Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3788

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
162046 FT RK 18.474 en 162054 FT RK 18.476
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dwangakkoord. Bank weigert het aanbod verzoeker. KBNL stelt dat AVG (algemene verordening persoonsgegevens) haar verbiedt medische gegevens aan schuldeiser te verstrekken. Bank betwist dit, gaat akkoord met verzoek dwangakkoord, maar vraagt oordeel rechtbank over reikwijdte AVG. Mag KBNL bijzondere persoonsgegevens verwerken en verstrekken aan in kader voorbereiden gerechtelijke procedure?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2018/307
JBP 2018/116
Module Privacy en persoonsgegevens 2019/1301
Module Privacy & AVG 2019/1301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

Zaaknummer dwangakkoord: 162046 FT RK 18.474 en 162054 FT RK 18.476

Vonnis van 18 september 2018

in de zaak van

1 [verzoeker 1]

2. [verzoeker 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

aan de [adres] ,

verzoekers,

bijgestaan door de heer J. Oldenbroek,

werkzaam als schuldhulpverlener bij Kredietbank Nederland te Leeuwarden,


tegen

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

verweerster,

vertegenwoordigd door Lindorf b.v.,

gevestigd te (3800 GJ) Amersfoort,

postbus 2750.

1 De procedure

1.1.

J. [verzoekers] (hierna: verzoekers) hebben bij verzoekschrift, binnengekomen op 5 juli 2018 ter griffie van deze rechtbank, primair verzocht ABN AMRO BANK N.V. (hierna: ABN), Stichting Wonen Noordwest Fryslan (SWNF), Direct Pay Services b.v. (DPS), OWM Centrale Zorgverzekeraars Groep Zorgverzekeraar UA (OWM) en de Efeling te bevelen in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling, een en ander als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw). Bij het verzoek dwangakkoord zijn twee WSNP-verzoeken als bijlage gevoegd. ABN heeft op 3 september 2018 een verweerschrift ingediend. SWF, DPS en de Efteling hebben alsnog ingestemd met de door verzoekers aangeboden schuldregeling. J. Oldenbroek (hierna: KBNL) heeft ter zitting aangegeven het verzoek in te trekken, voor zover dit betrekking heeft op SWF, DPS en de Efteling. OWM heeft geen verweer gevoerd en heeft schriftelijk te kennen gegeven niet te zullen verschijnen. KBNL heeft ter zitting verklaard dat OWM slechts instemt, als alle schuldeisers instemmen met de schuldregeling. KBNL heeft op 2 juli 2018 medische informatie overgelegd die betrekking heeft op verzoekers. De rechtbank heeft het verzoek

dwangakkoord ter terechtzitting van 4 september 2018 behandeld. Verzoekers zijn ter terechtzitting verschenen, vergezeld door de heer G. Benedictus (hierna: Benedictus) en de beschermingsbewindvoerder, de heer B.T. Jager (hierna: de beschermingsbewindvoerder. Namens ABN zijn verschenen, de heer [X] en de heer [Z] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

De beide regelingen zijn op 21 januari 2014 geëindigd, zodat verzoekers wegens de imperatieve weigeringsgrond van artikel 288 lid 2 sub d Fw pas januari 2024 zouden kunnen worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. De schuldsaneringsregeling van verzoekers is geëindigd zonder schone lei, waardoor verzoekers wederom zijn geconfronteerd met een problematische schuldensituatie. Deze problematiek is verergerd door wisselende inkomsten. Vanaf 2 december 2016 heeft de rechtbank aan verzoekers een beschermingsbewindvoerder toegewezen. Verzoekers zijn in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.2

Uit de overgelegde lijst van schuldeisers blijkt dat de totale schuldenlast van verzoekers thans € 109.849,19 bedraagt, ofwel één preferente schuldeiser (de Belastingdienst) met een vordering van € 1.514,-- en dertig concurrente schuldeisers met een totaalbedrag van € 108.335,19 aan vorderingen. De vorderingen van OWM en de Rabobank bedragen respectievelijk € 5.057,22 en € 61.219,60 en deze vorderingen vertegenwoordigen respectievelijk 4.6% en 55,73% van de totale schuldenlast van verzoekers.

2.3

KBNL heeft namens verzoekers bij brief van 25 januari 2018 een schuldregeling aan de schuldeisers voorgesteld op basis van een saneringskrediet. Op 14 februari 2018 heeft KBNL wederom een brief aan de schuldeisers verzonden. Het aanbod houdt in dat aan de schuldeisers een bedrag ineens wordt aangeboden waarbij aan de concurrente schuldeisers 1,89% en aan de preferente schuldeisers 3,79% van het bedrag van hun vordering zullen ontvangen. KBNL heeft bij de brief van 25 januari 2018 aan de schuldeisers een toelichting gegeven op het betalingsvoorstel, waarin KBNL onder meer heeft aangegeven dat voor verzoekers sprake is van medische problematiek, zodat er volgens KBNL geen reële kansen zijn op betaald werk. ABN heeft bij brief van 6 maart 2018 niet akkoord te gaan omdat volgens haar onder meer niet duidelijk is of het aanbod het maximaal haalbare is. Volgens ABN is voorts niet duidelijk wat de verdiencapaciteit is van verzoekers. Het aanbod is volgens ABN niet goed gedocumenteerd. Bij brief van 1 mei 2018 heeft ABN gepersisteerd bij haar weigering, nu KBNL volgens haar niet is ingegaan op de door ABN opgeworpen vragen in de brief van 6 maart 2018. KBNL heeft vervoglens een procedure dwangakkoord opgestart. Nu ABN niet akkoord gaat met het voorstel, en OWM algehele instemming als voorwaarde voor haar akkoord heeft gesteld, hebben alle overige schuldeisers ingestemd met het akkoord, met uitzondering van OWM en ABN.

3 De beoordeling van het verzoek ex artikel 287a Fw

3.1.

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser vrijstaat te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt betaald. Dit brengt mee dat een schuldeiser slechts

onder bijzondere omstandigheden gedwongen kan worden in te stemmen met een door de schuldenaar aangeboden akkoord. Het verzoek kan slechts worden toegewezen indien een

schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de

schuldeiser heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoeker(s) of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

3.2.

Het belang van verzoekers is erin gelegen dat zij de problematische schulden middels een minnelijk traject weten op te lossen. Als niet weersproken staat vast dat verzoekers zich in een problematische uitzichtloze financiële situatie bevinden. Gelet hierop is het belang van verzoekers er bij gediend buiten het driejarige wettelijke schuldsaneringstraject te blijven. De schuldeisers die reeds hebben ingestemd hebben belang bij een spoedige vereffening van het akkoord. Nu OWM aan haar medewerking slechts een voorwaarde heeft verbonden, is er geen sprake van een weigering op inhoudelijke gronden. De rechtbank overweegt dat ook een zwijgende schuldeiser het tot stand komen van een minnelijk akkoord belemmert, evenals een schuldeiser die op inhoudelijke gronden weigert. OWM zal in het kader van deze beslissing dan ook als ‘weigeraar’ worden betiteld. OWM is niet in rechte verschenen en zij heeft in het kader van deze procedure dus evenmin verweer gevoerd. Aangezien OWM geen gebruik heeft gemaakt van de haar geboden gelegenheid hun belang ter zitting nader toe te lichten, zal de rechtbank eventuele belangen van OWM niet, althans slechts marginaal in haar oordeel betrekken.

3.3.

De rechtbank is van oordeel dat het akkoord goed en betrouwbaar is gedocumenteerd, voldoende transparant is en voldoende informatie bevat voor ABN om haar standpunt te bepalen. Het financiële belang van ABN is - voor zover uitgedrukt in een percentage - weliswaar groter is dan het financiële belang van de overige schuldeisers, nu dat belang met 55,73% een aanzienlijk aandeel vormt van de totale schuldenlast, maar aan dat enkele feit kan in de te maken belangenafweging niet zonder meer een doorslaggevende werking worden toegekend. (vergelijk ECLI:NL:RBROT:2018:4001). Van doorslaggevend belang is of boven redelijke twijfel is verheven dat de schuldeisers met het akkoord méér zullen ontvangen dan zonder de schuldregeling. De uitkomst van de vergelijking tussen de opbrengst voor de schuldeisers uit het voorliggende akkoord en de situatie dat de schuldsaneringsregeling van toepassing zou zijn is één van de omstandigheden die de rechtbank meeweegt bij haar oordeel uit hoofde van art. 287a lid 5 Fw.

3.4.

Uit de stukken en hetgeen ter terechtzitting is besproken is namens verzoekers voldoende duidelijk gemaakt dat het voorstel bij de huidige stand van zaken Gelet op de stukken die verzoekers hebben overgelegd en hetgeen ter terechtzitting daarover is verklaard, acht de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat het voorstel bij de huidige stand van zaken, al dan niet met toepassing van de WSNP op termijn, het maximaal haalbare is. In het onderhavige geval geldt dat verzoekers eerder zijn toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. KBNL heeft ter zitting een nadere toelichting gegeven op het aanbod.

3.5.

ABN heeft ter zitting kennis genomen van de medische achtergrond van verzoekers en heeft verklaard dat de medische gegevens voldoende aanleiding geven voor de conclusie dat verzoekers kennelijk onvoldoende in staat zijn om meer spaarcapaciteit te genereren. ABN sluit niet dat zij met het akkoord had ingestemd, als KBNL deze informatie eerder aan hen had verstrekt. ABN kan zich dan ook niet vinden in het standpunt van KBNL dat op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: AVG) geen medische

gegevens zou mogen registreren en deze gegevens evenmin aan derden mag verstrekken. ABN stelt zich - kort samengevat - dat deze gegevens onontbeerlijk zijn om de spaarcapaciteit van verzoekers in te kunnen schatten en aldus een afweging te maken of aanvaarding van het akkoord gunstig is. De AVG strekt volgens ABN niet zo ver dat haar die gegevens zouden moeten worden onthouden. ABN heeft de rechtbank verzocht of zij in haar beslissing wil ingaan op deze kwestie.

3.6.

In het kader van de vraag of het akkoord het maximaal haalbare is, vat de rechtbank het betoog aldus op dat ABN de meerwaarde van een akkoord niet op inhoudelijke gronden betwist. De rechtbank acht aldus boven redelijke twijfel verheven dat aan de schuldeisers meer is aangeboden dan hetgeen zij zonder akkoord, al dan niet met toepassing (op termijn) van de wettelijke schuldsanering zouden kunnen krijgen. Afwijzing van het verzoek zou bovendien de schuldeisers die reeds hebben ingestemd nadelig treffen in hun financiële belang. Aldus dient het belang van verzoekers en dat van de schuldeisers die reeds hebben ingestemd, zwaarder te wegen dan het belang van ABN. De rechtbank acht dan ook voldoende termen aanwezig om ABN te bevelen mee te werken aan het door verzoekers aangeboden akkoord, waarbij de rechtbank ook rekening houdt met het belang van verzoekers, voor wie de WSNP geen optie is.

3.7.

De beide verzoeken om te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling kunnen, gelet op toewijzing van het primaire verzoek, onbesproken blijven.

4 Reikwijdte Algemene Verordening Gegevensbescherming

4.1.

De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) is medio mei 2016 in werking getreden en is vanaf 25 mei 2018 van toepassing. Het uitgangspunt van de AVG is het transparantiebeginsel. Dit beginsel dient in eerste instantie ter bescherming van een natuurlijk persoon tegen onnodige opslag en verstrekking van zijn persoonsgegevens door derden. De AVG zal in Nederland worden uitgevoerd aan de hand van een uitvoeringswet (UAVG) welke eveneens met ingang van 25 mei 2018 van toepassing is verklaard. Voorts heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie een handleiding verstrekt ter bevordering van een juist begrip en toepassing van de AVG en de UAVG. Als in de AVG wordt gesproken over bijzondere persoonsgegevens wordt daarmee onder meer bedoeld medische gegevens van een persoon. Op grond van artikel 9 van de AVG geldt in verband met het verwerken van dergelijke gegevens in beginsel een verwerkingsverbod, waarop echter krachtens artikel 22 van de UAVG een aantal uitzonderingen gelden:

a. de betrokkene uitdrukkelijke toestemming heeft gegeven voor de verwerking van die persoonsgegevens voor een of meer welbepaalde doeleinden;

(………..)

d. de verwerking betrekking heeft op persoonsgegevens die kennelijk door de betrokkene openbaar zijn gemaakt;

(…………)

e. de verwerking noodzakelijk is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering, of wanneer gerechten handelen in het kader van hun rechtsbevoegdheid.

Nu verzoekers KBNL hebben voorzien van hun medische gegevens en KBNL die gegevens aan de rechtbank heeft doorgestuurd, gaat de rechtbank ervan uit dat verzoekers KBNL voor

het verwerken en doorsturen van de medische gegevens kennelijk toestemming hebben gegeven. De rechtbank gaat dan ook voorbij aan de stelling van KBNL dat zij op grond van de AVG of de UAVG niet gerechtigd zou zijn tot verwerking van medische gegevens. Dat kan immers worden afgeleid uit de uitzondering van artikel 22 lid a van de UAVG. Uitgangspunt is daarbij dat de gegevens alleen verwerkt mogen worden in welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigd doel of doelen, waarvoor uitdrukkelijk toestemming van de schuldenaar gegeven moet zijn. Het verstrekken van informatie aan derden zou opgevat kunnen worden als een verruiming van het oorspronkelijke doel en dit is naar het oordeel van de rechtbank verdedigbaar als de verruiming verenigbaar blijft met het oorspronkelijke verzameldoel met het doel, waarover een schuldenaar met KBNL wederom goede afspraken dient te maken. De rechtbank is op grond van lid e van artikel 22 UAVG bevoegd tot registratie van deze medische gegevens nu die registratie valt onder handelen in het kader van haar rechtsbevoegdheid als bedoeld in dat artikel.

4.2.

Of KBNL deze gegevens op haar beurt aan ABN mocht verstrekken wordt in belangrijke mate beheerst door het volgende. Bij de totstandkoming van artikel 287 a Fw heeft de wetgever bepaald dat bij de te maken belangenafweging een aantal omstandigheden een rol kunnen spelen. In ieder geval drie omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank leidend voor het antwoord op de in rechtsoverweging 3.5. door ABN opgeworpen vraag:

* is het schikkingsvoorstel goed en betrouwbaar gedocumenteerd;

* is voldoende duidelijk gemaakt dat het aanbod het uiterste is waartoe de schuldenaar financieel in staat moet worden geacht;

* biedt het alternatief van faillissement of schuldsanering enig uitzicht voor de schuldeiser: hoe groot is de kans dat de weigerende schuldeiser evenveel of meer zal ontvangen;

4.3.

Weliswaar moet KBNL worden nagegeven dat behoedzaam met de privacybelangen moet worden omgesprongen, maar daar staat tegenover dat een schuldeiser, om zich in redelijkheid te kunnen beraden op een akkoord afhankelijk is van de informatie die haar door KBNL beschikbaar wordt gesteld. Een schuldeiser mag naar het oordeel van de rechtbank in dat verband rekenen op concrete informatie, te meer als die informatie dient ter onderbouwing van de stelling dat spaarcapaciteit geheel ontbreekt. Als de informatie een medisch karakter heeft, komt in beginsel het recht op privacy van een schuldenaar in het geding. Als een schuldenaar een akkoord wenst te treffen met zijn schuldeisers, dient een schuldenaar dan ook een persoonlijke afweging te maken of het belang bij een akkoord opweegt tegen zijn belang bij privacy. In zijn algemeenheid zal het niet noodzakelijk zijn dat een schuldenaar een volledig medisch dossier of een rapportage verstrekt. De enkele mededeling dat er medische beperkingen zijn die de arbeidscapaciteit bemoeilijken acht de rechtbank niet voldoende om een schuldeiser ervan te overtuigen dat het akkoord aantrekkelijk is. In eerste instantie zou KBNL (met toestemming van een schuldenaar) kunnen volstaan met de vermelding wat de aard van de beperking is, dat de beperking een structureel karakter heeft, hetgeen blijkt uit medische rapportage(s). Het dient een schuldeiser op zijn minst duidelijk te zijn dat KBNL haar inschatting baseert op beschikbare informatie die KBNL heeft ingezien, waaraan een schuldenaar de restrictie heeft opgelegd dat KBNL die informatie op grond van de AVG niet mag verspreiden aan een derde partij. Daarbij dient naar het oordeel van de rechtbank ook de hoogte van de vordering in aanmerking te worden genomen, waarbij beschouwd moet worden of het belang van een schuldeiser opweegt tegen het belang op privacy. De rechtbank wil benadrukken dat het een schuldenaar vrij staat zich op grond van de AVG en/of de UAVG te beroepen op zijn recht

van privacy. Daar staat tegenover dat het ontbreken van medische gevolgen kan hebben voor de beoordeling van de deugdelijkheid van het akkoord in het kader van de te maken belangenafweging.

5 Beslissing

De rechtbank

- beveelt ABN AMRO N.V. en OWM Centrale Zorgverzekeraars groep Zorgverzekeraar UA in te stemmen met de door verzoekers aangeboden schuldregeling, zoals nader omschreven in rechtsoverweging 2.3., tegen kwijtschelding van het restant;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Idzenga en in het openbaar uitgesproken op

18 september 2018 in het bijzijn van de griffier.1

1 Tegen deze uitspraak kan degene, aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.