Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3948

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
15-10-2018
Zaaknummer
LEE 17-2065
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Inhoudsindicatie

PW. Verlaging uitkering door toepassing van de kostendelersnorm. De betaalde huurprijs is niet aan te merken als een commerciële huurprijs. Het daarnaar door verweerder verrichte onderzoek is zorgvuldig geweest. Het toepassen van de kostendelersnorm is niet in strijd met de in de Beleidsregels neergelegde hardheidsclausule en met artikel 18, eerste lid, van de Pw. Geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel. Verweerder heeft op basis van de Pw terecht toepassing gegeven aan de kostendelersnorm. Toepassing van de kostendelersnorm is niet in strijd met artikel 1 van het EP en artikel 26 van het IVBPR. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is met vijftien maanden overschreden. Er bestaat recht op vergoeding van geleden immateriële schade. Beroep gegrond, voor zover dit betrekking heeft op het verzoek tot vergoeding van immateriële schade. Voor het overige is het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2018/265
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/2065

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 oktober 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.A. Verbeek),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerwolde, verweerder

(gemachtigde: J. [achternaam partner] ).

de Staat der Nederlanden, Ministerie van Justitie en Veiligheid (Staat)

Procesverloop

Bij besluit van 30 juni 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 juli 2015 met toepassing van de kostendelersnorm verlaagd naar 50% van de gehuwdennorm.

Bij besluit op bezwaar van 11 januari 2016 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Dit besluit is door deze rechtbank bij uitspraak van 23 augustus 2016 (zaaknummer LEE 16/916) vernietigd.

Bij besluit op bezwaar van 25 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 april 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Ook is verschenen A.H. [achternaam partner] , zorgverlener. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

De enkelvoudige kamer heeft, na heropening van het onderzoek, de zaak voor verdere behandeling verwezen naar een meervoudige kamer van deze rechtbank.

Naar aanleiding van het verzoek van eiseres om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de rechtbank de Staat als partij aangemerkt.

Het onderzoek ter zitting van de meervoudige kamer heeft, gevoegd met de zaak LEE 17/2064 PW, plaatsgevonden op 2 augustus 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is, met voorafgaande kennisgeving, niet verschenen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaak LEE 17/2064 PW wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

De rechtbank heeft de termijn voor het doen van een uitspraak met zes weken verlengd.

Overwegingen

1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Als gevolg van een auto-ongeluk in 1992 heeft eiseres ernstig hersenletsel opgelopen waardoor zij blijvend en volledig arbeidsongeschikt is. Zij is sindsdien aangewezen op voltijdse zorg. Eiseres bewoont al enige tijd met [naam partner] ( [achternaam partner] ) een woning aan de [straatnaam] te [woonplaats] . [achternaam partner] is eigenaar; eiseres huurt een deel van de woning. [achternaam partner] is tevens haar zorgverlener. Eiseres en [achternaam partner] hebben op 19 februari 2007 een kostgangersovereenkomst gesloten, ingaande op 19 februari 2007 en voor onbepaalde tijd. Daarin is overeengekomen dat eiseres maandelijks € 450,- kostgeld betaalt voor het gebruik van de woonruimte (inclusief gas, elektra en water met medegebruik van wasmachine, koelkast en telefoon) en voor bijkomende diensten bestaande uit maaltijdbereiding, wassen van kleding en beddengoed en het zorgdragen voor de schoonmaakwerkzaamheden van de ruimten in de woning waarvan eiseres gebruik maakt. De huurprijs kan jaarlijks worden aangepast met inachtneming van het jaarprijsindexcijfer volgens het CBS.

1.2.

Eiseres ontvangt al een aantal jaren in aanvulling op een geringe Wajong-uitkering van ongeveer € 10,- per maand, een bijstandsuitkering op grond van de Pw naar de norm voor een alleenstaande met een gemeentelijke toeslag van 10%, (in totaal 60% van de gehuwdennorm).

1.3.

Bij het primaire besluit, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 11 januari 2016, heeft verweerder op de uitkering van eiseres de kostendelersnorm toegepast. Met ingang van 1 juli 2015 is haar uitkering verlaagd tot een bedrag van € 686,31, zijnde 50% van de norm voor gehuwden. Volgens verweerder kan eiseres haar woonkosten delen met haar medebewoner [achternaam partner] en is er geen sprake van een commerciële huurprijs. Verweerder heeft toepassing gegeven aan artikel 4 en 5 van de Beleidsregels commerciële huurprijs kostendelersnorm en verlaging bijstand uit commerciële verhuur (Beleidsregels). Hierin is bepaald dat een prijs voor kostgangerschap commercieel wordt geacht wanneer sprake is van een bedrag van ten minste 100/60 x de basishuur, vermeerderd met een forfaitair bedrag voor de maaltijden op basis van de Recofa-richtlijnen. Daarbij heeft verweerder een ondergrens voor het aannemen van een commerciële prijs vastgesteld op een (forfaitair) bedrag van € 672,72 per maand.

1.4.

Bij uitspraak van 23 augustus 2016 (LEE 16/916) heeft deze rechtbank het beroep van eiseres tegen de beslissing op bezwaar van 11 januari 2016 gegrond verklaard, het besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank heeft overwogen dat het in de Beleidsregels hanteren van een vaste ondergrens ter vaststelling of een huurprijs een commerciële prijs is, zoals verweerder heeft gedaan, zonder daarbij op enigerlei wijze te betrekken of de prijs voor wat geboden wordt gebruikelijk is in het commerciële verkeer, niet in overeenstemming is met de wet en de uit de memorie van toelichting blijkende bedoeling van de wetgever. Om tot een zorgvuldig onderzoek te komen had het op de weg van verweerder gelegen om meer onderzoek te verrichten naar de feitelijke situatie van eiseres met als doel te bepalen of wat geleverd wordt aan eiseres in redelijke verhouding staat tot de betaalde kostgangersprijs. Zo had verweerder een huisbezoek kunnen afleggen of onderzoek kunnen doen naar de algemene huursituatie in de gemeente Bellingwedde.

1.5.

Ter uitvoering van de uitspraak van 23 augustus 2016 heeft verweerder een onderzoek gedaan naar de huurprijzen in de regio en is er op 12 december 2016 een huisbezoek bij eiseres afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 januari 2017.

1.6.

Blijkens dit rapport is verweerder van oordeel dat van een commerciële huurprijs pas sprake is bij een huurprijs die hoger is dan € 684,90. Daarbij is de volgende berekening gehanteerd: 100/60 x basishuur, in het geval van eiseres is dit € 384,90 (1,66 x € 231,87). Dit bedrag is vervolgens op grond van de Recofa-richtlijnen verhoogd met € 300,- voor de maaltijden (365 x € 9,75). Bij de verhouding tussen de geleverde prestaties en dat wat in het commercieel verkeer gebruikelijk is, is gekeken naar de oppervlakte van de ruimtes en of deze ruimtes voor alleengebruik of gedeeld gebruik zijn. Eiseres heeft het alleengebruik van haar slaapkamer met aansluitend een badkamer van samen ongeveer 25m². Daarnaast deelt eiseres de woonkamer van 32,5m², de keuken van 20m², de schuur en de tuin. Volgens de rapporteur is de commerciële huurprijs van deze regio bij kamerhuur in 2016 € 300,- voor 12 à 14 m², inclusief gas, water en elektra. Dit verhoudt zich niet tot wat eiseres aan diensten ontvangt, zodat geen sprake kan zijn van een commerciële kostgangersrelatie, aldus verweerder.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder, overeenkomstig en onder verwijzing naar het rapport van 10 januari 2017, het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

3. Eiseres kan zich met het bestreden besluit niet verenigen. Op hetgeen zij in dat verband heeft aangevoerd, zal de rechtbank in het navolgende ingaan.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Met ingang van 1 januari 2015 is de Pw in de plaats gekomen van de Wet werk en bijstand (WWB) en is de zogeheten kostendelersnorm ingevoerd. In artikel 22a, eerste lid, van de Pw is neergelegd dat, indien de belanghebbende met een of meer meerderjarige personen in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft, de norm per kalendermaand voor de belanghebbende: ((40% + A × 30%) / A) × B. Hierbij staat A voor het totaal aantal meerderjarige personen dat in dezelfde woning zijn hoofdverblijf heeft en B voor de rekennorm, neergelegd in het tweede lid van artikel 22a, van de Pw. Voor eiseres is dit gehuwdennorm.

Artikel 22a van de Pw is dwingendrechtelijk van aard en biedt - behoudens de uitzonderingssituaties die zijn opgenomen in de Pw - geen ruimte voor afwijking dan wel het buiten toepassing laten van de kostendelersnorm. Eén van de uitzonderingen betreft de situatie van een kostgangersrelatie. Dit was tot 1 januari 2016 geregeld in artikel 22a, vierde lid, aanhef onder b, van de Pw en vanaf 1 januari 2016 in artikel 19a, eerste lid, aanhef en onder b, van de Pw. Tot de meerderjarige personen bedoeld in artikel 22a, eerste lid, van de Pw, wordt niet gerekend de persoon, niet zijnde een bloed- of aanverwant in de eerste of tweede graad van belanghebbende, die op basis van een schriftelijke overeenkomst met de belanghebbende, waarbij een commerciële prijs is overeengekomen, als verhuurder, huurder, onderverhuurder, onderhuurder, kostgever of kostganger in dezelfde woning als de belanghebbende zijn hoofdverblijf heeft.

4.2.

Met de in 1.3 genoemde Beleidsregels heeft verweerder nader ingevuld wanneer sprake is van een commerciële huurprijs. Op 1 november 2016 zijn de Beleidsregels waar het primaire besluit op is gebaseerd gewijzigd; het bestreden besluit is gebaseerd op deze gewijzigde Beleidsregels. Ingevolge artikel 4 van de Beleidsregels is in principe sprake van een commerciële prijs bij (onder-) (ver-)huur als de huurprijs minimaal de basishuur bedraagt. Als de huurprijs inclusief de water- en energielasten is, wordt onder een commerciële prijs verstaan een bedrag van ten minste 100/60 x de basishuur. Bij bepaling van de commerciële prijs dient de verhouding tot zowel de geleverde prestaties als hetgeen in het commerciële verkeer gebruikelijk is, in de beoordeling meegenomen te worden.

Ingevolge artikel 5 van de Beleidsregels is sprake van een commerciële huurprijs bij kostgangerschap als er een prijs is overeengekomen als bedoeld in artikel 4, vermeerderd met een bedrag voor de maaltijden. Dat is het forfaitaire bedrag voor maaltijden per dag dat in de Recofa-richtlijnen is opgenomen, omgerekend naar een bedrag per maand (365 x forfaitaire bedrag / 12). Bij levering van andere diensten door de kostgever dan enkel maaltijden, dient bij bepaling van de commerciële prijs uitgegaan te worden van de voor die diensten geldende Nibud prijzen. Bij bepaling van de commerciële prijs dient de verhouding tot zowel de geleverde prestaties als hetgeen in het commerciële verkeer gebruikelijk is, in de beoordeling meegenomen te worden.

4.3.

Volgens eiseres is de kostendelersnorm niet van toepassing op haar situatie omdat zij met [achternaam partner] een commerciële huurprijs heeft afgesproken. Het onderzoek dat verweerder daarnaar heeft gedaan vindt eiseres niet zorgvuldig, waarbij komt dat verweerder volgens eiseres ook in het bestreden besluit weer een vaste ondergrens heeft gehanteerd.

4.4.

Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat hij zorgvuldig en in overeenstemming met de uitspraak van de rechtbank van 23 augustus 2016 heeft onderzocht of de door eiseres betaalde huurprijs commercieel is. Er is bij makelaars geïnformeerd, er is gekeken welke ruimtes eiseres in gebruik heeft en welke diensten de verhuurder aan haar levert.

4.5.

De rechtbank stelt vast dat blijkens het rapport van 10 januari 2017 dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, verweerder allereerst op grond van de in de Beleidsregels neergelegde basisnorm heeft gekeken of sprake is van een commerciële huurprijs. Een huurprijs inclusief het gebruik van water, gas en licht, is volgens de Beleidsregels commercieel als deze 100/60 keer de in de Wet op de Huurtoeslag neergelegde basishuur bedraagt, te weten € 384,90. Na deze berekening op grond van vaste normen, heeft verweerder gekeken naar de verhouding van de geleverde prestaties tot wat in het commercieel verkeer gebruikelijk is. Hierbij is betrokken welke ruimtes eiseres gebruikt en welke diensten door [achternaam partner] worden geleverd. De rechtbank acht het verrichte onderzoek door verweerder zorgvuldig en is van oordeel dat hierbij voldoende is gekeken naar de verhouding van de tussen eiseres en [achternaam partner] afgesproken huurprijs tot zowel de geleverde prestaties als hetgeen in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Verweerder heeft daarbij in kaart gebracht welke ruimtes in de woning van [achternaam partner] door eiseres worden benut, waar haar woonruimte in het huis is gesitueerd en heeft bij makelaars geïnformeerd naar de in regio geldende huurprijzen. De rechtbank gaat eraan voorbij dat van dit laatste geen schriftelijk stuk in het dossier zit omdat, gelet op het door eiseres gebruikte deel van de woning, het uitgangspunt van verweerder om voor de huurprijs inclusief het gebruik van water, gas en licht uit te gaan van een huurprijs van € 384,90,- per maand, reëel wordt geacht. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat deze niet veel afwijkt van de door eiseres zelf berekende huurprijs. In haar gronden van beroep van 6 juli 2017 heeft eiseres immers berekend dat een commerciële ‘kale’ huur, dus zonder gebruik van water, gas en licht, in redelijkheid tussen de € 262,50 en € 355,20 zou uitkomen. Het standpunt van eiseres dat er voor het gebruik van gas, water en licht, € 35,30 per maand, zijnde een vijfde deel van de totale kosten over 2016 zouden moeten worden gerekend, is niet nader onderbouwd en acht de rechtbank ook niet reëel gelet op de door haar benutte ruimtes.

4.6.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is of, uitgaande van een commerciële huurprijs voor het wonen van € 384,90, een totaalprijs van € 465,- voor het wonen inclusief de geleverde diensten, een commerciële prijs is. Verweerder heeft, conform de Beleidsregels, voor de door [achternaam partner] bereide maaltijden een bedrag van € 300,- gerekend, dit aan de hand van de Recofa-richtlijnen. Aan eiseres moet worden toegegeven dat in die richtlijnen dus wordt uitgegaan van een vast bedrag per maand, hetgeen door de rechtbank in haar uitspraak van 23 augustus 2016 onjuist is bevonden. De rechtbank gaat ook hieraan voorbij omdat verweerder in het verweerschrift inzichtelijk heeft gemaakt dat ook uitgaande van de Nibudnorm een minimumbedrag van € 185,- per maand per persoon aan voeding wordt gerekend, hetgeen nog zonder het klaarmaken van de maaltijden is. Het door eiseres genoemde bedrag van € 92,13 per maand voor boodschappen is niet met stukken onderbouwd en acht de rechtbank, gelet op de Nibudnorm, niet reëel. Verder heeft verweerder blijkens het rapport van 10 januari 2017 bij zijn overwegingen betrokken dat blijkens het (huur)contract [achternaam partner] zorgdraagt voor het wassen van kleding en beddengoed en voor het schoonmaken van de ruimtes in het huis die eiseres gebruikt. Weliswaar heeft eiseres hierover opgemerkt dat deze kosten inmiddels vanuit het persoonsgebonden budget worden vergoed, zodat deze niet tot de huurprijs kunnen worden gerekend, maar hiervan heeft eiseres geen bewijzen overgelegd, zoals de verstrekte zorgindicatie of een gewijzigd (huur)contract. De rechtbank kan hiermee dan ook geen rekening houden.

4.7.

Eiseres heeft aangevoerd dat het toepassen van de kostendelersnorm in strijd is met de in de Beleidsregels neergelegde hardheidsclausule en met de in artikel 18, eerste lid, van de Pw neergelegde verplichting de hoogte van de bijstand af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van betrokkenen. De rechtbank begrijpt eiseres aldus dat zij hiermee heeft willen betogen dat zij, omdat zij na toepassing van de kostendelersnorm over onvoldoende inkomsten beschikt om in het huis van haar zorgverlener te kunnen blijven wonen, zij gedwongen is zich te laten opnemen in een verpleeghuis. Met deze bijzondere omstandigheden dient verweerder volgens eiseres rekening te houden. De rechtbank overweegt hierover dat niet onderbouwd noch gebleken is dat eiseres met een uitkering ter hoogte van de helft van de gehuwdennorm over te weinig inkomen beschikt om in deze door haar gewenste woonvorm te kunnen blijven wonen. De rechtbank volgt eiseres hierin dus niet.

4.8.

De stelling van eiseres dat zij in 2007 al contact heeft gehad met verweerder over de kostgangersprijs en dat verweerder die toen heeft geaccepteerd, vat de rechtbank op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Een beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB; zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 27 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2241) alleen slagen als het tot beslissen bevoegde orgaan of de daartoe bevoegde functionaris een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en onvoorwaardelijke toezegging heeft gedaan, die bij de betrokkene gerechtvaardigde verwachtingen heeft gewekt. Hiervan is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Aan de omstandigheid dat verweerder de kostgangersprijs in 2007 heeft geaccepteerd, kan eiseres niet een rechtens te honoreren vertrouwen ontlenen dat in de toekomst daarin wordt volhard. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

4.9.

Hetgeen in 4.3 tot en met 4.8 is overwogen, brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder op basis van de Pw terecht de kostendelersnorm heeft toegepast. Hiermee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van de beroepsgrond van eiseres dat de toepassing van de kostendelersnorm in haar geval in strijd komt met hogere (in internationale verdragen neergelegde) regelgeving.

4.10.

Eiseres heeft in dit verband allereerst aangevoerd dat, omdat zij volledig en duurzaam ongeschikt is tot het verrichten van arbeid, de toepassing van de kostendelersnorm in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Eiseres voert hierbij tevens aan dat verweerder in het bestreden besluit niet is ingegaan op deze ook al in bezwaar aangevoerde grond. De rechtbank stelt in verband hiermee vast dat verweerder in het bestreden besluit evenwel summier, met verwijzing naar artikel 22a van de Pw, op deze grond is ingegaan. Aan het feit dat deze motivering op zichzelf niet deugdelijk is, gaat de rechtbank voorbij omdat ten eerste, de bezwaargrond van eiseres eveneens zeer summier was geformuleerd en ten tweede, de rechtbank het standpunt van verweerder dat geen strijd bestaat met artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM, deelt. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

4.11.

Op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM heeft iedere natuurlijke of rechtspersoon recht op ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen, behalve in het algemeen belang en onder de voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan dat de Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om het gebruik van eigendom te reguleren in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen of boeten te verzekeren.

4.12.

Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, de rechtbank verwijst naar de uitspraak van 30 januari 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:322), is bij toepassing van de kostendelersnorm weliswaar sprake van inmenging in het eigendomsrecht, maar deze inmenging is bij wet voorzien en er ligt een legitieme doelstelling in het algemeen belang aan ten grondslag. De vraag of sprake is van een voor een gerechtvaardigde inmenging in het eigendomsrecht vereist proportioneel middel, dan wel of toepassing van de kostendelersnorm tot een buitensporig zware last leidt, moet individueel worden beoordeeld. De rechtbank overweegt dat, hoewel de verlaging van bijstand financiële gevolgen heeft voor eiseres, niet kan worden gezegd dat voor eiseres sprake is van een onevenredige last. Dit volgt niet uit het feit dat eiseres volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en niet kan werken. Onder verwijzing naar 4.7 komt de rechtbank tot het oordeel dat eiseres niet met verifieerbare gegevens heeft onderbouwd dat zij door toepassing van de kostendelersnorm onevenredig zwaar wordt getroffen.

4.13.

Voor zover eiseres daarnaast heeft gesteld dat de toepassing van de kostendelersnorm in strijd komt met het in artikel 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) neergelegde gelijkheidsbeginsel omdat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, overweegt de rechtbank dat geen sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. De kostendelersnorm maakt geen onderscheid tussen belanghebbenden die wel of niet arbeidsongeschikt zijn en ook in effect is dit onderscheid er niet. Het gaat er bij het toepassen van de kostendelersnorm om dat bij de aanspraak op een bijstandsuitkering rekening wordt gehouden met de voordelen die voortvloeien uit het delen van een aantal lasten van het bewonen van een huis. Dit heeft niets van doen met het feit dat eiseres niet kan werken.

4.14.

Eiseres heeft voorts gesteld dat zij aanspraak maakt op schadevergoeding wegens het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

4.15.

De redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM start in een zaak als de onderhavige met de indiening van een bezwaarschrift. Voor het doen van uitspraak in eerste aanleg nadat bezwaar is gemaakt, wordt gelet op vaste rechtspraak een termijn van in beginsel maximaal twee jaar als een redelijke termijn beschouwd. Binnen die termijn van twee jaar wordt het bestuursorgaan een beslistermijn gegund van zes maanden en heeft de rechtbank aansluitend een termijn van anderhalf jaar om uitspraak te doen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 31 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3561). Gelet op vaste rechtspraak wordt verder een schadevergoeding toegekend van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan dat de redelijke termijn wordt overschreden door het bestuursorgaan en/of de bestuursrechter. Als het bestuursorgaan of de rechtbank deze termijnen heeft overschreden, is er echter geen aanleiding voor een immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn indien tussen het maken van bezwaar en het doen van uitspraak in eerste aanleg niet meer dan twee jaar ligt. Indien de termijn van twee jaar wordt overschreden, wordt alleen ter zake van die overschrijding een schadevergoeding toegekend en wordt die overschrijding toegerekend aan het orgaan dat te laat heeft beslist of uitspraak heeft gedaan.

4.16.

Voorts is daarbij van belang dat, zoals de CRvB eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in zijn uitspraak van 30 augustus 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3213), in een geval waarin een vernietiging van een beslissing op bezwaar leidt tot een hernieuwde behandeling van het bezwaar en - eventueel - een hernieuwde behandeling door de rechter, de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig aan het bestuursorgaan moet worden toegerekend. Indien echter in de loop van de hele procedure een of meer keren sprake is (geweest) van een langere behandelingsduur bij een rechterlijke instantie dan gerechtvaardigd, dan komt de periode waarmee die rechterlijke instantie de behandelingsduur heeft overschreden, niet voor rekening van het bestuursorgaan maar van de Staat.

4.17.

Met inachtneming van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat vanaf de ontvangst van het bezwaar door verweerder op 30 juli 2015 tot de datum van deze uitspraak drie jaar en afgerond drie maanden zijn verstreken. Noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van eiseres zijn aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Dat betekent dat de redelijke termijn met vijftien maanden is overschreden en dat eiseres daarom recht heeft op een schadevergoeding van € 1.500,-. Omdat de rechtbank de procedure beide keren binnen anderhalf jaar heeft behandeld, komt deze overschrijding geheel voor rekening van verweerder. De rechtbank zal verweerder veroordelen tot betaling van een bedrag aan eiseres van € 1.500,- als vergoeding van de door haar geleden immateriële schade. Dit bedrag is volgens vaste rechtspraak van de CRvB gebaseerd op een forfaitair tarief van

€ 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.

5. Aanleiding bestaat om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiseres, voor zover dit het verzoek om vergoeding van immateriële schade betreft. Deze kosten worden begroot op € 375,75, zijnde anderhalf punt (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en een 0,5 punt voor het verschijnen ter zitting omdat het beroep met zaaknummer

LEE 17/2064 gevoegd op zitting is behandeld) met een wegingsfactor 0,5. Tevens dient verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond, voor zover dit betrekking heeft op het verzoek van eiseres tot vergoeding van immateriële schade;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder tot betaling aan eiseres van een vergoeding tot immateriële schade

tot een bedrag van € 1.500,-;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 375,75;

- bepaalt dat verweerder aan eiseres het in beroep betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. K. Wentholt, voorzitter, mr. L. Willems-Keekstra en

mr. R.B. Maring, leden, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.