Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3842

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
02-10-2018
Zaaknummer
18/930077-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Mensensmokkel.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel, waarbij zij een persoon behulpzaam is geweest bij het zich wederrechtelijk toegang verschaffen tot Nederland. Er lijkt sprake te zijn geweest van een vriendendienst. Niet is gebleken van een georganiseerd verband en financiële motieven. Veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 197a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/930077-17

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 september 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

13 september 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 3 januari 2017 te Ter Apel, gemeente Vlagtwedde, althans in Nederland, een ander, te weten [naam], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie, in elk geval een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft, door voornoemde [naam] met haar, verdachtes, auto vanuit Duitsland naar het opvangcentrum in Ter Apel, althans naar een plek in Nederland, te vervoeren, terwijl zij, verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden

dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd, waarbij kan worden bewezen dat verdachte ernstige redenen moet hebben gehad te vermoeden dat de toegang van [naam] tot Nederland wederrechtelijk was.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd. [naam] heeft verdachte een Grieks id-bewijs toegezonden toen zij voor hem via internet een kaartje voor de FlixBus van Frankrijk naar Duitsland zou gaan kopen. Met een Grieks id-bewijs heb je vrije toegang tot alle Europese landen, zodat zij niet aan de rechtmatigheid van zijn verblijf in Europa behoefde te twijfelen. Verdachte heeft van zowel het Griekse id-bewijs als van het buskaartje een afbeelding in haar mobiele telefoon opgeslagen. Dat zij deze afbeeldingen niet direct bij haar verhoor aan verbalisanten heeft getoond, maakt niet dat aan de juistheid van haar verklaring moet worden getwijfeld. Haar verklaring, dat zij [naam] bij Ter Apel wilde afzetten op haar weg naar Ikea in Groningen, wordt verder bevestigd door de omstandigheid dat zij beide locaties in haar navigatiesysteem had ingevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 13 september 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb de persoon, genaamd [naam], die ik op 3 januari 2017 heb afgezet bij het AZC Ter Apel, die dag in mijn auto van Duitsland naar Nederland vervoerd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aanhouding d.d. 3 januari 2017, opgenomen op pagina 28 e.v. van het dossier van de Koninklijke Marechaussee,

District Noord-Oost, met nummer PL27NN/17-000640, d.d. 28 februari 2017, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Op dinsdag 3 januari 2017 te 11:40 uur bevonden wij ons te Ter Apelervenen te Ter Apel. Aldaar zagen wij een Citroën C4 Cactus voorzien van Duits kenteken stil staan voor de bussluis ter hoogte van de hoofdingang van het asielzoekerscentrum te Ter Apel. Wij zagen dat uit deze stilstaande auto een ons onbekend manspersoon uitstapte en vervolgens in de richting liep van het AZC Ter Apel. De bestuurster van genoemd voertuig deelde mee dat zij zojuist de onbekende manspersoon had meegenomen om hem vanuit Duitsland naar het Asielzoekers Centrum te Ter Apel te brengen. Bestuurster gaf ons op te zijn:

Voornaam : [verdachte]

Naam : [verdachte]

Geboren : [geboortedatum]-1976

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt aanvullende proces-verbaal van aanhouding d.d. 31 januari 2017, opgenomen op pagina 31 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

Vervolgens hebben wij de voor ons onbekende manspersoon gevraagd naar documenten om zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke status te kunnen aantonen. Hierop gaf de manspersoon ons aan niet in het bezit te zijn van enige documentatie.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 februari 2017, opgenomen op pagina 2 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisanten:

(p. 3) Getuige/gesmokkelde gaf op te zijn:

[naam],

Nationaliteit: Georgië.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 3 januari 2017, opgenomen op pagina 41 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [naam] (in vraag- en antwoordstijl):

V: Bent u in het bezit van een verblijfsvergunning voor Nederland of een andere lidstaat van de Europese Unie?

A: Nee

V: U bent aangetroffen bij een auto. Wie was de bestuurder van deze auto?

A: De mevrouw, [verdachte].

V: Waar zou de bestuurder van de auto u naar toe brengen?

A: Naar het asielzoekerscentrum.

V: Was uw bestemming bij vertrek al bekend?

A: Ja

V: Wat is de reden dat u naar Nederland komt?

A: Ik wil hier asiel aanvragen.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Het begrip “wederrechtelijk” in de delictsomschrijving van artikel 197a Wetboek van Strafrecht dient gelet op de wetsgeschiedenis te worden uitgelegd als “zonder enig subjectief recht of enige bevoegdheid”. De in artikel 197a Wetboek van Strafrecht bedoelde hulp moet zijn verleend aan iemand die tot de toegang, de doorreis of het verblijf aan geen rechtsregel - van nationale of internationale herkomst - enige titel kan ontlenen. De rechtbank verwijst in dit verband naar HR 15 januari 2008, ECLI:NL:HR2008:BA8499 en HR 9 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ3230. In welke gevallen een vreemdeling het recht heeft om in Nederland te verblijven, is bepaald in de Vreemdelingenwet (Vw). Artikel 8 Vw bepaalt dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft indien hij een verblijfstitel heeft dan wel in afwachting is van een beslissing op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning, oftewel van de uitkomst van een rechtsmiddel daartegen. Ten aanzien van de persoon die door verdachte is vervoerd is hiervan niet gebleken. Voor personen met de Georgische nationaliteit is voor toegang tot Nederland, naast een paspoort, een Schengenvisum vereist. [naam] heeft de Georgische nationaliteit, maar kon in Nederland dergelijke documenten niet tonen. Dit betekent dat zijn toegang tot Nederland wederrechtelijk is geweest.

De rechtbank leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen verder af dat verdachte ernstige redenen had te vermoeden dat de toegang tot Nederland wederrechtelijk was.

De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking. Verdachte kende [naam] sinds haar jeugd in Georgië. Voor hun komst naar Nederland heeft [naam] in Duitsland enige tijd bij haar in huis verbleven. Verdachte beschrijft hun relatie als vriendschappelijk. Verdachte wist dat hij op doorreis was naar Nederland en heeft hem meegenomen naar Nederland en hem naar het asielzoekerscentrum gebracht. Deze bestemming was bij vertrek al bekend.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat zij niet wist dat [naam] niet over de vereiste documenten beschikte en dat zij in de periode voorafgaand aan de komst van [naam] van Frankrijk naar Duitsland een Grieks identiteitsdocument van hem heeft gezien op een foto die haar door [naam] werd toegestuurd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte bij de politie hierover niets heeft gezegd.

Bij de politie heeft zij in eerste instantie verklaard dat verdachte toen hij bij haar verbleef te kennen heeft gegeven dat hij beschikte over Europese documenten voor zijn reis. Tijdens het tweede verhoor bij de politie is aan verdachte gevraagd wat [naam] haar had verteld over zijn reisdocumenten. Verdachte heeft daarop verklaard dat hij haar had gezegd dat hij Europese documenten bij zich zou hebben en dat zij in de periode dat hij bij haar verbleef nooit documenten van hem had gezien.

Dat verdachte vanwege stress bij de politie niet heeft gesproken over de foto van het document dat verdachte haar zou hebben toegestuurd toen hij in Frankrijk zat, acht de rechtbank niet aannemelijk. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het verdachte duidelijk moet zijn geweest dat het ging om een essentieel punt. Gelet op de gerichte vragen en de inhoud van haar antwoorden ligt het niet in de rede dat zij is vergeten ter sprake te brengen dat zij een document heeft gezien. De rechtbank gaat derhalve voorbij aan de verklaringen die verdachte hierover ter terechtzitting heeft afgelegd en gaat er vanuit dat zij geen documenten van [naam] heeft gezien.

De rechtbank overweegt voorts dat verdachte aanvankelijk, bij haar aanhouding bij de marechaussee, anders dan bij de rechtbank en later bij de marechaussee, heeft verklaard dat zij [naam] had opgepikt in Duitsland nabij een openbaar toilet en hem had herkend als een Georgiër. [naam] heeft in eerste instantie ook een verklaring van deze strekking afgelegd. De rechtbank leidt daaruit af dat verdachte en [naam] hun verklaringen kennelijk op elkaar hebben afgestemd en hebben afgesproken om - klaarblijkelijk in strijd met de waarheid - bij een eventuele controle aldus te verklaren. Verdachte heeft zulks ter terechtzitting ontkend, echter heeft niet kunnen aangeven hoe zij beiden, los van elkaar, een gelijkluidende verklaring in strijd met de waarheid hebben kunnen afleggen.

De rechtbank leidt uit het vorenstaande af dat verdachte op zijn minst ernstige redenen moet hebben gehad te vermoeden dat de toegang van [naam] tot Nederland wederrechtelijk was.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij op 3 januari 2017 te Ter Apel, gemeente Vlagtwedde, een ander, te weten [naam], behulpzaam is geweest bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland, door voornoemde [naam] met haar, verdachtes, auto vanuit Duitsland naar het opvangcentrum in Ter Apel vervoeren, terwijl zij, verdachte, ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang wederrechtelijk was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Het een ander behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van toegang tot Nederland terwijl hij ernstige redenen heeft te vermoeden dat die toegang wederrechtelijk is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mensensmokkel, waarbij zij een persoon behulpzaam is geweest bij het zich wederrechtelijk toegang verschaffen tot Nederland. Verdachte heeft daarmee het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland doorkruist.

De rechtbank is van oordeel dat een dergelijk feit in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat niet is gebleken van een georganiseerd verband en financiële motieven. Er lijkt sprake te zijn geweest van een vriendendienst. Verdachte heeft haar leven goed op orde en de rechtbank acht de kans op recidive gering. De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het haar betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 7 augustus 2018, (in Nederland) niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Nu er verder sedert het feit ruim een anderhalf jaar is verstreken, zal de rechtbank een gevangenisstraf in voorwaardelijk vorm opleggen, zoals gevorderd door de officier van justitie.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c en 197a van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. de Wit, voorzitter, mr. O.J. Bosker en mr. J.V. Nolta, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 september 2018.