Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:419

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
09-02-2018
Zaaknummer
19/996513-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Noordelijke Fraudekamer. Onderzoek Zebra. Tussen 2007 en 2011 is het energiebedrijf "verzamelnaam bedrijven", eigendom van negen gemeentes in Drenthe en Overijssel, het slachtoffer geworden van een buitengewoon ernstige vorm van fraude, waarbij twee voormalige directeuren er voor hebben gezorgd dat "verzamelnaam bedrijven" jarenlang grote investeringen heeft gedaan in "NAAM BEDRIJF" BV, opgericht voor de bouw en exploitatie van een warmtekracht- en torrefactiecentrale in Steenwijk, terwijl zij daarbij verzwegen hebben dat zij een substantieel deel van de aandelen in deze onderneming in bezit hadden. Eind 2009 hebben de twee directeuren zich door "NAAM BEDRIJF" voor enkele miljoenen euro’s laten uitkopen, waarbij het benodigde geld verkregen werd doordat zij "verzamelnaam bedrijven" aanvullende leningen hebben laten verstrekken aan "NAAM BEDRIJF", onder het voorwendsel dat dit nodig was als verdere investering in het project. Verdachte, één van de andere aandeelhouders van "NAAM BEDRIJF", heeft aan het verkrijgen van deze leningen en het gebruik daarvan voor de uitkoop van de twee directeuren meegewerkt. Als gevolg daarvan hebben de twee directeuren zich persoonlijk, met publiek geld, kunnen verrijken.

De rechtbank houdt er rekening mee dat de rol van deze verdachte in de fraude een geheel andere is dan die van de twee directeuren. Hoewel de rechtbank enig begrip kan opbrengen voor zijn stelling dat meewerken aan de uitkoop nodig was om te voorkomen dat het project zou mislukken, heeft hij uiteindelijk zijn eigen belangen zwaarder laten wegen dan die van "verzamelnaam bedrijven" en zijn medewerking verleend aan een ernstig strafbaar feit. Een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is daarvoor niet passend. Daaraan doet niet af dat sprake is van fors tijdsverloop tussen de gepleegde strafbare feiten en het uiteindelijke vonnis, nu van overschrijding van de redelijke termijn voor berechting geen sprake is. Het gaat immers om een zeer complex en omvangrijk onderzoek, waarmee noodzakelijkerwijs veel tijd gemoeid is geweest. Volgt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 19/996513-12

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 6 februari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 april 2016, 1 december 2017, 12 december 2017 en 15 december 2017.

Verdachte is op alle zittingsdagen verschenen, bijgestaan door mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.L. Edens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij, op één of meer momenten in of omstreeks de periode van 20 december 2007 tot en met 22 september 2011, in de gemeente Hoogeveen en/of Meppel en/of Steenwijk, en/of Mol (B), althans elders in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door:

het aannemen van een valse naam of valse hoedanigheid en/of listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels,

[bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , en/of [bedrijf 3] . en/of hun (andere) dochtervennootschappen (hierna gezamenlijk alsook individueel aangeduid met " [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] ") heeft bewogen tot:

- ( AH-059) het verstrekken van één of meer lening(en) en/of achtergestelde lening(en) en/of het betalen van geldbedragen in het kader van één of meer lening(en) en/of achtergestelde lening(en), tot een totaal bedrag van circa EUR 20.300.000,00 althans een groot bedrag;

- ( AH-063) het aangaan van één of meer sale- and leasebacktransactie(s), althans het betalen van geldbedragen in het kader van één of meer sale- and leasebacktransactie(s); voor een totaal bedrag van circa EUR 15.411.090,20 (EUR 8.330.000,00 + EUR 2.678.090,20 + EUR 4.403.000,00) (incl. BTW), althans voor een groot bedrag;

- ( AH-063, D-127 en D-579) het op of omstreeks 22 september 2011 kwijtschelden door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] van de huur over de jaren 2011 en 2012 voor (een) perce(e)l(en) industrieterrein gelegen aan de [straatnaam] en [straatnaam] te Steenwijk, gehuurd door [bedrijf 4] . (verder te noemen [bedrijf 4] ) van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] voor een bedrag van in totaal EUR 1.360.450,00 (excl. BTW) (zie pag 1957), althans voor een groot bedrag, althans tot de afgifte van het huurgenot over (een deel van) het jaar 2011 en 2012 van (een) perce(e)l(en)

industrieterrein gelegen aan de [straatnaam] en [straatnaam] te Steenwijk,

derhalve tot de afgifte van enig goed en/of tot het aangaan van een schuld en/of het teniet doen van een inschuld;

immers hebbende verdachte en/of zijn medeverdachte(n):

A. heimelijk onverenigbare functies vervuld door als bestuurder van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] (indirect) aandeelhouder te zijn van en/of belanghebbende te zijn bij [bedrijf 4] en/of haar dochtervennootschap(pen);

B. de Raad van Commissarissen (hierna "RvC") van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en/of de aandeelhouders van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] niet geïnformeerd over het belang dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n) had(den) bij [bedrijf 4] en/of haar dochtevennootschap(pen);

C. heimelijk en zonder toestemming van de RvC van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en/of zonder toestemming van de aandeelhouders van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en door tussenkomst van de besloten vennootschap(pen) [verdacht bedrijf 1] en/of [verdacht bedrijf 2] en/of door tussenkomst van [medeverdachte 1] en/of [naam 1] en/of [medeverdachte 2] , een belang verkregen in [bedrijf 4] en/of haar dochtervennootschap(pen) [bedrijf 9] (hierna " [bedrijf 9] ") en/of [bedrijf 5] (hierna " [bedrijf 5] ") en/of [bedrijf 6] (hierna " [bedrijf 6] "), en/of [bedrijf 7] ;

D. voor het publiek verhuld (groot)aandeelhouder en belanghebbende te zijn van/bij [verdacht bedrijf 1] en/of van/bij [verdacht bedrijf 2] door hiervan 99,95% en/of 99% in plaats van 100% van de aandelen in bezit te hebben en op die wijze te voorkomen dat in de openbare registers voor derden kenbaar zou zijn dat verdachte en/of zijn medeverdachte(n) een belang hebben in [verdacht bedrijf 1] en/of [verdacht bedrijf 2] en/of [bedrijf 4] en/of haar dochtervennootschap(pen);

E. [medeverdachte 3] als bestuurder van [verdacht bedrijf 1] en/of [medeverdachte 4] als bestuurder van [verdacht bedrijf 2] aangesteld om op die wijze te voorkomen dat in de openbare registers voor derden kenbaar zou zijn dat [medeverdachte 5] een belang heeft in [verdacht bedrijf 1] en/of dat [medeverdachte 6] een belang heeft in [verdacht bedrijf 2] ;

F. er voor zorggedragen dat [medeverdachte 2] in de periode van 26 juni 2008 tot 2 december 2009 de aandelen van [bedrijf 4] , die daarvoor (indirect) gehouden werden door verdachte en/of zijn medeverdachte(n), heeft gehouden;

G. de statuten van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] in afwijking van de door de Algemene vergadering van

Aandeelhouders van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] d.d. 16 juli 2007 goedgekeurde statutenwijziging laten wijzigen, waardoor verdachte en/of zijn medeverdachte(n) zelfstandig bevoegd werd(en) [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] grotere (financiële) verplichtingen aan te laten gaan (D-122 & D-260);

H. de RvC van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] niet (volledig) geïnformeerd over nadere met [bedrijf 4] en/of haar dochtervennootschappen gesloten (achtergestelde) leningen en/of over de totale omvang van de vorderingen van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] op [bedrijf 4] en/of haar dochtervennootschappen;

I. als bestuurder van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] opdracht en/of goedkeuring en/of toestemming en/of medewerking gegeven aan het door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] verstrekken van leningen aan [bedrijf 4] en/of haar dochtervennootschappen;

J. als bestuurder van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] opdracht en/of goedkeuring en/of toestemming en/of medewerking gegeven aan het door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aangaan van sale- and leasebackovereenkomsten met [bedrijf 4] en/of haar dochtervennootschappen;

K. als bestuurder van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] opdracht en/of goedkeuring en/of toestemming en/of medewerking gegeven aan het door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] betalen voor investeringen aan [bedrijf 4] en/of [bedrijf 7] en/of haar andere dochtervennootschappen;

L. als bestuurder van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] opdracht en/of goedkeuring en/of toestemming en/of medewerking gegeven aan het door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] kwijtschelden van huur verschuldigd door [bedrijf 4] en/of haar dochtervennootschappen;

M. als bestuurder van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] opdracht en/of goedkeuring en/of toestemming en/of medewerking gegeven aan het door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] doen van betalingen aan [bedrijf 4] en/of haar

dochtervennootschappen;

N. heimelijk gecommuniceerd door voor e-mailcommunicatie tussen hemzelf en/of [medeverdachte 5] en/of [medeverdachte 7] en/of [naam 1] en/of [medeverdachte 6] aangaande [bedrijf 4] privé e-mailadressen te gebruiken;

O. in het Jaarverslag 2007 van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] (D-454) vermeld of laten vermelden dat:

"(...) Daarom heeft de Raad van Commissarissen en de Algemene Vergadering van Aandeelhouders van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] er mee ingestemd, om actief een partij te gaan zoeken buiten de [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] organisatie, die stroom gaat produceren binnen dit [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] netgebied. [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] wenst, rekening houdend met de eisen uit de Wet Onafhankelijk Netbeheer, zelf geen elektriciteitsproducent te worden. De nieuwe partij moet zorg dragen voor extra noodstroomproductie ter plaatse (...)"

P. niet in de jaarrekening(en) en/of het (de) jaarverslag(en) over 2007, 2008, 2009 en 2010 van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] vermeld en/of laten vermelden aan wie [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] (achtergestelde) leningen had verstrekt en/of dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aan [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 9] geld had geleend;

Q. niet in de jaarrekening(en) en/of het (de) jaarverslag(en) van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] over 2007, 2008, 2009 en 2010 vermeld en/of laten vermelden dat er sprake was van [bedrijf 4] en/of [bedrijf 5] en/of [bedrijf 9] als verbonden partijen;

R. de namen van " [verdacht bedrijf 2] " en/of " [verdacht bedrijf 1] " en/of " [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] " uit de concept-jaarrekening en/of het concept-jaarverslag van [bedrijf 4] over 2009 laten verwijderen(D-309);

S. door [bedrijf 8] (hierna " [bedrijf 8] ") en/of de heer mr. ing. [naam 2] een brief (D-779) laten opstellen om aanvullende financiering van EUR 4.500.000,00 door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aan [bedrijf 4] mogelijk te maken en/of in deze brief niet te laten vermelden dat de financiering (deels) gebruikt zou gaan worden voor inkoop van eigen aandelen door [bedrijf 4] (D-779);

T. de hiervoor vermelde brief met een onjuiste datum opgemaakt en/of op laten maken (D-812 en D-813);

U. voor de RvC van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en/of de aandeelhouders van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] verhuld dat één of meerdere door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aan [bedrijf 4] verstrekte leningen door [bedrijf 4] aangewend zullen worden voor de inkoop van eigen aandelen;

V. de concept "Notulen bespreking kwartaalrapportage 1e kwartaal 2010" aangepast om de verhaalspositie van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] ten aanzien van [bedrijf 4] gunstiger voor te doen laten komen (D-831 en D-832);

W. de voortgangsrapportage d.d. 20 augustus 2009 (D-064) door [bedrijf 8] ten behoeve van de sale-and-lease-back transactie voor onroerend goed op laten maken;

X. de inbreng van [bedrijf 7] in [bedrijf 4] bevorderd;

2.

hij, op of omstreeks 18 juni 2010, in de gemeente Meppel en/of Groningen en/of Oss althans elders in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer ander(en), althans alleen, een brief afkomstig van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] gericht aan [bedrijf 9] en/of [bedrijf 5] (D-143a), zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt/laten opmaken en/of heeft vervalst/laten vervalsen, de valsheid hieruit bestaande dat verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk en/of in strijd met de waarheid in deze brief heeft opgenomen/doen opnemen dat:

"Onderstaand komen wij terug op het recentelijk met u gevoerd gesprek over uw bedrijven zijnde: [bedrijf 9] (verder te noemen [bedrijf 9] ); [bedrijf 5] (verder te noemen [bedrijf 5] )."

wetende dat deze bedrijven (tenminste) evenzeer bedrijven van verdachte en/of zijn medeverdachte(n) zijn,

en/of:

"U gaf aan dat u graag een aanbieding zou willen hebben voor een extra lening van 4,5 miljoen euro bij [bedrijf 1] ten behoeve van de financiering van de volgende onroerende en roerende zaken:

o Torrefactie machine nummer 1 (zie bijlage 1 voor de facturen);

o Biomassa aanvoerinstallatie (zie bijlage 1 voor de facturen);

o Silo's (zie bijlage 1 voor de facturen);

o Diverse andere onroerende zaken (zie bijlage 1 voor de facturen);

o Diverse roerende zaken (zie bijlage 1 voor de facturen)."

wetende dat een (substantieel) deel van de gevraagde financiering bestemd was voor de financiering van de inkoop van eigen aandelen door [bedrijf 4] ,

en/of:

verzuimd is in deze brief te vermelden dat een persoonlijk door [medeverdachte 7] en [verdachte] ten behoeve van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] afgegeven borgstelling onderdeel uitmaakt van de in deze brief beschreven leningovereenkomst en dat deze persoonlijke borgstelling gehouden zou worden in het persoonlijk archief van de heer [medeverdachte 5] (D-207B),

met het oogmerk om deze brief als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1 en 2 ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsman ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat [verdachte] er gedurende de gehele looptijd van het project van overtuigd was en ook mocht zijn dat de directieleden van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] handelden met medeweten en instemming van de toezichthouders en aandeelhouders van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] . [verdachte] heeft zich daarbij steeds laten adviseren door externe partijen en heeft nooit enige reden gehad om aan te nemen dat hij betrokken was bij strafbare handelingen. Als moet worden vastgesteld dat de directieleden van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] strafbaar hebben gehandeld, dan is [verdachte] daar zelf ook het slachtoffer van geworden.

Met betrekking tot feit 2 heeft de raadsman betoogd dat niet gesteld kan worden dat [verdachte] welbewust essentiële informatie heeft weggelaten uit de offerte, waardoor er geen sprake is van opzet op het valselijk opmaken van deze brief. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat er bij het opstellen van de offerte in ieder geval geen oogmerk was op het gebruik daarvan jegens derden.

Oordeel van de rechtbank

Algemene overwegingen
De tenlasteleggingen in deze strafzaak zijn een uitvloeisel van het door de Belastingdienst uitgevoerde boekenonderzoek bij [verdacht bedrijf 1] (hierna [verdacht bedrijf 1] ) en het vervolgens door de FIOD uitgevoerde strafrechtelijk onderzoek Zebra. Uit dat onderzoek blijken de volgende, voor de beoordeling van deze zaak relevante, feiten en omstandigheden.

Op 11 september 2003 werd de Overijsselse stad Steenwijk door een brand in een hoofdvoedingsstation voor langere duur afgesloten van de energievoorziening. [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3]1 werd als regionale netbeheerder en verantwoordelijke voor de adequate distributie van gas en elektriciteit in Zuid-Drenthe en Noord-Overijssel op het ontstaan van deze stroomstoring en de schade die hieruit voortvloeide aangesproken. Naar aanleiding hiervan wilde [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] een noodstroomvoorziening creëren waardoor een stroomstoring in de toekomst voorkomen zou worden. [medeverdachte 5] (hierna [medeverdachte 5] ) ging als algemeen directeur van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] op zoek naar mogelijkheden hiertoe en kwam daarbij in contact met de [verzamelnaam bedrijven] , een onderneming waarbij [medeverdachte 7] (hierna [medeverdachte 7] ) en [verdachte] (hierna [verdachte] ) betrokken waren en die zich bezig hield met het zogenaamde torrefactieproces. Torrefactie is een procedé waarbij houtsnippers (biomassa) in korte tijd worden omgezet in (een soort) steenkool die kan worden gebruikt als brandstof voor een elektriciteitscentrale.

[medeverdachte 5] wilde samen met de [verzamelnaam bedrijven] in Steenwijk een torrefactiecentrale realiseren in combinatie met een warmtekrachtkoppeling. Een warmtekrachtkoppeling is een elektriciteitscentrale die zowel stroom als warmte genereert. De opgewekte stroom zou dan kunnen dienen als noodstroomoplossing voor Steenwijk en de vrijkomende warmte zou gebruikt kunnen worden om de biomassa voor de torrefactiecentrale voor te drogen. Op deze wijze zou [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] zowel over een noodstroomvoorziening beschikken als een bijdrage leveren aan de verduurzaming van energieopwekking, een belangrijk element van het beleid van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] .

[medeverdachte 5] heeft zijn plannen voorgelegd aan de toezichthouders (de raad van commissarissen, hierna RvC) en de aandeelhoudende gemeenten (de algemene vergadering van aandeelhouders, hierna AvA) van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] . Zij hebben hiermee ingestemd onder de expliciete voorwaarde dat de warmtekrachtcentrale door een derde partij gerealiseerd zou worden. Deze voorwaarde was gebaseerd op de destijds op handen zijnde Wet onafhankelijk netbeheer (WON), die voorzag in de invoering van een groepsverbod hetgeen inhoudt dat netbeheerders en producenten/handelaren/leveranciers van elektriciteit of gas niet tot één en dezelfde groep in de zin van artikel 2:24b van het Burgerlijk Wetboek (BW) mogen behoren en ook geen aandelen in elkaar mogen houden. [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] , sinds de verkoop van haar leveringsonderdeel per 1 oktober 2006 aan Electrabel nog uitsluitend een netbeheerder, kon derhalve door de WON niet tevens door middel van de warmtekrachtcentrale stroom gaan produceren. Hierop heeft [medeverdachte 5] , teneinde het wederzijds nut van de twee centrales te behouden, voorgesteld om het hele project, te weten de torrefactiecentrale in combinatie met de warmtekrachtcentrale, door een derde partij te laten realiseren. De RvC2 en de AvA3 hebben hieraan hun goedkeuring gegeven, waarbij de intentie was dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] bij het project de rol van financier zou krijgen en daarnaast een faciliterende rol zou vervullen, bij voorbeeld in het kader van vergunningverlening.

Teneinde de torrefactie- en warmtekrachtcentrales te realiseren werden op 20 december 2007 door [verdacht bedrijf 1] , [bedrijf 10] (hierna [bedrijf 10] ), [bedrijf 11] (hierna [bedrijf 11] ) en [naam 1] een aantal nieuwe vennootschappen opgericht, namelijk [bedrijf 4] (hierna [bedrijf 4] )4 en haar dochterondernemingen [bedrijf 5] (hierna [bedrijf 5] ; warmtekrachtkoppeling)5, [bedrijf 9] (hierna [bedrijf 9] ; torrefactiecentrale)6 en [bedrijf 6] (hierna [bedrijf 6] ; torrefactietechnologie)7. De genoemde partijen kregen elk 20 procent van de aandelen van [bedrijf 4] en [medeverdachte 1] kreeg, op grond van een separate aandeelhoudersovereenkomst van dezelfde datum, een koopoptie op 20 procent van de aandelen van [bedrijf 4] , welk aandelenpakket werd gehouden door [verdacht bedrijf 1]8. Verder kan op grond van de stukken worden vastgesteld dat [naam 1] de echtgenote is van [naam 3] (hierna [naam 3] )9, [medeverdachte 1] destijds de echtgenote was van [medeverdachte 6]10, [medeverdachte 5] 99,5% van de aandelen van [verdacht bedrijf 1] in bezit had11, [medeverdachte 7] samen met zijn echtgenote bestuurder is van [bedrijf 10]12 en [verdachte] 100% aandeelhouder is van [bedrijf 11]13. Ten tijde van de oprichting van [bedrijf 4] en haar dochters waren [naam 3] , [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] directieleden van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] ; meer specifiek was [medeverdachte 5] statutair en algemeen directeur van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en [medeverdachte 6] directeur van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] Beheer BV14.

Over het verloop van het bezit van de aandelen in [bedrijf 4] is uit het onderzoek het volgende gebleken.
Op 26 juni 2008 koopt [verdacht bedrijf 1] de aandelen [bedrijf 4] van [naam 1] voor € 5.00015 waarbij de koopsom door [verdacht bedrijf 1] schuldig wordt gebleven. Vervolgens verkoopt [verdacht bedrijf 1] op 26 juni 2008 haar aandelenpakket [bedrijf 4] van 20%, de gekochte aandelen van [naam 1] (20%) en de voor [medeverdachte 1] gehouden aandelen [bedrijf 4] (20%), met een bedongen terugkoopoptie, aan [medeverdachte 2] (hierna [medeverdachte 2] )16, een kennis van [medeverdachte 5] . Op 2 december 2009 koopt [verdacht bedrijf 1] het pakket van 60% van de aandelen [bedrijf 4] weer terug van [medeverdachte 2] voor een bedrag van € 15.00017.

Op 26 maart 2009 richt medeverdachte [medeverdachte 4] , de broer van medeverdachte [medeverdachte 6] , [verdacht bedrijf 2] BV (hierna [verdacht bedrijf 2] ) op. Op de dag van de oprichting van [verdacht bedrijf 2] verkoopt [medeverdachte 4] 99% van de aandelen aan [medeverdachte 6]18. Vervolgens verkoopt [medeverdachte 1] op 31 maart 2009 haar koopoptie op aandelen [bedrijf 4] voor nul euro aan [verdacht bedrijf 2]19. Op 29 november 2009 besluit de algemene vergadering van aandeelhouders van [verdacht bedrijf 2] over te gaan tot uitoefening van de koopoptie op de aandelen in [bedrijf 4]20. Op 2 december 2009 verkoopt [verdacht bedrijf 1] 20% van de aandelen [bedrijf 4] aan [verdacht bedrijf 2] voor een bedrag van € 5.00021.
Op 22 december 2009 koopt [bedrijf 4] de aandelen in [bedrijf 4] van [verdacht bedrijf 1] (40%) en [verdacht bedrijf 2] (20%) in voor een totale koopsom van € 8,1 miljoen, waarvan € 5,4 miljoen bestemd is voor [verdacht bedrijf 1] en € 2,7 miljoen voor [verdacht bedrijf 2]22. Daarbij wordt overeengekomen dat op de verkoopdatum een eerste betaling zal plaatsvinden van € 1 miljoen aan [verdacht bedrijf 1]23 en € 0,5 miljoen aan [verdacht bedrijf 2]24, hetgeen op 23 december 2009 ook daadwerkelijk gebeurt, en dat het resterende door [bedrijf 4] verschuldigde bedrag wordt omgezet in een tweetal leningen tegen 7% rente. Ter aflossing van deze leningen wordt door [bedrijf 4] op 29 juni 2010 een bedrag van € 1 miljoen aan [verdacht bedrijf 1]25 betaald en een bedrag van € 0,5 miljoen aan [verdacht bedrijf 2]26. Partijen komen tevens overeen dat de levering van de aandelen zal plaatsvinden op het moment van de laatste betaling.

In 2010/2011 komt [bedrijf 4] in financiële problemen en vinden onderhandelingen plaats met Amerikaanse investeerders, hetgeen resulteert in een aandelenovereenkomst met [bedrijf 12] (hierna [bedrijf 12] ) waarbij deze vennootschap tegenover een kapitaalinjectie een aandelenbelang in [bedrijf 4] krijgt. Op 22 september 2011 verkopen en leveren [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] hun aandelen in [bedrijf 4] aan [bedrijf 12] en cederen zij hun resterende vorderingen op [bedrijf 4] eveneens aan [bedrijf 12]27. Het gaat daarbij voor [verdacht bedrijf 1] om een bedrag van € 3,4 miljoen, waarvan door [verdacht bedrijf 1] € 2.150.000 wordt kwijtgescholden, en voor [verdacht bedrijf 2] om een bedrag van € 1,7 miljoen, waarvan € 450.000 wordt kwijtgescholden. Op de resterende vorderingen van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] wordt vervolgens door [bedrijf 12] op 22 september 2011 € 0,5 miljoen afbetaald. [verdacht bedrijf 2] ontvangt op 10 juli 2012 nog eens een bedrag van € 750.000, waarmee haar vordering volledig is voldaan; voor zover uit de stukken kan worden opgemaakt vindt er geen betaling meer plaats op het overgebleven deel van de vordering van [verdacht bedrijf 1] .

Uit het onderzoek is gebleken dat er in de jaren 2007 tot en met 2011 op verschillende manieren geld is verstrekt door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aan [bedrijf 4] dan wel aan haar dochterondernemingen. Chronologisch gaat het om de volgende geldstromen:

- eerste overeenkomst van achtergestelde geldlening tussen [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en [bedrijf 9] ten bedrage van 3 miljoen euro d.d. 21 december 200728; van deze lening is 1 miljoen euro op 27 december 2007 en 2 miljoen euro op 10 juni 2008 door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] betaald aan [bedrijf 9]29;
- tweede overeenkomst van achtergestelde geldlening tussen [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en [bedrijf 5] ten bedrage van 3 miljoen euro d.d. 21 december 200730; van deze lening is 1,5 miljoen euro op 27 december 2007 en 1,5 miljoen euro op 11 september 2008 door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] betaald aan [bedrijf 5]31;
- een addendum d.d. 2 juni 2008 op de eerste overeenkomst van achtergestelde geldlening tussen [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en [bedrijf 9] waarbij het geleende bedrag is verhoogd met 3 miljoen euro32; dit bedrag is op 5 september 2008 door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] betaald aan [bedrijf 9]33;
- een addendum d.d. 2 juni 2008 op de tweede overeenkomst van achtergestelde geldlening tussen [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en [bedrijf 5] waarbij het geleende bedrag is verhoogd met 3 miljoen euro34; dit bedrag is op 11 september 2008 door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] betaald aan [bedrijf 5]35;
- derde overeenkomst van achtergestelde geldlening tussen [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en [bedrijf 5] ten bedrage van 2 miljoen euro d.d. 3 oktober 200836; dit bedrag is op 30 oktober 2009 door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] betaald aan [bedrijf 5]37;

- een verhoging van de lening van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] van 6 miljoen euro aan [bedrijf 9] met 1,8 miljoen euro38; dit bedrag is op 23 december 2009 door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] betaald aan [bedrijf 9]39;
- een brief/offerte d.d. 18 juni 2010 van [medeverdachte 5] namens [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aan [bedrijf 9] , ter attentie van [verdachte] , waarin een extra lening van 4,5 miljoen aan [bedrijf 9] wordt toegezegd40; van dit bedrag is € 3.010.845,37 op 25 juni 2010 door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] betaald aan [bedrijf 9]41; het restant van de lening is verrekend met facturen van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] ;

- eerste sale and leaseback transactie d.d. 27 november 2009 waarbij [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] voor 7 miljoen euro (exclusief € 1.330.000 aan omzetbelasting) een perceel industrieterrein met daarop de in aanbouw zijnde biomassacentrale van [bedrijf 4] koopt42 en dit gekochte perceel met opstal aan [bedrijf 4] verhuurt43;
- tweede sale and leaseback transactie d.d. 30 december 2010 waarbij [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] voor € 2.250.496 (exclusief € 427.594,24 aan omzetbelasting) activa zoals vermeld op D-508 koopt van [bedrijf 4]44 en deze gekochte activa aan [bedrijf 4] verhuurt45;
- derde sale and leaseback transactie d.d. 22 september 2011 waarbij [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] een koopsom van 3,7 miljoen euro (exclusief € 703.000 aan omzetbelasting) dient te voldoen voor investeringen die [bedrijf 4] heeft gedaan in onroerende zaken46; van de koopsom wordt 1,7 miljoen euro verrekend met vorderingen die [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] op [bedrijf 4] heeft en wordt het restant van het bedrag overgemaakt aan [bedrijf 4] en [bedrijf 7]47; op 22 september 2011 wordt tevens een nieuwe huurovereenkomst gesloten tussen [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en [bedrijf 4] betreffende de verhuur van alle roerende zaken die [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] van [bedrijf 4] verworven heeft en waarbij partijen overeen komen dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] geen huur over de jaren 2011 en 2012 in rekening zal brengen bij [bedrijf 4]48.

Oplichting van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3]

De aan de verdachten op dit punt gemaakte verwijten draaien in de kern om de vraag of zij [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] , door middel van de in de tenlastelegging opgesomde oplichtingsmiddelen, met het oogmerk om zichzelf of anderen (zoals [bedrijf 4] ) wederrechtelijk te bevoordelen, ertoe hebben bewogen om geld te verstrekken aan [bedrijf 4] . Opmerking verdient dat, nu bij het (mede)plegen van oplichting bewezen zal moeten worden dat sprake is van “oogmerk”, niet kan worden volstaan met de vaststelling dat de verdachten met hun gedragingen (slechts) bewust de aanmerkelijke kans daarop hebben aanvaard (voorwaardelijk opzet). Beoordeeld zal moeten worden of het handelen van de verdachten, naar zij moeten hebben beseft, als noodzakelijk en dus door hen gewild gevolg meebracht dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] werd opgelicht.

Gezien de tenlastelegging en de chronologie van de gebeurtenissen zoals die uit het dossier blijkt, ziet de rechtbank aanleiding bij deze beoordeling de ten laste gelegde periode te verdelen in een aantal, hieronder nader te bespreken fases, waarbij in iedere fase door de rechtbank zal worden beoordeeld of de daarin beschreven gebeurtenissen betekenis hebben voor de vraag of sprake is geweest van oplichting, en zo ja door wie en in welke vorm. Vanwege de samenhang tussen de gedragingen van de verschillende verdachten, ziet de rechtbank aanleiding om deze vragen tegelijk voor alle verdachten aan wie dit is ten laste gelegd te beantwoorden.

Eerste fase: de oprichting van [bedrijf 4]
Rol van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]

De rechtbank stelt voorop dat naar haar oordeel op grond van de processtukken buiten redelijke twijfel vaststaat dat niet [verdacht bedrijf 1] , [medeverdachte 1] en [naam 1] , die blijkens de aandeelhoudersovereenkomst [bedrijf 4] en de akte van oprichting de aandelen in [bedrijf 4] formeel op naam hadden staan, maar [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [naam 1] degenen waren die vanaf het moment van oprichting van [bedrijf 4] op 20 december 2007 de feitelijke zeggenschap hadden over deze aandelen, alle beslissingen namen over en op grond van hun aandelenbelang en die (aldus) invloed konden uitoefenen op de besluitvorming binnen en met betrekking tot [bedrijf 4] en haar dochters. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Voor [medeverdachte 5] geldt in de eerste plaats dat hij, zoals hierboven reeds vermeld, 99,95% van de aandelen van [verdacht bedrijf 1] in bezit had en daarmee de feitelijke zeggenschap over deze onderneming had. Dat medeverdachte [medeverdachte 3] per 31 augustus 2007 als directeur van [verdacht bedrijf 1] was aangesteld49 maakt dit niet anders, nu [medeverdachte 3] slechts 0,05% van de aandelen in handen had50 en dus op geen enkele wijze bepalende invloed kon uitoefenen. Dit geldt temeer, nu [medeverdachte 3] op 6 februari 2008 [medeverdachte 5] heeft gevolmachtigd om namens [verdacht bedrijf 1] alle voorkomende (rechts)handelingen te verrichten51. Nog meer van belang acht de rechtbank de feitelijke rolverdeling, zoals die blijkt uit zijn aanwezigheid bij en optreden op de algemene vergadering van aandeelhouders van [bedrijf 4]52 en de aard, toon en inhoud van de e-mailcorrespondentie zoals die vanaf de oprichting van [bedrijf 4] is gevoerd tussen [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [verdachte] , waarbij in het bijzonder gewezen kan worden op de e-mails die betrekking hebben op de overdracht van de aandelen van [verdacht bedrijf 1] in [bedrijf 4] aan [medeverdachte 2] op 26 juni 2008 en op de inkoop van de aandelen van (onder meer) [verdacht bedrijf 1] door [bedrijf 4] op 2 december 200953. Uit deze gang van zaken volgt naar het oordeel van de rechtbank evident dat het [medeverdachte 5] en geen ander was die optrad als de feitelijke aandeelhouder, wie de aandelen op dat moment dan ook maar formeel op naam had staan.

Voor [medeverdachte 6] geldt dat uit zowel zijn eigen verklaringen54 als die van zijn toenmalige echtgenote [medeverdachte 1]55 blijkt dat [medeverdachte 1] enkel in naam bij de aandeelhoudersovereenkomst van 20 december 2007 en bij de afzonderlijke overeenkomst met [verdacht bedrijf 1] van dezelfde datum betrokken is geweest, maar dat dit iedere keer ten behoeve van [medeverdachte 6] was. Daarbij verschilde de situatie van [medeverdachte 6] bij de oprichting van [bedrijf 4] in die zin van die van [medeverdachte 5] dat [medeverdachte 1] niet rechtstreeks eigenaar was geworden van de aandelen in [bedrijf 4] . Wel was op dezelfde dag in de al genoemde afzonderlijke aandeelhoudersovereenkomst tussen haar en [verdacht bedrijf 1] afgesproken dat zij het recht behield om de door [verdacht bedrijf 1] voor haar gehouden aandelen binnen afzienbare tijd alsnog te kopen. Via deze koopoptie had [medeverdachte 6] derhalve nog altijd een (financieel) belang bij [bedrijf 4] . Net als bij [medeverdachte 5] blijkt bovendien uit de aanwezigheid van [medeverdachte 6] bij en zijn optreden op de aandeelhouders-vergaderingen van [bedrijf 4] en de hierboven al aangehaalde e-mailcorrespondentie tussen [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [verdachte] dat hij, ondanks het feit dat hij de aandelen niet op naam had en die aandelen op naam van [medeverdachte 1] gehouden werden door [verdacht bedrijf 1] , optrad als de feitelijke aandeelhouder.

Voor [naam 1] geldt voor wat betreft de rol van zijn echtgenote [naam 1] hetzelfde als de rechtbank hierboven heeft overwogen ten aanzien van [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] . Nu [naam 1] niet als verdachte in deze strafzaak is gedagvaard, zal de rechtbank op zijn rol verder niet ingaan.

De hierboven beschreven gang van zaken komt erop neer dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] via een schijnconstructie met andere partijen hun feitelijke zeggenschap binnen [bedrijf 4] voor de buitenwereld hebben verhuld. Praktisch gezien hadden de drie [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] -directeuren56 in deze fase gezamenlijk een (persoonlijk) meerderheidsbelang in [bedrijf 4] en oefenden [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] in de praktijk ook een bepalende invloed binnen deze onderneming uit, zoals uit de eerder aangehaalde e-mailcorrespondentie al volgt en uit het hierna overwogene nog nader zal blijken.

Deze feitelijke gang van zaken is, zo stelt de rechtbank vast, evident in strijd met hetgeen door de RvC en AvA van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] in de hierboven aangehaalde vergaderingen van 13 september 2007 en 20 december 2007 was goedgekeurd met betrekking tot de exploitatie van (in ieder geval) de warmtekrachtcentrale. Uit de notulen van deze vergaderingen blijkt immers dat de RvC en AvA van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] onder geen beding in strijd wilden komen met de (verwachte) verbodsbepalingen uit de WON, te minder omdat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] door de eerdere verkoop in oktober 2006 van haar leveringsdeel aan Electrabel op dat moment juist voldeed aan de eisen die de WON aan een netbeheerder stelde, en dat men de exploitatie wilde overlaten aan een (niet met [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] verbonden, dus van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] onafhankelijke) derde partij. Daarvan was in de gekozen constructie, met rechtstreekse betrokkenheid van drie directeuren van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] , geen sprake. Ten overvloede wijst de rechtbank in dit verband nog op hetgeen hieronder later nader worden overwogen over de (juridisch-economische) verbondenheid tussen [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en [bedrijf 4] die blijkens de deskundigenrapportages van deze constructie het gevolg is geweest.

Uit het voorgaande vloeit buiten redelijke twijfel voort dat de RvC en de AvA niet door [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] of [naam 1] op de hoogte zijn gesteld van het feit dat zij feitelijk (het grootste deel van) de zeggenschap binnen [bedrijf 4] hadden, laat staan dat daar expliciet toestemming voor zou zijn gegeven. Uit de verklaringen van diverse aandeelhouders en commissarissen blijkt ook dat zij niet wisten welke (rechts)personen een belang hadden in [bedrijf 4] en ook dat zij nooit toestemming zouden hebben gegeven voor een deelname van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] in [bedrijf 4] als zij daar om hadden gevraagd, noch ingestemd zouden hebben met verstrekken van geld aan [bedrijf 4] als die deelname bij hen wel bekend was geweest57.

Daar komt bij dat uit de aandeelhoudersovereenkomst [bedrijf 4] van 20 december 2007 blijkt dat het van meet af aan bij alle bij deze overeenkomst betrokken partijen duidelijk was dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] de activiteiten van [bedrijf 4] voor het overgrote deel zou financieren. Dat (en op welke wijze) [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] in deze eerste fase ook daadwerkelijk geld heeft geïnvesteerd in [bedrijf 4] , heeft de rechtbank in de algemene overwegingen hierboven al uiteengezet. Daarmee ontstond op 20 december 2007 de situatie dat [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [naam 1] , als directeuren van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en in het geval van [medeverdachte 5] ook nog met een statutaire bevoegdheid om over het verstrekken van financieringen te beschikken, een rechtstreeks financieel belang hadden gekregen bij de onderneming waarin [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] een aanzienlijke hoeveelheid geld zou gaan investeren. Een dergelijke constructie leidt tot een zodanig groot risico dat op enig moment de belangen van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en die van de aandeelhoudende directeuren met elkaar in strijd zouden komen – een situatie die zich later, zoals de rechtbank hieronder nog nader zal overwegen, ook heeft gerealiseerd – dat ook om deze reden onvoorstelbaar is dat de RvC en de AvA van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] hiervan af zouden hebben geweten dan wel toestemming voor zouden hebben gegeven58.

De rechtbank merkt bij dit alles op dat weliswaar uit de verklaringen van [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [verdachte] kan worden opgemaakt dat [medeverdachte 5] heeft verkondigd toestemming van de president-commissaris van de RvC, [naam 4] , te hebben gekregen, maar dat van enige concrete onderbouwing van deze stelling door [medeverdachte 5] niet is gebleken. [naam 4] zelf heeft overigens in alle verhoren consequent ontkend een dergelijke toestemming verleend te hebben59. Overigens heeft [medeverdachte 5] in zijn voorafgaand aan de zitting opgestelde schriftelijke verklaring (en in zijn eigen zaak, ter terechtzitting) iets anders verklaard, namelijk dat [naam 4] zou hebben opgemerkt dat hij niets wilde weten over de identiteit van de derde partij die de centrales moest gaan realiseren en dat één en ander de verantwoordelijkheid van [medeverdachte 5] zelf was. Ook indien deze laatste stelling voor waar zou moeten worden aangenomen, kan deze uitlating niet zo ruim worden uitgelegd dat [naam 4] niet wilde weten dat zijn eigen directeuren in strijd met de WON gingen deelnemen in een onderneming die door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] zou worden gefinancierd en waarin zij een eigen financieel belang hadden, laat staan dat deze uitlating zou kunnen worden opgevat als een expliciete toestemming voor een dergelijke deelname. Van een situatie waarin [medeverdachte 5] , zoals in zijn zaak is gesteld, verontschuldigbaar gedwaald zou hebben omtrent het hebben van toestemming of de noodzaak om die toestemming te verkrijgen, is derhalve geen sprake.

Dat [medeverdachte 5] de huisadvocaat van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] middels advisering en het opstellen van stukken nauw betrokken heeft bij de oprichting van [bedrijf 4] maakt het voorgaande niet anders. Al zou er vanuit gegaan worden dat deze huisadvocaat volledig op de hoogte was van de (rechts)personen die deelnamen in [bedrijf 4] , dan is daarmee nog niet het bewijs geleverd dat deze de RvC en de AvA – in weerwil van de hierboven aangehaalde verklaringen – hiervan in kennis heeft gesteld. Overigens valt zeker niet uit te sluiten dat [medeverdachte 5] de huisadvocaat heeft medegedeeld dat hij wel degelijk toestemming had voor zijn deelname, zoals hij blijkens de stukken immers aan meerdere personen heeft verteld, en de advocaat aldus op het verkeerde been heeft gezet.

Uit de eerder aangehaalde verklaringen van de commissarissen en aandeelhouders van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] blijkt, zoals gezegd, zonneklaar dat de RvC en de AvA nooit zouden hebben ingestemd met het verstrekken van geld aan [bedrijf 4] als bij hen bekend was geweest dat [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [naam 1] een belang hadden bij die onderneming. In het licht van de ondubbelzinnige afspraken in de vergaderingen van 13 september en 20 december 2007 omtrent het uitbesteden van de exploitatie van het project aan een derde partij, bij welke vergaderingen [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] aanwezig waren, moeten beiden noodzakelijkerwijs geweten hebben dat de besluitvorming in de RvC en de AvA anders zou zijn verlopen indien deze van hun belangen bij [bedrijf 4] op de hoogte waren geweest. Dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] noch op dat moment, noch op enig moment nadien, de RvC en de AvA van hun belangen op de hoogte hebben gesteld, maakt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat zij de RvC en de AvA bewust hebben misleid, om zo te bewerkstelligen dat dat [bedrijf 4] toch door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] zou worden (en blijven) gefinancierd.

Met betrekking tot het vast te stellen oogmerk overweegt de rechtbank ten aanzien van [medeverdachte 6] nog als volgt. [medeverdachte 6] heeft aangevoerd dat hij niet de intentie heeft gehad om de RvC en de AvA te misleiden en daartoe gewezen op het feit dat hij expliciete toestemming had van [medeverdachte 5] voor deelname aan de gewraakte constructie en bovendien van [medeverdachte 5] had vernomen dat deze op zijn beurt de toestemming had van de president-commissaris [naam 4] . De rechtbank acht echter niet geloofwaardig dat [medeverdachte 6] daadwerkelijk meende dat hij handelde met medeweten en instemming van de RvC en AvA. Hij was immers zelf aanwezig bij de vergaderingen van de RvC en de AvA op 13 september en 20 december 2007, zodat het bepaald niet voor de hand lag dat [naam 4] buiten die vergaderingen om alsnog zou hebben ingestemd met een constructie die in strijd is met hetgeen eerder door zijn RvC was afgesproken en die bovendien aanzienlijke risico’s op een tegenstrijdig belang zou meebrengen. Voor hemzelf lag toestemming krijgen bovendien des te minder voor de hand nu hij, als directeur netbeheer, wist dat ook zijn eigen statuten hem expliciet verboden om in enige vorm deel te nemen aan een energieproducerend bedrijf60.

Ook het feit dat hij zich in eerste instantie beperkt heeft tot een koopoptie in plaats van het houden van aandelen, maakt niet dat anders moet worden geoordeeld over zijn oogmerk. De rechtbank heeft hierboven reeds overwogen dat het enkele feit dat hij “slechts” een koopoptie had, er niet aan de weg heeft gestaan dat hij feitelijk bij de besluitvorming binnen [bedrijf 4] betrokken was en zich ook als zodanig manifesteerde. Van de door hem gestelde voorzichtigheid en terughoudendheid die naar zijn eigen zeggen de reden waren om het vooralsnog bij een koopoptie te laten, is in de praktijk helemaal niets gebleken.

[medeverdachte 5] heeft zich nog op het standpunt gesteld dat er in zijn geval hoe dan ook geen sprake kan zijn geweest van oplichting omdat hij degene was die statutair bevoegd was tot het aangaan en verstrekken van de verschillende vormen van financiering aan [bedrijf 4] en dat hij zichzelf niet heeft misleid. In dit geval is deze bevoegdheid echter bewust uitgeoefend in strijd met de kaders die de RvC en de AvA met betrekking tot het project hadden aangegeven en is daarbij bovendien gebruik gemaakt van misleiding om te voorkomen dat de RvC en de AvA zouden ingrijpen. Onder dergelijke omstandigheden kan een beroep op een formele bevoegdheid niet slagen.

De conclusie is dan ook dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] vanaf de oprichting van [bedrijf 4] op 20 december 2007 gezamenlijk schuldig hebben gemaakt aan de oplichting van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] , in die zin dat de RvC en de AvA van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] (die voor wat betreft de beoordeling van dit strafbare feit en onder de gegeven omstandigheden als “ [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] ” aangemerkt kunnen worden) omtrent hun (feitelijke) deelname aan [bedrijf 4] zijn misleid, in het noodzakelijk bewustzijn dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] geen geld aan [bedrijf 4] zou hebben verstrekt als deze van de werkelijke situatie op de hoogte was geweest.

Uit deze conclusie volgt ook dat alle vormen van financiering die [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] vanaf de oprichting van [bedrijf 4] op 20 december 2007 aan deze onderneming of haar dochters heeft verstrekt, aangemerkt moeten worden als vrucht van deze oplichting. Dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] hierdoor is benadeeld is evident, nu zij niet uit vrije wil dit geld heeft verstrekt; of zij hierdoor ook schade heeft geleden is een vraag die zich in dit strafproces niet laat beantwoorden. De rechtbank komt daar later, in de strafmotivering, nog op terug.

Rol van [medeverdachte 7] en [verdachte]

In de algemene overwegingen hierboven is reeds opgemerkt dat [medeverdachte 7] en [verdachte] – via hun respectievelijke vennootschappen [bedrijf 10] en [bedrijf 11] – de andere aandeelhouders van [bedrijf 4] waren, met ieder een belang van 20%. Hoewel zij de aandeelhoudersovereenkomst [bedrijf 4] op 20 december 2007 gesloten hebben met [verdacht bedrijf 1] , [medeverdachte 1] en [naam 1] , is niet in geding dat zij wisten dat zij feitelijk een overeenkomst sloten met de [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] -directeuren [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en [naam 1]61. Uit de stukken blijkt echter niet – en [medeverdachte 7] en [verdachte] hebben dat ook steeds ontkend – dat zij wisten dat de RvC en de AvA van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] niet afwisten van de deelname van hun directeuren en evenmin dat een dergelijke deelname in strijd was met hetgeen daarover door de RvC en de AvA van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] was besloten. Als externen waren zij immers niet bij de betreffende vergaderingen aanwezig geweest, terwijl evenmin is komen vast te staan dat zij inzage hebben gehad in de stukken die op de (besluiten van) deze vergadering betrekking hebben of dat zij op andere wijze hiervan op de hoogte waren geraakt. Integendeel, zij hebben onweersproken verklaard dat zij juist van [medeverdachte 5] begrepen hadden dat de gekozen constructie de instemming had van de RvC en de AvA van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] , omdat deze graag zagen dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] via (in)directe deelname grip kon houden op de investeringen en de exploitatie. Van [medeverdachte 7] en [verdachte] kan derhalve niet worden gezegd dat zij in deze fase doelbewust hebben meegewerkt aan het misleiden van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] omtrent de deelname van de drie directeuren in [bedrijf 4] . De rechtbank benadrukt in dit verband dat het feit dat [medeverdachte 7] en [verdachte] bij de oprichting geconfronteerd werden met twee echtgenotes die duidelijk op geen enkele wijze zicht hadden op het project en geen feitelijke zeggenschap over de aandelen zouden krijgen, wellicht enige vraagtekens omtrent het waarheidsgehalte van de verklaringen van [medeverdachte 5] had moeten oproepen, maar dat daarmee nog bepaald niet het voor oplichting vereiste oogmerk gegeven is; ten hoogste zou dit als een vorm van culpa beschouwd kunnen worden.

Concluderend kunnen [medeverdachte 7] en [verdachte] in deze eerste fase derhalve niet als medepleger van de oplichting van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aangemerkt worden.

Tweede fase: overdracht van de aandelen aan [medeverdachte 2]

Rol van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]

In de algemene overwegingen is al beschreven dat er op 26 juni 2008 tussen [bedrijf 10] , [bedrijf 11] , [verdacht bedrijf 1] , [medeverdachte 1] en [naam 1] een nadere aandeelhoudersovereenkomst [bedrijf 4] is gesloten, die – voor zover hier van belang – inhoudt dat [naam 1] haar aandelenpakket (een belang van 20%) levert aan [verdacht bedrijf 1] en dat [verdacht bedrijf 1] haar volledige aandelenbelang (inmiddels gestegen naar 60%, inclusief de voor [medeverdachte 1] gehouden aandelen) levert aan [medeverdachte 2] . Deze afgesproken gang van zaken is, zo blijkt uit de stukken, dezelfde dag uitgevoerd. Daarmee was [medeverdachte 2] vanaf 26 juni 2008 meerderheidsaandeelhouder van [bedrijf 4] . Uit diens verklaring62, maar ook het feit dat nadien de nodige beslissingen over [bedrijf 4] en deze aandelen werden gemaakt door en met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] , waarover hieronder bij de derde fase meer, kan echter worden afgeleid dat er feitelijk niets veranderde: [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] bleven zich gedragen als waren zij de aandeelhouders en hun invloed op het besluitvormingsproces binnen [bedrijf 4] veranderde niet63. Ook hier was derhalve sprake van een schijnconstructie die tot doel had om voor de buitenwereld te verhullen wie de feitelijke zeggenschap had binnen [bedrijf 4] .

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat deze schijnconstructie een extra schakel is geweest in de misleiding van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] omtrent de feitelijke deelname aan [bedrijf 4] door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . Hoewel de kans groot is dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] de financiering van [bedrijf 4] zou hebben gestaakt als duidelijk was geworden dat de aandelen van dit miljoenenproject in meerderheid in handen waren gekomen van iemand die op geen enkele wijze kennis had van torrefactie of de energiemarkt, staat naar het oordeel van de rechtbank op grond van de stukken echter onvoldoende vast dat de RvC en de AvA door deze (verdere) verhulling zijn bewogen tot het (blijven of aanvullend) verstrekken van financiële middelen aan [bedrijf 4] . Immers, voor zover uit de stukken kan worden opgemaakt waren de RvC en de AvA op 26 juni 2008 in het geheel niet op de hoogte van de identiteit van de aandeelhouders van [bedrijf 4] , behalve dat hen was voorgespiegeld dat het zou gaan om een derde partij. Ook is niet gebleken dat (medewerkers van) [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] bijvoorbeeld onderzoek verrichtten of dreigden te gaan verrichten naar de aandeelhouders van [bedrijf 4] , waardoor een nadere verhulling van hun identiteit noodzakelijk zou worden.

De overdracht van de aandelen aan [medeverdachte 2] mag dan wellicht niet verder hebben bijgedragen aan de oplichting van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] , aan de eerdere conclusie dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] vanaf de oprichting van [bedrijf 4] op 20 december 2007 misleid hebben en zijn blijven misleiden doet deze gebeurtenis ook niets af.

Rol [medeverdachte 7] en [verdachte]

[medeverdachte 7] en [verdachte] hebben als partij bij de nadere aandelenovereenkomst hun medewerking verleend aan de overdracht van de aandelen aan [medeverdachte 2] . Uit hun verklaringen blijkt dat zij bepaald ongelukkig waren met de gekozen constructie en dat deze bij hen ook bevreemding wekte, hetgeen ook logisch is nu zij immers geconfronteerd werden met een meerderheidsaandeelhouder die geen enkele wetenschap van of betrokkenheid bij het project had. Door niettemin met deze aandelenoverdracht in te stemmen en deze mogelijk te maken, hebben zij een bijdrage geleverd aan een gang van zaken waarvan ook zij wel konden bevroeden dat het om een schijnconstructie ging64. Daarmee is echter nog niet bewezen dat zij daarmee ook het oogmerk hadden om [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] te misleiden, dat wil zeggen dat zij, zoals de officier van justitie heeft betoogd, doelbewust wilden meewerken aan de tenlastegelegde oplichting. Voor een dergelijke verstrekkende conclusie bieden de stukken naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten. Veeleer lijkt het erop dat [medeverdachte 7] en [verdachte] in deze fase, om te voorkomen dat het project zou stranden, al te graag op de uitleg van [medeverdachte 5] hebben vertrouwd en zodoende (al dan niet bewust) de ogen hebben gesloten voor de mogelijkheid dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] frauduleus handelden. Dit is echter onvoldoende om tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen van oplichting te komen, nu immers ook voor medeplegen zulk oogmerk is vereist.

Derde fase: inkoop door [bedrijf 4] van haar eigen aandelen
Aanloop

In deze fase draait het voor de beoordeling van de tenlastegelegde oplichting met name om de inkoop door [bedrijf 4] van haar aandelen die door [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] werden gehouden. [verdacht bedrijf 2] is, zoals hierboven onder algemene overwegingen reeds overwogen, op 26 maart 2009 opgericht, waarbij [medeverdachte 6] 99% van de aandelen van deze vennootschap in bezit heeft gekregen. Zij bezat vanaf 31 maart 2009 de koopoptie op het aandelenbelang van 20% dat voorheen voor [medeverdachte 1] werd gehouden door [verdacht bedrijf 1] en dat ten tijde van de overname van deze koopoptie in het bezit was van [medeverdachte 2] .

Uit de stukken blijkt dat na de overdracht van de aandelen aan [medeverdachte 2] in toenemende mate wrijvingen en onenigheid is ontstaan – om verschillende redenen – tussen [medeverdachte 7] en [verdachte] aan de ene kant, en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] aan de andere kant. Dit heeft ertoe geleid dat de betrokkenen in de loop van 2009 hebben besloten dat [bedrijf 4] de aandelen van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] zou inkopen. Terzijde merkt de rechtbank nogmaals op dat de vele correspondentie die over dit onderwerp heeft plaatsgevonden65, gevoerd werd met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] , dat wil zeggen volledig buiten de formele meerderheidsaandeelhouder [medeverdachte 2] om. Dit toont eens te meer aan hoezeer [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] feitelijk als aandeelhouder bleven optreden en invloed binnen [bedrijf 4] uitoefenden.

In de algemene overwegingen is verder beschreven dat op 22 december 2009 een nadere aandeelhoudersovereenkomst [bedrijf 4]66 gesloten is tussen [bedrijf 10] (vertegenwoordigd door [medeverdachte 7] ), [bedrijf 11] ( [verdachte] ), [verdacht bedrijf 1] ( [medeverdachte 3] ) en [verdacht bedrijf 2] ( [medeverdachte 4] ). In deze overeenkomst is onder punt 2 onder meer vastgelegd dat [bedrijf 4] de aandelen van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] inkoopt voor € 8,1 miljoen, waarvan een deel op verkoopdatum wordt uitbetaald; het resterende deel wordt omgezet in een rentedragende lening waarop op gezette tijden moet worden afbetaald.

Eerste uitbetaling op 23 december 2009

De eerste betaling aan [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] van de overeengekomen koopprijs van in totaal € 8,1 miljoen heeft plaatsgevonden op 23 december 2009. Daarbij is een bedrag van € 1 miljoen uitbetaald aan [verdacht bedrijf 1] en € 0,5 miljoen aan [verdacht bedrijf 2] .

Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van de stukken niet anders worden geconcludeerd dan dat de betaling van deze € 1,5 miljoen is voldaan uit gelden die afkomstig waren van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] . Daartoe wijst de rechtbank op het volgende. Voorafgaand aan de genoemde nadere aandeelhoudersovereenkomst van 22 december 2009 is een stappenplan inkoop aandelen opgesteld67. In dit stappenplan wordt beschreven welke handelingen ondernomen moeten worden om de inkoop van de aandelen en de betaling daarvan mogelijk te maken en daarnaast zijn onder meer afspraken opgenomen over de uitbetaling van de inkoop van de aandelen van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] , over een sale and lease back transactie tussen [bedrijf 4] en [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] op 27 november 2009 en het omzetten van de huidige lening van € 14 miljoen naar een lening van € 8 miljoen aan [bedrijf 5] en een lening van € 7,8 miljoen aan [bedrijf 9] op 30 november 200968.

De sale en lease back transactie heeft vervolgens inderdaad bij akte van 27 november 2009 plaatsgevonden69 en een deel van de afgesproken koopprijs, een bedrag van ruim € 5,8 miljoen, is door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] vervolgens via de derdenrekening van de behandelend notaris op 2 december 2009 op de rekening [nummer] van [bedrijf 4] gestort70. Uit de bevindingen van de FIOD met betrekking tot het verloop van deze rekening blijkt dat er tussen 2 en 18 december 2009 geen andere geldbedragen op deze rekening zijn binnengekomen, maar dat er wel diverse betalingen vanaf deze rekening hebben plaatsgevonden, met als gevolg dat op 18 december 2009 een saldo van (ongeveer) € 1,8 miljoen resteerde71. Op die datum heeft [bedrijf 4] een bedrag van € 1,5 miljoen naar de rekening van een notaris overgemaakt, waaruit vervolgens [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] op de hierboven beschreven wijze zijn betaald.

Ook de verhoging van de lening aan [bedrijf 9] heeft volgens het stappenplan plaatsgevonden. Deze verhoging vindt zijn grondslag in een brief van [medeverdachte 5] (namens [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] ) aan [bedrijf 9] van 25 november 2009, waarin staat vermeld dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] naar aanleiding van positieve berichten over de voortgang een nieuwe leningsaanbieding wil doen72. Op 23 december 2009 ontvangt [bedrijf 9] vervolgens een bedrag van € 1,8 miljoen van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] . Dit bedrag blijft echter niet bij [bedrijf 9] , maar wordt op 24 december 2009 integraal overgemaakt naar de rekening van [bedrijf 4] , volgens [medeverdachte 7] en [verdachte] om betalingsproblemen te voorkomen73. Deze verklaringen worden bevestigd door het verdere verloop van deze rekening, waaruit blijkt dat er tussen 24 en 30 december 2009 een bedrag van ongeveer € 1,3 miljoen benodigd was om verschillende betalingen aan derden te verrichten, waarvoor het saldo anders zou hebben ontbroken74.

Vastgesteld moet dus worden dat geld van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] dat bestemd was voor de financiering van [bedrijf 4] en haar dochtermaatschappijen, in ieder geval voor een deel aangewend is voor het doen van betalingen aan haar eigen directeuren [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] . Uit niets blijkt dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] ooit beoogd heeft om haar geld voor dit doel te (laten) gebruiken, alleen al niet omdat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] steeds bewust verzwegen hadden dat zij een belang in [bedrijf 4] hadden, maar het ligt ook bepaald niet voor de hand omdat het gaat om (een aanzienlijke hoeveelheid) publiek geld terwijl [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] als directeuren van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] al een vast salaris in dienst van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] genoten. Uit de verklaringen75 van leden van de RvC en de AvA van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] blijkt ook evident dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] geen geld had verstrekt aan [bedrijf 4] als bekend was geweest dat dat geld niet ten bate van het project kwam, maar werd aangewend ter verrijking van haar eigen directeuren.

Daar komt bij dat de rechtbank op grond van de stukken bezwaarlijk anders kan concluderen dan dat de op 25 november 2009 overeengekomen verhoging van de lening van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aan [bedrijf 9] en de op 27 november 2009 uitgevoerde sale and lease back transactie tussen [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en [bedrijf 4] doelbewust zijn aangegaan om het geld te genereren dat nodig was om [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] te betalen. Dit volgt in de eerste plaats uit het genoemde “stappenplan”. Eén en ander wordt bovendien bevestigd door een eerder op 5 november 2009 door [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6] verstuurd e-mailbericht76, waarin onder meer het volgende staat vermeld:

“Ik denk dat je goed hebt aangevoeld dat het betalen van het bedrag op 22/12 voor ons zeer belangrijk is. Van deze gedachte wensen wij dan ook geen afstand te doen. […] Gezien de zeer korte termijn die wij nog hebben om tot een gedragen voorstel te komen, stellen wij voor dat [bedrijf 4] de bedragen die zij dan nog ontbeert, voor zover die niet uit het zuiden kunnen komen, leent van de suikeroom.”

In de context van het reeds aangehaalde stappenplan en het feit dat de betalingen aan [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] op 23 december 2009 inderdaad zijn voorafgegaan aan en kort daarna gevolgd worden door betalingen door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aan [bedrijf 4] en [bedrijf 9] , kan er naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel over bestaan dat met de term “suikeroom” [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] wordt bedoeld.

Voorts wijst de rechtbank op een mailbericht van [medeverdachte 7] aan [naam 5] van 14 december 2009 (in kopie verzonden aan [verdachte] ) waarin hij aan [naam 5] vraagt om het restant van de lening op te vragen en dat daarna € 1,5 miljoen wordt geboekt op de rekening van de notaris. Ook uit dit mailbericht blijkt van een duidelijk verband tussen enerzijds het verhogen van de lening en anderzijds het via de notaris betalen van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] in verband met de inkoop van aandelen77.

Tweede uitbetaling op 29 juni 2010

Op 29 juni 2010 wordt opnieuw een bedrag van € 1 miljoen aan [verdacht bedrijf 1] en van € 0,5 miljoen aan [verdacht bedrijf 2] uitbetaald. Beide betalingen zijn afkomstig van de rekening van [bedrijf 9] (15.73.43.812) en worden omschreven als “aflossing lening”78, een en ander overeenkomstig de afspraken die daarover in de hiervoor genoemde nadere aandeelhoudersovereenkomst van 22 december 2009 waren gemaakt. Voorafgaand aan deze uitbetalingen heeft het volgende plaatsgevonden.

Op 18 juni 2010 heeft [medeverdachte 5] namens [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] een offerte toegestuurd aan [bedrijf 9] en [bedrijf 5] waarin, naast nieuwe voorwaarden voor de bestaande leningen aan [bedrijf 9] en [bedrijf 5] , aan [bedrijf 9] een nieuwe lening wordt aangeboden van € 4,5 miljoen ten behoeve van de financiering van een aantal in deze brief genoemde roerende en onroerende zaken79. Deze offerte is – kennelijk ter acceptatie – door [medeverdachte 5] (namens [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] ) en [verdachte] (namens [bedrijf 9] ) ondertekend.

Ter onderbouwing van deze aanvullende lening heeft [bedrijf 8] ( [bedrijf 8] )80 een brief aan [medeverdachte 5] gezonden, gedagtekend op 17 juni 2010, waarin wordt omschreven waarom extra financiering door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] noodzakelijk is en waar deze financiering aan zal moeten worden besteed. Deze brief is blijkens een e-mailwisseling tussen medewerkers van [bedrijf 8] onderling en een medewerker van [bedrijf 8] en [medeverdachte 5]81 op verzoek van [medeverdachte 5] opgesteld en, ondanks de dagtekening, pas in definitieve vorm gereedgekomen na 1 juli 2010, dat wil zeggen ongeveer twee weken na het uitbrengen van de offerte die deze brief had moeten onderbouwen.

Op 22 juni 2010 vraagt [medeverdachte 7] per e-mail aan [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] “een overzicht van de te betalen bedragen per bankrekeningnummer”. Hierop wordt door [medeverdachte 5] op dezelfde dag gereageerd onder verwijzing naar een bijgevoegd bestand, door hem aangeduid als het “spoorboekje voor de betalingen naar [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2]”. Tevens wijst [medeverdachte 5] er in deze mail op dat [bedrijf 4] is gehouden om voor 1 juli 2010 uitbetalingen te doen aan [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2]82.

Op 22 juni 2010 ontvangt [bedrijf 9] € 1 miljoen en op 25 juni 2010 een bedrag van ruim € 3 miljoen in het kader van de aanvullende lening van € 4,5 miljoen die op 18 juni 2010 door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aan haar was aangeboden83. Het restant van de lening is – zo maakt de rechtbank uit de stukken op – verrekend met openstaande facturen van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] .

Reeds de volgorde van gebeurtenissen doet vermoeden dat ook de tweede uitbetalingen aan [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] gefinancierd zijn met geld dat afkomstig was van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] , in dit geval de aanvullende lening aan [bedrijf 9] . Dit vermoeden vindt naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel bevestiging in het volgende.

Het hierboven genoemde spoorboekje was eerder onderwerp van een e-mail van [medeverdachte 5] aan [medeverdachte 7] van 3 juni 201084. Hoewel [medeverdachte 5] de afzender is, kan uit de inhoud worden afgeleid dat hij deze e-mail mede uit naam van [medeverdachte 6] schrijft. Er wordt immers meerdere keren over “we” en “wij” gesproken in de context van de uitbetalingen aan [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] . Het bijgevoegde document getiteld “Contouren aangaande vereisten voor verdere leningverstrekking aan [bedrijf 9] ” (kennelijk het spoorboekje in kwestie) houdt onder meer de volgende passage in:

1. [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] geeft een extra lening van 4,5 miljoen; deze wordt gebruikt voor:

a. […]

b. 1,5 miljoen tbv aflossen leningsverplichtingen per 1/7

In de context van hetgeen hierboven is beschreven staat daarmee naar het oordeel van de rechtbank vast dat de lening aan [bedrijf 9] van € 4,5 miljoen in ieder geval voor een deel is aangegaan met het doel om de uitbetaling van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] mogelijk te maken. Noch in de officiële offerte van 18 juni 2010, noch in de (geantedateerde) onderbouwende brief van [bedrijf 8] wordt daarover echter met enig woord gerept, zodat vaststaat dat in ieder geval de getekende en geaccepteerde offerte op dit punt valselijk is opgemaakt (de rechtbank komt daar hieronder nog nader op terug), kennelijk om [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] omtrent de werkelijk beoogde besteding te misleiden.

Dat deze aanvullende lening noodzakelijk was voor de betalingen aan [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] volgt ook uit de verklaringen van [medeverdachte 7]85 en [verdachte]86 dat [bedrijf 4] op dat moment niet beschikte over de financiële middelen om aan de verplichtingen uit het stappenplan te voldoen. [verdachte] heeft hier in een schriftelijke verklaring87 nog aan toegevoegd dat de continuïteit van [bedrijf 4] als gevolg van de afbetalingsverplichtingen in gevaar was.

Conclusies rol [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6]

Uit het voorgaande volgt dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] niet alleen doelbewust is misleid omtrent hun (feitelijke) belang in [bedrijf 4] , maar in deze fase ook omtrent het doel en de besteding van de financiering die [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] (in alle gevallen vertegenwoordigd door diezelfde [medeverdachte 5] ) aan [bedrijf 4] en haar dochter [bedrijf 9] heeft verstrekt. Op deze wijze hebben [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] bewerkstelligd dat geld, dat in de valselijk gewekte voorstelling van zaken zoals die aan [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] werd voorgespiegeld voor de warmtekracht- en torrefactiecentrale in Steenwijk was bestemd, in de zakken van haar eigen directeuren is gevloeid, nota bene terwijl dat project nog geen moment rendabel was geweest en het voortbestaan daarvan bovendien, ten tijde van de tweede uitbetaling op 29 juni 2010, door het vasthouden aan de betalingen aan Woldumus en [verdacht bedrijf 2] rechtstreeks in gevaar werd gebracht. Daarmee staat vast dat ook rond de beide uitbetalingen sprake is geweest van (een andere vorm van) oplichting van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] , waaraan zowel [medeverdachte 5] als [medeverdachte 6] hebben deelgenomen.

Ten aanzien van dat laatste merkt de rechtbank op dat zij heeft kennisgenomen van het verweer van [medeverdachte 6] , dat er in het kort op neer komt dat hij niet wist dat er geld van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] gebruikt werd om [verdacht bedrijf 2] uit te betalen. Dat verweer faalt in het licht van hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen, in het bijzonder het feit dat [medeverdachte 6] op de hoogte was van het stappenplan, van de e-mail van 5 november 2009 (over het lenen van de “suikeroom”) en van het “spoorboekje” waarin een koppeling wordt gelegd tussen de lening van € 4,5 miljoen aan [bedrijf 9] en de tweede uitbetaling aan [verdacht bedrijf 2] . Uit de hele gang van zaken blijkt zonder meer dat [medeverdachte 6] mede betrokken was bij de besluitvorming rond de inkoop door [bedrijf 4] van haar eigen aandelen, de koopprijs en de wijze waarop deze betalingen uitgevoerd en gefinancierd zouden moeten worden.

Conclusies rol [medeverdachte 7] en [verdachte]

Ook voor [medeverdachte 7] en [verdachte] geldt dat zij, gelet op de hierboven vastgestelde feiten en

in het bijzonder hun eigen verklaringen, zich er noodzakelijkerwijs van bewust moeten zijn geweest dat de inkoop van de aandelen van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] in beide gevallen betaald werd met geld van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] . De rechtbank acht het volstrekt ondenkbaar dat zij zich, zeker onder de gegeven omstandigheden, niet hebben gerealiseerd dat dit onmogelijk met wetenschap en instemming van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] kon gebeuren. In een fase waarin het project nog volop financiering nodig had en nog niet rendeerde, kan niet waar zijn dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] miljoenen zou betalen aan haar eigen directeuren, zeker niet als daardoor, zoals al overwogen, op enig moment zelfs het voortbestaan van het project in gevaar zou worden gebracht. Bij haar overtuiging dat [medeverdachte 7] en [verdachte] ten tijde van de uitbetalingen aan [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] zich ervan bewust moeten zijn geweest dat zij meewerkten aan de oplichting van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] betrekt de rechtbank daarnaast het feit dat zij al eerder sterke aanwijzingen hadden voor een mogelijke kwalijke rol van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] ten opzichte van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] , nu zij immers direct zicht hadden op de eerder beschreven schijnconstructies bij de oprichting van [bedrijf 4] in 2007 en de overdracht van de aandelen aan [medeverdachte 2] in 2008, ook al heeft de rechtbank niet aannemelijk geacht dat zij daar toentertijd met het oogmerk van oplichting van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] bij betrokken waren. Als het gaat om de besteding van de aanvullende lening van € 4,5 miljoen aan [bedrijf 9] komt daar nog bij dat zij, gezien het “spoorboekje”, op de hoogte waren van het feit dat deze lening, in tegenstelling tot wat valselijk aan [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] werd voorgespiegeld, mede besteed zou worden aan de uitbetaling van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] .

Door onder de gegeven omstandigheden hun medewerking te verlenen aan het verkrijgen van de bewuste gelden van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en aan de doorbetaling van in ieder geval een deel daarvan aan [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] , is sprake van een zodanige nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] bij het oplichten van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] dat van medeplegen kan worden gesproken.

Aan het voorgaande doet niet af dat [medeverdachte 7] en [verdachte] zich, zoals zij onweersproken hebben gesteld, gedurende de loop van het project [bedrijf 4] steeds hebben laten adviseren door juridisch adviseurs, fiscalisten, advocaten en andere deskundigen. Uit geen van de stukken die zij in dit verband hebben overgelegd volgt immers dat zij advies hebben gevraagd over juist deze constructie, waarbij buiten het zicht van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] om geld dat bestemd was voor de warmtekracht- en torrefactiecentrales zou worden doorbetaald aan twee aandeelhouders, die nota bene beide directeur bij [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] waren, laat staan dat uit één van de adviezen zou blijken dat hen ondubbelzinnig is voorgespiegeld dat een dergelijke constructie juridisch in orde zou zijn. Zij kunnen zich dus niet met vrucht beroepen op dwaling, nog daargelaten of de rechtbank dat onder de gegeven omstandigheden verontschuldigbaar zou hebben geacht.

Vierde fase: de overname van [bedrijf 4] door [bedrijf 12]

Zoals in de algemene overwegingen beschreven, worden de aandelen [bedrijf 4] op 22 september 2011 overgenomen door [bedrijf 12] . Bij die overname zijn onder meer afspraken gemaakt over de vorderingen die [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] nog op [bedrijf 4] hadden naar aanleiding van de inkoop van hun aandelen en over de verdere uitbetaling van de resterende bedragen88. Op grond van die afspraken is op de dag van de overname, 22 september 2011, zowel aan [verdacht bedrijf 1] als aan [verdacht bedrijf 2] een bedrag van € 0,5 miljoen betaald en op 10 juli 2012 aan [verdacht bedrijf 2] nog een bedrag van € 750.000,--. Aan [verdacht bedrijf 1] hebben, voor zover uit de stukken kan worden opgemaakt, na 2011 geen betalingen meer plaatsgehad.

Het is opvallend dat aan de overname van [bedrijf 4] door [bedrijf 12] en de betalingen op die dag nog een sale and leaseback transactie tussen [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] Duurzaam en [bedrijf 4] voorafgaat. In dat kader betaalt [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] Duurzaam € 3,7 miljoen (nog exclusief een bedrag van ruim € 700.000 aan omzetbelasting) aan [bedrijf 4] voor de investeringen die [bedrijf 4] heeft gedaan in de onroerende zaken op het projectterrein in Steenwijk die op grond van een eerdere sale and leasebacktransactie in het bezit van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] waren gekomen89.

Ook tussen deze sale and leasebacktransactie, die eveneens op 22 september 2011 zijn beslag heeft gekregen, en de uitbetalingen op die dag aan [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] lijkt enige relatie te bestaan. Op 28 mei 2011 heeft [bedrijf 12] een zogenaamde “Binding term sheet” aan [bedrijf 3] en [bedrijf 1] gezonden, waarin als onderdeel van de gemaakte afspraken rond de overname van [bedrijf 4] staat vermeld dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] een bedrag van € 3,7 miljoen aan [bedrijf 4] dan wel aan [bedrijf 9] en [bedrijf 5] zal betalen90. Op de computer van [medeverdachte 5] is bij de doorzoeking van zijn woning een tweede Binding term sheet aangetroffen, ook van 28 mei 2011, maar deze gericht aan [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] , waarin staat vermeld dat [bedrijf 12] hun aandelen in [bedrijf 4] zal overnemen tegen een bedrag van € 3,5 miljoen91.

In het kader van de onderhandelingen over de overname door [bedrijf 12] vindt vervolgens een e-mailwisseling plaats tussen [naam 2] van [bedrijf 8] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] en de betrokken personen bij [bedrijf 12]92. In de mail van [naam 2] aan [bedrijf 12] staat onder meer vermeld dat “They [blijkens de aanhef van de mail, “Former shareholders”, wordt hiermee gedoeld op [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] – rechtbank] declined and made a counterproposal, which is, and I made it clear to him, out of the question: they suggested a payment of 3 million up front instead of the 1 million. [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] will pay 1 million of this in the form of an addtional loan to [bedrijf 4] .” Ook in deze e-mail wordt een verband gelegd tussen de uitbetaling van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] en het (daaraan voorafgaand) verstrekken van geld door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aan [bedrijf 4] . In ieder geval maakt de inhoud van deze e-mail duidelijk dat [medeverdachte 5] in deze fase zowel namens [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] als namens zichzelf met [bedrijf 12] onderhandelde over de overname van [bedrijf 4] , waarbij bepaald niet blijkt dat hij de belangen van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] voor die van hemzelf liet gaan93.

De rechtbank kan echter uiteindelijk niet met de vereiste zekerheid vaststellen of, zoals dat voorafgaand aan de uitbetalingen in 2009 en 2010 zeker wel het geval was, de uitbetalingen op 22 september 2011 gedaan zijn vanuit het geld dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] (in dit geval door de sale and leasebacktransactie van die datum) aan [bedrijf 4] heeft verstrekt en dus ook niet of [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] doelbewust omtrent het doel van het met die transactie gegenereerde geld is misleid.

Voor de vaststelling of het geld dat met deze sale and leasebacktransactie is gemoeid geweest de vrucht is van oplichting maakt deze conclusie overigens niet uit, gezien de eerdere overweging van de rechtbank dat al het geld dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] vanaf de oprichting van [bedrijf 4] op 20 december 2007 aan deze onderneming of haar dochters heeft verstrekt, als zodanig moet worden aangemerkt.

Resumé

Resumerend komt de rechtbank tot het oordeel dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zich vanaf de oprichting van [bedrijf 4] op 20 december 2007 schuldig hebben gemaakt aan oplichting van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] te misleiden omtrent hun feitelijke deelname aan [bedrijf 4] . In het verlengde daarvan heeft de rechtbank overwogen dat al het geld dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] vanaf die datum aan [bedrijf 4] of haar dochters heeft verstrekt de vrucht van oplichting is geweest.

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zich bij de uitbetaling van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] op 23 december 2009 en 29 juni 2010 eveneens schuldig hebben gemaakt aan oplichting van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] , nu door op deze specifieke momenten [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] te misleiden omtrent het doel en de besteding van de door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] in dit verband aan [bedrijf 4] verstrekte gelden. Aan deze vorm van oplichting acht de rechtbank [medeverdachte 7] en [verdachte] , zoals hierboven nader uitgelegd, als medepleger schuldig.

De rechtbank heeft de vraag onder ogen gezien of de conclusie dat [medeverdachte 7] en [verdachte] zich met betrekking tot bovenbedoelde geldleningen schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van oplichting jegens [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] , tot het oordeel moet leiden dat zij vanaf het moment van de eerste uitbetaling op 23 december 2009 ook als medepleger kunnen worden aangemerkt van het oplichten van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] met betrekking tot de andere geldverstrekkingen, in het bijzonder de sale and lease back transacties van 30 december 2010 en 22 september 2011. De rechtbank is van oordeel dat dat niet het geval is, nu bij hen, anders dan de rechtbank ten aanzien van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] heeft geoordeeld, geen sprake is geweest van het actief verhullen en/of verzwijgen van een belang in [bedrijf 4] ten opzichte van de eigen RvC en de AvA van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] . Aan [medeverdachte 7] en [verdachte] kan wel verweten worden dat zij ook met betrekking tot deze latere geldverstrekkingen passief zijn gebleven maar dat acht de rechtbank in dit geval onvoldoende om hen als medepleger van (die vorm van) oplichting aan te kunnen merken.

Rol van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] bij de oplichting van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3]

Ten aanzien van de medeverdachten [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] heeft de rechtbank in haar vonnissen van heden geoordeeld dat het handelen van respectievelijk [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zozeer met het handelen van de betreffende rechtspersoon samenvalt, dat dit handelen aan deze rechtspersonen kan worden toegerekend. Gelet op hun rol in de fraudeconstructie heeft de rechtbank tevens bewezen geacht dat zij als medepleger van de oplichting kunnen worden aangemerkt.

Vertaling naar de tenlastelegging onder feit 1

De tenlastelegging onder feit 1 is zo ingericht dat in de onderdelen A tot en met X een opsomming is gegeven van de feitelijkheden die naar de mening van de opsteller van de tenlastelegging instrumenteel zijn geweest bij de misleiding van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] .

Zoals hierboven overwogen, acht de rechtbank in het geval van [verdachte] bewezen dat hij in vereniging [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] op een tweetal momenten specifiek heeft opgelicht door voor te wenden dat een aantal, hierboven nader besproken, financieringen bedoeld waren ter investering in [bedrijf 4] of haar dochters, terwijl deze in werkelijkheid aan de uitkoop van aandeelhouders [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] ten goede kwamen.

Deze door de rechtbank bewezen geachte handelingen zijn uitgewerkt in de volgende onderdelen van de tenlastelegging:

  • -

    de onderdelen I en J, voor zover dit onderdeel betrekking heeft op het medeplegen van het door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] namens [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aangaan en verstrekken van de leningen van 25 november 2009 en 18 juni 2010 en de sale en leaseback transactie van 27 november 2009;

  • -

    de onderdelen S, T en U die zien op het verhullen van het werkelijke doel en besteding van de betreffende leningen; ten aanzien van de onderdelen S en T overweegt de rechtbank daarbij nog dat niet vast is komen te staan dat [medeverdachte 7] of [verdachte] betrokken is geweest bij het opstellen of verzenden van deze daarin bedoelde brief, maar dat deze door [medeverdachte 5] verrichte verhullingshandeling naar haar oordeel wel valt binnen het met [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] gedeelde opzet om het werkelijke doel van de lening van 18 juni 2010 te verhullen.

Ten aanzien van de overige gedragingen in de tenlastelegging is de rechtbank van oordeel dat de daarin vervatte gedragingen hetzij:

  • -

    niet bewijsbaar zijn,

  • -

    op zichzelf wel bewijsbaar zijn maar of niet aan [medeverdachte 7] kunnen worden toegerekend of dat daarvan niet of onvoldoende kan worden vastgesteld dat zij zijn verricht met het doel om [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] te misleiden.

Valsheid in geschrift ten aanzien van de offerte van 18 juni 2010

De rechtbank heeft hierboven reeds gemotiveerd overwogen waarom moet worden geoordeeld dat de offerte van 18 juni 2010 valselijk is opgemaakt en ook dat dit is gebeurd om te verhullen dat een deel van deze lening in werkelijkheid gebruikt zou worden voor de uitbetaling van [verdacht bedrijf 1] en [verdacht bedrijf 2] . Deze offerte is door [verdachte] namens [bedrijf 9] en [bedrijf 5] ondertekend94 , in de wetenschap, zoals de rechtbank hierboven heeft aangegeven, dat de inhoud daarvan niet met de werkelijkheid overeenstemt. In zoverre kan dit feit ten aanzien van zowel [medeverdachte 5] als [verdachte] wettig en overtuigend bewezen worden.

Bij [verdachte] is aanvullend nog ten laste gelegd dat hij heeft nagelaten om in deze offerte ook te vermelden dat een persoonlijk door [medeverdachte 7] en [verdachte] ten behoeve van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] afgegeven borgstelling onderdeel uitmaakt van de in deze brief beschreven leningovereenkomst en dat deze persoonlijke borgstelling gehouden zou worden in het persoonlijk archief [medeverdachte 5] . De rechtbank ziet echter niet in hoe dit nalaten zou hebben bijgedragen aan het verhullen van het doel van de aangevraagde lening en ook overigens kan op grond van de stukken niet worden vastgesteld dat het opzet van [verdachte] erop gericht is geweest om deze informatie in strijd met de werkelijkheid niet in de offerte op te (laten) nemen. Van dit onderdeel zal de rechtbank derhalve vrijspreken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

De rechtbank acht het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij, in de periode van 20 december 2007 tot en met 22 september 2011, in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen, [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , en/of [bedrijf 3] en/of hun (andere) dochtervennootschappen (hierna gezamenlijk alsook individueel aangeduid met " [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] ") heeft bewogen tot:

- het verstrekken van leningen en achtergestelde leningen en het betalen van geldbedragen in het kader van één of meer leningen en achtergestelde leningen;

- het aangaan van een sale- and leasebacktransactie;

derhalve tot de afgifte van enig goed en tot het aangaan van een schuld;

immers hebbende verdachte en zijn medeverdachten:

I. als bestuurder van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] opdracht en goedkeuring en toestemming en medewerking gegeven aan het door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] verstrekken van leningen aan [bedrijf 4] en haar dochtervennootschappen;

S. door [bedrijf 8] en/of de heer mr. ing. [naam 2] een brief laten opstellen om aanvullende financiering van EUR 4.500.000,00 door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aan [bedrijf 4] mogelijk te maken en in deze brief niet te laten vermelden dat de financiering deels gebruikt zou gaan worden voor inkoop van eigen aandelen door [bedrijf 4] ;

T. de hiervoor vermelde brief met een onjuiste datum op laten maken;

U. voor de RvC van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en de aandeelhouders van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] verhuld dat één of meerdere door [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aan [bedrijf 4] verstrekte leningen door [bedrijf 4] aangewend zullen worden voor de inkoop van eigen aandelen;

2.

hij, op 18 juni 2010, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een brief afkomstig van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] gericht aan [bedrijf 9] en [bedrijf 5] , zijnde een geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt,

de valsheid hieruit bestaande dat verdachte en zijn mededaders valselijk en/of in strijd met de waarheid in deze brief heeft opgenomen /doen opnemen dat:

"Onderstaand komen wij terug op het recentelijk met u gevoerd gesprek over uw bedrijven zijnde: [bedrijf 9] (verder te noemen [bedrijf 9] ); [bedrijf 5] (verder te noemen [bedrijf 5] )."

wetende dat deze bedrijven (tenminste) evenzeer bedrijven van verdachte zijn,


en:


"U gaf aan dat u graag een aanbieding zou willen hebben voor een extra lening van 4,5 miljoen euro bij [bedrijf 1] ten behoeve van de financiering van de volgende onroerende en roerende zaken:

o Torrefactie machine nummer 1 (zie bijlage 1 voor de facturen);

o Biomassa aanvoerinstallatie (zie bijlage 1 voor de facturen);

o Silo's (zie bijlage 1 voor de facturen);

o Diverse andere onroerende zaken (zie bijlage 1 voor de facturen);

o Diverse roerende zaken (zie bijlage 1 voor de facturen)."

wetende dat een substantieel deel van de gevraagde financiering bestemd was voor de financiering van de inkoop van eigen aandelen door [bedrijf 4] ,

met het oogmerk om deze brief als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. medeplegen van de voortgezette handeling van oplichting;

2. medeplegen van valsheid in geschrift.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de duur die verdachte in voorarrest heeft verbleven

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor algehele vrijspraak van [verdachte] en heeft geen subsidiair standpunt over de strafmaat ingenomen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Tussen 2007 en 2011 is het energiebedrijf [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] , eigendom van een negental gemeentes in Drenthe en Overijssel, het slachtoffer geworden van een buitengewoon ernstige vorm van fraude, waarbij twee voormalige directeuren, [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] , er voor hebben gezorgd dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] jarenlang grote investeringen heeft gedaan in [bedrijf 4] BV, opgericht voor de bouw en exploitatie van een warmtekracht- en torrefactiecentrale in Steenwijk, terwijl zij daarbij verzwegen hebben dat zij heimelijk een (financieel) belang in deze onderneming hadden.

Onderdeel van deze fraude is ook geweest dat een deel van het geld dat [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] aan [bedrijf 4] heeft verstrekt, door [bedrijf 4] gebruikt is om de aandelen van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] in te kopen, terwijl voorgewend werd dat het geld bedoeld was voor verdere investeringen in het project. [verdachte] heeft aan deze fraude meegewerkt. Als gevolg hiervan, hebben [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] zich persoonlijk kunnen verrijken ten koste van gemeenschapsgeld. Het gaat daarbij in totaal om enkele miljoenen euro’s.

[verdachte] heeft aangegeven dat de uitkoop van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] de enige manier was om te voorkomen dat de voortgang van het project, en daarmee de door hem vurig gewenste realisatie van de torrefactiecentrale, in gevaar zou komen. Hoewel de rechtbank enig begrip heeft voor de (financiële en persoonlijke) belangen die voor [verdachte] op het spel stonden, kan toch niet anders worden geconcludeerd dan dat hij, toen het er op aan kwam, zijn eigen belangen zwaarder heeft laten wegen dan het belang van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] en, wellicht tegen zijn zin maar uiteindelijk toch bewust, zijn medewerking heeft verleend aan een ernstig strafbaar feit.

De geraffineerde aard van de fraude en de omvang van de benadeling van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] maken dat geen andere straf gerechtvaardigd is dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal bij het bepalen van de hoogte van die straf wel in aanzienlijke mate als strafmatigend laten meewegen dat de rol van [verdachte] bij deze oplichting van een geheel andere aard is geweest dan die van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] , dat hij zich niet persoonlijk heeft verrijkt en dat hij nooit eerder is veroordeeld.

De rechtbank merkt als laatste op dat, hoewel er geruime tijd is verstreken tussen de aanhouding van [verdachte] en zijn uiteindelijke berechting, er naar haar oordeel geen sprake van een overschrijding van de redelijke termijn die tot strafvermindering aanleiding zou moeten geven. Het gaat om een buitengewoon omvangrijk en complex strafrechtelijk onderzoek waarbij onontkoombaar was dat de FIOD en het openbaar ministerie daar veel tijd in hebben moeten steken. Ook met het onderzoek dat de rechter-commissaris later in opdracht van de rechtbank en op verzoek van de verdediging heeft verricht, en met de deskundigenonderzoeken die eveneens (mede) op verzoek van de verdediging hebben plaatsgevonden, is veel tijd gemoeid geweest. Van een langere periode van inactiviteit door de justitiële autoriteiten, waarop de rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens en die van de Hoge Raad in dit verband ziet, is in al die tijd geen sprake geweest.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 47, 56, 57 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twaalf (12) maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. C.M.M. Oostdam en

mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2018.

Mr. Oostdam en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het energiebedrijf [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] bestaat uit de volgende vennootschappen: [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 13] , [bedrijf 3] , [bedrijf 14] en [bedrijf 15] ; organogram op pag 1849 van het hoofddossier. [bedrijf 1] heeft de functie van moedermaatschappij en de statutaire directievoering over alle vennootschappen wordt verricht door de directie van deze Holding; aandeelhouders zijn negen gemeenten in Overijssel en Drenthe die ieder een vertegenwoordiger hebben in de algemene vergadering van aandeelhouders en een vertegenwoordiger in de raad van commissarissen. Voor zover in dit vonnis over “ [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] ” wordt gesproken, wordt daarmee in de regel [bedrijf 1] bedoeld; waar dat anders is wordt dat specifiek vermeld.

2 D-032: notulen RvC vergadering 13 september 2007

3 D-034: verslag AvA 20 december 2007

4 D-011

5 D-004

6 D-005

7 D-003

8 D-071

9 Verklaring [naam 1] , V03-01

10 Verklaring [medeverdachte 6] , V02-02

11 D-675

12 D-010

13 D-006

14 D-007 en D-008

15 D-020

16 D-021a

17 D-056

18 D-203 en D-204

19 D-174

20 D-740

21 D-057

22 D-040

23 D-106a

24 D-109a

25 D-549

26 D-110a

27 D-422

28 D-136a

29 D-082, D-233 en D-234

30 D-137a

31 D-233 en D-080

32 D-138a

33 D-235 en D-082

34 D-139

35 D-235 en D-080

36 D-140a

37 D-236 en D-081

38 D-141 (offerte) en D-142 (akte)

39 D-237 en D-083

40 D-143(a)

41 D-721, D-238 en D-084

42 D-092

43 D-127

44 D-507

45 D-128

46 D-509

47 D-509

48 D-579

49 D-009

50 D-675

51 D-241

52 D-181 t/m D-186(a)

53 bijvoorbeeld de e-mail van 13 juni 2008, D-295; de e-mail van 18 juni 2008, D-244; de e-mails van 16 mei 2009, 17 juni 2009 en 31 augustus 2009, D-297 t/m -300; de e-mail van 27 september 2009, D-301; de e-mail van 15 oktober 2009, D-397; de e-mails van 3 en 5 november 2009, D-232

54 Verklaring [medeverdachte 6] , V02-02: “Mijn ex-vrouw is niet betrokken geweest bij de oprichting van [bedrijf 4] . De bedoeling van mij was om deel te nemen aan [bedrijf 4] . Zij was geen aandeelhouder van [bedrijf 4] . Dit heeft zij op verzoek van mij gedaan.”

55 Verklaring [medeverdachte 1] , V04-01: “Ik heb daar [ [bedrijf 4] – rechtbank] helemaal niets mee te maken gehad. Ik weet daar gewoon ook helemaal niks van af. Ik heb alleen mijn handtekening voor mijn man gezet.”

56 Hoewel hun formele positie binnen de [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] -organisatie van elkaar verschilde, konden zij alle drie deze titel voeren en de rechtbank zal hen in voorkomende gevallen in gezamenlijk als zodanig aanduiden.

57 Verklaring van toenmalige president-commissaris [naam 4] , G04-01: “De RvC en ook ik was niet op de hoogte van deelneming door de directie van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] in [bedrijf 4] . Zij hebben niet om toestemming gevraagd voor dit aandelenbezit. De directieleden zouden toestemming moeten hebben gevraagd voor dit aandelenbezit. Dat is evident, want [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] zou als bedrijf een financiële participatie in dit bedrijf nemen. Wij hebben dit als RvC nooit geweten en wij zouden daar ook nooit toestemming voor hebben verleend.”; verklaring van.de latere president-commissaris [naam 6] , G05-01: “In dit geval waarbij belangen verstrengeld zijn dan hadden zij [de [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] -directeuren – rechtbank] zeker toestemming moeten vragen. Het gaat hier niet om een belang dat zij van derden bekomen maar wat van [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] afkomstig is.”; zie verder de verklaringen van [naam 7] , G11-01; [naam 8] , G20-01; J. Talen, G10-01, en de verklaring van [naam 4] tegenover de rechter-commissaris

58 Zoals ook blijkt uit de in voetnoot 57 geciteerde verklaring van [naam 6]

59 Zie de in voetnoot 57 geciteerde en aangehaalde verklaringen van [naam 4]

60 D-523

61 Zie in beide gevallen hun verklaring ter terechtzitting van 1 december 2017

62 Verklaring [medeverdachte 2] , V06-01: “Daar [ [bedrijf 4] – rechtbank] heb ik geen werkzaamheden voor verricht. Over deze BV kan ik verder ook helemaal niets vertellen. Ik ben nooit ergens geweest en ook niet uitgenodigd.”

63 Zie D-843, e-mail van 25 juni 2008 van [medeverdachte 7] aan [medeverdachte 5] met daarin de opmerking van [medeverdachte 7] : “De koper van de aandelen [bedrijf 4] zal stemmen conform instructie verkopers (ik wil met [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [naam 10] zaken doen, niet met dhr [medeverdachte 2] )”, en verder de in voetnoot 53 aangehaalde, ook na 26 juni 2008 nog gevoerde, e-mailcorrespondentie tussen [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] en [verdachte] over (de aandelen in) [bedrijf 4]

64 D 843, reactie van [verdachte] aan [medeverdachte 7] op de in voetnoot 63 aangehaalde e-mail, waarin hij spreekt over een “neptoestand”

65 zie voetnoot 53

66 D-040

67 D-404 en D-406

68 D-406; dit document is ondertekend door [medeverdachte 7] namens [bedrijf 10] , [verdachte] namens [bedrijf 11] en [medeverdachte 3] namens [verdacht bedrijf 1] ; namens [verdacht bedrijf 2] (in dit document foutief aangeduid als “ [verdacht bedrijf 2] ”) is niet getekend, maar uit de verklaring van [medeverdachte 6] tegenover de rechter-commissaris blijkt dat hij hiervan op de hoogte was

69 D-092

70 D-607

71 Schematisch overzicht verloop rekening [nummer] t.n.v. [bedrijf 4] , AH-065 p. 2171, en D-607

72 D-141, D-142, D-083 en D-237

73 Verklaring [medeverdachte 7] V07-09 en verklaring [verdachte] V08-04

74 Schematisch overzicht verloop rekening [nummer] t.n.v. [bedrijf 4] , AH-065 p. 2171, en D-607

75 Verklaring [naam 6] G05-01; verklaring [naam 4] G04-01; verklaring [naam 7] G11-01

76 D-232

77 D-681

78 D-549 en D-110(a)

79 D-143a

80 D-779

81 D-812 en D-813

82 D-249

83 D-084, D-238 en D-084

84 D-207a

85 Verklaring [medeverdachte 7] V07-09

86 Verklaring [verdachte] V08-04

87 D-625

88 D-422

89 D-509

90 D-312(a)

91 D-118(a)

92 D-842

93 Hetgeen kennelijk ook het gevoel van één van de betrokkenen bij [bedrijf 12] , [naam 9] , was, getuige diens e-mail (eveneens D-842) waarin staat: “I am troubled by any situation where we take money from [verzamelnaam bedrijf 1, 2 en 3] and funnel it back to the ex-shareholders”

94 D-143a