Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4127

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
c/17/163026 / KG ZA 18-231
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Nakoming vaststellingsovereenkomst

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/163026 / KG ZA 18-231

Vonnis in kort geding van 17 oktober 2018

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JB HOLDING B.V.,

gevestigd te Balk

en

2. [B]

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. R. Nijdam te Groningen,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BERBERS BUILDINGS B.V.,

gevestigd te Balk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

THEBRANDSENSE B.V.,

gevestigd te Rijs,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

MOOI GAASTERLAND B.V.,

gevestigd te Rijs,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BENE AGERE ET NIL TIMERE B.V.,

gevestigd te Rijs,

5. [K]

wonende te [woonplaats] ,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JBMG B.V.,

gevestigd te Balk,

gedaagden in conventie,

eiseressen in reconventie

advocaat mr. N.H.M. Poort te Heerenveen.

Eisers zullen hierna individueel respectievelijk JB Holding en [B] worden genoemd, en gezamenlijk [B] c.s. Gedaagden zullen hierna individueel respectievelijk BB, TBS, MG, BAENT, [K] en JBMG worden genoemd, gedaagden sub 1. t/m 5. gezamenlijk [K] c.s. en gedaagden sub 1. t/m 6. gezamenlijk BB c.s.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 t/m 30;

  • -

    het incidenteel vonnis van de voorzieningenrechter te Amsterdam, waarbij de zaak is

verwezen naar de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden;

  • -

    de aanvullende producties 31 tot en met 41 van de zijde van [B] c.s. ;

  • -

    de aanvullende productie 42 van de zijde van [B] c.s. ;

  • -

    de aanvullende producties 43 en 44 van de zijde van [B] c.s. ;

  • -

    de eis in reconventie van de zijde van BB c.s.;

  • -

    de productie 1 t/m 15 van de zijde van BB c.s.;

  • -

    de aanvullende producties 16 t/m 18 van de zijde van BB c.s.;

  • -

    de aanvullende productie 19 van de zijde van BB c.s.;

  • -

    de mondelinge behandeling van 26 september 2018;

  • -

    de pleitnota van [B] c.s. ;

  • -

    de pleitnota van BB c.s.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

[B] is bestuurder en enig aandeelhouder van JB Holding.

2.2.

[K] houdt direct of indirect 100% van de aandelen en is direct of indirect enig bestuurder van BB, TBS, MG, BAENT.

2.3.

Bij akte van 29 januari 2015 hebben [B] en [K] via hun respectievelijke persoonlijke holding vennootschappen JB Holding en BB de vennootschap JBMG opgericht. JB Holding en BB zijn elk vijftig procent aandeelhouder en bestuurder van JBMG geworden en zijn beide zelfstandig bevoegd om de vennootschap te vertegenwoordigen.

2.4.

Sinds 6 mei 2015 is de in Rijs gelegen onroerende zaak "Mooi Gaasterland" (hierna: de villa) eigendom van JBMG. Rabobank heeft op 27 mei 2015 een financieringsvoorstel aan [B] en [K] gedaan, bestaande uit een kredietfaciliteit en een rekening-courant faciliteit, waarin de villa wordt aangemerkt als horecapand. JBMG heeft twee dochtervennootschappen opgericht: MG die het horecabedrijf in de villa is gaan exploiteren en PBJ B.V. (hierna: PBJ) waarin het personeel werd ondergebracht dat voor de exploitatie noodzakelijk was. JBMG heeft per 1 juli 2015 de villa aan MG verhuurd, die daarin een horeca onderneming is gaan exploiteren. JBMG en MG hebben daarbij gebruik gemaakt van het door Rabobank aangeboden financieringsvoorstel.

2.5.

JBMG heeft op 15 juni 2016 de aandelen in MG overgedragen aan TBS. TBS heeft deze aandelen vervolgens op 27 maart 2017 overgedragen aan BAENT. Sinds 15 juni 2016 is [K] derhalve de enig middellijk bestuurder en aandeelhouder van MG.

2.6.

Tussen [B] en [K] , die naast een zakelijke relatie ook een affectieve relatie met elkaar hebben gehad, zijn verschillen van inzicht gerezen ter zake JBMG die uitgemond zijn in diverse rechterlijke procedures tussen hen en de aan hen gelieerde vennootschappen.

2.7.

Zo heeft JB Holding, voor zover thans van belang, medio 2017 een kort-gedingprocedure jegens TBS, BB en [K] (in het daaruit voortvloeiende vonnis gezamenlijk aangeduid als The Brand Sense c.s.) aanhangig gemaakt bij de rechtbank Amsterdam (zaaknummer C/13/631673 KG ZA 17-745, hierna: het Amsterdams vonnis). Bij uitvoerbaar verklaard vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam d.d. 18 september 2017 is, voor zover thans van belang, in het dictum onder 5.6. tot en met 5.9. het volgende bepaald:

"5.6. verbiedt [K] of een door haar beheerste vennootschap om JB Holding B.V. of [B] voor de duur van tien jaren na betekening van dit vonnis met behulp van enig communicatiemiddel te benaderen,

5.7.

bepaalt, voor het geval The Brand Sense c.s. in strijd zou handelen met het bovenomschreven verbod, dat zij een dwangsom verbeurt van € 1.000,00 per overtreding,

5.8.

verbiedt [K] of een door haar beheerste vennootschap voor de duur van tien jaren na betekening van dit vonnis uit eigen beweging aan derden mededelingen te doen met betrekking tot de privérelatie die tussen haar en [B] heeft bestaan, met inachtneming van hetgeen in rechtsoverweging 4.15. is overwogen,

5.9.

bepaalt, voor het geval The Brand Sense c.s. in strijd zouden handelen met het in 5.8. omschreven verbod, dat zij hoofdelijk een dwangsom verbeuren van € 50.000,00 per overtreding,"

Tegen het Amsterdams vonnis is bij exploot van 16 oktober 2017 hoger beroep ingesteld, welke procedure op verzoek van partijen naar de slaaprol is verwezen.

2.8.

JB Holding heeft op 19 november 2017 surséance van betaling voor JBMG aangevraagd. Nadat de rechtbank op 22 november 2017 deze voorlopig heeft verleend, heeft BB op 18 januari 2018, voor zover thans van belang, om herroeping van de voorlopige surséance verzocht, welk verzoek op 7 maart 2018 is toegewezen.

2.9.

[K] heeft met ingang van 29 september 2017 namens JBMG, zonder medeweten van JB Holding, de villa ter exploitatie verhuurd aan Befides B.V. (hierna: Befides). Befides is opgericht door mevrouw [Z] , een bevriende relatie van [K] . De door Befides verschuldigde maandelijkse huurpenningen zijn op verzoek van [K] overgemaakt naar een bankrekening van TBS.

2.10.

Bij brief van 24 oktober 2017, gericht aan JBMG en MG, ter attentie van [B] en [K] heeft Rabobank, voor zover van belang, het volgende geschreven over de verstrekte geldlening en rekeningcourantfaciliteit aan JBMG en MG:

"(…) Recentelijk heeft de bank vernomen dat de onroerende zaak inmiddels is verhuurd aan een derde die daar zelf de exploitatie van de horecagelegenheid zal voortzetten. De bank heeft daarvoor niet de benodigde toestemming gegeven, reden waarom de bank zich uitdrukkelijk alle rechten ter zake voorbehoudt. Nu met de vorenstaande huurovereenkomst Mooi Gaasterland BV zelf ook geen onderneming meer drijft, is de basis van de rekening courantfaciliteit komen te vervallen. In het verlengde daarvan geldt ook dat omdat de onroerende zaak niet meer wordt aangewend voor 'eigen gebruik' maar door u wordt verhuurd aan een derde, de basis van de financiering c.q. de lening is komen te vervallen.

(…)

Mocht op korte termijn geen bank conveniërende oplossing worden gevonden in deze zaak, dan dient u er rekening mee te houden dat de bank gebruik zal maken van de rechten die zij thans heeft, te weten onder andere de beëindiging van de gehele financieringsrelatie met zowel JBMG B.V. als Mooi Gaasterland B.V.

(…)

Ten gevolge van het dispuut tussen de aandeelhouders heeft de bank besloten voor JBMG B.V./Mooi Gaasterland B.V. de expertise van intensieve begeleiding in te zetten. (…)".

2.11.

JB Holding en JBMG hebben een enquêteprocedure bij de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam aanhangig gemaakt jegens JBMG en jegens BB (zaaknummer: 200.223.655/01 en 02 OK) waarin zij de Ondernemingskamer hebben verzocht - kort samengevat - een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van JBMG vanaf 15 juni 2016 en bepaalde onmiddellijke voorzieningen te treffen. Tot een rechterlijk oordeel in voormelde enquêteprocedure is het niet gekomen omdat partijen - aldaar bijgestaan door andere advocaten dan in de onderhavige procedure - na de mondelinge behandeling ervan op 17 mei 2018 in de avond omstreeks 20.30 uur een minnelijke regeling hebben getroffen die ter plekke in een proces-verbaal van de zitting is opgetekend. In het proces-verbaal van de minnelijke regeling (hierna te noemen: de overeenkomst) hebben [B] en [K] verklaard voor zichzelf alsmede in hun hoedanigheid van JB Holding en JBMG enerzijds, en JBMG en BB anderzijds, het volgende te zijn overeengekomen:

"1. JB Holding verkoopt de door haar gehouden aandelen in JBMG aan Berbers B.V. tegen een koopprijs van € 175.000.

2. De hypothecaire lening van JB Holding aan JBMG ten bedrage van € 156.000 zal worden verrekend met het door theBrandsense B.V. op 18 juli 2017 aan JB Holding of [B] betaalde bedrag van € 100.000, waarna een te betalen bedrag van € 56.000 resteert.

3. Van de factuur van JB Groep aan JBMG van € 27.000 betaalt JBMG € 13.500. Het restant van het factuurbedrag wordt door JB Groep gecrediteerd.

4. In totaal dient derhalve door Berbers B.V. en/of JBMG te worden betaald: € 175.000 + € 56.000 + € 13.500, zijnde € 244.500. Van dit bedrag zal een gedeelte ter grootte van € 44.500 worden betaald door verrekening met de door JB Holding verschuldigde koopsom (van € 44.500) voor de netto opbrengst van de vordering van JBMG op [Y] van nominaal € 140.000, waarover een procedure aanhangig is, met dien verstande dat alle aan die procedure verbonden kosten voor rekening komen van JB Holding. Van het aldus resterende bedrag van € 200.000 zal een gedeelte ter grootte van € 175.000 worden betaald op de dag van levering van de aandelen. Het resterende bedrag zal door Berbers B.V. uiterlijk op 1 juni 2019 worden betaald. JBMG stelt zich borg voor die betaling. Berbers B.V. en kunnen aan deze betalingsverplichtingen voldoen indien de Rabobank de

verstrekte hypothecaire geldlening in stand houdt [opmerking voorzieningenrechter: uit hetgeen ter mondelinge behandeling naar voren is gekomen, wordt afgeleid dat achter 'Berbers B.V. en' de vermelding van 'JBMG' per abuis is weggelaten/weggevallen, zodat de voorzieningenrechter de zin aldus leest].

5. De aandelen zullen uiterlijk op 1 juli 2018 worden geleverd. De vennootschap PBJ B.V. zal vóór 1 juli 2018 worden geliquideerd en vereffend. [B] zal daarover de regie voeren. Voor zover PBJ B.V. per vandaag verplichtingen heeft, komen die voor rekening van JB Holding.

6. De vordering van makelaar [X] op JBMG ter grootte van € 24.000 blijft ten laste van JBMG.

7. De kosten van de bewindvoerder in de surseance van JBMG ten bedrage van € 36.000 worden geheel gedragen door JB Holding.

8. Met betrekking tot de procedure tegen [Y] en een eventuele procedure tegen makelaar [X] komen partijen overeen dat [K] respectievelijk [B] indien daartoe opgeroepen als getuige een verklaring zullen afleggen en dat zij geen contact zullen opnemen met respectievelijk [Y] en makelaar [X] over de genoemde vorderingen, tenzij uitdrukkelijk daartoe verzocht door [B] respectievelijk [K] .

9. [K] zal zorg dragen voor opheffing van de hoofdelijke verbondenheid van JB Holding voor de door de Rabobank aan Mooi Gaasterland B.V. verstrekte kredietfaciliteit van € 50.000.

10. JB Holding zal op de datum van de levering van de aandelen terugtreden als bestuurder van JBMG. JBMG zal aan JB Holding decharge verlenen voor haar taken als bestuurder van JBMG.

11. Met betrekking tot het kortgedingvonnis van 18 september 2017 komen partijen overeen dat het in het dictum van dat vonnis onder 5.6 tot en met 5.9 bepaalde tussen hen bij dezen wordt overeengekomen, met dien verstande dat [K] en de door haar beheerste vennootschappen de in dat vonnis genoemde dwangsommen als boete zal zijn verschuldigd bij overtreding. Partijen zullen een geschil daarover aan arbitrage onderwerpen en zullen, indien dat geschil ontstaat, de Ondernemingskamer verzoeken een arbiter aan te wijzen. De arbiter is bevoegd om met toepassing van art. 6:94 BW de overeengekomen boete te matigen. Het voorafgaande zal het genoemde kortgedingvonnis vervangen. Voor zover reeds dwangsommen zijn verbeurd wegens overtreding van dat vonnis, doen [B] en JB Holding hierbij afstand van hun aanspraak op die dwangsommen.

12. Beide partijen zullen de desbetreffende officier van justitie berichten dat zij geen prijs stellen op vervolging van [K] en [B] in verband met de gebeurtenissen genoemd in de aangiften tegen [K] van 15 september, 14 november en 27 december 2017 en de gebeurtenissen genoemd door [K] in gesprekken met de recherche en het openbaar ministerie. [K] zal door haar gemaakte geluidsopnamen van gesprekken tussen [K] en [B] vernietigen.

13. Partijen zullen de tussen hen aanhangige procedures, waaronder het hoger beroep tegen het genoemde kortgedingvonnis, royeren en de verzoeken in de onderhavige procedure intrekken, waarbij ieder van partijen de eigen kosten draagt. JB Holding en [B] zullen de ten laste van Berber B.V. en [K] gelegde beslagen opheffen en vice versa.

14. Na nakoming van deze overeenkomst verlenen partijen en de aan hen gelieerde vennootschappen en natuurlijke personen elkaar reeds nu voor alsdan finale kwijting.

15. Partijen zullen over de inhoud van deze regeling geheimhouding betrachten en zullen over en weer zich jegens derden niet negatief uitlaten over elkaar. Partijen zullen het feit dat zij overeenstemming hebben bereikt in neutrale bewoordingen bekend maken aan de hand van een tekst die zal worden opgesteld door mrs. Schepel en De Hoop gezamenlijk.".

2.12.

De ochtend na de schikking, op 18 mei 2018, is een artikel in de Leeuwarder Courant verschenen waarin over het verloop van voormelde rechtszaak bij de Ondernemingskamer en de inhoud van de schikking wordt geschreven. De auteur van het desbetreffende artikel, de heer [W] , was (gedeeltelijk) aanwezig bij de zitting van de Ondernemingskamer van 17 mei 2018.

2.13.

Op 26 juni 2018 schrijft Rabobank desgevraagd aan [B] het volgende:

"In geval van levering van de aandelen van JB Holding BV aan Berbers Building BV is de grondhouding van de bank dat de financiering aan JBMG BV gecontinueerd wordt.".

2.14.

Bij e-mail van 27 juni 2018 heeft de toenmalige raadsman van [K] , mr. Schepel, aan de toenmalige raadsman van [B] , mr. De Hoop, voor zover van belang, geschreven dat Rabobank niet (zonder meer) bereid zou zijn om de bestaande hypothecaire geldlening bij de gewijzigde eigendomsverhoudingen in stand te houden, terwijl dit wel het voorbehoud van [K] was bij de schikkingsafspraken. [K] ziet zich genoodzaakt een beroep te doen op dit voorbehoud en stelt voor om de datum van 1 juli 2018 met (ten minste) twee weken op te schuiven, aldus mr. Schepel. Bij e-mails van dezelfde dag heeft de raadsman van [B] aan de raadsman van [K] geschreven dat JB Holding niet akkoord gaat met uitstel en wordt [K] - samengevat - gesommeerd om de schikkingsafspraken na te komen.

2.15.

Bij e-mail van 28 juni 2018 heeft Rabobank desgevraagd aan [B] bevestigd dat hij de eerdere mail van 26 juni 2018 (sub 2.13) goed gelezen heeft. Voorts heeft Rabobank bij e-mail van dezelfde datum, 28 juni 2018, aan [K] het volgende geschreven:

"Met betrekking tot de financieringsaanvraag en het hierbij horende beoordelingstraject zal de termijn van 1 juli a.s. door omstandigheden niet gehaald worden en hebben wij een vervolgafspraak ingepland voor dinsdag 10 juli 2018 om 10.00 uur op ons kantoor in Sneek.".

De raadsman van [K] heeft voormelde e-mail van de bank doorgestuurd naar de raadsman van [B] en daarbij aangegeven dat eerst het beoordelingstraject van Rabobank moet worden afgerond waarna zal kunnen blijken of de bank de bestaande financiering in stand wil laten, zodat de datum van 1 juli twee weken moet worden opgeschoven. Hierop geeft de raadsman van [B] aan dat er kennelijk sprake is van een nieuwe financieringsaanvraag van [K] die [B] onbekend is en die volledig los staat van de bestaande hypothecaire geldlening, die zal worden gecontinueerd zoals blijkt uit het meegestuurde bericht van Rabobank d.d. 26 juni 2018. Als reactie schrijft de raadsman van [K] bij e-mail van dezelfde dag dat de doorgestuurde berichten van Rabobank wijzen op een "grondhouding" van de bank, waar [K] niet op kan bouwen. [K] blijft bij haar standpunt dat gewacht moet worden op een completere analyse van Rabobank.

2.16.

Ondanks verzoeken daartoe en een reminder van de accountant van [B] c.s. (op 31 mei en 5 juni 2018) heeft [K] c.s. geen medewerking verleend aan de liquidatie van PBJ per 1 juli 2018.

2.17.

Bij e-mail bericht van 27 juni 2018 is [B] uitgenodigd door Quote Magazine (hierna: Quote) voor een gesprek over [K] ten behoeve van een te publiceren artikel over [K] . [B] heeft geweigerd hieraan mee te werken.

2.18.

Bij WhatsApp bericht van 12 juli 2018 heeft [K] (TBS) aan Quote, voor zover van belang, het volgende geschreven:

"Beste [P] , whats up? Ik werd door jouw collega gebeld over onderwerpen waarover we het expliciet niet zouden hebben ivm lopende procedures, jij beloofde dat je dit respecteerde en hij zegt niets te maken te hebben met wat jij toegezegd hebt. Wat is jouw belofte waard? (…)".

2.19.

Bij e-mail van 13 juli 2018 schrijft Quote aan [K] , voor zover thans van belang, het volgende:

"(…) aangaande de kwestie [B] (…) de Quote-redactie deze week (werd) meegedeeld dat er een kort geding aangespannen wordt tegen jou. [B] 's advocaat, Rens Nijdam zei dat hij dit kenbaar had gemaakt aan jou, en dat je afspraken hebt geschonden.".

2.20.

Op 13 juli 2018 heeft de raadsman van [B] [K] aansprakelijk gesteld en haar gesommeerd binnen twee weken een contractuele boete van (twee keer € 50.000,- =) € 100.000,- te betalen wegens overtreding van artikel 11 van de overeenkomst, nu [K] - samengevat - uit eigen beweging aan derden mededelingen zou hebben gedaan over de privérelatie met [B] aan de Leeuwarder Courant en aan Quote.

2.21.

Op 27 juli 2018 heeft [B] c.s. conservatoire beslagen gelegd op vorderingen die [K] c.s. op JBMG heeft en vice versa, op de villa en op hetgeen BB en TBS te vorderen hebben uit hoofde van de hypotheek op de villa. Daarnaast heeft [B] c.s. conservatoir beslag gelegd op hetgeen [K] c.s. nog te vorderen heeft uit hoofde van haar voormalig belang in een mediabedrijf genaamd "Van Huis Uit"(hierna: VHU).

2.22.

Op 3 augustus 2018 heeft de raadsman van [K] aan de raadsman van [B] geschreven dat Rabobank de villa - anders dan bij aanvang van de geldlening - nu bestempelde als commercieel vastgoed en dat de bank alleen bereid zou zijn de financiering te continueren als aan nieuwe voorwaarden zou worden voldaan.

2.23.

Bij e-mail van 16 augustus 2018 heeft Rabobank, voor zover thans van belang, aan TBS geschreven dat vanaf de omzetting naar een nieuwe lening op basis van commercieel vastgoed bij een lening van 1 jaar vast een rentetarief van 7,15% geldt en bij lening variabel 8%, terwijl na vier jaar een herzieningsmoment volgt. Voorts schrijft Rabobank in voormelde e-mail dat het rekening-courantkrediet moet worden afgelost omdat er geen exploitatie meer in MG plaatsvindt en doet de bank een aflossingsvoorstel.

2.24.

Bij brief van 30 augustus 2018 met als onderwerp "herstructurering financiering" heeft Rabobank het volgende, voor zover van belang, aan [K] geschreven:

"Naar aanleiding van eerdere gesprekken en correspondentie ontvangt u hierbij de voorwaarden voor herstructurering van de huidige financiering verstrekt aan JBMG B.V. en Mooi Gaasterland B.V.

Gezien de huidige situatie is er sprake van Commercieel Vastgoed. Voor een financiering op basis van Commercieel Vastgoed gelden de navolgende voorwaarden:

(…)

- Huidige aflossing van € 12.504,00 per jaar blijft gehandhaafd en voor een omzetting naar een financiering CV gelden de volgende tarieven (…):

Lening 1 jaar vast: 7,15%

Lening Variabel: 8,00%

(…)

- Herzieningsmoment van de financiering na 4 jaar vanaf ingangsdatum financiering op basis van commercieel vastgoed.

- Er wordt er door Mooi Gaasterland B.V. geen onderneming meer gedreven. Hiermee is de basis voor de rekening courantfaciliteit komen te vervallen en zal voor deze kredietfaciliteit een betalingsregeling moeten worden getroffen.

De aflossing wordt als volgt voorgesteld:

Inperking van het krediet met 1k per maand. De inperking zal iedere 1e van de maand door de bank worden uitgevoerd totdat de gehele kredietlimiet is ingeperkt. (…)".

2.25.

De brief van Rabobank van 30 augustus 2018 en de e-mail van 16 augustus 2018 zijn door BB c.s. 24 uur voor de behandeling van de zitting in het geding gebracht en aan BB c.s. kenbaar gemaakt.

2.26.

[B] heeft in maart 2018 het vestigingsadres van JBMG in het handelsregister doen wijzigen van het adres van [K] aan de [adres] in het adres van [B] aan de [adres]

2.27.

In een vooraankondiging van het in Quote te publiceren artikel over [K] op de website van Quote staat het volgende, voor zover van belang, vermeld:

" [V] reageerde bij het ter perse gaan van het artikel vol ongeloof over aantijgingen jegens partner-in-crime [K] . Zo blijkt Dr. Pop in de veronderstelling dat niet [K] , maar de volgens hem 'grootste oplichter van het Westelijk halfrond ' [B] een contactverbod heeft. (…)".

2.28.

In augustus 2018 is in Quote een artikel met de titel "Het boefje van Hilversum" over [K] verschenen. In voormeld artikel staat, voor zover thans van belang, het volgende geschreven:

"(…) Het contact tussen [K] en Quote werd gelegd door een kennis van haar.

(…)

[K] zegt zich te verweren tegen het contactverbod. 'Het kan zo weer anders zijn', zo stelt ze, wijzend op een vonnis waarbij de rechter oordeelt dat [B] zich van 'valse, onjuiste en niet-onderbouwde stellingen' bediende bij een surseanceaanvraag van hun gezamenlijke onderneming. [B] gaat niet in op ons commentaarverzoek

(…)

Als het heikele onderwerp op de Hilversumse borreltafel verschijnt, neemt de doorgaans praatgrage [K] een meer timide houding aan. De rechter heeft namelijk bepaald dat ze niks over [B] mag zeggen in de media (…)".

Voorts wordt in het artikel een paragraaf gewijd aan [B] en zijn zakelijke en privégeschiedenis met [K] en wordt verwezen naar een zakenrelatie van Betsma, [N] , waarbij [N] senior wordt geciteerd.

Op de website van [K] , [website] distantieert [K] zich van voornoemd artikel in Quote.

2.29.

[B] c.s. heeft een standaard model van een notariële akte in het geding gebracht om te dienen voor de levering en aanvaarding van de aandelen van JB Holding in JBMG. In voormeld model is, voor zover thans van belang, de volgende bepaling opgenomen:

"(…) Erkenning

De Vennootschap heeft kennisgenomen van de onderhavige levering van aandelen en erkent deze levering. (...)".

2.30.

Tussen [K] en mevrouw [U] (hierna: [U] ) heeft, voor zover thans van belang, op enig moment de volgende Whatsapp conversatie plaatsgevonden:

"[ [K] :]Waarom vond je het nodig om mij te confronteren met het blad in de groepsapp? Iedereen in het dorp had het linkje al via [Voornaam B] gekregen.

[ [U] :] Hoi [voornaam K] , omdat er een hoop gegniffeld en achter je rug om geroddeld werd. Hiermee lag het 'op straat' en was de lol eraf. Misschien voor jou minder leuk, maar het stopte wel gelijk.

[ [K] :] Oke dat had je ook even tegen me kunnen zeggen, toch? Dat jij de link ook via [Voornaam B] had gekregen was voor mij wel duidelijk nl. Mensen hebben me gezegd dat hij en [T] het actief aan het promoten waren.

[ [U] :] Via apps gaat het nieuws tegenwoordig zo ontzettend snel.".

2.31.

In een ongedateerde Whatsapp conversatie tussen [K] en mevrouw [Y] heeft [K] , voor zover van belang, het volgende geschreven:

"(…) Trouwens een verzoekje aan jou. Zou je op de mail kunnen zetten wat [B] vertelde over mij, de bewindvoerder wil dit graag om uit te sluiten dat men liegt. Zou je mij enorm mee helpen (…)".

2.32.

De overeenkomst van 17 mei 2018 is tot op heden niet nagekomen.

3 Het geschil in conventie

3.1.

[B] c.s. vordert om bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. [K] c.s. hoofdelijk te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst zoals gesloten ten overstaan van de Ondernemingskamer op 17 mei 2018, door in het bijzonder [K] c.s. hoofdelijk te verplichten:

i) binnen twee dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis de raadsman van [B] c.s. te informeren over de persoon van de notaris en diens contactgegevens ten overstaan van wie de overdracht van de aandelen in JBMG (hierna: de aandelentransactie) zal plaatsvinden (hierna: de notaris), onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor elke dag dat [K] c.s. dit nalaat;

ii) binnen twee dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis de notaris in te schakelen ten behoeve van het begeleiden van de aandelentransactie, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor elke dag dat [K] c.s. dit nalaat;

iii) het ertoe te leiden dat binnen drie dagen na de aanwijzing van de notaris de koopprijs voor de aandelen van € 175.000,- zal zijn bijgeschreven op de kwaliteitsrekening van de notaris (met kopie van het betaalbewijs aan de raadsman van [B] c.s. );

iv) het ertoe te leiden dat BB binnen twee dagen na de aanwijzing van de notaris de notaris (met kopie aan de raadsman van [B] c.s. ) instrueert om het bedrag van € 175.000,- onder zich te houden tot het moment van effectuering van de aandelentransactie, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van

€ 50.000 voor elke dag dat [K] c.s. dit nalaat;

v) het ertoe te leiden dat BB binnen twee dagen na de aanwijzing van de notaris, de notaris (met kopie aan de raadsman van [B] c.s. ) instrueert om het bedrag van € 175.000,- te houden voor JB Holding vanaf het moment dat het bedrag op diens kwaliteitsrekening is bijgeschreven, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,-voor elke dag dat [K] c.s. dit nalaat;

vi) het ertoe te leiden dat BB, binnen twee dagen na de aanwijzing van de notaris, de notaris opdracht geeft de aandelentransactie zo spoedig mogelijk te effectueren door het verlijden van een notariële akte van levering van de aandelen (hierna: de leveringsakte) in materiële zin overeenkomstig de als productie 28 bij dagvaarding overgelegde model akte van levering van aandelen, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor elke dag dat [K] c.s. dit nalaat;

vii) het ertoe te leiden dat de notaris de leveringsakte binnen zeven dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis verlijdt onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 100.000,- voor elke dag dat [K] c.s. dit nalaat;

II. Om, indien [K] c.s. binnen twee dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis nalaat een notaris aan te wijzen en - derhalve - gevolg te geven aan het onder I. gevorderde, [B] c.s. het recht te geven de notaris aan te wijzen en te instrueren overeenkomstig I. sub iv) tot en met vii), waarbij:

i) [K] c.s. verplicht is zich te committeren aan de aanwijzing van en de bedoelde instructies aan die notaris, onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor elke dag dat [K] c.s. dit nalaat;

ii) het onder I. sub iii) gevorderde onverminderd voor [K] c.s. van toepassing is;

III. [K] c.s. te verplichten het ertoe te leiden dat JB Holding binnen zeven dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis wordt ontslagen van hoofdelijke verbondenheid in verband met de door de Rabobank aan MG verstrekte kredietfaciliteit, onder verbeurte van een dwangsom van € 25.000,- voor elke dag dat [K] c.s. dit nalaat;

IV. [K] c.s. en JMBG te veroordelen tot nakoming van de overeenkomst zoals gesloten ten overstaan van de Ondernemingskamer op 17 mei 2018, door [K] c.s. en JBMG hoofdelijk te verplichten:

i) het ertoe te leiden dat JBMG de levering van de aandelen onverwijld na de effectuering van de aandelentransactie erkent, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor elke dag dat [K] c.s. en JBMG hiermee in gebreke blijven;

ii) het ertoe te leiden dat JBMG onverwijld na de effectuering van de aandelentransactie decharge aan JB Holding verleent voor het door haar gevoerde bestuur van erkent, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van

€ 50.000,- voor elke dag dat [K] c.s. en JBMG hiermee in gebreke blijven;

iii) het ertoe te leiden dat JBMG binnen vijf dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis medewerking verleent aan de overdracht c.q. cessie van de vordering van JBMG op [Y] aan JB Holding, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor elke dag dat [K] c.s. en JBMG hiermee in gebreke blijven;

iv) het ertoe te leiden dat JBMG binnen twee dagen na verzoek daartoe van [B] c.s. op neutrale wijze mededeling van de cessie doet aan [Y] , onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor elke dag dat [K] c.s. en JBMG hiermee in gebreke blijven;

v) het ertoe te leiden dat JBMG binnen vijf dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, PBJ liquideert en de vereffening aanvangt, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor elke dag dat [K] c.s. en JBMG hiermee in gebreke blijven;

vi) het ertoe te leiden dat vanaf aanvang van de vereffening van JBMG deze plaatsvindt en wordt gefinaliseerd conform de toepasselijke wet- en regelgeving, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor elke dag dat [K] c.s. en JBMG hiermee in gebreke blijven;

V. [K] c.s. en JBMG te verplichten het ertoe te leiden dat:

i) alle huurpenningen en andere vergoedingen die verband houden met de huur en/of exploitatie van villa 'Mooi Gaasterland' en die niet op de bankrekening van JBMG zijn verschenen, binnen twee dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis over te maken naar de bankrekening van JBMG (met kopie van het betaalbewijs aan de raadsman van [B] c.s. );

ii) Befides B.V. c.q. de partij die de huurder is c.q. de exploitatie drijft van villa 'Mooi Gaasterland' binnen twee dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis wordt geïnstrueerd (met kopie aan de raadsman van [B] c.s. ) om de daarvoor verschuldigde vergoedingen voortaan over te maken naar de gebruikelijke bankrekening van JBMG, totdat zowel de aandelentransactie is geëffectueerd als de nabetaling van € 25.000,- aan JB Holding is voldaan, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor elke dag dat [K] c.s. en JBMG hiermee in gebreke blijven;

iii) [B] c.s. binnen vijf dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis inzicht krijgt en houdt in de administratie van JBMG, totdat zowel de aandelentransactie is geëffectueerd als de nabetaling van € 25.000,- aan JB Holding is voldaan, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor elke dag dat [K] c.s. en JBMG hiermee in gebreke blijven;

iv) JBMG binnen tien dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis, alle onbetaald gelaten facturen van derden voldoet en overigens aan alle gebruikelijke lopende verplichtingen blijft voldoen totdat zowel de aandelentransactie is geëffectueerd als de nabetaling van € 25.000,- aan JB Holding is voldaan, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor iedere dag dat [K] c.s. en JBMG hiermee in gebreke blijven;

VI. [K] c.s. te verplichten aan [B] c.s. te betalen een bedrag van € 150.000,- als voorschot op de door [K] c.s. aan [B] c.s. verbeurde contractuele boetes dan wel dwangsommen in verband met het benaderen van de Leeuwarder Courant, Quote Magazine en [V] ;

VII. [K] c.s. en JBMG te verbieden direct of indirect het faillissement of surseance van betaling van JBMG aan te vragen dan wel anderszins te doen bewerkstelligen totdat zowel de aandelentransactie is geëffectueerd als de nabetaling van

€ 25.000,- aan JB Holding is voldaan, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 500.000,- in geval van overtreding van dit verbod;

VIII. [K] c.s., al dan niet via pseudoniem of een aan haar gelieerde rechtspersoon of vennootschap, voor de duur van vijfentwintig jaar vanaf de datum van het vonnis te verbieden om:

i) [B] c.s. rechtstreeks, via e-mail, WhatsApp, telefoon of welk ander communicatiemiddel dan ook te benaderen, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- per overtreding;

ii) aan derden rechtstreeks, lijdelijk, via e-mail, WhatsApp, telefoon of welk ander communicatiemiddel dan ook mededelingen te doen met betrekking tot [B] c.s. , de relatie die tussen partijen heeft bestaan dan wel die anderszins een redelijkerwijs te voorzien negatief effect voor [B] c.s. kan hebben, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 250.000,- per overtreding;

iii) enige handeling te verrichten, waaronder richting media, die als redelijkerwijs voorzienbaar gevolg heeft dat aandacht wordt gegeven aan de relatie die tussen haar en [B] c.s. heeft bestaan of die anderszins een redelijkerwijs te voorzien negatief effect voor [B] c.s. kan hebben, waaronder uitdrukkelijk (het dreigen met, aankondigen van of op enige wijze) het tonen, toesturen of openbaar maken van beeld-, video-, en/of geluidsopnames, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 250.000,- per overtreding;

iv) beeld-, video-, of geluidsopnames te maken of te laten maken van [B] en/of zijn privé- en/of zakelijk relaties en/of zijn bezittingen, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 250.000,- per overtreding, alsmede een dwangsom van € 10.000,- voor elke dag dat de betreffende opnames vervolgens niet onherstelbaar zijn vernietigd;

IX. [K] c.s. te gebieden om alle beeld-, video- of geluidsopnames die zij heeft gemaakt of laten maken van [B] en/of zijn privé en/of zakelijke relaties binnen vier dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis onherstelbaar te vernietigen en de vernietiging hiervan schriftelijk aan de raadsman van [B] c.s. te bevestigen, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van € 50.000,- voor elke dag dat [K] c.s. hiermee in gebreke blijft;

X. [K] gedurende een periode van vijf jaar te verbieden zich op te houden binnen een straal van 250 meter van de huidige en toekomstige woningadressen van [B] en de huidige en toekomstige bedrijfspanden van de [B] Groep, onder verbeurte van een dwangsom van € 250.000,- per overtreding;

XI. [K] c.s. te gebieden om binnen vijf dagen na betekening van het in deze procedure te wijzen vonnis alle door haar aanhangig gemaakte procedures en door haar gelegde beslagen, waaronder op onroerend goed van [B] c.s. , te (doen) royeren c.q. opheffen, onder (hoofdelijke) verbeurte van een dwangsom van

€ 50.000,- voor elke dat dat [K] c.s. hiermee in gebreke blijft;

XII. het vonnis jegens [K] uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren voor het geval [K] c.s. een dwangsom verbeurt ten aanzien van een verplichting van [K] c.s. en/of JBMG tot handelen, en deze verplichting niet reeds blijvend onmogelijk is, waarbij [B] c.s. alsdan het recht heeft om [K] in gijzeling te laten nemen voor de duur van ten hoogste één jaar;

XIII. het vonnis jegens [K] uitvoerbaar bij lijfsdwang te verklaren voor het geval [K] c.s. een dwangsom verbeurt ten aanzien van een verplichting van [K] c.s. tot nalaten, waarbij [B] c.s. alsdan het recht heeft om [K] c.s. per overtreding voor de duur van vijf maal 24 uur in gijzeling te laten nemen, althans voor een duur als door de voorzieningenrechter te bepalen;

XIV. tot hoofdelijke veroordeling van [K] c.s. in de kosten van de procedure en de in dit verband door [B] c.s. gelegde conservatoire beslagen, alsmede in de nakosten volgens het liquidatietarief, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag der algehele voldoening.

3.2.

BB c.s. voert verweer met conclusie tot afwijzing van de vorderingen en veroordeling van [B] c.s. in de kosten.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 Het geschil in reconventie

4.1.

BB c.s. vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

I. [B] en/of JB Holding te verbieden om [K] of een door haar beheerste vennootschap voor de duur van tien jaren na betekening van het ten deze te wijzen vonnis met behulp van enig communicatiemiddel te benaderen;

II. te bepalen, voor het geval [B] en/of JB Holding in strijd handelen met het onder I. bedoelde verbod, dat zij een dwangsom verbeuren van € 1.000,- per overtreding;

III. [B] en JB Holding te verbieden voor de duur van tien jaren na betekening van het ten deze te wijzen vonnis uit eigen beweging aan derden mededelingen te doen met betrekking tot de zakelijke en privé-relatie die tussen [B] en [K] heeft bestaan;

IV. met bepaling, voor het geval [B] en/of JB Holding in strijd zouden handelen met het onder III. bedoelde verbod, dat zij hoofdelijk een dwangsom verbeuren van € 50.000,- per overtreding of een zodanige dwangsom als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vaststellen;

V. [B] en/of JB Holding te veroordelen de beslagen gelegd ten laste van [K] en/of één van de door haar beheerste vennootschappen binnen drie dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis op te (doen) heffen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per dag voor iedere dag dat [B] en/of JB Holding met opheffing in gebreke blijven;

VI. met veroordeling van [B] en/of JB Holding medewerking te verlenen aan de wijziging van het vestigingsadres van JBMG in het handelsregister van de Kamer van Koophandel in Marderleane 1 te (8572 WG) Rijs binnen drie dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere dag dat [B] en/of JB Holding in gebreke blijven om aan deze veroordeling te voldoen;

VII. met veroordeling van [B] en JB Holding, hoofdelijk, tot betaling van de proceskosten.

4.2.

[B] c.s. voert verweer met conclusie tot afwijzing van de vorderingen van BB c.s. en veroordeling van BB c.s. in de kosten.

4.3.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

Het spoedeisend belang vloeit in beginsel voort uit de aard van de vorderingen.

Uitgangspunt

5.2.

In deze procedure moet per onderdeel van een vordering worden beoordeeld of dat onderdeel van de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing in kort geding gerechtvaardigd is. Daarbij moeten de belangen van partijen bij toewijzing dan wel afwijzing van de voorlopige voorziening tegen elkaar worden afgewogen. Gelet op het voorlopige karakter van de kort gedingprocedure past geen uitgebreid onderzoek naar de feiten, noch is er plaats voor nadere bewijsvoering. Er is in dit geval geen reden om van deze regels af te wijken. De voorzieningenrechter baseert de beslissing daarom op stellingen die erkend of onweersproken zijn of die voldoende aannemelijk zijn geworden.

De overeenkomst

5.3.

De vorderingen van [B] c.s. onder 3.1 sub I t/m IV hebben rechtstreeks betrekking op de overeenkomst. [B] c.s. vordert nakoming door [K] c.s. van haar verplichtingen uit de overeenkomst nu [K] c.s. zich volgens hem ten onrechte niet aan de afspraken uit de overeenkomst houdt. [K] c.s. voert als verweer aan dat in artikel 4 van de overeenkomst een uitdrukkelijk voorbehoud is opgenomen waar zij zich op beroept. Nu - buiten toedoen van [K] c.s. - de overeengekomen voorwaarde niet in vervulling is gegaan, heeft de overeenkomst geen aanvang genomen en kan derhalve geen nakoming worden gevorderd door [B] c.s. , zo zegt [K] c.s.

5.4.

[B] c.s. stelt daar - samengevat - tegenover dat is overeengekomen dat [K] c.s. aan haar betalingsverplichting kan voldoen als Rabobank 'de verstrekte hypothecaire geldlening in stand houdt' en dat daaraan geen andere uitleg kan worden gegeven dan dit simpele noodzakelijke feit: instandhouding. Dat van een zodanige instandhouding sprake is volgt uit de mededeling van Rabobank op 26 juni 2018. Partijen zijn niet overeengekomen onder welke voorwaarden die instandhouding zou moeten geschieden. Voorts zijn de wijzigingen van de voorwaarden door Rabobank het directe gevolg van het feit dat in MG - notabene door toedoen van [K] - niet langer een horeca-onderneming wordt gevoerd maar dat MG thans slechts het vastgoed ter exploitatie heeft verhuurd. Dat Rabobank in deze door [K] zelf gekozen wijziging kennelijk aanleiding ziet om de voorwaarden van de hypothecaire geldlening te wijzigen, en om daarnaast ook nog de rekening-courant verhouding op termijn afgelost te willen zien, doet niets af aan de bereidheid van Rabobank tot feitelijke instandhouding van de hypothecaire geldlening. Bovendien was er voor Rabobank volgens [B] c.s. geen enkel financieel risico en derhalve geen enkele aanleiding de hypothecaire geldlening te beëindigen en kon de bank deze niet eens beëindigen nu een wijziging in het aandeelhouderschap van JBMG geen grond vormt voor beëindiging van de hypothecaire leningsovereenkomst.

5.5.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Partijen zijn het eens over het feit dat in punt 4 van de overeenkomst sprake is van een opschortende voorwaarde, maar zij zijn het niet eens over de vraag wat die opschortende voorwaarde inhoudt. De vraag die daarmee ter beantwoording voorligt is hoe de zinsnede 'instandhouden van een verstrekte hypothecaire geldlening' dient te worden uitgelegd.

5.6.

Bij de uitleg van de overeenkomst komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de overeenkomst mogen toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mogen verwachten. Bij deze uitleg moet rekening worden gehouden met alle bijzondere omstandigheden van het gegeven geval. Derhalve dient te worden nagegaan hoe de overeenkomst tot stand is gekomen en wat partijen over en weer op grond daarvan van elkaar mochten verwachten.

5.7.

Gelet op de wijze waarop de overeenkomst tot stand is gekomen en waarop de desbetreffende bepaling is geredigeerd, is de voorzieningenrechter vooralsnog van oordeel dat de overeenkomst aldus moet worden uitgelegd dat partijen enkel hebben beoogd als voorwaarde overeen te komen dat Rabobank de hypothecaire geldlening in stand zou houden, ongeacht de voorwaarden daarvan. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat beide partijen zich destijds bij de totstandkoming van de overeenkomst hebben laten bijstaan door professionele juridisch adviseurs. Het had dan ook in de rede gelegen dat, als partijen overeen hadden willen komen dat daarnaast óók voorwaarde was dat de hypothecaire geldlening onder de op dat moment geldende voorwaarden zou voortduren - hetgeen een cruciale toevoeging met verstrekkende consequenties zou zijn geweest - zij dit expliciet als zodanig in de overeenkomst zouden hebben benoemd.

5.8.

Dit klemt te meer nu Rabobank reeds bij brief van 24 oktober 2017 (zie r.o. 2.10), gericht aan JBMG en MG, heeft gemeld dat door de verhuur aan een derde sprake was van een wijziging van de omstandigheden waarmee de basis van de lening was komen te vervallen en er ook geen sprake meer was van het drijven van een onderneming waartoe de rekening-courant faciliteit was verstrekt. Voor [K] c.s. - als de partij die zich op de opschortende voorwaarde zou kunnen beroepen - had dit een extra signaal behoren te zijn om zorgvuldig af te wegen of zij bereid en in staat was om de overeenkomst, en de daaruit voor haar voortvloeiende verplichtingen, aan te gaan. Dat de overeenkomst onder tijdsdruk tot stand is gekomen - zoals [K] c.s. heeft aangevoerd - maakt dit voorlopig oordeel niet anders.

5.9.

Op grond van het voorgaande moet in het (beperkte) bestek van dit kort geding op grond van de tekst en de wijze van totstandkoming van de overeenkomst redelijkerwijs worden geconcludeerd dat partijen zijn overeengekomen dat uitgangspunt voor betaling van [K] c.s. van het bedrag van € 175.000,- op 1 juli 2018 alsmede van het resterende bedrag van € 25.000,- op uiterlijk 1 juni 2019 was dat Rabobank de hypothecaire geldlening voor de villa zou blijven verstrekken. Uit hetgeen partijen naar voren hebben gebracht en de stukken van Rabobank die zij in het geding hebben gebracht, blijkt geenszins dat Rabobank de hypothecaire geldlening ten behoeve van de villa op 1 juli 2018 of daarna wil beëindigen (zie in dit verband onder meer sub 2.13 en het financieringsvoorstel sub 2.23/2.24). Dat [K] c.s. eind augustus 2018 een financieringsvoorstel met andere voorwaarden heeft ontvangen dient - mede gelet op hetgeen [B] c.s. op dit punt heeft aangevoerd - voor haar eigen rekening en risico te blijven en staat nakoming van de overeenkomst niet in de weg.

5.10.

[K] c.s. heeft subsidiair nog als verweer aangevoerd dat de nieuwe financieringsvoorwaarden van Rabobank dermate belastend voor haar zijn dat zij in redelijkheid niet gehouden kan worden de overeenkomst na te komen. Dit verweer kan [K] c.s., wat daar ook van zij, niet baten. Allereerst geldt dat, nu in de laatste zin van punt 4 van de overeenkomst slechts melding wordt gemaakt van 'de hypothecaire geldlening', eventuele wijzigingen in de rekening-courant faciliteit (inclusief een verplichte aflossing daarvan) niet ter zake doen. De rekening-courant faciliteit is daarmee immers geen onderdeel van de overeenkomst en de daarin opgenomen opschortende voorwaarde. Voorts geldt ook hier dat de bank [K] reeds in oktober 2017 heeft gewezen op de gevolgen voor de lening en de rekening-courant faciliteit van het door [K] zonder toestemming verhuren van de villa aan een derde (zie r.o. 2.10). Een wijziging in de financiële voorwaarden is derhalve een redelijkerwijs te verwachten gevolg van het feit dat er - door toedoen van [K] - door MG geen onderneming (meer) wordt geëxploiteerd in de villa. Voorts treft [K] c.s. ook een verwijt doordat zij heeft nagelaten om [B] c.s. voldoende tijdig en volledig te informeren over de reactie van Rabobank. Pas 24 uur voor de zitting van 26 september 2018 heeft [K] c.s. de in r.o. 2.23 en 2.24 vermelde stukken in het geding gebracht en aldus aan [B] c.s. kenbaar gemaakt. Dit alles maakt dat het beroep van [K] c.s. dat zij in redelijkheid niet gehouden kan worden aan nakoming van de overeenkomst wordt verworpen.

5.11.

Gelet op het voorgaande wordt aannemelijk geacht dat de bodemrechter zal oordelen dat [K] c.s. zich ten onrechte op de opschortende voorwaarde beroept en derhalve aan nakoming van de overeenkomst kan worden gehouden.

Nakoming van de overeenkomst

5.12.

Nu wordt geoordeeld dat geen sprake is van een opschortende voorwaarde die in vervulling is gegaan, dient de overeenkomst te worden nagekomen. Partijen bij de overeenkomst zijn JB Holding en JBMG enerzijds en BB en JBMG anderzijds, waarbij [K] - behoudens waar de overeenkomst ziet op door [K] persoonlijk aangegane verplichtingen - geacht kan worden op te treden in haar hoedanigheid van bestuurder van BB. Dit betekent dat de vorderingen van [B] c.s. die zien op nakoming van de overeenkomst voor het onder I t/m IV gevorderde enkel gelden ten opzichte van BB en JBMG. BB heeft zich verplicht tot koop van de aandelen, hetgeen feitelijk [K] als enige natuurlijke persoon in haar hoedanigheid van bestuurder zal zijn. Niet gesteld of gebleken is dat [B] c.s. bestuurdersaansprakelijkheid ten grondslag legt aan zijn vorderingen. Dit betekent dat [B] c.s. niet-ontvankelijk zal worden verklaard voor wat betreft zijn vorderingen voor zover die zien op nakoming van de overeenkomst jegens TBS, MG, BAENT en [K] in privé. Voor zover de vorderingen van [B] c.s. tot nakoming van de overeenkomst zien op een hoofdelijke veroordeling van [K] c.s., zullen ze op dit punt dan ook worden afgewezen.

Vorderingen onder I

5.13.

Het onder I i) ii) iii) iv) en vi) gevorderde vloeit rechtstreeks voort uit de overeenkomst en zal worden toegewezen als hierna in het dictum te melden, nu daartegen door [K] c.s. ook geen specifiek verweer is gevoerd.

Voor het onder I v) gevorderde geldt dat, nu de vordering onder iv) die ziet op het onder zich houden van de koopsom door de notaris tot het moment van effectuering van de aandelentransactie zal worden toegewezen, niet valt in te zien wat daarnaast dan nog het belang is van het onder v) gevorderde. Hierin wordt immers enkel toegevoegd dat de notaris de koopsom voor JB Holding onder zich zal houden, hetgeen vanwege het onder iv) gevorderde reeds voor zich spreekt. De vordering onder v) zal dan ook worden afgewezen.

Evenzo zal het onder vii) gevorderde worden afgewezen, nu deze vordering een verplichting op de notaris legt die niet kan worden afgedwongen door BB, nog daargelaten of de in de vordering genoemde termijn, gelet op de overige termijnen vermeld in het onder I gevorderde, reëel is. De inspanningen die BB op dit punt dient te verrichten zijn naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de voorgaande toe te wijzen onderdelen van de vordering onder I reeds voldoende afgedekt.

Vorderingen onder II

5.14.

Het onder II gevorderde vloeit eveneens voort uit de overeenkomst en zal worden toegewezen als hierna in het dictum te bepalen.

Vorderingen onder III

5.15.

Het onder III gevorderde ziet kennelijk op hetgeen in punt 9 van de overeenkomst is overeengekomen. Hierin is bepaald dat [K] degene is die zal zorgen voor opheffing van de hoofdelijke verbondenheid van JB Holding voor de bewuste kredietfaciliteit. De vordering is dan ook alleen toewijsbaar voor zover zij zich tot [K] richt en zal worden toegewezen als in het dictum te bepalen.

Vorderingen onder IV

5.16.

Het onder i) gevorderde zal wegens gebrek aan belang worden afgewezen, nu erkenning door JBMG van de aandelentransactie is opgenomen in de modelakte van levering (sub 2.27) en daarmee onderdeel uitmaakt van het onder I vi) gevorderde dat zal worden toegewezen.

Het onder ii) gevorderde vloeit voort uit hetgeen in punt 10 van de overeenkomst is overeengekomen en zal worden toegewezen, zij het dat ook hier de dwangsom zal worden beperkt als hierna in het dictum te bepalen. Nu dit deel van de vordering ziet op de situatie na de aandelenoverdracht waarin BB enig aandeelhouder zal zijn van JBMG, acht de voorzieningenrechter een hoofdelijke veroordeling van BB en JBMG hier, gelet op de nauwe samenhang tussen beide vennootschappen, gerechtvaardigd.

Het onder iii) en iv) gevorderde (het daarheen leiden dat de vordering van JBMG op [Y] wordt gecedeerd aan JB Holding) is gebaseerd op punt 4 van de overeenkomst. Het cederen van een vordering door JBMG is een bestuurshandeling van JBMG. Uit de door [B] c.s. in het geding gebrachte stukken volgt dat JB Holding (naast BB) bestuurder is van JBMG met zelfstandige bevoegdheid. Het ligt dus op dit moment in de macht van JB Holding, als bestuurder van JBMG, om deze cessie zelf namens JBMG te realiseren. [B] c.s. heeft nagelaten te onderbouwen waarom hij deze cessie niet zelf kan bewerkstelligen en daarmee een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering. Bij gebreke hiervan wordt de vordering op deze punten afgewezen.

De vordering onder v) hangt samen met hetgeen in punt 5 van de overeenkomst is bepaald. Hierin is afgesproken dat [B] de regie zal voeren over de liquidatie en vereffening van PBJ. Derhalve vloeit het onder v) gevorderde, waarbij het initiatief geheel bij JBMG en [K] c.s. wordt gelegd, niet als zodanig uit de overeenkomst voort en zal deze vordering worden afgewezen.

Het onder vi) gevorderde is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onbegrijpelijk en ontbeert een deugdelijke juridische grondslag. Voor zover bedoeld is dat het gaat om de vereffening 'door' JBMG is de vordering, gelet op hetgeen hiervoor onder v) is overwogen, niet toewijsbaar.

Financiën JBMG

Vorderingen onder V

5.17.

[B] c.s. heeft gesteld dat [K] c.s. de maandelijkse huurpenningen die Befides voor de villa betaalt en die bij JBMG (in de hoedanigheid van verhuurder) terecht zouden moeten komen, ten onrechte op haar rekening in plaats van die van JBGM laat storten. [K] c.s. heeft erkend dat de huurpenningen van Befides niet naar een rekening van JBMG worden overgemaakt, maar naar de bankrekening van een van haar (andere) vennootschappen. Voorts heeft [K] c.s. ter zitting verklaard dat ze er geen bezwaar tegen heeft als de huurpenningen op een ten name van JBMG staande bankrekening worden gestort mits [B] c.s. de tegoeden niet voor zichzelf gebruikt en [B] c.s. meewerkt aan wijziging van het vestigingsadres van JBMG in het handelsregister.

5.18.

Uit de standpunten van partijen leidt de voorzieningenrechter af dat niet in geschil is dat de huurpenningen in beginsel aan JBMG toekomen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter valt niet in te zien waarom [K] c.s. voorwaarden zou mogen stellen aan de overmaking van de huurpenningen op een rekening van JBMG. [K] c.s. heeft gesteld dat [B] c.s. de tegoeden voor zichzelf zou gebruiken en (naar de voorzieningenrechter begrijpt) niet voor JBMG. De enkele onderbouwing van die stelling door [K] c.s. met een bankafschrift inhoudende dat [B] c.s. via de rekening van JBMG een rekening aan Alderse Baas en de hypotheekrente van JB Holding heeft overgemaakt, wordt in dit verband onvoldoende geacht. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter betreffen voornoemde betalingen geen structurele handelingen van [B] c.s. maar gaat het om een incident, waarbij de voorzieningenrechter mede in aanmerking neemt het onbetwiste verweer van [B] c.s. dat de betaling aan Alderse Baas op een vergissing berustte die daarna door hem weer recht is gezet.

Dat [B] c.s. eerst het vestigingsadres van JBMG zou moeten wijzigen, voordat JBMG het haar toekomende geld ontvangt, acht de voorzieningenrechter evenmin redelijk, nu het verband tussen die twee aspecten ontbreekt. De vorderingen onder i) en ii) zijn dan ook toewijsbaar als hierna in het dictum te bepalen.

Het onder iii) gevorderde is naar het oordeel van de voorzieningenrechter te onbepaald en de noodzaak voor een voorziening is voorts te weinig onderbouwd om voor toewijzing in aanmerking te komen. Het had op de weg van [B] c.s. gelegen nader te specificeren op welke wijze het verkrijgen en houden van inzicht in de administratie van JBMG vorm dient te krijgen en om voorts ook te onderbouwen op welke wijze hij heeft getracht om buiten rechte inzage te krijgen en hoe en waarom hij daar niet in is geslaagd, zodat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.

Ook de vordering onder iv) is niet specifiek genoeg om te worden toegewezen. De algemene omschrijving 'alle onbetaald gelaten facturen van derden' en 'alle gebruikelijke lopende verplichtingen' wordt in dit verband onvoldoende bepaald geacht.

Voorschot op contractuele boetes/dwangsommen

Vorderingen onder VI

5.19.

Het onder VI door [B] gevorderde strekt tot betaling van een geldsom. Voor toewijzing van een dergelijke vordering in kort geding is slechts dan aanleiding, indien het bestaan (en de omvang) van de vordering in hoge mate aannemelijk is, terwijl voorts uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is en het risico van onmogelijkheid van terugbetaling - bij afweging van de belangen van partijen - aan toewijzing niet in de weg staat.

5.20.

[B] c.s. heeft - samengevat - gesteld dat [K] c.s. de contractuele boetes, zoals overeengekomen in punt 11 van de overeenkomst, verschuldigd is nu zij drie keer het verbod om met derden in contact te treden over de privé relatie tussen [B] en [K] heeft overtreden. Volgens [B] c.s. heeft [K] de Leeuwarder Courant, Quote en [V] benaderd. De informatie verwerkt in het artikel dat de ochtend na de zitting bij de Ondernemingskamer in de Leeuwarder Courant is verschenen moet afkomstig zijn van [K] , nu de journalist om 13.00 uur de bewuste zitting reeds heeft verlaten, de overeenkomst pas 's avonds is gesloten en [B] c.s. geen mededelingen ter zake aan de journalist heeft gedaan. Het artikel in Quote is op eigen initiatief van [K] geschreven, hetgeen blijkt uit het artikel zelf waarin wordt geschreven dat een kennis van [K] het contact heeft gelegd. Voorts heeft [K] aan Quote verteld dat [B] zich van 'valse, onjuiste en niet-onderbouwde stellingen' heeft bediend. Uit een citaat op de website van Quote blijkt dat [K] onware en schadelijke verhalen aan [V] heeft verteld, aldus [B] c.s.

5.21.

[K] c.s. heeft - samengevat - betwist dat zij degene was die contact heeft gezocht met de Leeuwarder Courant en Quote. [K] c.s. voert aan dat zij zeker na het vonnis van 18 september 2017 geen contact met de media heeft gehad over [B] , niet voor wat betreft het zakelijke geschil en ook niet wat betreft de privérelatie die [B] en [K] hebben gehad. [K] noch haar advocaat heeft met de heer [W] van de Leeuwarder Courant gesproken, [K] heeft niet Quote benaderd maar andersom; het initiatief voor het contact is van Quote uitgegaan en [K] heeft ingestemd onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat haar privéleven geen onderwerp van gesprek zou zijn. Quote heeft op eigen initiatief over het geschil tussen partijen geschreven en in het artikel van Quote staat ook dat [K] geen uitspraak over de kwestie wilde doen. Bovendien heeft [K] op 12 juli 2018 nog geprotesteerd tegen vragen van Quote over de gebeurtenissen met [B] . Ook ten aanzien van [V] geldt dat [K] geen mededelingen heeft gedaan die in strijd zijn met het vonnis van 18 september 2017, waarvoor ook geen bewijs wordt geleverd door [B] c.s. , zo zegt [K] c.s.

5.22.

Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten de stelplicht en eventuele bewijslast ter zake op [B] c.s. Gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht en met stukken hebben onderbouwd, is de voorzieningenrechter - met inachtneming van de maatstaven zoals hiervoor in r.o. 5.2 en 5.19 genoemd - van oordeel dat vooralsnog niet (voldoende) is onderbouwd door [B] c.s. dat [K] c.s. de bewuste verboden heeft overtreden en daarmee boetes heeft verbeurd. In dit verband wordt van belang geacht dat, zelfs als aangenomen wordt dat de journalist de rechtszaal op 17 mei 2018 om 13.00 uur heeft verlaten, dit nog niet automatisch met zich brengt dat het dus [K] c.s. is geweest die de Leeuwarder Courant heeft geïnformeerd. Evenmin wordt de conclusie gerechtvaardigd geacht dat voldoende aannemelijk is geworden dat [K] Quote heeft benaderd, laat staan dat zij Quote heeft benaderd en over haar relatie met [B] heeft gesproken. De enkele vermelding in het bewuste artikel dat het contact tussen [K] en Quote is gelegd door een kennis van [K] wil nog niet zeggen dat die kennis dit op initiatief van [K] zou hebben gedaan. Voorts acht de voorzieningenrechter vooralsnog - mede gelet op het gemotiveerde verweer van [K] c.s. - onvoldoende aannemelijk dat [K] de bron is geweest van de in Quote gepubliceerde informatie over [B] om in kort geding vast te stellen dat boetes zijn verbeurd. Het enkele citaat van [V] op de website van Quote wordt in dit verband evenmin voldoende geacht. Het onder VI. gevorderde zal dan ook worden afgewezen.

Verbod aanvraag faillissement of surseance van betaling

Vorderingen onder VII

5.23.

Het aanvragen van faillissement of surseance van betaling is een recht dat het bestuur van een vennootschap op grond van de wet toekomt. Toewijzing van een verbod hiertoe als gevorderd zou dan ook in strijd met de wet zijn. Het onder VII gevorderde wordt derhalve afgewezen.

Contact- en benaderverbod

Vorderingen onder VIII

5.24.

De vorderingen onder VIII zijn - zo begrijpt de voorzieningenrechter - een uitbreiding van hetgeen onder punt 11 van de overeenkomst is afgesproken, waarin tevens wordt verwezen naar het dictum van het Amsterdams vonnis sub 5.6 tot en met 5.9. In punt 11 is overeengekomen dat eventuele geschillen aan arbitrage zullen worden onderworpen. De voorzieningenrechter is desalniettemin bevoegd om van dit geschil kennis te nemen, nu - naar [B] c.s. onweersproken heeft gesteld - in de overeenkomst niet is voorzien in een arbitraal kort geding.

5.25.

[B] c.s. vordert uitbreiding van het bestaande contact- en benaderverbod nu [K] hem ná het Amsterdams vonnis en ná de overeenkomst blijft beschadigen. [B] c.s. heeft in dit verband gesteld dat [K] hem na het kort gedingvonnis van 18 september 2017 en ook nu nog rechtstreeks blijft benaderen, veelal onder een pseudoniem via een beveiligde e-maildienst genaamd Protonmail, waarbij e-mails niet traceerbaar zijn. [K] heeft contact gezocht met vrienden, kennissen en zakenrelaties van [B] c.s. met geen ander doel hem te beschadigen. In dit verband heeft [B] c.s. voorbeelden genoemd van een kennis van de familie [B] , de heer [O] een vriend van [B] , de heer [N] en een zakenrelatie van [B] , de heer [N] , die allen door [K] zouden zijn benaderd. [B] c.s. heeft ter onderbouwing van zijn stelling e-mail correspondentie in het geding gebracht.

5.26.

[K] c.s. betwist de stelling van [B] c.s. dat zij door zou gaan met het opnemen van contact met derden en/of met [B] . Zij heeft in dit verband als verweer het volgende aangevoerd. Er is geen sprake van overtreding van één van de verboden als bedoeld in 5.6. en 5.8. van het Amsterdams vonnis. [K] heeft niet uit eigen beweging [N] aangesproken en heeft de omstandigheden waaronder zij met [N] in contact is gekomen toegelicht. Voorts bestrijdt [K] de juistheid van de verklaring van [O] . [K] heeft weliswaar contact met [N] opgenomen maar dit was op uitnodiging van Lea zelf en zij heeft zich daarbij niet negatief uitgelaten over [B] . Bovendien vond het bewuste contact plaats vóór 18 september 2017, derhalve voordat een contact- of spreekverbod gold. Voorts betwist [K] dat zij [B] per e-mail onder een pseudoniem en als anonieme Facebookgebruiker meermaals zou hebben benaderd.

5.27.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Zoals hiervoor al is overwogen bij de beoordeling van de vorderingen onder VII, is thans in kort geding niet vast komen te staan dat [K] dwangsommen dan wel contractuele boetes heeft verbeurd ten aanzien van het artikel in de Leeuwarder Courant, dat in Quote en de enkele uitlating in dat verband van [V] . Evenmin acht de voorzieningenrechter - mede gelet op het gemotiveerde verweer van [K] c.s. - vooralsnog voldoende onderbouwd gesteld door [B] c.s. dat [K] c.s. de verboden, zoals bepaald in het Amsterdams vonnis, heeft overtreden. Voor zover de stellingen van [B] c.s. zien op gebeurtenissen en dwangsommen c.q. boetes van vóór 17 mei 2018, kunnen deze stellingen hem niet baten. Daartoe wordt overwogen dat in punt 11 van de overeenkomst waarvan [B] c.s. thans nakoming vordert, juist afstand is gedaan van deze eventueel verschuldigde dwangsommen/boetes. Nu niet voldoende aannemelijk is geworden dat [K] c.s. de haar ingevolge het Amsterdams vonnis en de overeenkomst opgelegde verboden heeft overtreden, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding tot het uitbreiden en zwaarder sanctioneren van die verboden. Het onder VIII gevorderde zal dan ook worden afgewezen.

Vorderingen onder X

5.28.

In het licht van het voorgaande ziet de voorzieningenrechter evenmin aanleiding de in het Amsterdams vonnis en de overeenkomst eerder opgelegde geboden uit te breiden met een verbod aan [K] c.s. om zich op te houden in de buurt van de huidige en toekomstige privé en zakelijke adressen van [B] c.s. De enkele, niet onderbouwde, stelling van [B] c.s. dat [K] al eens de loods van de [B] groep zou zijn binnengelopen en daar stennis zou hebben geschopt, wordt in dit verband onvoldoende geacht. Het onder X gevorderde zal dan ook niet worden toegewezen.

Vernietiging beeld- en geluidsopnames

Vorderingen onder IX

5.29.

Het gebod onder IX hangt kennelijk samen met hetgeen in de laatste zin van punt 12 van de overeenkomst is overeengekomen. Waar in de overeenkomst enkel vernietiging van door haar gemaakte geluidsopnamen van gesprekken tussen [K] en [B] wordt overeengekomen, wordt thans tevens onherstelbare vernietiging van beeld- en video-opnames gevorderd en wordt de strekking van het gebod uitgebreid tot privé en/of zakelijke relaties van [B] . Daarnaast wordt toegevoegd een bevestiging van de vernietiging aan de raadsman met een daaraan te koppelen dwangsom. De voorzieningenrechter acht de vordering wat betreft de vernietiging van geluidsopnames van [K] en [B] toewijsbaar inclusief de mededeling van de vernietiging aan de raadsman, onder toevoeging van een dwangsom als nader in het dictum te bepalen, nu [K] niet heeft ontkend nog geen gevolg te hebben gegeven aan het in de overeenkomst in de laatste zin van punt 12 bepaalde. Voor zover de vordering wordt toegewezen is dit voorts enkel jegens [K] , nu de relevante bepaling in de overeenkomst tot haar alleen is gericht. Voor het overige zal de voorzieningenrechter de vordering afwijzen. Overwogen wordt dat niet voldoende bepaald is om welke opnames van wie het in casu gaat en op welke periodes de opnames betrekking zouden hebben.

Opheffing beslagen en procedures

Vorderingen onder XI

5.30.

De gevorderde opheffing van beslagen en procedures vloeit kennelijk voort uit de laatste zin van punt 13 van de overeenkomst. Gelet op de partijen bij de overeenkomst, is de vordering tot opheffing van de procedures toewijsbaar voor zover daarbij enkel [B] c.s. , BB en [K] als bestuurder van BB zijn betrokken. Ten aanzien van de opheffing van de beslagen wordt overwogen dat onvoldoende bepaald en gespecificeerd is om welke beslagen het gaat, zodat de vordering op dit punt zal worden afgewezen. De enkele algemene omschrijving van [B] c.s. dat het gaat om 'alle door [K] c.s. gelegde beslagen waaronder op onroerend goed van [B] c.s. ' alsmede het in het geding gebrachte verzoekschrift tot conservatoire beslaglegging inclusief verlof 26 juli 2018 volstaat in dit verband niet. Het had op de weg van [B] c.s. gelegen zijn vordering in de onderhavige procedure nader te specificeren door aan te geven van welke beslagen exact opheffing wordt gevorderd.

Lijfsdwang

Vorderingen onder XII en XIII

5.31.

[B] c.s. heeft gesteld dat er geen andere, lichtere dwangmiddelen voorhanden zijn, waardoor het passend en geboden is dat het vonnis jegens [K] , voor wie dwangsommen tot dusverre onvoldoende prikkel tot nakoming vormen, uitvoerbaar bij lijfsdwang wordt verklaard. [K] c.s. heeft - samengevat - als verweer aangevoerd dat in de situatie waarin er geen enkele grond is voor toewijzing van het gevorderde op straffe van een dwangsom, toewijzing op straffe van lijfsdwang helemaal een brug te ver is.

5.32.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding tot uitvoerbaarverklaring van het vonnis bij lijfsdwang. De vorderingen onder XII en XIII zullen worden afgewezen, nu naar het oordeel van de voorzieningenrechter grote terughoudendheid dient te worden betracht bij het opleggen van een dergelijke ingrijpende maatregel, en thans niet is gebleken van omstandigheden die het opleggen van deze maatregel rechtvaardigen. Nog daargelaten dat, gelet op de tegengestelde standpunten van partijen terzake, thans in kort geding niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat de financiële situatie van [K] c.s. is., geldt dat de discussie tussen partijen evident is blijven hangen op de vraag hoe moet worden omgegaan met het aspect van de financiering door Rabobank. [K] c.s. stelde zich op het standpunt dat hetgeen partijen in de overeenkomst hadden afgesproken (vooralsnog) geen doorgang zou vinden. [B] c.s. was van mening dat [K] c.s. ten onrechte niet nakwam. Onder die omstandigheden gaat het, hangende de discussie, te ver om thans het ultimum remedium van lijfsdwang toe te passen.

5.33.

[K] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Hoewel strikt genomen ook JBMG als gedaagde in het ongelijk wordt gesteld, zal deze vennootschap niet in de proceskosten worden veroordeeld, nu in de huidige situatie (vóór de aandelenoverdracht), eiser deel uitmaakt van JBMG. Een proceskostenveroordeling van JBMG zou derhalve tevens een proceskostenveroordeling van de grotendeels in het gelijk gestelde eiser met zich brengen, hetgeen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet in de rede ligt. Voorts zal, nu niet gesteld of gebleken is van bestuurdersaansprakelijkheid van [K] , op dit punt geen hoofdelijke veroordeling worden uitgesproken. De gevorderde beslagkosten worden afgewezen, nu [B] c.s. behoudens het verzoekschrift tot beslaglegging en het verleende verlof d.d. 26 juli 2018 geen beslagstukken in het geding heeft gebracht. De kosten aan de zijde van [B] c.s. worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 98,01

- griffierecht 626,00

- overige kosten 23,38

- salaris advocaat 1.470,00

Totaal € 2.217,39.

De gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum te bepalen.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

[K] c.s. heeft ter onderbouwing van haar reconventionele vorderingen - samengevat - gesteld dat niet zij maar [B] onrechtmatig handelt door het doen van mededelingen omtrent de privé-relatie en de beëindiging daarvan tussen [K] en [B] . Volgens [K] c.s. heeft [B] Quote geïnformeerd over (het aanhangig te maken kort geding en de aangifte jegens) [K] en een kopie van de grosse van het vonnis van 18 september 2018 aan Quote verstrekt. Tevens heeft [B] het artikel in Quote volgens [K] c.s. actief onder de aandacht van derden gebracht, onder andere bij de inwoners van Rijs via een Whatsappbericht. Voorts heeft [B] familie, zakenrelaties en andere bekenden van [K] benaderd, aldus [K] c.s. Ter onderbouwing daarvan heeft [K] Whatsapp- en e-mailberichten in het geding gebracht. Omdat de overeenkomst niet in werking is getreden heeft [K] recht en belang bij het opleggen van een spreek- en contactverbod aan [B] . [B] c.s. heeft op basis van de enkele betwiste stelling dat [K] c.s. dwangsommen/boetes zou hebben verbeurd wegens overtreding van het spreek- contactverbod, ten onrechte beslag gelegd ten laste van [K] c.s. Derhalve dienen de beslagen, die onrechtmatig zijn, te worden opgeheven, aldus [K] c.s. Voorts handelt [B] c.s. onrechtmatig jegens BB en JBMG door het (telkens) (zonder medeweten en goedkeuring van [K] als bestuurder van JBMG) doen wijzigen van het vestigingsadres van JBMG in het adres van [B] Groep BV, zo nog steeds [K] c.s.

6.2.

[B] c.s. heeft - samengevat - als verweer aangevoerd dat hij op geen enkele wijze onrechtmatig jegens [K] c.s. heeft gehandeld. Hij neemt geen contact op met [K] of met vrienden, familie of zakelijke relaties van haar; dit is juist andersom. [K] c.s. levert geen enkel bewijs voor haar stellingen en de door haar in het geding gebrachte producties tonen aan dat [B] - die graag van [K] af wil - juist géén contact met [K] zoekt. Quote heeft contact met [B] gezocht en niet andersom. [B] heeft afwijzend gereageerd op het verzoek van Quote, aldus [B] c.s. Betwist wordt dat [B] stukken heeft verstrekt aan Quote.

Vorderingen onder I t/m IV: contact- en mededelingenverbod

6.3.

Gelet op hetgeen partijen naar voren hebben gebracht en op de door hen in het geding gebrachte stukken is de voorzieningenrechter van oordeel dat in kort geding niet aannemelijk is geworden dat [B] zodanig heeft gehandeld dat het gerechtvaardigd is hem in kort geding een contactverbod en/of een mededelingenverbod onder dwangsom op te leggen.

6.4.

Ten aanzien van het gevorderde contactverbod wordt overwogen dat niet (voldoende) gesteld of gebleken is dat [B] c.s. recentelijk op enig moment contact heeft gezocht met [K] c.s. De vorderingen onder I en II zullen dan ook worden afgewezen.

6.5.

Ten aanzien van het gevorderde mededelingenverbod onder III wordt als volgt overwogen. De door [K] c.s. in het geding gebrachte afdrukken van Whatsapp en e-mailconversaties (productie 13, 14 en 15) worden onvoldoende geacht. Daartoe neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat voormelde conversaties hebben plaatsgevonden in het verleden, geruime tijd voor de overeenkomst waarin partijen onder punt 15 hebben afgesproken zich niet negatief jegens derden over elkaar uit te laten en waaraan door toedoen van [K] c.s. tot op heden geen gevolg is gegeven. Zo heeft de conversatie met [L] blijkens de vermelding van de datum boven de berichten op 18 juli 2017 plaatsgevonden en die met [J] op 21 september 2017. In de conversatie met [Y] schrijft [K] dat ze informatie wil op verzoek van de bewindvoerder (r.o. 2.31). Hieruit maakt de voorzieningenrechter op dat deze ongedateerde Whatsapp conversatie ten tijde van de kwestie rond de surséance van JBMG plaatsvond, dat wil zeggen in de periode tussen november 2017 en maart 2018. Ware dit anders, dan had het op de weg van [K] c.s. - die enkel heeft aangegeven dat de conversatie heeft plaatsgevonden naar aanleiding van een meeting over grenslijnen zonder nadere aanduiding van de datum waarop deze meeting heeft plaatsgevonden - gelegen om aan te geven wanneer de desbetreffende conversatie dan wel heeft plaatsgevonden, hetgeen zij heeft nagelaten. [K] c.s. heeft ook nog aangevoerd dat [B] een bericht op de facebookpagina van MG over [K] heeft geplaatst met geen ander doel dan om [K] zwart te maken, hetgeen onrechtmatig zou zijn. Wat daar ook van zij, dit bericht is reeds in november 2017 geplaatst zodat ook hiervoor geldt dat deze handeling niet maakt dat recentelijk sprake is geweest van dusdanig handelen van [B] c.s. dat [K] c.s. een spoedeisend belang heeft om thans in kort geding een mededelingenverbod onder dwangsom toegewezen te krijgen.

6.6.

De stelling van [K] c.s. dat [B] onrechtmatig zou hebben gehandeld doordat hij heel Rijs zou hebben geïnformeerd over het artikel in Quote acht de voorzieningenrechter onvoldoende onderbouwd. Uit de door [K] c.s. in het geding gebrachte Whatsapp conversatie tussen [K] en [U] (r.o. 2.30) blijkt dat [K] tot twee keer toe heeft gesuggereerd dat [B] een linkje aan iedereen in Rijs, waaronder [U] zou hebben gestuurd, maar dat [U] hier beide keren niet op ingaat. Voorts wordt de enkele blote stelling van [K] c.s. dat [B] een kopie van de grosse van het Amsterdams vonnis aan Quote moet hebben verstrekt omdat [K] geen belang zou hebben bij het overhandigen van de grosse aan Quote, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, en mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [B] c.s. dat de grosse ook bij de deurwaarder ligt, onvoldoende geacht. In dat verband wordt tevens van belang geacht dat in het bewuste artikel in Quote wordt vermeld dat [B] geen commentaar wilde geven (r.o. 2.28). Dat Quote op 13 juli 2018 aan [K] meldt dat de advocaat van [B] zou hebben gemeld dat er een kort geding tegen [K] zal worden aangespannen mag zo zijn, maar is naar het oordeel van de voorzieningenrechter - mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [B] c.s. dat het om feitelijke informatie ging - niet voldoende om te kunnen oordelen dat [B] c.s. recentelijk dusdanig onrechtmatig jegens [K] c.s. heeft gehandeld dat een mededelingenverbod als gevorderd moet worden opgelegd.

6.7.

Gelet op het voorgaande acht de voorzieningenrechter niet voldoende onderbouwd dat er recentelijk gebeurtenissen zijn geweest op grond waarvan [K] c.s. thans een spoedeisend belang heeft bij de door haar onder I t/m IV gevorderde verboden. De vorderingen worden reeds daarom afgewezen. Hetgeen partijen op dit punt voor het overige naar voren hebben gebracht kan dan ook in het midden blijven.

Vordering onder V: opheffing beslagen

6.8.

Ook de onder V door [K] c.s. gevorderde opheffing van beslagen en de daaraan gekoppelde dwangsom zal worden afgewezen. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat onvoldoende bepaald en gespecificeerd is om welke beslagen het gaat. De enkele algemene omschrijving van [K] c.s. dat het gaat om beslagen die ten laste van [K] en/of één van de door haar beheerste vennootschappen gaat, wordt onvoldoende geacht. Daarbij komt dat, zodra de overeenkomst - die door toedoen van [K] c.s. tot op heden niet is nagekomen - door haar wordt nagekomen ingevolge punt 13 alle beslagen over en weer zullen worden opgeheven, zodat het spoedeisend belang bij haar vordering op dit punt naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook ontbreekt.

Vordering onder VI: wijziging adres

6.9.

Ten aanzien van de vordering tot medewerking door [B] c.s. aan de wijziging van het vestigingsadres van JBMG in het handelsregister van de Kamer van Koophandel overweegt de voorzieningenrechter dat niet voldoende gesteld of gebleken is welk spoedeisend belang [K] c.s. bij haar vordering heeft. Zoals hiervoor in conventie is geoordeeld dient [K] c.s. de overeenkomst na te komen, waarna zij als enig aandeelhouder zelf het vestigingsadres van JBMG kan wijzigen. De vordering zal op dit punt dan ook worden afgewezen.

6.10.

[K] c.s. zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] c.s. worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 490,00 (factor 0,5 × tarief € 980,00)

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

veroordeelt BB tot nakoming van de overeenkomst door:

a. binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de raadsman van [B] c.s. te informeren over de persoon van de notaris en diens contactgegevens ten overstaan van wie de overdracht van de aandelen in JBMG (hierna: de aandelentransactie) zal plaatsvinden (hierna: de notaris), onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat BB dit nalaat tot een maximum van € 20.000,- is bereikt;

b. binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de notaris in te schakelen ten behoeve van het begeleiden van de aandelentransactie onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag dat BB dit nalaat tot een maximum van € 20.000,- is bereikt;

c. ervoor te zorgen dat binnen veertien dagen na de aanwijzing van de notaris de koopprijs voor de aandelen van € 175.000,- zal zijn bijgeschreven op de kwaliteitsrekening van de notaris (met kopie van het betaalbewijs aan de raadsman van [B] c.s. );

d. binnen twee dagen na de aanwijzing van de notaris, de notaris (met kopie aan de raadsman van [B] c.s. ) te instrueren om het bedrag van € 175.000,-- onder zich te houden tot het moment van effectuering van de aandelentransactie, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag dat BB dit nalaat tot een maximum van € 100.000,- is bereikt;

e. binnen twee dagen na ontvangst van de koopsom van € 175.000,- de notaris opdracht te geven de aandelentransactie zo spoedig mogelijk te effectueren door het verlijden van een notariële akte van levering van de aandelen (hierna: de leveringsakte) met als uitgangspunt de als productie 28 bij dagvaarding overgelegde model akte van levering van aandelen, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag dat BB dit nalaat tot een maximum van € 100.000,- is bereikt;

7.2.

bepaalt dat, indien BB binnen twee dagen na betekening van dit vonnis nalaat een notaris aan te wijzen, aan [B] c.s. het recht toekomt de notaris aan te wijzen en te instrueren overeenkomstig het hierover onder 7.1. a. tot en met e. besliste, waarbij:

a. BB verplicht is zich te committeren aan de aanwijzing van en de bedoelde instructies aan die notaris, onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- voor elke dag dat BB dit nalaat tot een maximum van € 250.000,- is bereikt;

b. het onder 7.1. c. besliste onverminderd voor BB van toepassing is;

7.3.

verplicht [K] ervoor te zorgen dat JB Holding binnen dertig dagen na betekening van dit vonnis wordt ontslagen uit de hoofdelijke verbondenheid voor de door Rabobank aan MG verstrekte kredietfaciliteit van € 50.000,- onder verbeurte van een dwangsom van € 2.500,- voor elke dag dat [K] dit nalaat tot een maximum van € 50.000,- is bereikt;

7.4.

veroordeelt BB tot nakoming van de overeenkomst door ervoor te zorgen dat JBMG onverwijld na de effectuering van de aandelentransactie decharge aan JB Holding verleent voor het door haar gevoerde bestuur, onder hoofdelijke verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag dat BB en/of JBMG dit nalaat tot een maximum van € 100.000,- is bereikt;

7.5.

verplicht [K] c.s. en JBMG ervoor te zorgen dat:

a. alle huurpenningen en andere vergoedingen die verband houden met de huur en/of exploitatie van villa 'Mooi Gaasterland' en die niet op de bankrekening van JBMG zijn verschenen, binnen twee dagen na betekening van dit vonnis zijn overgemaakt naar de bankrekening van JBMG (met kopie van het betaalbewijs aan de raadsman van [B] c.s. );

b. totdat zowel de aandelentransactie is geëffectueerd als de nabetaling van € 25.000,- aan JB Holding is voldaan, Befides c.q. de partij die huurder is c.q. de exploitatie drijft van de villa binnen twee dagen na betekening van dit vonnis wordt geïnstrueerd (met kopie aan de raadsman van [B] c.s. ) om de daarvoor verschuldigde vergoedingen voortaan over te maken naar de gebruikelijke rekening van JBMG, onder hoofdelijke verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag dat [K] c.s. en JBMG hiermee in gebreke blijven, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt;

7.6.

gebiedt [K] om de door haar gemaakte geluidsopnames van gesprekken tussen [K] en [B] binnen vier dagen na betekening van dit vonnis onherstelbaar te vernietigen en de vernietiging hiervan schriftelijk aan de raadsman van [B] c.s. te bevestigen, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor iedere dag dat [K] hiermee in gebreke blijft, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt;

7.7.

gebiedt BB om binnen vijf dagen na betekening van dit vonnis alle door haar aanhangig gemaakte procedures te doen royeren, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor elke dag dat BB hiermee in gebreke blijkt, tot een maximum van € 100.000,- is bereikt;

7.8.

veroordeelt [K] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [B] c.s. tot op heden vastgesteld op € 2.217,39, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling;

7.9.

veroordeelt [K] c.s. in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [K] c.s. niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na voormelde aanschrijving tot aan de voldoening;

7.10.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

7.11.

wijst het meer of anders gevorderde af.

in reconventie

7.12.

wijst de vorderingen af,

7.13.

veroordeelt [K] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [B] c.s. tot op heden vastgesteld op € 490,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.Th.M. Zwart-Sneek en in het openbaar uitgesproken op 17 oktober 2018.1

1 680