Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:395

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2018
Datum publicatie
07-02-2018
Zaaknummer
671753-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Noordelijke Fraudekamer. Onderzoek Zebra. Verdachte is de partner van één van de andere verdachten, een voormalig directeur van "verzamelnaam bedrijven". Zij heeft in 2012 een deel van het geld dat haar partner had verkregen uit de verkoop van zijn aandelen in "NAAM BEDRIJF" – en daarmee uit oplichting – op haar bankrekening gestort gekregen. Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat zij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geld uit misdrijf afkomstig is en kan dus niet worden bewezen dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Volgt vrijspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/671753-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 6 februari 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 15 april 2016, 4 december 2017, 13 december 2017 en 14 december 2017.

Verdachte is niet verschenen op de zitting van 15 april 2016; wel is toen verschenen

mr. E.M. Bakx, advocaat te Heerenveen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd. Verdachte is op de overig genoemde zittingen verschenen, bijgestaan door mr. Bakx voornoemd.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.L. Edens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 10 juli 2012 tot en met heden,

in Meppel, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer natuurlijke perso(o)n(en) en/of rechtsperso(o)n(en), althans alleen, (van) een of meer geldbedrag(en), althans enig voorwerp,

(Sub A)

- de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat/die voorwerp(en) was/waren, en/of wie bovenomschreven voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad;

en/of

(Sub B)

- verworven en/of voorhanden gehad en/of overdragen en/of omgezet en/of van voornoemd(e) voorwerp(en) gebruik gemaakt,

door toen en daar opzettelijk, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, op 10 juli 2012 een geldbedrag van EUR 370.000,00 afkomstig van rekeningnummer [rekeningnummer 1] ten name van [bedrijf 1] , op haar bankrekening met het bankrekeningnummer [rekeningnummer 2] t.n.v. [verdachte] , te ontvangen,

terwijl zij, verdachte, en/of een of meer van haar medeverdacht(en), wist(en) - althans redelijkerwijze moesten vermoeden - dat dit/deze geldbedrag(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig(e) misdrij(f)(ven).

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde tot een werkstraf voor de duur van 60 uur.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Op 10 juli 2012 is een bedrag van € 370.000,-- overgeschreven van de bankrekening van [bedrijf 1] (hierna [bedrijf 1] ) naar een bankrekening met nummer [rekeningnummer 2] ten name van [verdachte] , met als omschrijving: “Naar spaarrekening [bank] [verdachte] ”1. Voorafgaand aan deze overschrijving is op dezelfde dag een bedrag van € 750.000,-- op de rekening van [bedrijf 1] bijgeschreven. Dit bedrag is blijkens het bankafschrift van de rekening van [bedrijf 1]2 afkomstig van [bedrijf 2] . Uit de stukken3 blijkt dat het gaat om de laatste betaling voor de aandelen die [bedrijf 1] hield in de vennootschap [naam vennootschap] en haar dochters.

In haar vonnissen van heden in de strafzaken tegen [betrokkene] en [bedrijf 1] heeft de rechtbank geoordeeld dat het geldbedrag van € 370.000,-- middellijk van misdrijf afkomstig is, kort gezegd omdat dit bedrag weliswaar niet onmiddellijk de vrucht is van de oplichting van [bedrijf 3] waaraan [betrokkene] en [bedrijf 1] hebben deelgenomen, maar wel rechtstreeks kan worden herleid tot de (waarde van) de aandelen die [bedrijf 1] in [naam vennootschap] hield, welke waarde op zijn beurt weer te herleiden is tot het feit dat [bedrijf 3] door die oplichting bewogen is om aanzienlijke investeringen in [naam vennootschap] te doen.

[verdachte] heeft tegenover de FIOD en ter terechtzitting ontkend dat zij wist of reden had om te vermoeden dat dit geld middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig was. De rechtbank ziet geen reden om aan die verklaring te twijfelen. Niet in geding is dat [verdachte] bij de oplichting van [bedrijf 3] geen enkele rol heeft gespeeld en uit de stukken kan ook niet worden afgeleid dat zij van de betrokkenheid van [betrokkene] – haar partner – op de hoogte was. Ook in de hoogte van het geldbedrag hoefde zij geen reden te zien om aan de herkomst daarvan te twijfelen. De rechtbank acht daarbij van belang dat [verdachte] op het moment van overboeking nog maar relatief kort een relatie met [betrokkene] had en dus niet exact van diens financiële situatie op de hoogte was. Wat zij wel wist is dat hij directeur was bij [bedrijf 3] en daar een goed salaris genoot, en dat hij via [bedrijf 1] een goede opbrengst had verkregen voor een aandelenpakket. De rechtbank houdt er verder rekening mee dat [betrokkene] aan [verdachte] had verteld dat het geld bestemd was voor een bouwdepot voor het huis dat hij liet bouwen, maar dat het niet lukte om het naar de oorspronkelijk beoogde bankrekening over te maken en dat hij het geld om die reden graag naar haar rekening, die zij verder toch niet gebruikte, wilde laten overboeken. Ook in het feit dat het geldbedrag naar haar rekening werd overgeboekt, terwijl het ging om geld dat [betrokkene] had verdiend, hoefde daarom geen reden voor [verdachte] te zijn om aan de herkomst van het bedrag te twijfelen.

Verdachte heeft zich dan ook naar het oordeel van de rechtbank niet schuldig gemaakt aan opzet- of schuldwitwassen, en wordt daarvan vrijgesproken.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. van Bruggen, voorzitter, mr. C.M.M. Oostdam en

mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door mr. P.T.M. van der Lelie, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2018.

Mr. Oostdam en de griffier zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 D-176

2 D-176

3 zie bijvoorbeeld D-118 en D-422