Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:403

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-02-2018
Datum publicatie
21-02-2018
Zaaknummer
LEE 17/747 en LEE 17/724
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Reconstructie Blokhuis te Stavoren. Noordoostelijk bastion is één geheel. Het bouwplan kan daarom niet gesplitst worden en in twee afzonderlijke vergunningen worden vergund. ten onrechte zijn de vergunningen verleend met toepassing van de kruimelgevallenregeling. Ten onrechte stelt verweerder dat het bouwplan niet strijdig is met de bestemming 'groen'. Verweerder had de vergunningverlening moeten voorbereiden met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 17/747

LEE 17/724

uitspraak van de meervoudige kamer van 8 februari 2018 in de zaak tussen

[eisers] , te Stavoren, eisers 1 (LEE 17/747)

(gemachtigde: drs. S.A.N. Geerling),

en

[eiser] , eiser 2 (LEE 17/724),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Súdwest-Fryslân, verweerder

(gemachtigde: mr. I. van der Meer).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: gemeente Súdwest-Fryslân, (gemachtigde: P.D. Heeres).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juni 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen en strijdig planologisch gebruik (OV20160279).

Bij besluit van 28 juni 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder aan derde-partij een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit bouwen (OV20160280).

Bij besluit van 9 januari 2017 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eisers 1 ongegrond verklaard.

Bij besluit van 9 januari 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiser 2 ongegrond verklaard.

Eisers 1 hebben tegen het bestreden besluit 1 beroep (beroep 1) ingesteld.

Eiser 2 heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep (beroep 2) ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 september 2017. De beroepen zijn gevoegd behandeld.

Eisers 1 zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Eiser 2 is verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door A. Basic.

Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1.

De omgevingsvergunningen zijn verleend ten behoeve van een reconstructie van het Blokhuis, een versterking die in de zestiende eeuw nabij de haven van Stavoren gelegen was. Het project ziet op herstel van de restanten van het voormalige Blokhuis door middel van het aanbrengen van kenmerkende elementen die de locatie van het voormalige Blokhuis in de Hanzestad Stavoren markeren. In de toelichting bij de aanvragen staat vermeld dat gekozen is voor een moderne verbeelding in cortenstaal en beton waarmee het Blokhuis wel verwijzend maar niet historiserend wordt verbeeld. Het project is gelokaliseerd op een perceel met aan de noord- en de westzijde de Havenweg en aan de zuidzijde de straat Dwinger.

1.2.

Omgevingsvergunning OV20160279 betreft de verbeelding van het noordwestelijke hoekbastion bestaande uit een betonsloof op circa 40 á 50 centimeter boven het maaiveld, een deel van het noordoostelijk hoekbastion waarmee dit bastion geheel wordt gesloten en de verbeelding van de zuidoostelijke ommuring en het zuidoostelijke hoekbastion op circa 220 centimeter boven het maaiveld.

In het primaire besluit 1, waarbij omgevingsvergunning OV20160279 is verleend, stelt verweerder zich op het standpunt dat het bouwplan niet voldoet aan de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Stavoren” (hierna: het bestemmingsplan). De betreffende gronden zijn bestemd als “Verkeer-verblijf” en als “Horeca”. De reconstructie van het Hanzekwartier past niet in beide bestemmingen. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat de reconstructie binnen deze twee bestemmingen niet hoger wordt dan 10 meter (m) en de oppervlakte niet groter wordt dan 50 vierkante meter (m²). Verweerder heeft daarom besloten medewerking aan het bouwplan te verlenen door af te wijken van het bestemmingsplan met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, aanhef en ten derde, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor).

1.3.

Omgevingsvergunning OV20160280 betreft de overige onderdelen van het project, te weten de betonsloof die aan de noordzijde de verbeelding vormt, de overige delen van het noordoostelijke hoekbastion, de betonsloof aan de oostzijde, het Poortgebouw en het zuidwestelijke hoekbastion met aangrenzende betonsloven.

In het primaire besluit 2, waarbij omgevingsvergunning OV20160280 is verleend, stelt verweerder zich op het standpunt dat de gevraagde omgevingsvergunning moet worden verleend omdat het bouwplan volgens hem in overeenstemming is met de ter plaatse geldende bestemming “Groen”.

1.4.

Eisers 1 wonen op het adres [adres 1] aan de noordzijde van het project, in het bijzonder nabij het noordoostelijke hoekbastion.

1.5.

Eiser 2 woont op het adres [adres 2] aan de oostzijde van het project, in het bijzonder nabij het Poorthuis.

2.1.

Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo luidt, voor zover van belang:

‘Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten tweede, van de Wabo luidt:

‘1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen’.

2.2.

Artikel 4, aanhef en derde lid, van Bijlage II van het Bor luidt:

‘Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: (…) een bouwwerk, geen gebouw zijnde, of een gedeelte van een dergelijk bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: a. niet hoger dan 10 m, en b. de oppervlakte niet meer dan 50 m²’.

2.3.

Artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, luidt voor zover van belang:

‘Onverminderd het bepaalde in de artikelen 2.10, tweede lid, en 2.11, tweede lid, draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag betrekking heeft op alle onlosmakelijke activiteiten binnen het betrokken project’.

3.1.

Ten aanzien van het noordoostelijke hoek bastion is de rechtbank van oordeel dat dit bastion als één onlosmakelijk geheel is bedoeld en is aan te merken. Het betreft immers een niet fysiek van elkaar te scheiden bouwwerk dat één fundering heeft. Ook in het project is het als één geheel verbeeld. Dit betekent dat ten aanzien van deze noordoostelijke hoekbastion in strijd gehandeld is met artikel 2.7 van de Wabo door het bouwplan in zoverre te splitsen en in twee afzonderlijke aanvragen neer te leggen en te vergunnen. Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat het project bestaat uit onderdelen die fysiek te onderscheiden zijn en om die reden niet als onlosmakelijke activiteiten aan te merken zijn. Artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo staat in zoverre niet in de weg aan het aanvragen van meer dan één omgevingsvergunning voor het project.

3.2.

De rechtbank overweegt voorts dat, volgens de opgave van verweerder, bij omgevingsvergunning OV20160279 de activiteiten bouwen en strijdig planologisch gebruik zijn vergund voor een totaaloppervlakte van 48,67 m², waarvan 5 m² een gedeelte van het noordoostelijke hoekbastion betreft. Naar ter zitting is besproken, heeft dit bastion, dat voor het overige in de andere hier aan de orde zijnde omgevingsvergunning is vergund op zichzelf beschouwd evenwel reeds een oppervlakte van meer dan 50 m².

3.3.

Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de activiteit strijdig planologisch gebruik (afwijking van het bestemmingsplan) ten onrechte heeft vergund met toepassing van artikel 4, aanhef en derde lid, van Bijlage II van het Bor nu het noordoostelijke hoekbastion als één geheel dient te worden beschouwd en dit een oppervlakte heeft groter dan 50 m², hetgeen in strijd is met de bij die bevoegdheid gegeven toepassingsvoorwaarden.

Dit betekent tevens dat, nu niet in geschil is dat het bestemmingsplan noch artikel 4, van bijlage II van het Bor voor het overige een afwijkingsbevoegdheid ter zake geeft, de aanvraag om omgevingsvergunning in afwijking van het bestemmingsplan slechts met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, ten derde, van de Wabo kan worden vergund. Verweerder heeft daarom bij de voorbereiding van het primaire besluit 1 ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure van de afdelingen 4.1.2 en 4.1.3 van de Awb toegepast. Gezien artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo, had verweerder de vergunningverlening, aangezien het mede betreft strijdig planologisch gebruik, behoren voor te bereiden met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.

4.1.

Het deel van het project dat vergund is met omgevingsvergunning OV20160280, is gesitueerd op grond met de bestemming “Groen”. De realisering van het project leidt volgens verweerder, zie het aanvullende verweerschrift van 15 juni 2017 in procedure LEE 17/747, tot invulling van het terrein met een openbare groenvoorziening met recreatief medegebruik. Het openbare groenperceel blijft als zodanig onverkort bruikbaar.

4.2.

Artikel 12.1 van het bestemmingsplan luidt, voor zover van belang, als volgt:

‘De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

(…)

g. het recreatief medegebruik;

(…)

met daaraan ondergeschikt:

k. wegen en straten;

l. tuinen;

m. parkeervoorzieningen;

n. speelvoorzieningen;

o. openbare nutsvoorzieningen;

p. een bergbezinkbassin;

q. aanleggelegenheid;

r. sloten;

s. incidentele evenementen;

met de daarbijbehorende:

t. verhardingen;

u. bouwwerken, geen gebouwen zijnde’.

4.3.

In gevallen als het onderhavige is het bouwplan bepalend om vast te stellen of aan de bestemmingsregels wordt voldaan. Naar het oordeel van de rechtbank kan het onderhavige bouwplan niet als recreatief medegebruik worden aangemerkt. Het feitelijke gebruik van het bouwwerk zal na de realisering van het plan vooral en in hoofdzaak recreatief zijn. Niet gezegd kan worden dat het bouwplan geduid kan worden als ‘groenvoorzieningen’. Dat het deel van het perceel dat buiten het voorziene bouwwerk is gelegen (nog) wel aan deze bestemming voldoet, doet hieraan niet af. Naar het oordeel van de rechtbank leidt het onderhavige bouwwerk ertoe dat aan de gronden in kwestie in feite een nieuwe bestemming wordt gegeven.

4.4.

De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat het plan niet strijdig is met de bestemming ‘Groen’ en dat het beoogde gebruik bij recht is toegestaan. Verweerder had de aanvraag die heeft geleid tot verlening van omgevingsvergunning OV20160280, dienen te beoordelen als een aanvraag voor zowel de activiteit bouwen als de activiteit strijdig planologisch gebruik.

Dit betekent tevens dat verweerder ook deze vergunningverlening had behoren voor te bereiden met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb en niet, zoals is gebeurd, met de reguliere voorbereidingsprocedure.

5. Het beroep van eisers 1 is gegrond wegens strijd met artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit 1. Tevens zal de rechtbank de primaire besluiten 1 en 2 herroepen omdat ten onrechte de reguliere voorbereidingsprocedure is toegepast. De procedure zal moeten worden vervolgd door de initiatiefnemer in de gelegenheid te stellen zijn aanvragen aan te passen zodat in ieder geval het noordoostelijke hoekbastion in één aanvraag is vervat en, indien verweerder voornemens is medewerking aan het bouwplan te verlenen, door het vervolgens ter inzage leggen van een ontwerpbesluit tot verlening van een omgevingsvergunning. In zijn nieuw te nemen besluit dient verweerder tevens onderzoek te laten doen door een daartoe gespecialiseerd bureau naar mogelijke fluitgeluiden die het bouwwerk veroorzaakt bij wind, alsmede of dit aanleiding is om nadere maatregelen te treffen.

6. Het beroep van eiser 2 richt zich uitsluitend tegen de voorwaarde verbonden aan het primaire besluit 1 over compensatie van ten minste drie parkeerplaatsen in nabijheid van Hanzekwartier. Gezien de uitkomst in de procedure LEE 17/747, waarin de primaire besluiten 1 en 2 zijn herroepen, dient ook het beroep van eiser 2 gegrond te worden verklaard wegens strijd met artikel 3.10, eerste lid, aanhef en onder a van de Wabo en dient het bestreden besluit 2 te worden vernietigd. De door eiser 2 genoemde parkeeraspecten, kunnen aan de orde komen in de alsnog toe te passen uniforme openbare voorbereidingsprocedure.

7. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers de door hen betaalde griffierechten vergoedt.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. De kosten voor eisers 1 stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1) en voor reiskosten op € 81,76. Voor eiser 2 stelt de rechtbank de kosten, zijnde reiskosten, vast op € 40,88. Het betreft de reiskosten per openbaar vervoer.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluit 1 en 2;

- herroept de primaire besluiten 1 en 2

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan eisers 1 te vergoeden;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168 aan eiser 2 te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers 1 tot een bedrag van € 1.082,76;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser 2 tot een bedrag van € 40,88.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzitter, en mr. T.F. Bruinenberg en

mr. V. van Dorst, leden, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.