Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4128

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
18/830020-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verstek
Inhoudsindicatie

veroordeling wegens verduistering (2x), medeplegen van verduistering en oplichting tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 321
Wetboek van Strafrecht 326
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830020-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 augustus 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

2 augustus 2018. Tegen de niet verschenen verdachte is verstek verleend.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 3 augustus 2016 tot en met 17 augustus

2016 te Hoogezand, gemeente Hoogezand-Sappemeer, althans in Nederland

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 1] en/of een of meer andere medewerkers van het bedrijf NKI,

heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten

een of meer bakgoten en/of onderdelen hiervan en/of bakgootbeugels, althans

leidingsytemen,

hebbende verdachte valselijk en/of in strijd met de waarheid,

-voormeld bedrijf bezocht en/of gezegd dat hij werkt voor het bedrijf [bedrijfsnaam]

en hierbij een uittreksel uit het register van de KvK

overgelegd en/of

-gezegd dat er producten nodig zijn voor werk ergens in de regio,

waardoor voornoemde [slachtoffer 1] en/of een of meer andere medewerkers van

het bedrijf NKI werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

2.

hij in of omstreeks de periode van 6 september 2016 tot en met 7 september

2016 te Uithuizen, gemeente Eemsmond,, althans in Nederland

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of

door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 2] (van het bedrijf [benadeelde partij 1] ) heeft bewogen tot de

afgifte van enig goed, te weten een zitmaaier, hebbende verdachte vaselijk

en/of in strijd met de waarheid,

-voormeld bedrijf bezocht en/of

-medegedeeld dat hij eigenaar was van [bedrijfsnaam]

waadoor voornoemde [slachtoffer 2] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 6 september 2016 tot en met 7 september

2016 te Uithuizen, gemeente Eemsmond,

opzettelijk een zitmaaier, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander

of anderen dan aan verdachte,

en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten

als koper,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij in of omstreeks de periode van 19 oktober 2016 tot en met 15 november

2016 te Farmsum, gemeente Delfzijl, tezamen en in vereniging met een of meer

anderen, althans alleen, opzettelijk

een biertap en/of een koelkast en/of bierfusten, in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of

anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders,

en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder

zich hadden, te weten als huurder,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

4.

hij in of omstreeks de periode van 26 juli 2016 tot en met 1 augustus 2016 te

Delfzijl, althans in Nederland

met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen

door het aannemen van een valse naam en/of een valse hoedanigheid en/of door

listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 4] althans een of meer medewerkers van het [benadeelde partij 2] heeft bewogen tot

de afgifte van enig goederen te weten maaltijden en dranken en/of een hotelovernachting,

hebbende verdachte valselijk en/of in strijd met de waarheid,

-medegedeeld dat hij een klus in de Eemshaven heeft in opdacht van een

belastingadviesbureau en/of

-dat hij een bedrijf heeft ( [bedrijfsnaam] ) en/of hierbij een

uittreksel van de KvK heeft overgelegd,

waardoor voornoemde [slachtoffer 4] , althans een of meer medewerkers van het

[benadeelde partij 2] werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte;

5.

hij in of omstreeks de periode van 9 september 2017 tot en met 20 september

2017 te 2e Exloërmond, gemeente Borger-Odoorn, althans in Nederland,

opzettelijk twee knipmopsen en/of twee aanhangers en/of een zaagmachine, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 3] , in elk

geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

en welk goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten

als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Op grond van de stukken in het dossier heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de officier van justitie aangevoerd dat

verdachte aangever door middel van oplichtingsmiddelen, te weten een listige kunstgreep en een samenweefsel van verdichtsels heeft bewogen tot afgifte van de goederen door een uittreksel van de Kamer van Koophandel te overleggen en te verklaren dat de producten nodig zijn voor werk ergens in de regio.

Met betrekking tot het onder 2 primair ten laste gelegde heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte enkel een uittreksel van de Kamer van Koophandel heeft overgelegd. Deze handeling kan niet als oplichting worden gekwalificeerd. Verdachte dient van het onder 2 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden bewezen dat verdachte aangever door het gebruik van in de wet genoemde oplichtingsmiddelen heeft bewogen tot de afgifte van goederen. De Hoge Raad heeft in zijn overzichtsarrest van 20 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2889) overwogen dat voor een veroordeling wegens oplichting onder meer vereist is dat sprake is van het bezigen van een of meer van de in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) specifiek aangeduide oplichtingsmiddelen: het aannemen van een valse naam of van een valse hoedanigheid, het gebruik van listige kunstgrepen of het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels.

In het onderhavige geval heeft verdachte zijn eigen naam kenbaar gemaakt, medegedeeld dat hij werkt voor het bedrijf [bedrijfsnaam] en een uittreksel van de Kamer van Koophandel overgelegd, waaruit volgt dat hij bestuurder en enig aandeelhouder is van dat bedrijf. Daarnaast heeft verdachte gemeld dat hij de producten nodig had voor werk ergens in de regio. De rechtbank overweegt dat op grond van het dossier geen enkele informatie beschikbaar is over het bedrijf [bedrijfsnaam] Wellicht is het bedrijf enkel een papieren constructie, die door verdachte wordt gebruikt met het doel om personen te bewegen tot de afgifte van goederen, maar bewijs daarvan ontbreekt. Gelet hierop kan het overleggen van een uittreksel van de Kamer van Koophandel niet worden aangemerkt als een misleidende feitelijke handeling. Ook kan niet worden vastgesteld dat de mededeling van verdachte, dat de producten nodig zijn voor werk ergens in de regio, in strijd is met de waarheid. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat verdachte zich door het gebruik van een listige kunstgreep en een samenweefsel van verdichtsels schuldig heeft gemaakt aan oplichting. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 1 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 2 primair ten laste gelegde oplichting overweegt de rechtbank als volgt. De tenlastelegging houdt als oplichtingsmiddel in de kern in dat verdachte aangever zou hebben medegedeeld dat hij de eigenaar was van [bedrijfsnaam] , waardoor aangever werd bewogen tot de afgifte van de zitgrasmaaier. De rechtbank overweegt dat de enkele mededeling van verdachte onvoldoende is om een 'samenweefsel van verdichtsels' zoals bedoeld in artikel 326 Sr te kunnen aannemen. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het onder 2 primair ten laste gelegde.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Feit 2 subsidiair

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 9 januari 2017, opgenomen op pagina 56 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2017014669 d.d. 27 januari 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik ben namens de benadeelde [benadeelde partij 1] gerechtigd tot het doen van aangifte. Op 6 september 2016 waren er twee mannen komen kijken voor een zitmaaier en zij hadden deze gekocht. De firma was van [verdachte] wonende te [woonplaats] , [straatnaam] . Op zijn naam is ook de verkoopbon/factuur uitgeschreven. De factuur zou worden meegegeven als de maaier opgehaald werd en dan zou via de bank het geld overgemaakt worden. Op 7 september 2016 stonden er twee mannen bij de zaak met een aanhangwagen om de grasmaaier op te halen voor [verdachte] . De grasmaaier is op de aanhangwagen geladen en beide mannen zijn ermee vertrokken. Ik ben naar de eigenaar van de aanhangwagen gegaan en heb met de eigenaar gesproken. Hij had een fotokopie van de huurder en dat bleek tevens de koper te zijn van de grasmaaier maar echter niet van degene die de grasmaaier heeft opgehaald. De grasmaaier is tot op heden niet betaald. De man op de kopie van zijn paspoort is [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1966.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 5 januari 2017, opgenomen op pagina 96 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[getuige 1] :

U vraagt mij naar een grasmaaier van John Deere uit Uithuizen. Ik heb die grasmaaier wel opgehaald met een kameraad van [verdachte] . [verdachte] benaderde mij met de vraag of ik die grasmaaier kon ophalen. Het was een John Deere zitgrasmaaier.

Feit 3

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d.

25 november 2016, opgenomen op pagina 67 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik ben eigenaar van [benadeelde partij 4] in Delfzijl. Op 19 oktober 2016 belde een man met de vraag of het mogelijk was om een tap en een koelkast te huren. Mijn collega had tegen de man gezegd dat dit wel mogelijk was. Op 20 oktober 2016 omstreeks 14.00 uur kwamen er twee mannen bij het bedrijfspand. Een van de mannen zei dat hij de dag er voor had gebeld. Dit was [verdachte] , geboren op 12 mei 1966 te Veendam. Hij was samen met [getuige 1] , geboren op [geboortedatum] 1973. Hun identiteit is bekend bij mij omdat hun paspoort en identiteitskaart is gekopieerd door de collega. De mannen, [verdachte] en [getuige 1] zeiden dat ze een tap en een koelkast wilden huren. Op dat moment zeiden de mannen dat ze ook bier, frisdrank en sterke drank moesten hebben. Ze hebben de volgende dranken meegenomen:

5 Hertog Jan 20 Ltr.

3 Hooghoudt Dubbele Graanjenever 100 cl.

12 Mainzer Domherr Kabinett St. Kilian 100 cl.

Vervolgens hebben de mannen de dranken, de mobiele bier tap en de koelkast in geladen op hun aanhanger. Mijn collega heeft mondeling afgesproken met [verdachte] en [getuige 1] dat de biertap, koelkast en bierfusten op 24 oktober 2016 teruggebracht zouden worden. Op 24 oktober 2016 werden de goederen niet terug gebracht. Vervolgens heb ik gebeld met het telefoonnummer dat [verdachte] had achtergelaten. Maar er werd niet opgenomen. Ik heb meerdere keren gebeld.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 4 januari 2017, opgenomen op pagina 94 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[getuige 1] :

Ik was met [verdachte] van [bedrijfsnaam] bij een drankhandel [benadeelde partij 4] in Farmsum, dit was ergens in oktober of november 2016. Ik was hier op dat moment om een bar en koelkast en wat drank te kopen dan wel huren. Dit heb ik met [verdachte] meegenomen naar Veendam.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 7 november 2016, opgenomen op pagina 166 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2016323531 d.d. 17 november 2016, inhoudende als verklaring van

[getuige 1] :

Een [benadeelde partij 4] zou ook nog aangifte kunnen doen. Hier heb ik flessen drank verduisterd. Ik heb een doos met flessen berenburg en jenever meegenomen en wat flessen fris. Ook dit heb ik op afbetaling meegenomen maar nooit betaald.

Feit 4

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 december 2016, opgenomen op pagina 102 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2017014669 d.d. 27 januari 2017, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

Ik ben de eigenaar van het [benadeelde partij 2] in Delfzijl. Er kwam een man bij mijn hotel voor een overnachting met drie personen van 26-07-2016 tot en met 01-08-2016. De mannen vertelden een klus in de Eemshaven te hebben gekregen en een belastingadviesbureau te hebben in de Eemshaven. Vervolgens hebben de mannen drie appartementen gehuurd op de locatie [straatnaam] in Delfzijl ook in eigendom van het [benadeelde partij 2] . Zij hebben ontbijt genoten en diner met bijbehorende dranken. In totaal voor € 1231,- inclusief de kosten voor het verblijf in de appartementen. Ze hebben dit bedrag echter niet betaald. Degene die onder andere een appartement huurde was [getuige 1] . Men huurde deze drie appartementen onder de naam van het bedrijf [bedrijfsnaam] [straatnaam] te Veendam. Dit bedrijf staat op naam van [verdachte] en [verdachte] heeft onder deze naam ook de drie appartementen gehuurd. Genoemde mannen die onder naam van genoemd bedrijf drie appartementen boekten, met het bijbehorende ontbijt, eten en drinken, maakten gebruik hiervan zonder hiervoor te betalen. Ik heb nog een vordering gestuurd en ben op zoek gegaan naar deze man, maar kreeg geen contact met hen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 5 januari 2017, opgenomen op pagina 96 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van

[getuige 1] :

Ik heb ongeveer 14 overnachtingen genoten in het [benadeelde partij 2] . Ik was toen dakloos en hij nodigde mij toen uit om daar te komen slapen. [verdachte] heeft dat geregeld en hij zou de betalingen regelen. Ik ben toen naar dat hotel gegaan en heb daar een keer avondeten genoten samen met [verdachte] en twee keer ontbijt. Ik verbleef in een appartement. We hebben daar met drie mannen gezeten. Hij zei dat hij het zou regelen. “Als jij een dak boven je hoofd moet hebben dan regelen we dat.”

Feit 5

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 20 september 2017, opgenomen op pagina 17 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2017250074 d.d. 2 februari 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 5] :

Ik ben namens de benadeelde [benadeelde partij 3] gerechtigd tot het doen van aangifte. Op

9 september 2017 kwam bij onze zaak [benadeelde partij 3] te 2e Exloërmond een man die mij op gaf te zijn [verdachte] . De heer [verdachte] had een afspraak gemaakt om een knikmops (mini-shovel) te huren en kwam deze ophalen. Ik heb zijn paspoort gekopieerd. Ik heb een huurcontract opgesteld voor het huren van de knikmops 90 met aanhanger en deze is ondertekend door de heer [verdachte] . Ook huurde de heer [verdachte] een motorzaagmachine. Op 13 september 2017 belde [verdachte] of hij de grotere knikmops erbij kon huren. [verdachte] is gekomen om de grotere knikmops op te halen. Op 15 september 2017 zou [verdachte] de kleinere knikmops terugbrengen voor 12 uur. Ik heb hem gebeld om 12.15 uur omdat [verdachte] er nog steeds niet was en hij antwoordde: 'Ze zijn al onderweg, ze kunnen er elk moment zijn'. Vanaf 12.45 uur is telefonisch contact niet meer gelukt. De 2 knikmopsen stonden beiden op verschillende aanhangers.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 29 januari 2018, opgenomen op pagina 115 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] (V: vraag verbalisant en A: antwoord [getuige 2] ):

A: Het klopt dat ik twee keer een shovel heb gekocht van S.A.B. Secourable. Voor de knikmops 30 zou ik € 16.940,- betalen en voor de knikmops 90 € 12.100,-.

A: De man van wie ik de shovels heb gekocht noemde zichzelf [naam] .

O: Ik verbalisant laat de verdachte een foto zien van verdachte [verdachte] .

A: Die is er wel bij geweest. De eerste keer dat [naam] bij mij was om mij die shovels te verkopen was deze man mee.

Met betrekking tot het onder 4 ten laste volgt uit de aangifte dat verdachte aangever heeft medegedeeld dat hij en de twee andere mannen een klus hadden gekregen in de Eemshaven en dat hij een belastingadviesbureau had in de Eemshaven. Op grond van de verklaring van medeverdachte [getuige 1] kan worden geconcludeerd dat de mededeling van verdachte in strijd is met de waarheid en alleen bedoeld is om aangever te bewegen tot de afgifte van goederen. Op grond daarvan is de rechtbank van oordeel dat verdachte door een samenweefsel van verdichtsels bij aangever een onjuiste voorstelling van zaken in het leven heeft geroepen waardoor deze is bewogen tot de afgifte van goederen en het verlenen van diensten. De rechtbank is derhalve van oordeel dat het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

2. subsidiair

hij in de periode van 6 september 2016 tot en met 7 september 2016 te Uithuizen opzettelijk een zitmaaier toebehorende aan [slachtoffer 2] , welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als koper, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

3.

hij in de periode van 19 oktober 2016 tot en met 24 oktober 2016 te Farmsum, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk een biertap en een koelkast en bierfusten toebehorende aan [slachtoffer 3] , welke goederen verdachte en zijn mededader anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als huurder, wederrechtelijk zich hebben toegeëigend;

4.

hij omstreeks de periode van 26 juli 2016 tot en met 1 augustus 2016 te Delfzijl, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen, door een samenweefsel van verdichtsels,

[slachtoffer 4] van het [benadeelde partij 2] heeft bewogen tot de afgifte van goederen te weten maaltijden en dranken en een hotelovernachting, hebbende verdachte valselijk en in strijd met de waarheid,

medegedeeld dat hij een klus in de Eemshaven heeft en een belastingadviesbureau, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] , van het [benadeelde partij 2] , werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;

5.

hij in de periode van 9 september 2017 tot en met 20 september 2017 te 2e Exloërmond opzettelijk twee knikmopsen en twee aanhangers en een zaagmachine toebehorende aan [benadeelde partij 3] , welke goederen verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten

als huurder, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

2. subsidiair verduistering;

3. medeplegen van verduistering;

4. oplichting;

5. verduistering.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren. Bij de formulering van de strafeis heeft de officier van justitie meegewogen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bijzonder hinderlijke feiten waarbij de slachtoffers aanzienlijke schade hebben opgelopen. Verdachte heeft geen redengevende justitiële documentatie en er is sprake van tijdsverloop. Daarnaast heeft de officier het onder 1 ad informandum gevoegde feit meegenomen, welk feit door verdachte bij de politie is erkend.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met het door verdachte erkende onder 1 ad informandum gevoegde feit, zoals deze op de dagvaarding is vermeld en welk feit hiermee is afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende bijna anderhalf jaar schuldig gemaakt aan het (medeplegen van) verduistering. Door zich voor te doen als bonafide huurder of koper heeft verdachte de slachtoffers een groot aantal goederen afhandig gemaakt zonder daarvoor te betalen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan oplichting. Verdachte heeft door leugens te vertellen over de redenen van zijn verblijf, een aantal nachten doorgebracht in het [benadeelde partij 2] waar hij warme maaltijden en dranken heeft genuttigd zonder daarvoor te betalen. Door op een dergelijke manier te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat ondernemers in het maatschappelijk verkeer stellen in (potentiële) klanten. Verdachte heeft slechts uit eigen financieel gewin gehandeld waarbij hij de slachtoffers ernstig heeft gedupeerd. Bovendien heeft verdachte op geen enkele wijze verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en heeft hij geen openheid van zaken willen geven.

Hoewel verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie

d.d. 4 juli 2018 niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld, is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de hoeveelheid feiten en de toegebrachte schade, oplegging van een gevangenisstraf een passende reactie vormt. Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen dan de officier van justitie, zal de rechtbank een lagere gevangenisstraf opleggen. De rechtbank zal een deel van de gevangenisstraf voorwaardelijk aan verdachte opleggen teneinde te bewerkstelligen dat verdachte zich in de toekomst zal onthouden van het plegen van strafbare feiten.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] namens [benadeelde partij 5] , tot een bedrag van € 1.962,07 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 6] namens [benadeelde partij 1] , tot een bedrag van € 4.448,99 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 3] namens [benadeelde partij 4] , tot een bedrag van € 5.639,24 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

4. [slachtoffer 4] namens het [benadeelde partij 2] , tot een bedrag van € 1.177,25 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

5. [slachtoffer 5] namens [benadeelde partij 3] , tot een bedrag van € 10.385,02 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

6. [slachtoffer 7] namens [benadeelde partij 6] , tot een bedrag van € 1.0442,30 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 6] en [slachtoffer 4] heeft de officier van justitie gevorderd dat de vorderingen worden toegewezen met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 7] heeft de officier van justitie aangevoerd dat de vorderingen op grond van redelijkheid en billijkheid worden toegewezen tot een bedrag van € 4.000,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en dat de rest van de vorderingen niet-ontvankelijk wordt verklaard.

Met betrekking tot de vordering van [benadeelde partij 3] heeft de officier van justitie gevorderd dat de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard nu de vordering onvoldoende is onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit1):

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 6] (feit 2):

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 2 subsidiair bewezen verklaarde. De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 september 2016.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 3):

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat [slachtoffer 3] door het onder 3 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade heeft geleden. De rechtbank is van oordeel dat bij de vaststelling van het schadebedrag van de posten "tapinstallatie" en "koelkast" rekening dient te worden gehouden met afschrijvingen nu de benadeelde partij ter zitting heeft toegelicht dat de tapinstallatie en de koelkast ongeveer 3,5 jaar oud zijn. De rechtbank acht het redelijk een afschrijving van 30% te hanteren. De vordering zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 4.366,34, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 24 oktober 2016. Voor het overige zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Dat deel van de vordering kan de benadeelde partij slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 4):

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder feit 4 bewezen verklaarde. De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 augustus 2016.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 3] (feit 5):

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat de benadeelde partij [benadeelde partij 3] door het onder 5 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot een bedrag van

€ 2.135,02. Dit deel van de vordering is voldoende met stukken onderbouwd en betreft de posten: "reparatie aanhangwagen", "kenteken aanhangwagens", "2 weken mislopen huur knikmopsen 90 en 130", "nieuwe stickers machines/ aanhangwagens", "2 weken mislopen huur". Dit deel van de vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 20 september 2016.

Ten aanzien van de post "reparatie beschadigingen knikmopsen en beschadigingen aanhangwagens" beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om de hoogte van de geleden schade te kunnen beoordelen nu dit deel van de vordering niet met stukken is onderbouwd. Ditzelfde geldt voor het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van
€ 7.500,-, welk bedrag onvoldoende is gespecificeerd en ook niet met stukken is onderbouwd. Schorsing van het onderzoek om nader onderzoek te laten plaatsvinden en de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen nadere informatie te verstrekken, zal evenwel leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. De rechtbank zal dit deel van de vordering daarom niet-ontvankelijk verklaren. Voor zover de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard, kan deze slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 7] (ad informandum gevoegd feit 1):

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het door verdachte erkende en door de rechtbank bij de strafoplegging meegewogen onder 1 ad informandum gevoegde feit. De vordering zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 13 januari 2018.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het onder 3 bewezen verklaarde samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van deze schadevergoeding zal dan ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachte is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen, en andersom.

Nu vast staat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 47, 57, 321 en 326 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 en 2 primair ten laste is gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 2 subsidiair, 3, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 4 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van feit 1

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van feit 2 subsidiair

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 4.448,99 (zegge: vierduizend vierhonderdachtenveertig euro en negenennegentig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 september 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 6] te betalen een bedrag van € 4.448,99 (zegge: vierduizend vierhonderdachtenveertig euro en negenennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 54 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

7 september 2016. Dit bedrag bestaat uit € 4.448,99 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 3

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

4.366,34 (zegge: vierduizend driehonderdzesenzestig euro en vierendertig eurocent), in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2016.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 4.366,34 (zegge: vierduizend driehonderd zesenzestig euro en vierendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 53 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft en in dier voege, dat indien dit bedrag door de mededader van verdachte geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, verdachte in zoverre is of zal zijn bevrijd. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2016. Dit bedrag bestaat uit € 4.366,66 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 4

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 1.177,25 (zegge: elfhonderd zevenenzeventig euro en vijfentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2016.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 1.177,25 (zegge: elfhonderd zevenenzeventig euro en vijfentwintig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 21 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 augustus 2016. Dit bedrag bestaat uit € 1.177,25 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 5

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.135,02 (zegge: tweeduizend honderdvijfendertig euro en twee eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2017.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 5] voor het overige in haar vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] te betalen een bedrag van € 2.135,02 (zegge: tweeduizend honderdvijfendertig euro en twee eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 31 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 september 2017. Dit bedrag bestaat uit € 2.135,02 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van het onder 1 ad informandum gevoegde feit

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 10.442,30 (zegge: tienduizend vierhonderdtweeënveertig euro en dertig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] te betalen een bedrag van € 10.442,30 (zegge: tienduizend vierhonderdtweeënveertig euro en dertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 87 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 13 januari 2018. Dit bedrag bestaat uit

€ 10.442,30 aan materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 7] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.C.M. Wolfert, voorzitter, mr. M. Haisma en

mr. M.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door mr. A.C. Fennema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 augustus 2018.

Mr. E.C.M. Wolfert is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.