Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3850

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-09-2018
Datum publicatie
05-10-2018
Zaaknummer
155775
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Door derde af te leggen verklaringen na executoriaal derdenbeslag onjuist.

Het verbeteren van de verklaring op grond van artikel 477a Rechtsvordering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaaknummer / rolnummer: C/17/155775 / HA ZA 17-151

Vonnis van 12 september 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. R.J.M. van Dalen te Eindhoven,

tegen

1 [gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AIRTON HOLDING B.V.,

gevestigd te Lemmer ,

gedaagden,

advocaat mr. R.G.M. van der Pas te Ulvenhout.

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde] , Airton Holding en gedaagden zullen gezamenlijk [gedaagde] c.s. genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    de conclusie van antwoord

  • -

    de conclusie van repliek

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij vonnis van 4 april 2007 heeft de voormalige rechtbank ’s-Hertogenbosch -kort gezegd- voor recht verklaard dat Airton B.V., verder te noemen Airton, aansprakelijk is voor de schade nader op te maken bij staat die [eiser] heeft geleden als gevolg van het niet nakomen van de toezegging tot levering van stock appreciation rights in een zodanige omvang dat [eiser] daardoor in dezelfde financiële situatie zou worden gebracht als ware hij eigenaar van de betreffende aandelen. Dit vonnis is bij arrest van 19 oktober 2010 door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch bekrachtigd. Op 15 februari 2012 heeft [eiser] vervolgens een schadestaatprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch. Bij vonnis van 11 april 2012 heeft voornoemde rechtbank Airton bij verstek veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 529.791,66 aan [eiser] , tegen welk vonnis Airton verzet heeft ingesteld. Bij vonnis van 5 juni 2013 heeft (na de invoering van de Wet Herziening Gerechtelijke Kaart) de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch, Airton veroordeeld tot onder andere betaling van een bedrag van € 161.229,70 aan [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 25 juli 2005.

2.2.

In een in april 2010 opgemaakte akte van cessie zijn Airton als verkoper en Airton Holding als koper onder andere het volgende overeengekomen:

1. Verkoper verklaart per 1 januari 2009 te hebben verkocht en hierbij in eigendom over te dragen aan koper (…) de vordering die verkoper uit hoofde van een rekening-courantverhouding heeft op (…) [gedaagde] (…) ten bedrage van € 385.308,00 (…).

2. De vordering is verkocht en is overgedragen tegen haar nominale waarde. De koopsom wordt voldaan doordat verkoper voor het gehele bedrag van de vordering wordt gecrediteerd op de voor haar in de boeken van koper aangehouden rekening-courant, zodat verkoper daarvoor bij deze aan koper kwijting verleent.

2.3.

[eiser] heeft ter incassering van zijn vordering op Airton op 29 januari 2015 onder [gedaagde] c.s. executoriaal derdenbeslag laten leggen voor een bedrag van € 214.220,21. De beslagexploten zijn uitgebracht uit kracht van voornoemd vonnis van 5 juni 2013 van de rechtbank Oost-Brabant.

2.4.

Op 19 februari en 9 april 2015 hebben [gedaagde] en Airton Holding, elk voor zich, jegens de deurwaarder een schriftelijke verklaring afgelegd. In beide verklaringen staat onder andere het volgende:

(…) dat er tussen ondergetekende en de schuldenaar (lees: Airton, toevoeging van de rechtbank) geen enkele rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, uit hoofde waarvan de schuldenaar op het tijdstip van het beslag nog iets van de ondergetekende had te vorderen, nu te vorderen heeft of nog te vorderen kan krijgen.

2.5.

Bij vonnis van 8 juni 2016 is door de rechtbank Noord Nederland, locatie Leeuwarden, onder meer overwogen en beslist dat de verrekening die tussen Airton en Airton Holding heeft plaatsgevonden met betrekking tot de betaling van de koopprijs uit hoofde van de in r.o. 2.2. genoemde cessie rechtsgeldig door [eiser] is vernietigd en dat Airton hierdoor nog steeds een vordering op Airton Holding heeft van € 220.000, zodat de door Airton Holding afgelegde verklaring zoals hiervoor genoemd in r.o. 2.4. niet juist is. De rechtbank heeft vervolgens overwogen en beslist dat het onder Airton Holding gelegde derdenbeslag doel heeft getroffen en dat hetgeen Airton Holding aan Airton verschuldigd is het bedrag van € 214.220,21 waarvoor executoriaal beslag is gelegd overtreft, zodat Airton Holding veroordeeld zal worden tot betaling van € 214.220,21 aan [eiser] .

2.6.

De rechtbank heeft voor zover van belang het volgende in het dictum van voornoemd vonnis opgenomen:

"(…)

5.3.

verbetert (op de voet van artikel 477a Rv) de door Airton Holding op grond van artikel

475 lid 2 Rv afgelegde verklaring aldus dat daarin wordt verklaard dat Airton Holding een

bedrag van € 220.000,00 aan Airton verschuldigd is,

5.4.

veroordeelt Airton Holding om van het onder 5.3 genoemde bedrag een gedeelte groot

€ 214.220,21 aan [eiser] te betalen (…)"

2.7.

[eiser] heeft op 17 februari 2017 zowel onder [gedaagde] als onder Airton Holding

executoriaal derdenbeslag doen leggen. Onder [gedaagde] voor een bedrag van € 217.001,42, ten laste van Airton Holding, uit kracht van de grosse van het vonnis van 8 juni 2016 van rechtbank Noord Nederland en onder Airton Holding voor een bedrag van € 224.776,06 ten laste van Airton, uit kracht van de grosse van het vonnis van 5 juni 2013 van rechtbank Oost-Brabant.

2.8.

De deurwaarder heeft de door [gedaagde] c.s. af te leggen derdenverklaringen niet tijdig ontvangen. Uiteindelijk zijn de verklaringen door [gedaagde] , mede in zijn hoedanigheid van directeur en enig aandeelhouder van Airton Holding op 1 mei 2017 aan de deurwaarder verstrekt.

2.9.

[gedaagde] heeft namens zichzelf -kort gezegd- verklaard dat er een rechtsverhouding tussen hem en Airton Holding bestaat of heeft bestaan en dat deze rechtsverhouding bestaat uit een schuld omschreven in de akte van cessie. [gedaagde] heeft een kopie van een akte van cessie van 2 februari 2012 aan de verklaring gehecht. [gedaagde] heeft niet vermeld welk bedrag hij verschuldigd is aan Airton Holding. In de akte van cessie van 2 februari 2012 staat voor zover van belang het volgende vermeld:

"Nemen in aanmerking

(…)

a. a) Airton heeft van de heer [gedaagde] , wonende te [woonplaats] aan de [adres] , bedragen te vorderen uit hoofde van een door Airton aan [gedaagde] verstrekte geldlening;

b) Airton wenst haar vordering op de heer [gedaagde] over te dragen aan Airton Holding onder handhaving van de afspraken die Airton met de heer [gedaagde] heeft gemaakt zoals hieronder vermeld.

(…)

Partijen zijn overeengekomen

Airton draagt hierbij over aan Airton Holding haar vordering op de heer [gedaagde] per de datum van ondertekening van deze akte. De hoogte van de vordering blijkt uit de boekhouding van Airton.

1. De tussen Airton en de heer [gedaagde] gemaakte afspraken bij het aangaan van de geldlening luiden als volgt:

(…)

4. Het maximale bedrag van de geldlening met bijgeschreven rente is € 450,000 (…).

5. De heer [gedaagde] is steeds tot aflossing bevoegd. Hij is eerst verplicht om de geldlening volledig af te lossen binnen 2 maanden na afwikkeling van de nalatenschap van zijn vader [X] .

(…)"

2.10.

[gedaagde] heeft namens Airton Holding verklaard dat er een rechtsverhouding tussen haar en Airton heeft bestaan en dat Airton op het tijdstip van het beslag nog iets van Airton Holding te vorderen had. [gedaagde] heeft vermeld dat het de "afwikkeling van vonnis rechtbank m.b.t. dividend-uitkering, zoals partijen bekend" betreft. [gedaagde] heeft niet namens Airton Holding vermeld welk bedrag Airton Holding aan Airton verschuldigd is.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat - om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. de door [gedaagde] namens zichzelf en namens Airton Holding afgelegde verklaringen te verbeteren, zodat duidelijk wordt welke bedragen [gedaagde] respectievelijk Airton Holding verschuldigd zijn aan Airton Holding respectievelijk Airton, een en ander zoals de rechtbank in goede jusititie vermeent te behoren, doch tenminste belopende € 220.000,--;

2. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van het door de rechtbank ingevolge het sub 1 gevorderde concreet vastgestelde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 17 februari 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

3. Airton Holding te veroordelen tot betaling aan [eiser] van het door de rechtbank ingevolge het sub 1 gevorderde concreet vastgestelde bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 17 februari 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

4. met veroordeling van [gedaagde] c.s. in de kosten van deze procedure.

3.2.

[gedaagde] c.s. voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt vast dat Airton Holding op 8 juni 2016 door de rechtbank is veroordeeld om van het door haar aan Airton verschuldigde bedrag van € 220.000,00 een gedeelte van € 214.220,21 aan [eiser] te betalen. Airton Holding is mitsdien op de voet van artikel 477a lid 1 Rv veroordeeld tot betaling van voornoemd bedrag aan [eiser] als ware zij zelf schuldenaar. [eiser] heeft echter geen executoriaal beslag gelegd onder Airton Holding zelf, maar heeft executoriaal derdenbeslag gelegd onder [gedaagde] voor hetgeen hij aan Airton Holding verschuldigd is en onder Airton Holding voor hetgeen zij aan Airton verschuldigd is.

4.2.

[gedaagde] c.s. heeft in het kader van zijn verweer aangevoerd dat de schuld van [gedaagde] aan Airton Holding niet voortvloeit uit de akte van cessie van april 2010, maar uit de voorheen bestaande rekening-courant verhouding tussen [gedaagde] en Airton. De schuld van [gedaagde] aan Airton Holding bedraagt volgens [gedaagde] c.s. € 330.000,00 en moet worden voldaan met inachtneming van de destijds tussen [gedaagde] en Airton gemaakte afspraak dat [gedaagde] de bevoegdheid, doch niet de verplichting heeft tot het verrichten van aflossingen op de rekening-courantschuld, anders dan de verplichting tot aflossing binnen 2 maanden na de datum van afwikkeling van de nalatenschap van de vader van [gedaagde] . Bij de beantwoording van de vraag welk bedrag Airton Holding verschuldigd is aan Airton dient volgens [gedaagde] c.s. te worden uitgegaan van het bedrag van € 220.000,00 zoals door de rechtbank op 8 juni 2016 in haar vonnis is beslist.

4.3.

[eiser] heeft vervolgens bij conclusie van repliek akte gevraagd van de erkenning van [gedaagde] c.s. dat de vordering van Airton Holding op [gedaagde] ten tijde van de conclusie van antwoord op 16 augustus 2017 € 330.000,00 bedraagt en van Airton op Airton Holding € 220.000,00. Voorts heeft [eiser] gesteld dat [gedaagde] c.s. in de conclusie van dupliek in de zaak waarover de rechtbank op 8 juni 2016 heeft beslist, heeft aangevoerd dat de cessie van de vordering in 2010 tot gevolg heeft gehad dat Airton per de datum van beslaglegging onder [gedaagde] op 29 januari 2015 niet langer enige vordering had op [gedaagde] . De rechtbank is met [eiser] van oordeel dat op grond hiervan geconcludeerd moet worden dat de vordering van Airton op [gedaagde] in 2012 niet meer tot het vermogen van Airton behoorde. Bij gebrek aan een nadere toelichting op dit punt van [gedaagde] c.s. dient dan ook te worden aangenomen dat de akte van 2 februari 2012 geen rechtsgevolgen heeft gehad. De rechtbank oordeelt voorts dat op geen enkele wijze gebleken is dat de vordering die Airton op [gedaagde] had een geldlening betrof die onder bepaalde voorwaarden tot stand is gekomen. In de akte van april 2010 staat immers (slechts) vermeld dat sprake is van een vordering uit hoofde van een rekening-courantverhouding. Zonder afdoende onderbouwing van de zijde van [gedaagde] c.s., die ontbreekt, dient dan ook te worden aangenomen dat de rekening-courantschuld die partijen destijds zijn aangegaan ingevolge het bepaalde in artikel 6:38 BW terstond opeisbaar is.

4.4.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van [eiser] grotendeels dient te worden toegewezen. De (te laat afgelegde) verklaringen door [gedaagde] c.s. zoals genoemd in r.o. 2.9. en 2.10. zijn niet juist, althans onvolledig. De vordering van [eiser] op Airton Holding dient wegens gebrek aan belang echter grotendeels te worden afgewezen, nu de rechtbank op 8 juni 2016 al op grond van artikel 477a Rv heeft geoordeeld dat Airton Holding € 214.220,21 aan [eiser] dient te betalen (als ware zij zelf schuldenaar). De gevorderde wettelijke rente hierover vanaf 17 februari 2017 is niet betwist en zal wel worden toegewezen.

De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] in rechte heeft verklaard dat hij een bedrag van € 330.000,00 aan Airton Holding verschuldigd is, maar dat deze vordering van Airton Holding op [gedaagde] niet opeisbaar is. Nu de rechtbank laatstgenoemd verweer heeft verworpen zal de rechtbank niet alleen de door [gedaagde] afgelegde verklaring verbeteren in de zin van artikel 477a Rv, maar zal zij [gedaagde] ook veroordelen om daarvan een bedrag van € 217.001,42, het bedrag waarvoor executoriaal derdenbeslag is gelegd, aan [eiser] te betalen als ware hij zelf schuldenaar. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal eveneens worden toegewezen.

Tot slot overweegt de rechtbank dat voor zover door één van gedaagde partijen het door [gedaagde] c.s. totaal aan [eiser] verschuldigde bedrag inclusief de wettelijke rente en kosten is betaald (uit hoofde van dit vonnis in samenhang met de twee vonnissen die hieraan vooraf zijn gegaan), de ander voor dat deel zal zijn bevrijd.

4.5.

[gedaagde] c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 104,65

- griffierecht 1.545,00

- salaris advocaat 4.804,00 (2 punten × tarief € 2.402,00)

Totaal € 6.453,65

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verbetert de door [gedaagde] op grond van artikel 475 lid 2 Rv afgelegde verklaring aldus dat daarin wordt verklaard dat [gedaagde] een bedrag van € 330.000,00 aan Airton Holding verschuldigd is,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om van het onder 5.1 genoemde bedrag een gedeelte groot van € 217.001,42 aan [eiser] te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van 17 februari 2017 tot aan de dag van algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt Airton Holding tot betaling van de wettelijke rente over het door haar aan [eiser] verschuldigde bedrag van € 214.220,21 met ingang van 17 februari 2017,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] c.s. in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden vastgesteld op € 6.453,65,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken op 12 september 2018.1

1 coll: 485