Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3961

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
10-10-2018
Zaaknummer
158764
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank beëindigt het gezag van de draagmoeder. De rechtbank wijst het verzoek tot adoptie van de minderjarige door de wensouders toe en bepaalt dat de wensouders gezamenlijk met de uitoefening van het gezag worden belast vanaf de dag dat de beschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Aangezien de adoptie pas haar gevolgen heeft na de dag, waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan, heeft de rechtbank zich genoodzaakt gezien om de wensouders in de tussentijd tot voogden te benoemen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 266
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2019/5130
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaakgegevens : C/17/158764 / FA RK 17-1780

datum uitspraak: 2 mei 2018

beschikking meervoudige kamer tot beëindiging van het ouderlijk gezag

in de zaak van

Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Zwolle,

betreffende

[naam] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:

[naam] , hierna te noemen de draagmoeder,

wonende te [woonplaats] ,

[naam] , hierna te noemen de wensmoeder,

wonende te [woonplaats] ,

[naam] , hierna te noemen de wensvader,

wonende te [woonplaats] ,

en als informant:

[naam] , hierna te noemen de draagvader,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop

Op 20 december 2017 is bij deze rechtbank een verzoekschrift met bijlagen ingediend, waarin door de Raad is verzocht om het gezag van de draagmoeder te beëindigen en de wensouders tot voogd te benoemen.

Op 3 januari 2018 is bij deze rechtbank door mr. J.H. van der Tol een verweerschrift tot referte en tevens een verzoekschrift met bijlagen ingediend, waarin door de wensouders wordt verzocht om - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - bij beschikking:

de adoptie uit te spreken van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] door [naam wensmoeder] en [naam wensvader] ;

te verklaren dat de geslachtsnaam van [minderjarige] na adoptie ' [naam] ' zal blijven;

in het geval de rechtbank het verzoek onder I en II afwijst, te bepalen dat het gezag van de draagmoeder over [minderjarige] wordt beëindigd en dat [naam wensmoeder] en [naam wensvader] met de voogdij over [minderjarige] worden belast.


Op 20 maart 2018 heeft de rechtbank de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn:

- de draagmoeder en de draagvader,

- de wensouders,

- namens de Raad de heer [naam] .


De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de draagmoeder.

[minderjarige] wordt sinds haar geboorte feitelijk verzorgd en opgevoed door beide wensouders.

De verzoeken

De Raad heeft verzocht het gezag van de draagmoeder te beëindigen en te bepalen dat de voogdij over [minderjarige] door beide wensouders wordt uitgevoerd.

De Raad heeft zijn verzoek ter zitting toegelicht. Bij de wensouders leefde al langere tijd een sterke kinderwens, waarvan duidelijk is geworden dat deze niet middels een zwangerschap van de wensmoeder in vervulling kan gaan. Bij de wensmoeder is het MRKH-syndroom vastgesteld, waardoor zij is geboren zonder baarmoeder en daardoor geen zwangerschap kan voldragen. De draagmoeder is de zus van de wensvader. Zij heeft zich bereid verklaard om draagmoeder voor de wensouders te zijn. Alle betrokkenen hebben duidelijke afspraken en een plan gemaakt rondom de zwangerschap. De wensouders en de draagmoeder zijn begin januari 2017 het traject van hoogtechnologisch draagouderschap ingegaan. Hierna is [minderjarige] geboren. De draagmoeder en haar partner hebben de zorg voor [minderjarige] gelijk na de geboorte overgedragen aan de wensouders. De draagmoeder, die haar gezin als voltooid beschouwt, heeft nooit de intentie gehad om [minderjarige] op te voeden dan wel te verzorgen. Het is de uitdrukkelijke wens van de draagmoeder dat de wensouders belast worden met de voogdij over [minderjarige] en dat zij [minderjarige] adopteren. Voor het dragen van de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding door de draagmoeder binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn is geen sprake gelet op de intenties van alle betrokkenen en het feit dat [minderjarige] vanaf haar geboorte bij de wensouders verblijft. De Raad vindt het van groot belang dat [minderjarige] bij haar wensouders kan opgroeien en dat zij belast worden met de voogdij. Voorts heeft de Raad geen bezwaar tegen het nu reeds adopteren van [minderjarige] door de wensouders. De Raad is van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat zo spoedig mogelijk de juridische werkelijkheid in overeenstemming wordt gebracht met de feitelijke situatie.


De wensouders voeren aan dat [minderjarige] sinds haar geboorte bij hen wensouders verblijft. [minderjarige] wordt volledig door hen verzorgd en opgevoed. De wensouders willen zo spoedig mogelijk de feitelijke en biologische situatie met de juridische situatie overeen laten komen. De wensouders zijn van mening dat aan bijna alle vereisten voor adoptie wordt voldaan. Er wordt alleen nog niet voldaan aan het vereiste dat zij reeds een jaar voor [minderjarige] hebben gezorgd. In dat verband stellen de wensouders dat in hun situatie de uitzonderingsbepaling van artikel 1:228 lid 3 Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing is, zodat voornoemde termijn van een jaar niet geldt. De wensouders verzoeken uitdrukkelijk om hun rechtspositie te vergelijken met de adoptant waar artikel 1:228 lid 3 BW op doelt. De adoptant in voornoemd artikel heeft, anders dan de wensouders, geen biologische band met het te adopteren kind, maar hoeft op grond van die bepaling niet de verzorgingstermijn van een jaar af te wachten. De ouders zijn, gezien het hoogtechnologische traject, 100% genetisch de ouders van [minderjarige] . De wensouders verwijzen naar de uitspraak van rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 11 september 2013 (bekend onder ECLI:NL:RBNNE:2013:5503), waarbij de rechtbank dit verschil in rechtspositie niet verenigbaar achtte met het bepaalde in artikel 8 juncto artikel 14 EVRM. Indien het verzoek tot adoptie wordt afgewezen, verzoeken de wensouders subsidiair om te bepalen dat zij met de voogdij over [minderjarige] worden belast indien het gezag van de draagmoeder wordt beëindigd.


De draagmoeder heeft ter zitting ingestemd met zowel het verzoek van de Raad alsook de verzoeken van de wensouders.

De beoordeling

Ten aanzien van het gezag van de draagmoeder
De rechtbank overweegt, dat zij op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW het gezag van een ouder kan beëindigen, indien een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt de rechtbank dat de draagmoeder en de wensouders bewust de keuze hebben gemaakt voor draagmoederschap om de kinderwens van de wensouders te vervullen en dat zij zich uitgebreid hebben laten informeren over de medische, psychische en juridische aspecten en de consequenties hiervan. Ook na de geboorte van [minderjarige] is de draagmoeder bij haar besluit gebleven om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet op zich te nemen. [minderjarige] wordt vanaf haar geboorte verzorgd en opgevoed door de wensouders en zal hier verder opgroeien.

Naar het oordeel van de rechtbank is de bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] gelegen in het feit dat de draagmoeder, gegeven haar intenties met het draagouderschap, in ieder geval emotioneel niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van [minderjarige] aanvaardbaar te achten termijn.

De rechtbank is gezien het voorgaande van oordeel dat aan het criterium van artikel 1:266, eerste lid, onder a. BW is voldaan, en zal het verzoek tot beëindiging van het gezag van de draagmoeder toewijzen.


Ten aanzien van de adoptie
Op grond van artikel 1:227 lid 2 BW kan het verzoek tot adoptie door twee personen tezamen slechts worden gedaan, indien zij ten minste drie aaneengesloten jaren onmiddellijk voorafgaande aan de indiening van het verzoek met elkaar hebben samengeleefd. Uit het door de wensouders overgelegde uittreksel uit de Basisregistratie Personen valt af te leiden dat zij sinds 24 november 2010 op hetzelfde adres ingeschreven staan. Aan het vereiste van drie jaar samenleving als bedoeld in artikel 1:227 lid 2 BW wordt daarmee ruimschoots voldaan.

Het verzoek kan gelet op artikel 1:277 lid 3 BW alleen worden toegewezen indien de adoptie in het kennelijk belang van het kind is en op het tijdstip van het verzoek tot adoptie kennelijk vaststaat en voor de toekomst redelijkerwijs te voorzien is dat het kind niets meer van zijn ouder of ouders in de hoedanigheid van ouder te verwachten heeft. Voorts moet aan de voorwaarden genoemd in artikel 1:228 BW worden voldaan.

De rechtbank stelt voorts vast dat voor adoptie op grond van artikel 1:228 lid 1

sub f BW vereist is dat de adoptanten het kind gedurende een periode van ten minste een jaar hebben verzorgd en opgevoed. In deze zaak is niet voldaan aan deze termijn. [minderjarige] is nog maar zes maanden oud. De ouders stellen dat in hun situatie de uitzonderingsbepaling uit artikel 1:228 lid 3 BW van toepassing is zodat de genoemde termijn van ten minste een jaar niet geldt. Zij voeren daartoe aan dat het onduidelijk is waarom de wetgever niet voor een sekseneutrale formulering van artikel 1:228 lid 3 BW heeft gekozen. Zij stellen zich op het standpunt dat de gekozen formulering in strijd komt met het verbod op discriminatie als bedoeld in artikel 8 jo artikel 14 EVRM. De rechtbank is van oordeel dat de uitzonderingsbepaling van artikel 1:228, derde lid, BW niet van toepassing is, nu hier een andere situatie wordt geregeld, namelijk die waarin het kind wordt geboren in een relatie tussen de moeder en haar partner. [minderjarige] is niet geboren binnen de relatie van de wensvader en de wensmoeder, omdat sprake is van draagmoederschap.

In de onderhavige zaak is naar oordeel van de rechtbank echter sprake van een bijzondere situatie waarbij de genoemde termijn van een jaar geen redelijk doel dient. De rechtbank overweegt dat de vereiste termijn van een jaar bedoeld is om de bestendigheid van de verzorging en opvoeding te toetsen. [minderjarige] is biologisch gezien het kind van de wensouders en zij zijn reeds gedurende de zwangerschap intensief betrokken geweest bij [minderjarige] . De wensouders hebben [minderjarige] vanaf haar geboorte verzorgd en opgevoed en aannemelijk wordt geacht dat zij [minderjarige] zullen blijven verzorgen en opvoeden. Van meet af aan was duidelijk dat de draagmoeder geen verzorgende of opvoedende rol in het leven van [minderjarige] wilde spelen. Bovendien is het steeds de intentie geweest van de draagmoeder dat de wensouders [minderjarige] zouden adopteren. Op grond van voorgaande acht de rechtbank de wettelijke termijn van verzorging en opvoeding van ten minste een jaar als bedoeld in artikel 1:228 lid 1 sub f BW in deze specifieke situatie niet verenigbaar met het bepaalde in artikel 8 juncto artikel 14 EVRM. De rechtbank zal daarom deze termijn buiten beschouwing laten.

De rechtbank acht de verzochte adoptie van de wensouders in het kennelijk belang van [minderjarige] , omdat zij vanaf haar geboorte door de wensouders wordt verzorgd en opgevoed en bij hen zal opgroeien. De draagmoeder heeft met dat gegeven én met het onderhavige verzoek ingestemd en in de hoedanigheid van ouder (anders dan als tante) heeft [minderjarige] dan ook niets meer van haar te verwachten. Nu vast staat dat ook aan de overige vereisten voor adoptie zoals vermeld in de artikelen 1:227 en 1:228 BW is voldaan, zal het verzoek tot adoptie door de wensouders worden toegewezen.

De rechtbank zal voorts de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente [woonplaats] verzoeken om van de adoptie, nadat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, een latere vermelding toe te voegen aan de onder hem berustende geboorteakte van [minderjarige] .

Ten aanzien van de geslachtsnaam
De rechtbank overweegt ten aanzien van de geslachtsnaam als volgt. De wensouders hebben verzocht om te verklaren dat de geslachtsnaam van [minderjarige] na adoptie [naam] zal blijven. Ingevolge artikel 1:5 lid 3 BW staat vast dat, indien een kind door adoptie in familierechtelijke betrekking komt te staan tot beide adoptanten van verschillend geslacht, die niet met elkaar gehuwd zijn, het kind de geslachtsnaam houdt die het heeft, tenzij de adoptanten ter gelegenheid van de adoptie gezamenlijk verklaren dat het een van hun beider geslachtsnamen zal hebben. Dit betekent dat uit de wet voortvloeit dat de geslachtsnaam [naam] blijft.

Ten aan zijn van (tijdelijke) voogdij

Aangezien de beëindiging van het gezag van de draagmoeder ertoe zal leiden dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken en de adoptie pas haar gevolgen heeft vanaf de dag, waarop de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan (artikel 1:230, eerste lid, BW), dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW voor die tussenliggende periode een voogd over [minderjarige] te benoemen. De rechtbank acht het in het belang van [minderjarige] dat de wensouders als voogd dienen te worden benoemd voor deze periode. Vanaf het moment dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan en de adoptie haar gevolgen heeft, oefenen de wensouders vervolgens het gezag over [minderjarige] uit.

De beslissing

De rechtbank:

beëindigt het gezag van [naam draagmoeder] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] over [minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

benoemt tot voogd over genoemde minderjarige tot het moment dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan [naam wensmoeder] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en [naam wensvader] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

spreekt uit de adoptie van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , door [naam wensmoeder] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] en [naam wensvader] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ;

bepaalt dat [naam wensmoeder] en [naam wensvader] gezamenlijk met de uitoefening van het gezag over genoemde minderjarige zullen zijn belast vanaf de dag dat deze beschikking in kracht van gewijsde is gegaan;

verstaat dat de geslachtsnaam van genoemde minderjarige [naam] zal blijven;

draagt de griffier op niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Heerenveen.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Teertstra, voorzitter, en mrs. C.W. Couperus-van Kooten en S.T. Kooistra, allen tevens kinderrechters, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 2 mei 2018, in tegenwoordigheid van de griffier S.W. Tijms.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden