Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3806

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
27-08-2018
Datum publicatie
27-09-2018
Zaaknummer
18/720170-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Opzetheling en inbraken.

Verdachte heeft zich in een betrekkelijk kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan een aantal (gekwalificeerde) vermogensdelicten en begunstigingsdelicten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 416
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/720170-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/730385-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 27 augustus 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1980 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in de P.I. Leeuwarden, Holstmeerweg 7 te Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

13 augustus 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. D. Uygul, advocaat te Leeuwarden. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks het tijdvak van 26 t/m 28 april 2018 te [pleegplaats] , gemeente Ferwerderadiel, een bedrijfsauto (Volkswagen Transporter, kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen bedrijfsauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of inklimming en/of valse sleutel, te weten een hem, verdachte, niet in eigendom toebehorende contactsleutel van die bedrijfsauto;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks het tijdvak van 26 t/m 29 april 2018 te [pleegplaats] , gemeente Ferwerderadiel en/of in de gemeente Leeuwarden, in elk geval in de Prvincie Friesland, een goed te weten een bedrijfsauto (Volkswagen Transporter, kenteken [kenteken] ) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op of omstreeks 27 april 2018 te Leeuwarden een trailer met een boot, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen trailer met een boot onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 27 april 2018 te Leeuwarden en/of te Gorredijjk, gemeente Opsterland, in elk geval in de provincie Friesland, een goed te weten een trailer met een boot heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij in of omstreeks het tijdvak van 26 t/m 28 april 2018 te Reitsum, gemeente

Ferwerderadiel, een muziekinstallatie en/of een laptop en/of etenswaren en/of drank, in elk

geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks het tijdvak van 26 t/m 29 april 2018 te Reitsum, gemeente

Ferwerderadiel en/of in de gemeente Leeuwarden, in elk geval in de provincie Friesland, een goed te weten een laptop heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

4.

hij op of omstreeks 27 januari 2018, in de gemeente Leeuwarden, in/uit een woning, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee (inhoudende o.a. een bankpas) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte

en/of dat

hij in of omstreeks het tijdvak van 27 t/m 28 januari 2018, in de provincie Friesland, meermalen (op verschillende plaatsen), althans eenmaal, (telkens) een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat (telkens) geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, (telkens) terwijl verdachte dat weg te nemen geldbedrag, althans goed, onder

zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) goederen aan

te kopen / te betalen en/of geld op te nemen met gebruikmaking van een op naam van [slachtoffer 3] staande bankpas en bijbehorende pincode;

5.

hij in of omstreeks het tijdvak van 27 t/m 28 februari 2018 te Leeuwarden met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een bedrijfsauto heeft weggenomen een camera (GoPro) en/of een beeldscherm en/of een tv en/of duikspullen en/of dameskleding en/of riemen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks het tijdvak van 27 t/m 28 februari 2018 te Leeuwarden, een goed te weten een camera (GoPro) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6.

hij op of omstreeks 08 april 2018 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om goederen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan Gemeente Leeuwarden en/of Palet, in/uit een pand

aan/nabij de [straatnaam] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming,

- zich naar dat pand heeft begeven en/of

- een raam van dat pand heeft vernield/geforceerd en/of

- dat pand via een (geforceerd) raam is binnengegaan en/of

- in dat pand kasten en/of lades heeft geopend en/of doorzocht, althans heeft gezocht naar goederen van zijn gading, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7.

hij op of omstreeks 08 april 2018 te Leeuwarden, in/uit een garage aan/nabij de [straatnaam] , een fiets (merk/type Batavus Mambo), in elk geval enig goed, dat geheel of ten

dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] , heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1 primair, 2 primair, 3 subsidiair, 4, 5 primair, 6 en 7 ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

De feiten onder 1 primair en 2 primair dienen in combinatie met elkaar te worden bezien. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij de boot op 27 april 2018 om 9.39 uur via een WhatsApp bericht aangeboden heeft gekregen, waarop verdachte diezelfde dag, samen met een ander, om 16.15 uur met de gestolen bedrijfsauto (hierna ook wel aangeduid als: de bus), trailer en boot op zijn bedrijf is verschenen. Verdachte was de bestuurder van de bedrijfsauto. Uit de stukken is af te leiden dat de boot op 27 april 2018 omstreeks 7.35 uur met behulp van de gestolen bedrijfsauto is weggenomen, op welk tijdstip verdachte derhalve moet worden geacht al over de bedrijfsauto te hebben beschikt. Verdachte heeft een kennelijk leugenachtige verklaring afgelegd over het tijdstip waarop hij de bedrijfsauto zou hebben verkregen, zodat aan zijn verklaring voorbij gegaan moet worden.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde is opzetheling van de laptop te bewijzen op grond van de aangifte en de omstandigheid dat de laptop onder verdachte is aangetroffen.

Het onder 4 ten laste gelegde is te bewijzen op grond van de aangifte, het overzicht van de afschrijvingen en de camerabeelden van een van de pintransacties door verdachte. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij de betreffende geldbedragen heeft gepind.

Het onder 5 primair ten laste gelegde is te bewijzen op grond van de aangifte en de verklaring van [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] .

De feiten onder 6 en 7 zijn op grond van de betreffende aangiften en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting te bewijzen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2 ontbreekt het bewijs voor diefstal. Heling van de bedrijfsauto onder feit 1 kan evenmin worden bewezen. Verdachte heeft bij de RDW gecontroleerd of het een gestolen voertuig betrof en hij kreeg de melding dat dat niet het geval was. Hij heeft verklaard dat hij de bedrijfsauto heeft geleend van [schuilnaam] , zijnde [naam 1] , die niet door de politie is gehoord.

Ten aanzien van heling van de trailer en boot onder feit 2 zou verdachte wellicht als medepleger of medeplichtige kunnen worden aangemerkt, indien is vast te stellen dat verdachte redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het door misdrijf verkregen goederen betrof. De stelling van verdachte is echter dat hij hiervan geen vermoeden had.

Ten aanzien van feit 3 dient integraal vrijspraak te volgen nu ieder bewijs voor verdachtes betrokkenheid aan dit feit ontbreekt. De enkele omstandigheid dat de laptop onder hem is aangetroffen is onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen.

Ten aanzien van feit 4 staan de verklaringen van aangever en verdachte haaks op elkaar.

Voor feit 5 dient integraal vrijspraak te volgen nu niet is vast te stellen dat de aangeboden Go Pro het exemplaar betreft dat onder aangever [slachtoffer 4] is weggenomen.

Ten aanzien van het onder 6 en 7 ten laste gelegde heeft de raadsman geen bewijsverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 1 primair, 2 primair, 3 primair en subsidiair en 5 primair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het verdachte is geweest die de bedrijfsauto (feit 1) en de trailer met boot (feit 2) heeft weggenomen. Er zijn geen bewijsmiddelen die de betrokkenheid van verdachte bij de wegnemingshandelingen aantonen. De tijdspanne tussen het wegnemen van de betreffende goederen en het aantreffen ervan onder verdachte is zodanig groot dat niet kan worden vastgesteld dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de goederen heeft weggenomen. De rechtbank deelt verder niet het standpunt van de officier van justitie inhoudende dat verdachte op 27 april 2018 omstreeks 7.35 uur, zijnde het tijdstip van diefstal van de trailer met boot, al de beschikking over de gestolen bedrijfsauto moet hebben gehad. Uit de stukken is dit niet rechtstreeks af te leiden.

Met de officier van justitie en de raadsman moet worden vastgesteld dat elk bewijs voor de betrokkenheid van verdachte bij feit 3 primair ontbreekt.

Ten aanzien van het onder 3 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank dat weliswaar wel kan worden vastgesteld dat verdachte de laptop onder zich heeft gehad, maar dat er geen bewijs voorhanden is dat verdachte ten tijde van het onder zich krijgen van die laptop wist dan wel redelijkerwijs moest vermoeden dat het een van misdrijf afkomstig goed betrof.

Ten aanzien van het onder 5 primair ten laste gelegde blijkt uit de stukken en het verhandelde ter zitting dat op 28 februari 2018 de camera, die op enig moment in de nacht ervoor uit een vrachtwagen zou zijn gestolen, door verdachte bij [benadeelde partij 1] te koop is aangeboden. Niet kan worden vastgesteld dat de tijd tussen de diefstal en het te koop aanbieden door verdachte van de camera zo kort is geweest dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de camera heeft weggenomen.

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 4 en 5 subsidiair ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 april 2018, opgenomen op pagina 78 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018105523, d.d. 14 juni 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik doe aangifte van diefstal van een bedrijfsauto (witte Volkswagen Transporter, met kenteken [kenteken] ), gepleegd tussen donderdag 26 april 2018 om l7:00 uur en zaterdag 28 april 2018 om 08:00 uur, vanaf eigen terrein aan de [straatnaam] te [pleegplaats] , gemeente Ferwerderadiel.

Overige bijzonderheden auto: rondom voorzien van rood met blauw bedrijfslogo " [benadeelde partij 2]

"

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 april 2018, opgenomen op pagina 98 van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op zaterdag 28 april 2018, omstreeks 21.30 uur, is het voertuig voorzien van kenteken: [kenteken] een Volkswagen Transporter aangetroffen op [straatnaam] te Leeuwarden. Met toestemming van de eigenaar is een tracer onder het voertuig geplaatst.

Tijdstip en datum plaatsing: 28-04-2018, 22:45 uur (p. 99).

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 29 april 2018, opgenomen op pagina 101 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Wij verbalisanten, zagen op zondag 29 april, om 11:15 uur, dat de eerder genoemde [verdachte] wederom uit de richting van [straatnaam] kwam aangelopen. Wij verbalisanten zagen dat hij in de richting van de gestolen auto liep. Wij verbalisanten

zagen dat [verdachte] de deur van het voertuig opende aan de zijde van het stuurwiel. Wij zagen dat [verdachte] vervolgens in het voertuig stapte en het voertuig startte.

4. De door verdachte op de terechtzitting van 13 augustus 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het is juist dat ik de bus onder mij had.

Met betrekking tot de verklaring van verdachte erop neerkomende dat hij de auto op zaterdag 28 april 2018 om 23.30 uur in de wijk Bilgaard van een vriend ( [schuilnaam] ) geleend had en dat op zijn beurt die [schuilnaam] de bus van de slager geleend zou hebben, overweegt de rechtbank in het bijzonder nog het volgende. De rechtbank is van oordeel dat die verklaring van verdachte als kennelijk leugenachtig moet worden bestempeld, nu deze slechts dient om de waarheid omtrent de gang van zaken rond de bestelauto te bemantelen, namelijk dat verdachte de auto opzettelijk heeft geheeld. De rechtbank stelt op grond van een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 april 2018, p. 98 van voormeld dossier, vast dat de bestelauto op zaterdag 28 april omstreeks 21.30 uur door de politie aan [straatnaam] in Leeuwarden is aangetroffen. Met toestemming van de aangever is onder die auto om 22.45 uur een zogeheten tracer te plaatsen, opdat de politie de auto zou kunnen volgen teneinde een verdachte van de diefstal dan wel heling in beeld te krijgen. Niet eerder dan op zondag 29 april 2018 om ongeveer 09.23 uur krijgt de politie een bewegingsmelding van bedoelde tracer, hetgeen er op duidde dat de bestelauto werd verplaatst (p. 102 e.v. dossier). De rechtbank stelt derhalve vast dat de auto gedurende de avond vanaf 22.45 uur en gedurende de nacht van zaterdag 28 april 2018 op zondag 29 april 2018 niet verplaatst is en tot 28 april 09.23 uur steeds op dezelfde plek, zijnde de wijk Westeinde te Leeuwarden, heeft gestaan.

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de wetenschap van verdachte omtrent de herkomst van de bestelauto is af te leiden uit het feit dat uit de verklaring van aangever niet blijkt dat hij zijn bestelauto aan (een) derde(n) heeft uitgeleend. De verklaring van verdachte daarover wordt daarom als kennelijk leugenachtig beoordeeld, omdat deze dient de waarheid omtrent de verkrijging van de auto te bemantelen. Dat verdachte ter zitting heeft verklaard het RDW-register geraadpleegd te hebben doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet af.

Ten aanzien van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 28 april 2018, opgenomen op pagina 172 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik doe aangifte van diefstal van een console bootje van het merk Topcraft, op trailer, gepleegd tussen op vrijdag 27 april 2018, tussen 01:00 uur en 08:30 uur, vanaf [straatnaam] te Leeuwarden. Mijn trailer met boot stond daar afgesloten ter hoogte van perceel 8. De trailer had ik afgesloten met een disselslot. Het disselslot is achtergebleven en het discusslot waarmee het disselslot was afgesloten is ook verdwenen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 april 2018, opgenomen op pagina 185 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op het terrein van het bedrijf van [getuige 1] (boottransport, stalling, in-en verkoop en handel) aan de [straatnaam] te Gorredijk werden boot en trailer aangetroffen.

(p. 186) [getuige 1] verklaarde dat hij op vrijdag 27 april 2018 om 09.39 uur via Whats-app een

bericht ontving van ene [naam 2] met het gsm-nr: [mobielnummer]. In dit bericht stuur [naam 2] een foto en de tekst: "Zonder motor" en "600 euro".

Dhr. [getuige 1] verklaarde dat op 27 april 2018 omstreeks 16.15 uur er een Volkswagen Transporter bedrijfsbus, wit van kleur, en voorzien van rode reclame-stickers van een slagerij uit [pleegplaats] , het bedrijventerrein aan de [straatnaam] waarop het bedrijf van [getuige 1] is gevestigd kwam oprijden. Achter de bedrijfsbus zat een trailer met daarop een witte polyester boot. Uit de bedrijfsbus kwamen twee personen. persoon 1, de bestuurder van de bus, deed de verkoop en heeft als bewijs van verkoop een inkoopverklaring ingevuld met hierop zijn gegevens, onder andere, " [verdachte] , [straatnaam] , Leeuwarden, [mobielnummer] ".

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 april 2018, opgenomen op pagina 194 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Een door de verbalisant opgenomen verklaring van [getuige 2] , geboren op [geboortedatum] 1953: “op vrijdag 27 april 2018, omstreeks 07.35 uur, werd ik wakker van een harde klap die ik van buiten hoorde. Ik keek naar buiten en zag dat er een bestelbusje met een boot er achter weg reed. Ik zag dat er reclameteksten op de bestelbus zaten. De bestuurder kon ik niet zien omdat de auto met hoge snelheid er vandoor ging. U toont mij een foto van een bestelbus. Dit was inderdaad de bestelbus die ik zag wegrijden”.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 mei 2018 2018, opgenomen op pagina 194 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Een door de verbalisant opgenomen verklaring van [getuige 3] , geboren op [geboortedatum] 1952:

Ik, verbalisant, hoorde [getuige 3] zeggen dat zij op vrijdag 27 april 2018, omstreeks om 7.35 uur wakker werd van een harde knal. Ik hoorde mevrouw [getuige 3] zeggen dat ze gelijk uit het raam keek. Ik hoorde haar zeggen dat zij een witte of grijze bestelbus met redelijk hoge snelheid op de hoek van [straatnaam] met de [straatnaam] zag rijden. Ik hoorde haar zeggen dat er nog een bootje achter deze bus bevestigd was. Ik hoorde mevrouw [getuige 3] zeggen dat ze zag der een tekst op de bus zat. Ze kon niet zeggen welke tekst dit betrof. Ik hoorde mevrouw [getuige 3] zeggen dat ze het bootje herkende als het bootje dat al een week of drie voor het huis van [straatnaam] te Leeuwarden stond.

5. De door verdachte op de terechtzitting van 13 augustus 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het is juist dat ik de persoon ben geweest die de verkooptransactie van de trailer met boot heeft uitgevoerd.

De rechtbank overweegt omtrent de wetenschap van verdachte van de herkomst van de boot en de trailer als volgt. Uit de verklaring van getuige [getuige 1] d.d. 28 april 2018 volgt dat onder andere verdachte om ongeveer 16.15 uur een boot en een trailer aan getuige te koop aanbod. Getuige verklaart tevens dat de boot en trailer werden vervoerd achter een bestelbusje met daarop reclameteksten van een slagerij uit [pleegplaats] , en welk busje bestuurd werd door verdachte. Verdachte heeft ook de inkoopverklaring die getuige als bewijs voor de verkoop van de boot en de trailer ter ondertekening aanbod, daadwerkelijk ondertekend. Verdachte heeft ten overstaan van de politie noch gedurende het onderzoek ter zitting, een aannemelijke verklaring aangevoerd die zijn scenario – dat hij op andermans verzoek de transactie verrichtte – feitelijk ondersteunt, zodat de rechtbank van oordeel is dat verdachte weet had van de criminele herkomst van de boot en de trailer.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 februari 2018, opgenomen op pagina 226 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

Hierbij doe ik aangifte van diefstal van mijn portemonnee met inhoud, gepleegd tussen zaterdag 27 januari 2018 om 13:00 uur en zondag 28 januari 2018 om 03:18 uur, uit mijn woning in Leeuwarden. In deze portemonnee zaten mijn identiteitskaart, mijn ABN AMRO bankpas en een OMRIN-pas. Met de bankpas van ABN AMRO is vervolgens meermalen geld afgeschreven van mijn bankrekening.

Op zaterdag 27 januari 2018 omstreeks 11.30 uur kwam mijn goede kennis [verdachte]

langs.

(p. 227) Ik vroeg [verdachte] of hij een pakje sigaretten voor mij wilde ophalen. Toen ik tegen [verdachte] zei dat ik geen contant geld kon vinden, hoorde ik dat [verdachte] zei dat ik hem dan wel mijn bankpas kon geven. Ik heb [verdachte] toen mijn pincode verteld. Ik zag dat [verdachte] mij de sigaretten gaf, alsmede het bonnetje van de pinbetaling van deze sigaretten en mijn bankpas. Hierna is [verdachte] meteen vertrokken. Ik deed toen mijn bankpas weer in mijn portemonnee en legde mijn portemonnee vervolgens op het kastje in de hal of op de tafel in de woonkamer.

Ongeveer een uur later, omstreeks 13.00 uur, stond [verdachte] weer bij mij voor de deur. In ieder geval is [verdachte] even binnen geweest. In de loop van die middag ontdekte ik dat ik mijn portemonnee niet kon vinden. Op zondag 28 januari 2018 zag ik tot mijn schrik dat er heel veel geldtransacties op mijn rekening waren geweest. Ik zag dat deze transacties waren gedaan vanaf 27 januari 2018 om 13.40 uur tot en met 28 januari 2018 om 03.18 uur. Ik zag dat het in totaal om achttien transacties ging voor een totaal bedrag van l.806,73 euro.

2. De door verdachte op de terechtzitting van 13 augustus 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het is juist dat ik deze pintransacties heb verricht.

De rechtbank overweegt als volgt: het door de verdachte ter zitting gegeven scenario met betrekking tot de door hem verrichte pin-transacties, namelijk dat hij deze op verzoek van aangever deed om deze transacties verborgen voor de vriendin van aangever te houden en dat hij het gepinde geld aan aangever heeft gegeven, wordt door de rechtbank als onaannemelijk terzijde geschoven, nu uit de aangifte het tegendeel valt af te leiden, terwijl de rechtbank geen aanleiding heeft aan de inhoud van de aangifte te twijfelen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte zonder toestemming van verdachte met de pin-pas van aangever geld heeft gepind van diens bankrekening.

Ten aanzien van het onder 5 subsidiair ten laste gelegde

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 8 maart 2018, opgenomen op pagina 252 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 4] :

Ik doe aangifte van diefstal van mijn GoPro camera, gepleegd tussen dinsdag 27 februari 2018 om 20:00 uur en woensdag 28 februari 2018 om 08:07 uur.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 18 april 2018, opgenomen op pagina 263 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als

verklaring van [slachtoffer 4] :

Op woensdag 18 april 2018 nam de politie telefonisch contact met mij op. Zij vertelden mij dat ze een GoPro hadden aangetroffen die vermoedelijk van diefstal afkomstig was.

(p. 264) Ik kan u vertellen dat ik zeker weet dat dit mijn GoPro is. Daarnaast herken ik het opbergzakje waarin de GoPro verpakt zit. Deze had ik los erbij gekocht. De overige accessoires herken ik ook. Dit zijn precies dezelfde accessoires als die ik ook had aangeschaft bij de aankoop van mijn GoPro.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 april 2018, opgenomen op pagina 274 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als relaas van verbalisant:

Op woensdag 18 maart 2018, verscheen aangever [slachtoffer 4] aan het buro van politie Holstmeerweg 3 te Leeuwarden. Aldaar bleek dat de camera door middel van de interface bluetooth, aan aangevers telefoon koppelde, terwijl deze zich in de directe nabijheid van de camera bevond.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 april 2018, opgenomen op pagina 267 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medewerker 1] namens [benadeelde partij 1] :

Op 28 februari 2018 heb ik een videocamera ingekocht van het merk GoPro. Uit onderzoek van de politie blijkt dat deze GoPro van diefstal afkomstig is.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 6 april 2018, opgenomen op pagina 269 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [medewerker 1] :

De GoPro is aangeboden door ene [verdachte] , geboren op [geboortedatum] -1980. Hij heeft zich

gelegitimeerd met een ID-kaart. Deze persoon heeft dit product op 28 februari 2018 bij ons aangeboden en wij hebben hem ingekocht voor een bedrag van 40 euro.

6. De door verdachte op de terechtzitting van 13 augustus 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb de GoPro voor een kennis te koop aangeboden. Ik wist dat de kans groot was dat de GoPro fout was, maar ik vraag niet aan iedereen waar een product gestolen is.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 6 en 7 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgaven luiden als volgt:

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 augustus 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 4 mei 2018, opgenomen op pagina 321 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [medewerker 2], namens de gemeente Leeuwarden en/of Palet;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 30 april 2018, opgenomen op pagina 324 e.v. van voornoemd dossier.

Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 13 augustus 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 10 april 2018, opgenomen op pagina 340 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 5] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van sporenonderzoek d.d. 20 mei 2018, opgenomen op pagina 343 e.v. van voornoemd dossier.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 4, 5 subsidiair, 6 en 7 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij omstreeks het tijdvak van 26 t/m 29 april 2018 te [pleegplaats] , gemeente Ferwerderadiel en in de gemeente Leeuwarden, een goed, te weten een bedrijfsauto (Volkswagen Transporter, kenteken [kenteken] ) heeft verworven en voorhanden gehad, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij op 27 april 2018 te Leeuwarden en te Gorredijjk, gemeente Opsterland, goederen, te weten een trailer met een boot, heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van deze goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

4.

hij op 27 januari 2018, in de gemeente Leeuwarden, in een woning, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen, een portemonnee (inhoudende o.a. een bankpas) toebehorende aan [slachtoffer 3] ,

en dat

hij in het tijdvak van 27 t/m 28 januari 2018, in de provincie Friesland, meermalen op verschillende plaatsen, telkens een geldbedrag, dat telkens toebehoorde aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen, telkens met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, telkens terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door telkens goederen aan te kopen / te betalen en/of geld op te nemen met gebruikmaking van een op naam van [slachtoffer 3] staande bankpas en bijbehorende pincode;

5.

hij omstreeks het tijdvak van 27 t/m 28 februari 2018 te Leeuwarden, een goed, te weten een camera (GoPro), heeft verworven, voorhanden gehad en overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

6.

hij op 8 april 2018 te Leeuwarden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om goederen, die toebehoorden aan de gemeente Leeuwarden en/of Palet, in een pand aan/nabij de [straatnaam] weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en verbreking,

- zich naar dat pand heeft begeven en

- een raam van dat pand heeft vernield/geforceerd en

- dat pand via een geforceerd raam is binnengegaan en

- in dat pand kasten en lades heeft geopend en doorzocht naar goederen van zijn gading, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

7.

hij op 8 april 2018 te Leeuwarden, in een garage aan/nabij de [straatnaam] , een fiets (merk/type Batavus Mambo), toebehoorde aan [slachtoffer 5] , heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair, 2 subsidiair, 5 subsidiair: Opzetheling.

4. Diefstal en diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd.

6: Poging tot diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van braak en verbreking.

7: Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door

middel van braak.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van hetgeen hij te bewijzen acht wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ervoor gepleit een eventuele onvoorwaardelijke straf in de vorm van een taakstraf op te leggen, eventueel in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het over hem opgemaakte reclasseringsrapport en het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een betrekkelijk kort tijdsbestek schuldig gemaakt aan een aantal (gekwalificeerde) vermogensdelicten en begunstigingsdelicten. Verdachte heeft daarmee inbreuk gemaakt op de eigendomsrechten van de betreffende aangevers dan wel door de helingshandelingen andermans diefstal bevorderd. Tevens heeft hij aangevers schade berokkend.

Verder is verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, meermalen onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte wordt aangemerkt als veelpleger.

Gelet op de ernst van de feiten, bezien in samenhang met de strafrechtelijke documentatie van verdachte, acht de rechtbank een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf in beginsel passend en geboden.

De rechtbank heeft verder gelet op het reclasseringsrapport d.d. 25 juli 2018 en het daarin neergelegde advies.

De reclassering legt een verband tussen het delictgedrag van verdachte en zijn harddrugsgebruik en financiële problemen en acht de kans op recidive hoog. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, onder oplegging van bijzondere voorwaarden, die samengevat inhouden:

- een meldplicht bij reclassering;

- een gedragsinterventie cognitieve vaardigheden;

- begeleid wonen of maatschappelijke opvang;

- een ambulante behandelverplichting.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat gelet op het reclasseringsrapport aanleiding bestaat om de genoemde bijzondere voorwaarden op te leggen. De rechtbank ziet reden om daarbij een proeftijd op te leggen van 3 jaren.

Gelet op het feit dat de rechtbank tot een beperktere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie zal de rechtbank een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen met een onvoorwaardelijk deel van kortere duur dan door de officier van justitie is gevorderd.

Een strafafdoening als bepleit door de raadsman doet naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht aan de ernst en omvang van de feiten en gaat voorbij aan het inmiddels forse strafblad van verdachte.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 3.622,08 ter vergoeding van materiële schade en

€ 352,23 ter vergoeding proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 1.857,78 ter vergoeding van materiële schade en € 150,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [slachtoffer 1] voor wat betreft de geclaimde proceskosten. De vordering dient voor het over niet-ontvankelijk te worden verklaard omdat dat deel door de verzekering wordt vergoed.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] heeft de officier van justitie geconcludeerd tot algehele toewijzing met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gelet op zijn standpunt ten aanzien van de bewijsvraag betoogd dat de vordering van [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk dient te worden. Mocht de rechtbank heling bewezen achten dan dient beoordeeld te worden welk deel van de schade aan verdachte is toe te rekenen.

De vordering van [slachtoffer 3] is naar de mening van de raadsman niet voor toewijzing vatbaar. Ten aanzien van de materiële schade heeft verdachte verklaard dat hij de gepinde geldbedragen aan [slachtoffer 3] heeft teruggegeven. De gestelde immateriële schade is onvoldoende onderbouwd.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde.

[slachtoffer 1] heeft evenwel ter terechtzitting verklaard dat het bedrag aan materiële schade door de verzekering zal worden vergoed. De rechtbank zal de benadeelde partij in diens vordering daarom voor wat betreft dit deel niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op € 352,23, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 4 bewezen verklaarde.

Zoals de rechtbank hiervoor ten aanzien van het bewezenverklaarde heeft overwogen acht zij bewezen dat verdachte zich de gepinde geldbedragen wederrechtelijk heeft toegeëigend. van teruggave van het geld door verdachte aan [slachtoffer 3] is niet gebleken.

De rechtbank acht voorts de hoogte van de gestelde immateriële schade voldoende onderbouwd en acht het aannemelijk dat het slachtoffer deze schade heeft geleden. De vordering zal in totaal tot een bedrag van (€ 1.857,78 + € 150,00) € 2.007,78 worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 28 januari 2018.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 20 maart 2015, gewezen door de toenmalige rechtbank te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -voor zover hier van belang- een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De proeftijd is ingegaan op 21 juli 2015.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 16 juli 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De raadsman heeft er voor gepleit om in geval van toewijzing van de vordering een groot gedeelte van de gevangenisstraf om te zetten in een werkstraf.

De rechtbank overweegt als volgt.

De hiervoor bewezen verklaarde feiten zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van de hem bij voornoemd vonnis van 20 maart 2015 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf. De rechtbank ziet geen reden om een deel van de gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf, zoals door de raadsman is verzocht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 36f, 45, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte 1 primair, 2 primair, 3 primair en subsidiair en 5 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair, 4, 5 subsidiair, 6 en 7 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen na zijn detentie zal melden bij de reclassering

van Verslavingszorg Noord Nederland op het volgende adres; Oostergoweg 6 te Leeuwarden. Veroordeelde zal zich blijven melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

2. dat de veroordeelde actief zal deelnemen aan de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (CoVa) of een andere gedragsinterventie die gericht is op cognitieve vaardigheden, zulks ter beoordeling van de reclassering. Veroordeelde zal zich daarbij houden aan de afspraken en aanwijzingen van de trainer/begeleider;

3. dat de veroordeelde (ambulante) woonbegeleiding vanuit Limor, of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, zal ontvangen. Het verblijf en/of de begeleiding start(en) na zijn detentie. Het verblijf zal gedurende de gehele proeftijd plaatsvinden, of zoveel korter als de reclassering nodig vindt.

Veroordeelde zal zich daarbij houden aan de huisregels en het dagprogramma die/dat de betreffende instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

4. dat de veroordeelde mee zal werken aan een intake (en behandeling indien de

instelling/behandelaar dit nodig acht) bij de Forensische Polikliniek van VNN of een soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering. Veroordeelde zal zich daarbij houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven. Hierbij dient hij de geïndiceerde medicatie onder toezicht van een behandelaar in te nemen, zolang en zo vaak als de behandelaar dit noodzakelijk acht.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van 18/720170-18, feit 1 subsidiair:

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 352,23.

Ten aanzien van 18/720170-18, feit 4:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.007,78 (zegge: tweeduizend en zeven euro en achtenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 januari 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 2.007,78 (zegge: tweeduizend en zeven euro en achtenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 30 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.857,78 aan materiële schade en € 150,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/730385-14:

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de toenmalige rechtbank te Leeuwarden d.d. 20 maart 2015, te weten: een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, voorzitter, mr. J. Edgar en mr. E.P. van Sloten, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 augustus 2018.

Mr. Van Sloten en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.