3 ten laste gelegde. Het wapen is aangetroffen boven in een dichte kledingkast van medeverdachte [medeverdachte]. Nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het veerdrukpistool, dient verdachte van het onder 3 ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Standpunt van de verdediging

Parketnummer 18/830156-18

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. De raadsman heeft ter onderbouwing aangevoerd dat er in het dossier geen wettige bewijsmiddelen aanwezig zijn die de aangifte ondersteunen.

Parketnummer 18/830009-18

De raadsman heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde betoogd dat op grond van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte samen met medeverdachte [medeverdachte] [naam] opzettelijk heeft verborgen of dat verdachte behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing door de politie en de aanhouding. Hoewel verdachte wist dat [naam] werd gezocht voor het schietincident aan de Korreweg, valt het enkel niet verhinderen dat een gezochte persoon zich ergens verbergt, buiten het bereik van het bepaalde in artikel 189 van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op het voorgaande, dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde.

Met betrekking tot het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Ter onderbouwing heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte zich niet bewust is geweest van de aanwezigheid van de wapens en dat hij geen feitelijke beschikkingsmacht over de wapens heeft gehad.

Oordeel van de rechtbank

Parketnummer 18/830156-18

De rechtbank overweegt dat er naast de aangifte van [slachtoffer] op grond van het dossier onvoldoende wettig bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het ten laste gelegde.

Parketnummer 18/830009-18

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Verdachte is op 6 november 2017 samen met [naam] en medeverdachte [medeverdachte] aangehouden in een woning aan de Duindoornstraat. Op grond van de filmpjes die op de telefoon van verdachte zijn aangetroffen, kan worden geconcludeerd dat verdachte wist dat [naam] verdacht werd van een misdrijf. De rechtbank is echter van oordeel dat op grond van het dossier niet wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte handelingen heeft verricht die ertoe strekken dat hij [naam] opzettelijk behulpzaam is geweest in het ontkomen aan de nasporing of aanhouding door justitie of politie, dan wel dat hij [naam] opzettelijk heeft verborgen. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde stelt de rechtbank voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen als bedoeld in de artikelen 13 en 26 van de Wet wapens en munitie is vereist dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid daarvan. Met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat [naam] als getuige ter terechtzitting heeft verklaard dat het pistool, dat door de politie is aangetroffen in de woning waar verdachte is aangehouden, van hem was, dat hij het bij zich droeg en op het moment van de inval door de politie in de hoek van de kamer heeft gegooid. Nu de rechtbank deze verklaring niet onaannemelijk acht, zal zij verdachte vrijspreken van het onder 2 ten laste gelegde.

De rechtbank stelt op grond van het dossier verder vast dat het onder 3 ten laste gelegde veerdrukpistool is aangetroffen boven in een dichte kledingkast van medeverdachte [medeverdachte]. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat niet is bewezen dat verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het veerdrukpistool. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 3 ten laste gelegde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/830156-18 en onder parketnummer 18/830009-18 1, 2 en 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. J.V. Nolta en L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 oktober 2018.

1 ECLI:NL:PHR:2013:1153, ECLI:NL:PHR:2013:1151