Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3996

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-08-2018
Datum publicatie
11-10-2018
Zaaknummer
18/730122-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Volgt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/730122-18

ter berechting gevoegde parketnummers 18/720154-18 en 17/062371-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 16 augustus 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats],

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

9 augustus 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.K. Bulthuis, advocaat te Drachten.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 24 april 2018, in elk geval in of omstreeks het tijdvak

gevormd door 24 en 25 april 2018, te Heerenveen, (althans) in de gemeente Heerenveen, in elk geval in Nederland,

ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon,

(te weten [slachtoffer]), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

met dat opzet bovenop die [slachtoffer] is gaan zitten, nadat zij door hem op de

grond was geduwd, althans door zijn toedoen op de grond terecht was gekomen,

en haar hoofd aan haar haren heeft opgetild en vervolgens meermalen met

kracht haar hoofd op/tegen de grond heeft geslagen en/of vervolgens met

kracht een van haar armen, op geforceerde wijze, op/naar haar rug heeft

gedraaid, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 24 april 2018, in elk geval in het tijdvak gevormd door 24

en 25 april 2018, te Heerenveen, (althans) in de gemeente Heerenveen, in elk geval in Nederland, [slachtoffer] heeft mishandeld door bovenop die [slachtoffer] te gaan zitten, nadat zij door hem op de grond was

geduwd, althans door zijn toedoen op de grond terecht was gekomen, en haar

hoofd aan haar haren op te tillen en vervolgens meermalen met kracht haar

hoofd op/tegen de grond te slaan en/of vervolgens met kracht een van haar

armen, op geforceerde wijze, op/naar haar rug te draaien;

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 31 januari 2018,

in elk geval in de periode van 1 september 2017 tot en met 13 maart 2018, te Lemmer, (althans) in de gemeente De Fryske Marren, in elk geval in

Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer]

van het leven te beroven, met dat opzet meermalen met een bijl,

althans een scherp (hak)voorwerp, op het lichaam van die [slachtoffer] heeft

ingehakt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 31 januari

2018, in elk geval in de periode van 1 september 2017 tot en met 13 maart

2018, te Lemmer, (althans) in de gemeente De Fryske Marren, in elk geval in

Nederland, aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten diepe

vleeswonden waaraan zij blijvende littekens zal overhouden op haar schouder en

haar benen, heeft toegebracht door met dat opzet meermalen met een bijl,

althans een scherp (hak)voorwerp, op het lichaam van die [slachtoffer] in te

hakken of te slaan;

althans, indien terzake het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen,

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 31 januari

2018, in elk geval in de periode van 1 september 2017 tot en met 13 maart

2018, te Lemmer, (althans) in de gemeente De Fryske Marren, in elk geval in

Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer]

opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen

met een bijl, althans een scherp (hak)voorwerp, op het lichaam van die [slachtoffer]

heeft ingehakt/geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van hetgeen verdachte onder 1 primair ten laste is gelegd, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat dit feit wettig en overtuigend kan worden bewezen. De officier van justitie merkt hierbij de aangifte van [slachtoffer], de zich in het dossier bevindende medische verklaring van de huisarts en de verklaring van verdachte zoals afgelegd bij de politie en ter terechtzitting waarin hij de door aangeefster geschetste context -dat ze op de desbetreffende dag samen waren en ruzie hadden- bevestigt, aan als bewijsmiddelen.

De officier van justitie heeft geen reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster te twijfelen, ook niet kijkend naar een door haar verzonden e-mailbericht dat zou kunnen worden opgevat als een dreiging om de aangifte te overdrijven, nu dit e-mailbericht van aangeefster aan verdachte is verzonden enkele dagen na de aangifte.

Ook acht de officier van justitie de alternatieve verklaring van verdachte, dat aangeefster het letsel mogelijk heeft opgelopen nadat zij die dag boos bij verdachte was weggegaan, niet aannemelijk. Daarvoor past de medische verklaring te goed bij de aangifte.

Door aldus te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangeefster zodat de onder 1 primair ten laste gelegde poging zware mishandeling wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Ten aanzien van hetgeen verdachte onder 2 primair ten laste is gelegd, heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de handelingen van verdachte willens en wetens op de dood van het slachtoffer waren gericht. Evenmin kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer heeft gehad.

De onder 2 subsidiair ten laste gelegde zware mishandeling kan volgens de officier van justitie wettig en overtuigend worden bewezen op basis van de aangifte, de zich in het dossier bevindende foto's van het letsel van aangeefster, alsmede de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen van familie en vrienden en kennissen van aangeefster die rondom deze gebeurtenis contact met aangeefster hebben gehad.

Het bij aangeefster geconstateerde letsel is te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel, nu het om forse wonden gaat waarvan de littekens zichtbaar zullen blijven.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd, nu er zich onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier bevindt om tot een bewezenverklaring te komen. De raadsvrouw voert ten aanzien van feit 1 aan dat de verklaring van aangeefster onbetrouwbaar is nu uit de gespreksgeschiedenis van Facebook messenger blijkt dat het contact tussen verdachte en aangeefster op 24 april 2018, anders dan zij in de aangifte heeft verklaard, op initiatief van aangeefster is geweest. Bovendien heeft aangeefster via een e-mailbericht meegedeeld dat zij goed kan liegen en dit zal inzetten om ervoor te zorgen dat verdachte wat haar betreft wel vier jaar gedetineerd komt te zitten. Voorts voert de raadsvrouw aan dat het unieke causaal verband tussen het bij het slachtoffer geconstateerde letsel en de gestelde gebeurtenis ontbreekt. Gelet op de persoonlijke problematiek van aangeefster is het niet onaannemelijk dat het geconstateerde letsel veroorzaakt is door een zich na de ontmoeting tussen verdachte en aangeefster voorgedaan hebbende gebeurtenis, die daar beter bij zou passen.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde voert de raadsvrouw aan dat de getuigen alleen verklaren over wat aangeefster tegen hen heeft gezegd over de mishandeling. De enige bron van deze informatie is aangeefster zelf. Volgens de raadsvrouw zijn de getuigenverklaringen verder tegenstrijdig ten aanzien van de aard en omvang van het letsel en het moment waarop deze mishandeling zou hebben plaatsgevonden.

Er ligt geen medische verklaring omtrent mogelijk causaal verband tussen het door de politie ten tijde van de eerste aangiftedatum gefotografeerde letsel, terwijl de verdediging zich op het standpunt stelt dat dit letsel niet past bij een bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Voorts wordt aangevoerd dat aangeefster zich nimmer tot een dokter heeft gewend na het gestelde incident terwijl zij minimaal 5 klappen met een grote lange bijl gehad zou hebben, terwijl zij ook nadien niet aan medisch onderzoek heeft willen meewerken, hetgeen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaring van aangeefster.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank acht zowel hetgeen verdachte onder 1 primair en subsidiair, als hetgeen hem onder 2 primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste is gelegd niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal hiervan daarom worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde.

De rechtbank overweegt dat de verklaring van aangeefster op onderdelen bevestiging vindt in de verklaringen van verdachte, namelijk dat zij op de betreffende dag samen waren en ruzie hebben gehad. Het door aangeefster gestelde letsel zou bovendien passen bij hetgeen in de geneeskundige verklaring van de huisarts wordt geconstateerd.

Het ten laste gelegde toegepaste geweld wordt door verdachte uitdrukkelijk ontkend.

De rechtbank constateert dat de verklaring van aangeefster op andere voor de bestaande verhouding tussen aangeefster en verdachte van belang zijnde onderdelen strijdig is met andere bewijsmiddelen, zoals de gewisselde berichten via diverse vormen van sociale media. Daaruit blijkt niet van een op verschillende manieren dwingende houding van verdachte naar aangeefster. De rechtbank acht ook het e-mailbericht van belang dat aangeefster op 30 april 2018 (hoewel enkele dagen na de aangifte) aan verdachte heeft verzonden van waaruit de rechtbank vraagtekens zet bij de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. Zij heeft hierin immers aan verdachte meegedeeld dat zij goed kan liegen, dat alles wat er gebeurd is erg was, maar zij er nog wel 100 schepjes bovenop gooit en dat als het aan haar ligt verdachte wel 4 jaar wegblijft. De rechtbank betrekt voorts de door verdachte gegeven alternatieve -niet door de bewijsmiddelen weerlegbare- verklaring voor het ontstaan van de letsels bij aangeefster, namelijk dat zij het letsel mogelijk heeft opgelopen nadat zij die dag boos en gefrustreerd bij verdachte was weggegaan en zij in die toestand –in verband met haar persoonlijke en verslavingsproblematiek- vaker letsel opliep als gevolg van valpartijen.

De rechtbank heeft vanwege het vooroverwogene niet de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat het onder 2 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en verdachte dient te worden vrijgesproken. De rechtbank acht daarvoor van belang dat de getuigen zeer verschillend verklaren over het moment waarop het incident zou hebben plaatsgevonden alsmede over het bij aangeefster waargenomen letsel. Ondanks de ernst van het gestelde incident, het meermalen slaan met een hakbijl, en het mogelijk daarbij ontstane letsel bevat het dossier geen geneeskundige verklaring over het letsel van aangeefster en heeft aangeefster geweigerd om mee te werken aan een nader uit te voeren geneeskundig onderzoek naar haar verwondingen.

Ander objectief bewijsmateriaal ontbreekt voorts, terwijl de rechtbank met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster verwijst naar wat zij daarover hiervoor bij feit 1 heeft opgemerkt.

Ad informandum gevoegde feiten (18/720154-18 en 17/062371-18)

Aangezien de rechtbank verdachte vrijspreekt van hetgeen hem ten laste is gelegd, komt de rechtbank niet toe aan de ad informandum gevoegde feiten.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 primair, 1 subsidiair, 2 primair,

2 subsidiair en 2 meer subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.B. Holsink, voorzitter, mr. E.P. van Sloten en

mr. M.S. van den Berg, rechters, bijgestaan door mr. L. van der Weide, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 augustus 2018.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.