Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:4118

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
16-10-2018
Zaaknummer
18/074928-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte is met zijn medeverdachten veroordeeld voor gezamenlijke brandstichting en het veroorzaken van een ontploffing. Zij hadden als oudejaarsstunt in een parkje een sloopauto en caravan gevuld met autobanden en overgoten met benzine. De motor van de auto werd draaiend gehouden met een steen op het gaspedaal. Door onbekende oorzaak gingen de auto en caravan rijden, waardoor een woning en twee auto’s brandschade opliepen. Dit leverde algemeen gevaar voor goederen op. De rechtbank hield er ten voordele van verdachte rekening mee dat hij zich heeft gemeld bij de slachtoffers en dat hij schuldbewust is. Opgelegd werd een taakstraf van 240 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met twee jaar proeftijd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/074928-18

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 oktober 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 september 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A.M. Westerhuis, advocaat te Drachten. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.L. van den Broek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair:
hij op of omstreeks 31 december 2017 te Damwâld, gemeente Dantumadiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht, door opzettelijk
- een (sloop)auto en/of een aan die auto gekoppelde caravan te vullen met autobanden

en/of

- benzine, althans een brandbare stof in en/of over die (sloop)auto en/of gekoppelde

caravan te sprenkelen en/of te gooien en/of
- (vervolgens) een of meer brandende doeken, althans open vuur opzettelijk in

aanraking te brengen met de genoemde met benzine besprenkelde en/of
overgoten(sloop)auto en/of gekoppelde caravan, althans met een brandbare stof en/of

- die (sloop)auto en/of gekoppelde caravan in beweging te brengen, door deze (sloop)

auto te starten en/of daarbij een steen op het gaspedaal van die (sloop)auto te leggen,
tengevolge waarvan een ontploffing teweeg is gebracht en/of die (sloop) auto en/of gekoppelde caravan in brand vlogen en/of (vervolgens) die brandende (sloop)auto en/of aangekoppelde caravan begonnen te rijden, althans in beweging kwamen en/of (vervolgens) in de richting van de nabijheid staande woningen reden, althans bewogen over het wegdek van de Van der Herberglaan en/of uiteindelijk tot stilstand kwamen tegen nabij de woning aan de [straatnaam] geparkeerd staande auto's,

tengevolge waarvan een ontploffing is teweeggebracht en/of een tweetal auto's, te weten een auto, Ford Focus (gekentekend [kenteken] ) en/of een auto Seat Leon (gekentekend [kenteken] ) geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en/of de genoemde woning aan de [straatnaam] als gevolg van die brandende auto(s) gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten genoemde auto's en/of woning aan de [straatnaam] en/of andere belendende woning(en) en/of het wegdek van de Van der Herberglaan, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

subsidiair:
hij op of omstreeks 31 december 2017 te Damwâld, gemeente Dantumadiel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam brand heeft gesticht en/of althans grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam een ontploffing teweeg heeft gebracht, door een (sloop)auto en/of aan die auto gekoppelde caravan te vullen met autobanden en/of
- benzine, althans een brandbare stof in en/of over die (sloop)auto en/of gekoppelde

caravan te sprenkelen en/of te gooien en/of
- (vervolgens) een of meer brandende doeken, althans open vuur in aanraking te

brengen met de genoemde met benzine besprenkelde en/of overgoten (sloop)auto en/of gekoppelde caravan, althans met een brandbare stof en/of

- die (sloop)auto en/of gekoppelde caravan in beweging te brengen, door deze (sloop)auto te starten en/of daarbij een steen op het gaspedaal van die (sloop)auto te leggen,

tengevolge waarvan een ontploffing teweeg is gebracht en/of die (sloop)auto en/of

gekoppelde caravan in brand vlogen en/of (vervolgens) die brandende (sloop)auto en/of aangekoppelde caravan begonnen te rijden, althans in beweging kwamen en/of (vervolgens) in de richting van de nabijheid staande woningen reden, althans bewogen over het wegdek van de Van der Herberglaan en/of uiteindelijk tot stilstand kwamen tegen nabij de woning aan de [straatnaam] geparkeerd staande auto's,

tengevolge waarvan een ontploffing is teweeggebracht en/of een tweetal auto's, te weten een auto Ford Focus (gekentekend [kenteken] ) en/of een auto Seat Leon (gekentekend [kenteken] ) geheel of gedeeltelijk zijn verbrand en/of de genoemde woning woning aan de [straatnaam] als gevolg van die brandende auto(s) gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan,

terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten genoemde auto's en/of woning aan de [straatnaam] en/of andere belendende woning(en) en/of het wegdek van de Van der Herberglaan, in elk geval gemeen gevaar voor goederen te duchten was;

Meer subsidiair:

hij op of omstreeks 31 december 2017, te Damwâld, gemeente Dantumadiel, op of nabij de Badhuisweg en/of Dr. Dr. J. Botkepad en/of de Mr. P.T. van der Herberglaan, in elk geval op of aan de openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen goederen, welk geweld bestond uit
- het in brand steken en/of tot ontploffing brengen van een (sloop) auto en/of

gekoppelde caravan en/of
- (vervolgens) starten van die (sloop( auto, in ieder geval in beweging brengen van die

brandende (sloop) auto en/of gekoppelde caravan,

tengevolge waarvan deze in de richting reed/reden van de woning [straatnaam] en/of in de richting van de aldaar geparkeerd staande auto's en/of

tengevolge waarvan een tweetal auto's, te weten een Ford Focus (gekentekend [kenteken] ) en/of een Seat Leon (gekentekend [kenteken] ) geheel of deeltelijk zijn verbrand en/of beschadigd en/of de woning [straatnaam] als gevolg van de brandende auto's in brand is gevlogen, althans is beschadigd;

meest subsidiair:
hij op of omstreeks 31 december 2017 te Damwâld, gemeente Dantumadiel, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk (een gedeelte van) de woning [straatnaam] en/of een personenauto (Ford Focus met kenteken [kenteken] ) en/of een personenauto (Seat Leon met kenteken [kenteken] ) en/of het wegdek van de Van der Herberglaan, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [benadeelde partij 1] en/of [slachtoffer 3] en/of de [benadeelde partij 2] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van al hetgeen ten laste is gelegd. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Onderdeel van het primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde is steeds dat de verdachten -kort gezegd- de auto met de daaraan gekoppelde caravan in beweging hebben gebracht door de auto te starten en een steen op het gaspedaal te leggen. Dit kan niet wettig en overtuigend bewezen worden. Als gevolg hiervan moet verdachte worden vrijgesproken van deze feiten.

Het meest subsidiair ten laste gelegde kan niet bewezen worden omdat verdachte geen opzet heeft gehad op het vernielen dan wel beschadigen van de woning en de genoemde auto's.

Oordeel van de rechtbank

Overweging

Primair is aan verdachte ten laste gelegd dat hij zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan brandstichting, ten gevolge waarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten was.

De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat het ten laste gelegde onderdeel “in beweging brengen van de sloopauto en de daaraan gekoppelde caravan, door de sloopauto te starten en/of daarbij een steen op het gaspedaal te leggen” niet bewezen kan worden, omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat het starten van de auto en het leggen van de steen op het gaspedaal het in beweging komen van de sloopauto heeft veroorzaakt. De rechtbank zal dit deel van de tenlastelegging om die reden uitstrepen.

Dit betekent echter, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, niet dat er geen bewezenverklaring voor het primair ten laste gelegde kan volgen. Voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde dient de rechtbank te beoordelen of wettig en overtuigend bewezen kan worden dat ten gevolge van de opzettelijke brandstichting door verdachte en de medeverdachten en hun verdere handelen gemeen gevaar voor de in de tenlastelegging omschreven goederen is ontstaan.

Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachte en de medeverdachten het opzet hebben gehad op het in brand steken van de sloopauto en de daaraan gekoppelde caravan. Tevens staat vast dat zij dit binnen de bebouwde kom hebben gedaan. Uit kaartjes en foto’s in het dossier is met behulp van de meetfunctie van Google Maps te bepalen dat de afstand van de auto en de caravan tot de bebouwing 40 tot 50 meter bedroeg. Daarbij is het naar het oordeel van de rechtbank voorzienbaar dat dit gemeen gevaar voor andere roerende en onroerende zaken in diezelfde bebouwde kom oplevert. De brandbaarheid van de sloopauto en caravan zijn door verdachte en zijn medeverdachten verhoogd door deze te vullen met autobanden en te overgieten met benzine. Daarbij zijn een sloopauto en een caravan mobiele objecten; door toedoen van verdachte en de medeverdachten liep de motor van de sloopauto op het moment dat hierin brand werd gesticht en was het gaspedaal ingedrukt doordat daar een steen op was gelegd. Het staat vast dat zonder deze handelingen de brandende sloopauto met caravan niet in beweging zouden hebben kunnen komen en dat, zoals ook ten laste is gelegd, de sloopauto en de caravan -om welke reden dan ook- in beweging zijn gekomen. Eveneens staat vast dat de rijdende brandende sloopauto met de restanten van de caravan in de [straatnaam] staande Ford Focus tot stilstand zijn gekomen, waarna de auto’s op de oprit van de woning en de woning zelf gedeeltelijk zijn verbrand. Aldus heeft het voorzienbare gemeen gevaar voor (andere) goederen bij een opzettelijke brandstichting in de bebouwde kom zich gerealiseerd en kan dit aan verdachte en de medeverdachten worden toegerekend.

Onder deze omstandigheden is er sprake van gemeen gevaar voor goederen in de zin van artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht van de in de tenlastelegging genoemde goederen. Aldus acht de rechtbank het primaire feit wettig en overtuigend bewezen.

Bewijsoverweging

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 27 september 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik was op 31 december 2017 samen met een groep om oud en nieuw te vieren. Ik wist dat er een plan was om een sloopauto en een caravan in de brand te steken.

Wij hebben met de groep de auto en de caravan met autobanden gevuld.

De auto en caravan zijn naar Damwâld gereden. Daar is door twee personen benzine in en over de sloopauto en de caravan gegoten. Ik was één van deze personen.

Vervolgens hebben personen brandende doeken in aanraking gebracht met de auto en caravan. Hierna ontstond er een ontploffing en vlogen de auto en de caravan in de brand.

Vervolgens begon de brandende sloopauto en de daaraan gekoppelde caravan te rijden in de richting van woningen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 januari 2018, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018014657 d.d. 28 maart 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Het was zondag 31 december 2017 omstreeks 18.40 uur. Ik was thuis in mijn woning gelegen aan de [straatnaam] te Damwâld. Ik zag een oranje vuurbal op ons huis afkomen. Ik zag dat deze vuurbal tegen een boompje aan knalde bij de buren en vervolgens niet meer recht op ons huis afkwam, maar dat de koers een klein beetje was veranderd. Ik zag dat de vuurbal net niet ons huis raakte maar wel tegen mijn auto, een Ford Focus, aanreed en tot stilstand kwam. Ik zag dat deze vuurbal een auto was. Ik zag dat er achter deze auto nog een aanhanger zat welke ook in de brand stond. Ik zag dat de vlammen die van deze auto en aanhanger afkwamen erg hoog waren. Voor mijn eigen auto stond de lesauto van [benadeelde partij 1] . Dit is een Seat Leon. Ik zag dat mijn eigen auto met de voorzijde tegen de achterkant van de lesauto aanstond. Mijn auto is door klap van die auto die in de brand stond tegen de lesauto aangekomen. Ik heb onze woning natgehouden. Als ik dit niet gedaan had was ons woning ook in vlammen opgegaan. Ik ben blijven blussen totdat de brandweer het overnam, ik ben wel iets eerder weggegaan, dit omdat er zoveel rook en brand was.


Ik had gisteravond al gezien dat de voorzijde van mijn Ford Focus tegen de achterzijde van de lesauto aanstond. Ik zag omdat de Ford weg was gehaald nu de schade aan de lesauto. Ik zag dat de achterlampen helemaal gesmolten waren. Ik zag dat de gaten erin zaten. Ik zag ook dat de lak van de bumper achter af was. Dit is de zichtbare schade.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 januari 2018, opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op 31 december 2017 kregen wij een melding te gaan naar de [straatnaam] te Damwâld.
Op het moment dat wij de Badhuswei te Damwâld in reden zagen wij op de kruising Badhuswei/dr. J. Botkepaad een hevige brand op de kruising. Op het moment dat wij ter hoogte van deze brand waren zagen wij dat er op het eerste gezicht een caravan aan het branden was. Tevens zagen wij dat er allemaal autobanden op deze kruising in de brand stonden. Omdat wij nog niet bij het adres waren waar de melding gedaan was, zijn wij met ons dienstvoertuig om de brandende rotzooi op deze kruising heen gereden via een groenstrook aan de rechterzijde van deze brand. (..)
Ter hoogte van [straatnaam] zagen wij een hevig brandende personenauto met daarachter gekoppeld het onderstel van een aanhangwagen staan. Op de aanhangwagen lagen nog allemaal losse autobanden.
Er is een zeer ruime PD afgezet middels afzetlint. Deze PD liep vanaf het perceel [straatnaam] terug tot aan de grote brand op de kruising Badhuswei/dr. J. Botkepaad. Gezien de sporen op het wegdek en in de groenstrook met daarin bosschages was het zeer aannemelijk dat de brandende personenauto met daarachter gekoppeld de aanhangwagen vanaf deze kruising was gekomen.
De brandweer was inmiddels druk bezig de brand aan de buitenzijde van de woning te blussen. Uiteindelijk is de auto, welke in de brand stond, geblust en toen bleek dat de woning niet door deze auto was geraakt maar dat de woning welk brand en rookschade had opgelopen. Op de oprit waar de brandende auto tot stilstand was gekomen, nadat hij dwars door de voortuin was gereden, stonden nog twee personenauto's. De eerste personenauto was voorzien van het kenteken : [kenteken] , deze auto raakte zwaar beschadigd door de brand. Verder stond er nog een lesauto voorzien van kenteken : [kenteken] , deze auto raakte
aan de achterzijde beschadigd door de brand.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:


hij op 31 december 2017 te Damwâld, gemeente Dantumadiel tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk brand heeft gesticht en een ontploffing teweeg heeft gebracht, door opzettelijk
- een sloopauto en een aan die auto gekoppelde caravan te vullen met autobanden en

- benzine in en over die sloopauto en gekoppelde caravan te sprenkelen en te gooien en

- vervolgens brandende doeken in aanraking te brengen met de genoemde met benzine besprenkelde en overgoten sloopauto en gekoppelde caravan en

ten gevolge waarvan een ontploffing teweeg is gebracht en die sloopauto en gekoppelde caravan in brand vlogen en vervolgens die brandende sloopauto en aangekoppelde caravan begonnen te rijden en vervolgens in de richting van de nabijheid staande woningen reden en uiteindelijk tot stilstand kwamen tegen nabij de woning aan de [straatnaam] geparkeerd staande auto's, ten gevolge waarvan een tweetal auto's, te weten een auto, Ford Focus, kenteken [kenteken] , en een auto Seat Leon, kenteken [kenteken] , gedeeltelijk zijn verbrand en de woning aan de [straatnaam] als gevolg van die brandende auto's gedeeltelijk is verbrand, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen, te weten voornoemde auto's en woning aan de [straatnaam] en belendende woningen en het wegdek van de Van der Herberglaan te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair: Medeplegen van opzettelijk brand stichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om bij een eventuele strafoplegging de gevorderde taakstraf te matigen, nu sprake was van een uit de hand gelopen oudejaarsstunt en niet van een opzettelijke brandstichting. Verdachte is één van de zes personen die hiervoor zijn verantwoordelijkheid heeft genomen door zich te melden, terwijl de overige personen van de groep van in totaal zo'n 60 mensen dat niet heeft gedaan. Bij verdachte is geen sprake van schulden, drank- en drugsgebruik.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Tijdens de jaarwisseling heeft verdachte deel genomen aan een oudejaarsstunt. Met een grote groep personen is bedacht om een sloopauto met daaraan gekoppeld een caravan in brand te steken. In deze auto en caravan zijn autobanden neergelegd om ervoor te zorgen dat het 'een goede brand' zou zijn. Ook is de motor van de auto draaiende gehouden terwijl er benzine in en over de auto en caravan werd gegooid en er door middel van brandende doeken vuur bij de voertuigen werd gebracht. Vervolgens ontstond een explosie en vlogen de auto en caravan in brand. Hierna begon de auto, om nog onverklaarbare reden, te rijden in de richting van woningen. In één van die woningen bevonden zich twee stellen met kleine kinderen die dachten gezellig met elkaar oud en nieuw te vieren. Het is een geluk geweest dat de brandende auto van richting is veranderd, want anders was de auto recht op deze woning afgereden. Nu kwam de auto terecht op de oprit van de slachtoffers. De auto’s op de oprit en de woning zijn hierbij gedeeltelijk verbrand. Door adequaat handelen van de bewoner, die meteen is gaan blussen, is de schade aan de woning beperkt gebleven. Dat dit gebeuren een behoorlijke impact had op de bewoners en hun gasten, blijkt niet alleen uit hun aangiftes maar ook uit de verklaringen die namens hen op zitting zijn voorgelezen.

De rechtbank houdt er ten voordele van verdachte rekening mee dat verdachte één van de personen is geweest die zichzelf heeft gemeld bij de slachtoffers en dat verdachte schuldbewust is.

Mede omdat het feit gepleegd is door een vriendengroep die vaker bij elkaar komt, zoals elk jaar bij oud en nieuw, zal de rechtbank een deel van de gevorderde taakstraf voorwaardelijk opleggen om te voorkomen dat verdachte in die groep soortgelijke feiten zal plegen gedurende een proeftijd van 2 jaren.

Alles overwegende veroordeelt de rechtbank verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, waarvan 60 uren voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [benadeelde partij 2], tot een bedrag van € 1.607,00 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 1], tot een bedrag van in totaal € 610,53 bestaande uit € 60,53 materiële schade en € 550,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 2], tot een bedrag van in totaal € 610,53 bestaande uit € 60,53 materiële schade en € 550,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vorderingen van de [benadeelde partij 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] worden toegewezen.

Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft hij voorts gevorderd dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit om de vordering van de [benadeelde partij 2] niet ontvankelijk te verklaren, omdat deze onvoldoende onderbouwd is. Ten aanzien van de vorderingen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] heeft zij aangevoerd dat de immateriële schade onvoldoende onderbouwd is, omdat niet objectief vastgesteld is dat er daadwerkelijk psychische schade is geleden door het gebeuren. De materiële schade dient gematigd te worden, omdat de reiskosten en parkeergeld door zowel [slachtoffer 2] als [slachtoffer 1] worden gevorderd, terwijl deze kosten maar eenmaal gemaakt zijn.

Oordeel van de rechtbank

Vordering [benadeelde partij 2]

Hoewel naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk is geworden dat de gemeente schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank over onvoldoende informatie om over de omvang van de schade te kunnen oordelen. Schorsing van het onderzoek om de gemeente in de gelegenheid te stellen de gevorderde schade te onderbouwen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Vorderingen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] samen de door ieder van hen gevorderde reiskosten en parkeerkosten (ter hoogte van € 60,53) hebben betaald. De rechtbank zal daarom deze kosten niet twee keer toewijzen, maar aan ieder de helft te weten een bedrag van € 30,26 en de vorderingen voor het overige niet ontvankelijk verklaren.

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben daarnaast vergoeding van immateriële schade ter hoogte van

€ 550,00 gevorderd.

Als er geen sprake is van lichamelijk letsel, zoals in deze zaak, kan op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend indien de benadeelde partij -voor zover hier van belang- op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven kunnen worden vastgesteld door bijvoorbeeld een medische verklaring. Hiervan is in deze zaak geen sprake. De bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen hiervan voor het slachtoffer kunnen echter maken dat vergoeding van immateriële schade toch mogelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een ernstige normschending. De gezondheid en veiligheid van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn ernstig in gevaar gekomen en zij hebben aannemelijk gemaakt dat de impact hiervan op hen groot is geweest. Om die reden zal de rechtbank de vordering ter zake van immateriële schade toewijzen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk geworden dat zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] de gestelde immateriële schade ter hoogte van € 550,00 hebben geleden als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal daarom dit deel van de vordering toewijzen.

De rechtbank zal het toe te wijzen bedrag vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade, waarvan vergoeding wordt gevorderd. Bij de veroordeling tot betaling van de schadevergoeding zal ook worden bepaald dat wanneer de schadevergoeding door medeverdachten is betaald, verdachte dit bedrag niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen.

Nu vast staat dat verdachte -tot het hiervoor genoemde bedrag- aansprakelijk is voor de schade, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47 en 157 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 60 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 30 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Benadeelde partijen

Bepaalt dat vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 580,26 (zegge: vijfhonderdtachtig euro en zesentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 580,26 (zegge: vijfhonderdtachtig euro en zesentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 30,26 aan materiële schade en € 550,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 580,26 (zegge: vijfhonderdtachtig euro en zesentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige in de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 580,26 (zegge: vijfhonderdtachtig euro en zesentwintig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 11 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 30,26 aan materiële schade en € 550,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. M.J. Dijkstra en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door mr. E. de Vries-Haitsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 oktober 2018.