Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3829

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-10-2018
Datum publicatie
01-10-2018
Zaaknummer
18/730105-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft verdachte veroordeeld voor poging doodslag en beschadiging van een tweetal auto’s. Verdachte heeft met een samoeraizwaard meermalen in de richting van het lichaam en het hoofd van het slachtoffer geslagen. Het slachtoffer heeft de slagen af kunnen weren maar liep daarbij wel ernstig lichamelijk letsel aan zijn hand en arm op en mist zijn linkerpink. Verdachte is door de rechtbank verminderd toerekeningsvatbaar verklaard en aan hem is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaren opgelegd met aftrek van voorarrest. De rechtbank heeft de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 7.077,35 toegewezen, zulks vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730105-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 oktober 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] ,

wonende [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 september 2018 welke is onderbroken en voortgezet op 17 september 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. F. Visser, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. A.J. Kemkers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer 1] met een zogenaamd samoeraizwaard, althans met een lang scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in/op zijn hoofd en/of in zijn lichaam heeft gestoken en/of gesneden en/of op zijn lichaam heeft ingeslagen en/of ingehakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een zogenaamd samoeraizwaard, althans met een lang scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in/op zijn hoofd en/of in zijn lichaam heeft gestoken en/of gesneden en/of op zijn lichaam heeft ingeslagen en/of ingehakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, aan [slachtoffer 1] opzettelijk en met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel, te weten een afgehakte/afgeslagen/afgesneden pink en/of beschadigingen aan strekpezen en/of spieren in de (linker) onderarm, heeft toegebracht door met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg die [slachtoffer 1] met een zogenaamd samoeraizwaard, althans met een lang scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in zijn (linker) arm en/of hand, althans zijn lichaam, te steken en/of te snijden en/of op zijn (linker) arm en/of hand, althans zijn lichaam, in te slaan en/of te hakken;

meest subsidiair

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een afgehakte/afgeslagen/afgesneden pink en/of beschadigingen aan strekpezen en/of spieren in de (linker) onderarm, heeft toegebracht door met dat opzet die [slachtoffer 1] met een zogenaamd samoeraizwaard, althans met een lang scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in zijn (linker) arm en/of hand, althans zijn lichaam, te steken en/of te snijden en/of op zijn (linker) arm en/of hand, althans zijn lichaam, in te slaan en/of te hakken; (artikel 302 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht).

2.

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk niet heeft voldaan aan een bevel of een vordering, krachtens artikel 55d lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift gedaan door de hoofdagent van politie [naam] , die was belast met de uitoefening van enig toezicht en/of die was belast met en/of bevoegd verklaard tot het opsporen en/of onderzoeken van strafbare feiten, immers heeft verdachte (nadat hij door onder meer die [naam] was

aangehouden op verdenking van poging doodslag) toen en daar opzettelijk, nadat deze ambtenaar hem had bevolen, althans van hem had gevorderd, zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht of een onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het gebruik van alcohol, geen gevolg gegeven aan dit bevel of die vordering;

3.

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Leeuwarden, (althans) in de gemeente Leeuwarden, opzettelijk en wederrechtelijk een auto (merk Volkswagen, type Transporter, kleur grijs), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of een auto (merk Nissan, type X-trail), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval (telkens) enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde gevorderd. De officier van justitie heeft zich ten aanzien van het onder 1. primair tenlastegelegde op het standpunt gesteld dat er sprake is van voorbedachte raad en opzet op de dood van het slachtoffer. Daartoe heeft zij aangevoerd dat verdachte eerder die avond ruzie had met de broer van het slachtoffer. Verdachte was daardoor gekrenkt en opgefokt en in chatberichten heeft hij gezegd dat hij ze ( [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] ) ging vermoorden. Die nacht maakte verdachte een afspraak met de broer van het slachtoffer om het nog dezelfde nacht uit te vechten. Hij heeft daartoe een samoeraizwaard en messen meegenomen. Tijdens de achtervolging riep hij dat hij ze de keel wilde doorsnijden en hij heeft het op straat liggende slachtoffer meermalen met het zwaard op het lichaam en het hoofd geslagen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gemotiveerd betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair, 1. subsidiair, 1. meer subsidiair en het onder 2. ten laste gelegde en deels moet worden vrijgesproken van het onder 3. ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1. primair ten laste gelegde heeft hij daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft pas na het zien van slachtoffer [slachtoffer 1] en zijn broer [slachtoffer 4] besloten een zwaard te pakken en naar hen toe te lopen en pas bij het achternalopen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] heeft hij besloten het zwaard te gebruiken voor geweldshandelingen. Verdachte heeft aldus volgens de raadsman gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling.

Ten aanzien van de opzet op het overlijden van het slachtoffer heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte heeft verklaard dat hij daartoe geen (voorwaardelijke) opzet heeft gehad. Op grond van het dossier kan enkel worden bewezen dat verdachte tweemaal met het zwaard op de arm van het slachtoffer heeft geslagen. De arm is geen vitaal lichaamsdeel dat bij het veroorzaken van een verwonding daaraan een aanmerkelijke kans op het overlijden met zich brengt.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt welk onderzoek in het kader van de Wegenverkeerswet bevolen is, en aan welk onderzoek door verdachte geweigerd is zijn medewerking te verlenen.

De verdediging heeft ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde betoogd dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het verdachte was die de auto van aangever [slachtoffer 3] heeft beschadigd.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1.

Op grond van de bewijsmiddelen gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

In de nacht van 31 maart 2018 heeft verdachte in de Eurobar in Leeuwarden ruzie met [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] . Beide partijen zijn in de loop van de nacht naar hun eigen huis gegaan. In chatgesprekken die verdachte die nacht voert zegt hij: "Maak ze dood" en "Vermoord zs". Dezelfde nacht hebben verdachte en [slachtoffer 4] telefonisch contact en ze spreken af om het nog die nacht op het Cambuurplein uit te vechten. [slachtoffer 4] gaat samen met zijn broer [slachtoffer 1] naar het Cambuurplein. Daar wachten ze niet op verdachte, maar ze lopen via de [straatnaam] en de rotonde op de Archipelweg door in de richting van de woning van verdachte die aan de [straatnaam] nabij de rotonde woont. Op het moment dat verdachte de deur van zijn woning open doet om naar het Cambuurplein te gaan, ziet hij [slachtoffer 1] (die hij niet kent) en [slachtoffer 4] . Verdachte pakt een samoeraizwaard en een mes en rent zwaaiend met het zwaard in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] . Zij rennen weg en verdachte achtervolgt hen. Er is sprake van een soort kat en muisspel waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] op sommige momenten een meer afwachtende houding aannemen totdat verdachte weer genaderd is en [slachtoffer 4] op enig moment zich achter verdachte bevindt. Ondertussen roept verdachte "Ik maak jullie dood. Ik steek jullie dood." In de [straatnaam] komt [slachtoffer 1] ten val en vervolgens slaat verdachte hem meermalen met het zwaard op zijn hoofd en lichaam, waarbij [slachtoffer 1] letsel aan zijn hoofd en arm oploopt. Als verdachte even later wordt aangehouden horen verbalisanten hem zeggen. "Ze stonden vanavond voor mijn deur. Ik ben toen naar buiten gegaan en toen wilde ik zijn keel doorsnijden."

Voorbedachte raad

De rechtbank dient eerst te beoordelen of verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap kan geven. Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval waarbij de rechter het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen.

Vast staat dat verdachte kwaad en opgewonden was en dat hij die nacht de nodige alcohol genuttigd. [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] verklaren dat verdachte met een zwaard op hen afkomt. Verdachte verklaart dat toen hij naar het Cambuurplein wilde gaan om te gaan vechten, hij bij het openen van zijn deur [slachtoffer 4] en een voor hem onbekende man al in zijn straat zag lopen en dat hij – geconfronteerd met meer tegenstanders dan hij had voorzien – in een reflex het zwaard heeft gepakt. De verklaringen van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 1] spreken de verklaring van verdachte op dit punt niet tegen en de rechtbank acht de lezing van verdachte niet uitgesloten.

Op basis van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte zich voorafgaand aan het slaan met het zwaard gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het besluit om [slachtoffer 1] van het leven te beroven en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid zou hebben gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Aldus kan niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van kalm beraad en een rustig overleg. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van een poging tot moord, zoals onder 1. primair is ten laste gelegd.

Poging tot doodslag / opzet

Onder 1. subsidiair is een poging tot doodslag ten laste gelegd.

De rechtbank stelt op grond van het dossier vast dat verdachte met een scherp samoeraizwaard met een lemmet van 80 cm, meerdere malen het op de grond liggende slachtoffer heeft geslagen. Het slachtoffer heeft verklaard dat verdachte tijdens de achtervolging "Ik maak jullie dood. Ik steek jullie dood" heeft geroepen. Toen het slachtoffer viel, heeft hij liggend op de grond de slagen van verdachte gericht op het lichaam en hoofd van het slachtoffer afgeweerd met zijn linkerhand. Daarbij is hij op zijn arm en zijn pink geraakt. Ook is hij op zijn voorhoofd geslagen met het zwaard. Het slachtoffer heeft zwaar, blijvend, lichamelijk letsel opgelopen. Verdachte heeft naderhand tegen de verbalisanten verklaard dat hij zijn keel wilde doorsnijden.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, op grond van de uitlatingen van verdachte en de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen, het volle opzet van verdachte gericht was op de dood van het slachtoffer.

De rechtbank acht dan ook het onder 1. subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en zal verdachte veroordelen voor een poging tot doodslag op [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van feit 2.

De rechtbank is met de raadsman van verdachte van oordeel dat uit het dossier onvoldoende blijkt welk onderzoek is bevolen en aan welk onderzoek verdachte geweigerd heeft zijn medewerking te verlenen. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het onder 2. ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 3.

Ten aanzien van de gevoerde verweren ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het dossier blijkt dat aangever [slachtoffer 3] 's nachts twee mannen, waaronder een man met een langwerpig voorwerp, om zijn auto ziet lopen. In de loop van de volgende dag constateert aangever dat zijn auto is beschadigd. Aangever stelt dat hij de auto de vorige dag in goede staat heeft geparkeerd. Getuige [slachtoffer 4] heeft verklaard dat verdachte tijdens het rennen van rondjes om de auto's, met zijn zwaard op meerdere auto's heeft geslagen. Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting bekend dat hij die nacht bij het rondjes lopen op de auto van aangever [slachtoffer 2] heeft geslagen en deze heeft beschadigd. Op grond van deze feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat, ondanks de ontkennende verklaring van verdachte, het niet anders kan zijn dan dat verdachte niet alleen de auto van aangever [slachtoffer 2] , maar ook op de auto van aangever [slachtoffer 3] heeft geslagen en de auto daarmee heeft beschadigd. De rechtbank acht een ander scenario niet aannemelijk.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring van het onder 1. subsidiair en 3. ten laste gelegde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 11 september 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende: Op 31 maart 2018 te Leeuwarden heb ik [slachtoffer 1] meermalen met een samoeraizwaard geslagen. Ik heb de auto van [slachtoffer 2] beschadigd door er met een samoeraizwaard op te slaan.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 1 april 2018, opgenomen op pagina 35 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018076956 d.d. 14 mei 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik voelde geen pijn maar ik zag in een keer heel veel bloed. Het was blijkbaar een scherp zwaard want ik voelde op dat moment helemaal niets. Hij heeft mij met het zwaard geraakt op mijn linker onderarm en mijn achterhoofd. Hierbij is ook mij pink er af geslagen. Ik heb geluk gehad anders was ik dood geweest. Er zijn verschillende pezen in mijn arm kapot of doorgesneden. Ik heb nu hechtingen op mijn achterhoofd. [verdachte] sloeg mij meerdere malen met het zwaard. Terwijl [verdachte] met het zwaard achter ons aanstormde hoorde ik dat [verdachte] , dreigend schreeuwde: "Ik maak jullie dood. Ik steek jullie dood. Kankerlijers."

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 9 april 2018, opgenomen op pagina 37 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 1] :

Op het moment dat ik viel tijdens de aanval van [verdachte] , viel ik achterover en kwam met mijn rug op het wegdek terecht. Ik zag dat [verdachte] met het zwaard in de hand in mijn richting sloeg. Ik weerde de slagen met mijn linkerarm af. Ik voelde en zag dat ik werd geraakt door het zwaard op mijn arm en linkerhand. Door deze klappen zakte mijn arm naar beneden. Ik zag en voelde dat [verdachte] hierop met het zwaard sloeg in de richting van mijn hoofd. Het was voor mij duidelijk dat [verdachte] mij dood wilde slaan. Hij heeft mij op mijn hoofd geslagen terwijl ik op de grond lag en eigenlijk weerloos was. Ik was op dat moment al behoorlijk gewond. Mijn linkerarm was al onbruikbaar.

4. Een geneeskundige verklaring, opgenomen op pagina 40 e.v. van voornoemd dossier, op 4 mei 2018 opgemaakt en ondertekend door E.I. Hofstra, forensisch arts, voor zover inhoudende, als zijn/haar verklaring:

Datum onderzoek : 16 april 2018

Aanvullende informatie met betrekking tot het incident

Betrokkene is na het incident naar het MCL ziekenhuis in Leeuwarden vervoerd voor medische behandeling.

Uit medische correspondentie blijkt het volgende:

Betrokkene werd opgevangen op de SEH van het Medisch Centrum Leeuwarden op 31-3-2018. De SEH-arts schrijft onder meer: bij anamnese: "20 minuten geleden met een samoeraizwaard aangevallen. Daarbij afgeweerd met linkerarm en -hand waar snijverwondingen. Ook op het hoofd geraakt met het zwaard ter hoogte van de haarlijn.

Niet buiten bewustzijn geweest. Bloedverlies geschat 1 L (door ambu). Fors gedronken."

Bij onderzoek (onder andere): "aangezicht verwonding t.h.v. haargrens in midden met trapje in de schedel voelbaar onder de wond. Onderarm links: diepe snijverwonding tot op het bot halverwege de ulnaire zijde. Hand links: pink geamputeerd maar hangend aan huidflap, tevens botfragment van caput MC5 afgesneden."

Een vervolgbrief over de operatie en opname vermeldt dat op 31-3-2018 de linker pink werd geamputeerd en de strekpezen van de 3e en 4e vinger werden hersteld evenals enkele spieren in de onderarm.

Subjectieve klachten

Betrokkene heeft af en toe pijnklachten in de linker onderarm en hand. De functie van de linker arm en hand is sterk verminderd.

Letselbeschrijving

hoofd:

midden op het voorhoofd in de haargrens een vrijwel rechte, dwars verlopende rozerode streep van 4 cm lengte, passend bij een genezende snijwond (vermoedelijk na hechten). (foto 1 en 2). Op het achterhoofd is in het haar geen letsel (meer) zichtbaar.

linker arm:

Aan de buitenzijde van de linker elleboog een rozerode ontvelling met meerdere geelbruine korstjes, van 0,5 tot 1 cm breed en 5 cm lang, passend bij een genezende diepe schaafwond. (foto 3) aan de buitenzijde van de linker onderarm een rond verlopende genezende en gehechte snijwond, van totaal 15 cm lengte. (foto 4 en 5)

linker hand:

Aan de linkerhand mist de pink volledig. Er bevindt zich een winkelhaakvormige, genezende onderbreking van de huid met donkerrode korstvormig, grillig verlopend over de rugzijde van de 3e, 4e,5e knokkel over 6cm en ong. 3cm lengte over de top van de 5e knokkel. Waar de pink is geamputeerd. Het beeld past bij een traumatische amputatie van de pink, waarbij de wond operatief werd gesloten. (foto 6 en 7)

Beoordeling van de letsels

Conclusie

Ontstaan : het letsel kan goed passen bij de opgegeven toedracht en de opgegeven termijn.

Herstel : herstelduur van de zichtbare letsels: diverse huidverwondingen: 4 weken. Functieherstel van de linker arm en hand geschat: minstens 6 maanden.

Blijvend letsel : De functie van de linker hand en arm zal blijvend verminderd blijven, vanwege de geamputeerde pink en het letsel in de diverse spieren en pezen. Mogelijk blijft het litteken op het voorhoofd in enige mate zichtbaar.

5. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, d.d. 1 april 2018, opgenomen op pagina 45 voor voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] :

Op vrijdag 30 maart 2018, had ik mijn voertuig geparkeerd op de [straatnaam] te Leeuwarden. Op het moment dat ik mijn voertuig parkeerde was mijn voertuig schadevrij. Op zondag 1 april 2018 ben ik naar mijn voertuig gelopen een Volkswagen Transporter voorzien van kenteken [kenteken] . Ik zag dat mijn voertuig schade had op de motorkap. Ik zag dat er een tweetal krassen/deuken in de motorkap zaten aan de rechterkant.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, nummer 6, d.d. 3 april 2018, opgenomen in het gevoegde proces-verbaal bevindingen d.d. 28 mei 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op vrijdag 30 maart 2018 parkeerde ik mijn auto, een Nissan X-trail met kenteken [kenteken], in de [straatnaam]. Ik liet mijn auto in goede staat achter. Er zaten geen beschadigingen op. Op zaterdag 31 maart 2018 omstreeks 6:30 uur werd ik wakker door een ruzie in mijn straat. Ik zag dat een mand bij mijn auto stond. Ik zag dat de man een langwerpig voorwerp in zijn hand had. Ik zag nog een man op de stoep staan. Ik hoorde dat man 1 tegen man 2 zei: "Ik vermoord je". Ik zag dat man 2 vervolgens weg liep. Ik kan dit het beste omschrijven als een soort kat en muis spel om de auto heen. Op zaterdag 31 maart 2018 omstreeks 9:00 uur liep ik naar mijn auto. Ik had haast en ben meteen ingestapt en weggereden naar mijn werk. Omstreeks 17:00 uur zag ik dat er schade was aan mijn auto. De schade kan ik als volgt omschrijven: een gat van ongeveer 4 à 5 centimeter uit de rechter dakrailing. En een kleine deuk met lakschade van ongeveer 2 à 3 centimeter. Het kan niet op mijn werk zijn gebeurd. Ik heb een foto gemaakt van de politie welke bezig was met het sporenonderzoek. Ik zag op deze foto dat mijn auto al beschadigd was.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 31 maart 2018, opgenomen op pagina 78 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

[verdachte] riep dat hij ons wilde vermoorden. Ik zag dat [slachtoffer 1] achterom keek. Op dat moment struikelde [slachtoffer 1] . Ik zag meteen dat het helemaal mis ging. [slachtoffer 1] lag op de grond en ik zag dat [verdachte] met het zwaard op [slachtoffer 1] begon te slaan. Hij schreeuwde de hele tijd. Ik vermoord je, je gaat voor de bijl, en nog veel meer. Ik ben wel achter 5 of 6 auto's gerend. [verdachte] kwam achter mij aan. We gingen rondjes om auto's rennen. Ik heb wel 10 rondjes gemaakt. [verdachte] sloeg in de tussentijd, terwijl hij achter mij aan rende, op de auto 's met het

zwaard. Deze zijn daardoor vast beschadigd.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 31 maart 2018, opgenomen op 64 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende het relaas van verbalisant: :

op 31 maart 2018 omstreeks 6:25 uur hoorde ik de 16.03 melden dat het zwaard onder een auto moest liggen. Toen wij onder een 45 m/u voertuig keken zag ik een voorwerp liggen. Ik zag dat het een zogenaamd samoeraizwaard betrof. Ik zag dat het zwaard in totaal ongeveer een meter lang was, het handvat was ongeveer 20 centimeter lang, daarboven zat een rond plaatje en daarna een lemmet van ongeveer 80 centimeter.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. subsidiair en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

subsidiair

hij op 31 maart 2018 te Leeuwarden, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een zogenaamd samoeraizwaard, meermalen op zijn hoofd en op zijn lichaam heeft ingeslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op of omstreeks 31 maart 2018 te Leeuwarden, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, merk Volkswagen, type Transporter, kleur grijs, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en een auto, merk Nissan, type X-trail, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , heeft beschadigd.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair: Poging tot doodslag

3. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen, meermalen gepleegd.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. primair, 2. en 3. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar en oplegging van de maatregel terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat aan de voorwaarden om te komen tot een tbs-maatregel is voldaan. De door de psycholoog en de psychiater geadviseerde terbeschikkingstelling met voorwaarden is niet voldoende om het recidivegevaar af te wenden. Ook kan naast een terbeschikkingstelling met voorwaarden een gevangenisstraf van maximaal van vijf jaar worden opgelegd. Een dergelijke eis zou geen recht doen aan de gepleegde feiten. De feiten kunnen verdachte in verminderde mate worden toegerekend.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor de oplegging van een, zo kort mogelijke, deels voorwaardelijke gevangenisstraf met oplegging van de bijzondere voorwaarden meldplicht, ambulante behandeling, meewerken aan urinecontroles en elektronisch toezicht voor de duur van acht maanden. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte in verminderde mate toerekeningsvatbaar is en dat hij na het incident zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. Verdachte wil meewerken aan een behandeling van zijn problematiek. Bij een lange gevangenisstraf zal verdachte zijn eigen woning kwijtraken. Ook is er sprake van medeschuld van de broers [slachtoffers 1 en 4] en is artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege is niet door de deskundigen onderzocht en niet geadviseerd. Mocht de rechtbank dwangverpleging op willen leggen dan doet de raadsman het voorwaardelijke verzoek eerst de deskundigen ter terechtzitting te horen. De door de externe deskundigen geadviseerde terbeschikkingstelling met voorwaarden is zonder een maatregelenrapport van de reclassering niet aan de orde.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het reclasseringsadvies van 8 augustus 2018, het psychologisch rapport van 29 juli 2018 van deskundige D. Breuker, het psychiatrisch rapport van 16 juni 2018 van deskundige B.A. Blansjaar, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging doodslag door met een samoeraizwaard meermalen in de richting van het lichaam en het hoofd van het slachtoffer te slaan. Door zich met zijn linkerarm af te weren heeft het slachtoffer erger weten te voorkomen. Desalniettemin zijn de gevolgen voor het slachtoffer ernstig. In zijn linkerarm en linkerhand zijn pezen en zenuwen beschadigd en zijn linkerpink is geamputeerd. Hij heeft blijvende, ontsierende littekens, lijdt aan fantoompijn en is gediagnosticeerd met een posttraumatische stressstoornis.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsmisdrijven.

Uit de deskundigenrapporten blijkt dat verdachte gediagnosticeerd is met een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische en borderlinetrekken en ernstige tot matige stoornissen in het gebruik van cocaïne, xtc, alcohol en cannabis. Verstandelijk is bij verdachte sprake van cognitieve vaardigheden die variëren van zwakbegaafd tot een laaggemiddeld niveau. De diagnose ADHD kan niet worden uitgesloten. De gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en de stoornissen waren tijdens het plegen van het ten laste gelegde aanwezig en hebben het gedrag van verdachte beïnvloed. Gezien de aanwezige stoornissen en de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens adviseren de deskundigen om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren. De rechtbank kan zich met dit advies verenigen en bepaalt met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde hem slechts in verminderde mate kan worden toegerekend.

De deskundigen hebben, gelet op de gediagnosticeerde stoornissen en het aanwezige recidiverisico, geadviseerd de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden op te leggen. De rechtbank zal dit advies niet overnemen. Terbeschikkingstelling met dwangverpleging acht de rechtbank evenmin geïndiceerd. Onvoldoende is komen vast te staan dat de gediagnosticeerde stoornissen in het kader van een klinische behandeling effectief kunnen worden behandeld. Daarbij komt dat dwangverpleging louter vanuit het oogpunt van de beveiliging van de maatschappij thans een te zware maatregel is.

De strafeis van de officier van justitie zal de rechtbank niet overnemen, omdat zij tot een andere bewezenverklaring komt.

Alles afwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vier jaar passend en geboden.

Daarbij merkt de rechtbank op dat de door de deskundigen geadviseerde voorwaarden, dan wel (andere) voorwaarden die op het moment van voorwaardelijke invrijheidstelling passend blijken ter afwending van het herhalingsrisico, in het kader van een voorwaardelijke invrijheidstelling alsnog aan verdachte kunnen worden opgelegd.

Benadeelde partij

[slachtoffer 1] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 751,46 ter vergoeding van materiële schade (bestaande uit eigen risico zorg van € 328,44, kosten opvragen medische info € 47,81, kosten zonder nut (huur) € 315 en reiskosten € 60,21) en € 15.000,-- ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gewijzigde vordering tot schadevergoeding zal worden toegewezen, met toewijzing van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële post kosten zonder nut (gederfde huur) niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het slachtoffer heeft twee weken na het incident bij zijn ouders verbleven, hetgeen medisch niet noodzakelijk was. Het causaal verband tussen de kosten en het strafbare feit ontbreekt en bovendien bestonden de huurkosten al en moesten deze toch worden betaald. Het slachtoffer is dus niet in een slechtere vermogenstoestand geraakt. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsman betoogd dat er nog geen sprake is van een medische eindtoestand. Het slachtoffer heeft zijn optredens als stationsmuzikant weer opgepakt en hij kan zijn werk weer uitoefenen. Uit de rechtspraak blijkt dat in vergelijkbare gevallen lagere vergoedingen zijn toegekend. Ook is er sprake van eigen schuld in de zin van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (BW), hetgeen meebrengt dat de schadevergoeding moet worden gematigd.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade voor wat betreft het eigen risico, kosten opvragen medische informatie en reiskosten heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1. subsidiair bewezen verklaarde. Dit niet betwiste deel van de vordering, een bedrag van € 436,46, is daarom in beginsel toewijsbaar.

Het slachtoffer heeft als materiële schade (vermogensschade) een bedrag van € 315,--

gevorderd ter zake kosten zonder nut. Het betreft de gederfde huurkosten over de periode dat het slachtoffer niet in zijn (huur)woning heeft verbleven, maar hij zich heeft laten verzorgen door zijn ouders in hun woning.

Uit de stellingen van het slachtoffer volgt dat tegenover het missen van het woongenot van zijn huurwoning, hij – zonder dat daartegenover extra kosten voor hem hebben gestaan – woongenot heeft genoten in de woning van zijn ouders en dus aanleiding bestaat voor toepassing van artikel 6:100 BW (voordeelstoerekening). In dat opzicht verschilt de situatie van het slachtoffer met de situatie als bedoeld in de arresten Dakar en Plezierjacht1, waarop het slachtoffer zich beroept. Nu het slachtoffer geen inzicht heeft geboden in de mate waarin (de waarde van) dit woongenot zich onderscheidt van (de waarde van) het woongenot van zijn huurwoning, gaat de rechtbank ervan uit dat dit niet wezenlijk afwijkt van elkaar, en dus geen aanleiding voor een vergoeding bestaat.

Niet uitgesloten is dat het slachtoffer aanspraak kan maken op een vergoeding voor gederfd huurgenot in immateriële zin (smartengeld). Het gaat dan om vergoeding van ‘ander nadeel’ in de zin van artikel 6:95 BW. Nu het slachtoffer dat niet aan zijn vordering ten grondslag gelegd, bestaat voor toewijzing van immateriële vergoeding ter zake van gederfd huurgenot evenwel dan ook geen aanleiding.

De rechtbank zal dit onderdeel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de (overig) gevorderde immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat door het bewezen verklaarde feit aan de benadeelde partij immateriële schade is toegebracht. Rekening houdend met vergelijkbare gevallen, de ernst van het letsel en de gevolgen die het slachtoffer daarvan draagt en zal moeten dragen acht de rechtbank in beginsel een vergoeding van € 9.000,-- passend en geboden.

De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van (een bepaalde mate van) eigen schuld aan de zijde van het slachtoffer. De rechtbank volgt de verdediging hierin. De benadeelde partij en zijn broer hebben in de eerste plaats de confrontatie zelf opgezocht. In de tweede plaats zijn zij, toen verdachte dreigde met het zwaard, in de buurt van verdachte gebleven terwijl voldoende gelegenheid bestond om weg te gaan. In verband met deze omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding om het percentage eigen schuld te bepalen op 25%.

De rechtbank zal derhalve de vordering ter zake van de materiële schade bepalen op een bedrag van € 327,35 en de immateriële schade op een bedrag van € 6.750,--, een en ander te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 31 maart 2018. Voor het overige deel zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 287, 350, van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair en 2. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. subsidiair en 3. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van 18/730105-18, feit 1. subsidiair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 7077,35 (zegge: zevenduizendzevenenzeventig euro en vijfendertig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2018. Dit bedrag bestaat uit € 327,35 aan materiële schade en € 6.750,-- aan immateriële schade.

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige in de vordering niet ontvankelijk is en dat dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 7.077,35 (zegge: zevenduizendzevenenzeventig euro en vijfendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 70 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 327,35 aan materiële schade en € 6.750,-- aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. G.W.G. Wijnands en mr. H.J. Schuth, rechters, bijgestaan door K. de Ruiter, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 oktober 2018.

1 ECLI:NL:HR:2005:AR6460 en ECLI:NL:HR:2008:BF1042