Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3770

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-09-2018
Datum publicatie
24-09-2018
Zaaknummer
18/820238-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt ter zake van:

Parketnummer 18-820238-18:

1. Poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik

heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

2. Zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden.

Parketnummer 18-820311-18:

Primair: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van een valse sleutel.

Parketnummer 18-820238-18 onder 1 en parketnummer 18-820311-18:

Veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen,

Waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met proeftijd van 2 jaren,

Met aftrek van tijd doorgebracht in voorlopige hechtenis,

Met oplegging van algemene en bijzondere voorwaarden.

Taakstraf voor de duur van 120 uren

Parketnummer 18-820238-18 onder 3:

Geldboete ten bedrage van €95,-,

Met oplegging van algemene voorwaarde.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-830240-14:

Gelast tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten 120 dagen,

Met aftrek ingevolge art. 14fa WvSr.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 62
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 453
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/820238-18

ter berechting gevoegd parketnummer 18-820311-18

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18-830240-14

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 september 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

10 september 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G. van der Zee, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 18-820238-18:

1. hij op of omstreeks 20 mei 2018 te Winschoten, gemeente Oldambt, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een personenauto (merk: Peugeot 105), in elk geval enig goed, dat geheel of

ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en die weg te nemen

auto onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel door, in die auto te stappen en die auto door middel van een daarin aanwezige (niet

van hem, verdachte, zijnde) sleutel (trachten) te starten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. hij op of omstreeks 21 mei 2018 te Winschoten, gemeente Oldambt, [slachtoffer 2] (zijnde een ambtenaar van Politie Noord-Nederland) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen "Ik zoek je op in je vrije

tijd. Ik ga je pakken en dan gaan we zien of je een echte vent bent. Als je in

je vrije tijd bent zonder handboeitjes en uniform, pak ik je", althans woorden

van gelijke dreigende aard of strekking;

3. hij op of omstreeks 21 mei 2018 te Winschoten, gemeente Oldambt, zich in

kennelijke staat van dronkenschap heeft bevonden op de openbare weg de

[straatnaam], althans op een openbare weg;

Ten aanzien van parketnummer 18-820311-18:

hij op of omstreeks 29 juli 2018 te Stadskanaal

een personenauto, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door die auto te starten met een aan [slachtoffer 3] , althans een niet aan hem, verdachte, toebehorende autosleutel;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij te Stadskanaal en/of elders in de provincie Groningen, op of omstreeks 29 juli 2018 opzettelijk wederrechtelijk een motorrijtuig, (personenauto), toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, als bestuurder heeft gebruikt op de weg, de [straatnaam] (te Stadskanaal) en/of andere wegen in de provincie Groningen, in elk geval op een weg.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting veroordeling gevorderd voor het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde onder parketnummer 18-820238-18. Met betrekking tot feit 2 heeft zij aangevoerd dat verbalisant [slachtoffer 2] aangifte heeft gedaan van bedreiging en daarbij heeft aangegeven dat hij zich door de bewoordingen van verdachte bedreigd heeft gevoeld. Verdachte was boos en heeft de woorden meerdere malen tegen verbalisant herhaald. Daar komt bij dat verdachte in de werkomgeving van verbalisant woont. Ook heeft de verbalisant eerder met verdachte te maken gehad en is hij ambtshalve bekend met het justitiële verleden van verdachte. Op basis van deze omstandigheden kon bij aangever de redelijke vrees ontstaan dat verdachte daadwerkelijk een misdrijf tegen hem zou plegen.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde onder parketnummer 18-820311-18.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde onder parketnummer 18-820238-18. Zij heeft daartoe met betrekking tot feit 1 aangevoerd dat verdachte niet de intentie heeft gehad om de auto van aangeefster [slachtoffer 1] te stelen. Hij wilde zich enkel vervoeren met de auto en daarmee kan de ten laste gelegde diefstal niet bewezen worden. Ten aanzien van het tweede feit geldt dat de door verdachte gebruikte bewoordingen hooguit beledigend zijn, maar geen bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht of zware mishandeling opleveren. Het derde feit is wel te bewijzen.

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het primair ten laste gelegde onder parketnummer 18-820311-18. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte goed bevriend is met aangeefster en diens partner. Verdachte heeft eerder die dag aan hen aangegeven de auto te willen gebruiken. Het was zijn bedoeling de auto na gebruik weer te retourneren. Verdachte heeft de auto dus niet weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening. Nu dit oogmerk ontbreekt is volgens de raadsvrouw hooguit sprake van joyriding en dient verdachte van het primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde onder parketnummer 18-820238-18 niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

Om tot een bewezenverklaring van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven en/of met zware mishandeling te kunnen komen, dient volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad onder meer bewezen te worden dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee gedreigd werd ook gepleegd zou worden.

De rechtbank is van oordeel dat de gedragingen zoals door verbalisant omschreven niet kunnen worden aangemerkt als een strafrechtelijke bedreiging met enig misdrijf tegen het leven en/of met zware mishandeling. De bewoordingen 'Ik ga je pakken' zijn te onbepaald om als concrete dreiging met een misdrijf tegen het leven en/of zware mishandeling aangemerkt te kunnen worden. De door de officier van justitie genoemde omstandigheden waaronder deze woorden zijn geuit maken bovendien niet dat de verbalisant de woorden desondanks zodanig serieus kon nemen dat bij hem in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij bij een volgende ontmoeting met verdachte het leven zou kunnen verliezen of zwaar letsel zou kunnen bekomen.

De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het ten laste gelegde feit.

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor het onder 1 bewezen verklaarde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting d.d. 10 september 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het klopt wel dat ik degene was die op 20 mei 2018 in de auto van aangeefster heeft gezeten. Ik was onder invloed en kan me niet meer herinneren wat mijn bedoeling met die auto was.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 21 mei 2018, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier met nummer 2018125425 d.d. 5 juni 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op 20 mei 2018 hoorde ik dat mijn auto gestart werd. Ik zag een mij onbekende jongen aan de achterzijde van mijn auto staan. Toen ik naar buiten kwam hoorde ik van mijn dochter en mijn vriend, dat die onbekende jongen had geprobeerd om mijn auto te stelen en dat zij hem hiervan weerhouden hadden.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 21 mei 2018, opgenomen op pagina 15 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Ik was gisteravond zondag 20 mei 2018 bij mijn vriendin [slachtoffer 1] in de woning. Zij woont in de [straatnaam] in Winschoten. Ik hoorde vanuit de woning dat de auto van mijn vriendin werd gestart. Ik zag toen dat een man in mijn vriendin haar auto zat en probeerde de auto te starten. We hebben de man overgedragen aan de politie die inmiddels ook gearriveerd was.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 21 mei 2018, opgenomen op pagina 18 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2]

Ik zag dat een man in de auto van mijn moeder stapte en de auto startte. Ik ben schuin voor de auto gaan staan en riep: 'Eruit! Eruit!' Ik hoorde dat hij nog enkele keren de auto probeerde te starten.

Dat verdachte enkel de auto had willen meenemen om zich te kunnen vervoeren, zoals de raadsvrouw heeft aangevoerd, acht de rechtbank niet aannemelijk. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij de aangeefster niet kent en zich niet veel kan herinneren van de gebeurtenis. Uit zijn gedragingen leidt de rechtbank echter af dat hij van plan was de auto te starten en er mee weg te rijden. Er is geen enkele aanwijzing dat hij voornemens was de auto na gebruik bij aangeefster terug te bezorgen.

Daarmee acht de rechtbank bewezen dat hij het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de auto had en dat poging tot diefstal bewezen kan worden.

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De door verdachte op de terechtzitting d.d. 10 september 2018 afgelegde verklaring;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van Politie Noord-Nederland d.d. 21 mei 2018, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier met nummer 2018125425, inhoudende als verklaring van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] .

Ten aanzien van parketnummer 18-820311-18:

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor het primair bewezen verklaarde redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van Politie Noord-Nederland d.d. 29 juli 2018, opgenomen op pagina 6 e.v. van het dossier met nummer 2018200149 d.d. 31 juli 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 3] :

[verdachte] is op zondag 29 juli 2018, omstreeks 00:30 uur met mijn auto vertrokken vanuit [straatnaam] te Stadskanaal met onbekende bestemming.

2.
Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 30 juli 2018, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

[verdachte] had al een aantal keer aangegeven dat hij met de auto van mijn vriendin, [slachtoffer 3] , weg wilde gaan. We hadden [verdachte] hier geen toestemming voor gegeven. Vrij snel daarna hoorden we de deur van de woning dichtslaan en liep [verdachte] richting de auto van mijn vriendin. Hij deed snel het portier van de auto op slot toen ik naar de auto van mijn vriendin rende, maar ik kon het portier van de auto niet meer openkrijgen. [verdachte] is toen weggereden.

Met betrekking tot het hierboven weergegeven standpunt overweegt de rechtbank het volgende. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij die desbetreffende avond terug wilde naar zijn vriendin en daarvoor de auto van aangeefster wilde gebruiken. Uit het dossier leidt de rechtbank echter af dat de verdachte wel degelijk het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening van de auto heeft gehad. Verdachte heeft die avond verschillende malen van aangeefster en diens partner te horen gekregen dat hij de auto niet mocht gebruiken. Hij heeft desondanks de auto meegenomen. De rechtbank acht niet aannemelijk dat hij voornemens was de auto na gebruik terug te brengen. Verdachte is immers niet naar zijn vriendin gereden, maar is door de provincie gaan rijden. Uiteindelijk is verdachte bij Oostwold aangehouden, nadat hij met snelheden van 100 kilometer per uur binnen de bebouwde kom en door tegen de rijrichting van het verkeer in te rijden had geprobeerd om aan de politie te ontsnappen.1 Gelet op de wijze waarop verdachte van de auto gebruik heeft gemaakt acht de rechtbank het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bewezen.

Bewezenverklaring

Ten aanzien van parketnummer 18-820238-18:

De rechtbank acht het onder feit 1 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. hij op 20 mei 2018 te Winschoten, gemeente Oldambt, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een personenauto (merk: Peugeot 105) die aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , weg te nemen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en die weg te nemen auto onder zijn bereik te brengen door middel van een valse sleutel door, in die auto te stappen en die auto door middel van een daarin aanwezige (niet van hem, verdachte, zijnde) sleutel (trachten) te starten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. hij op 21 mei 2018 te Winschoten, gemeente Oldambt, zich in kennelijke staat van dronkenschap heeft bevonden op de openbare weg de [straatnaam].

Ten aanzien van parketnummer 18-820311-18:

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 29 juli 2018 te Stadskanaal

een personenauto, die aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] ,

heeft weggenomen

met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,

terwijl verdachte die weg te nemen personenauto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door die auto te starten met een aan [slachtoffer 3] , toebehorende autosleutel.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien parketnummer 18-820238-18:

1. Poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik

heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

2. Zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden.

Ten aanzien van parketnummer 18-820311-18:

Primair: Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft

gebracht door middel van een valse sleutel.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie gevorderd om verdachte te veroordelen ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde onder parketnummer 18-820238-18 en het primair ten laste gelegde onder parketnummer 18-820311-18, tot een gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Daarbij dient verdachte zich te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals de reclassering die in het rapport d.d. 5 september 2018 geadviseerd heeft. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd om verdachte te veroordelen ter zake van het onder 3 ten laste gelegde onder parketnummer 18-820238-18, tot een geldboete van €95,- euro, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarbij heeft de officier van justitie gelet op de recidive ten aanzien van diefstal en bedreiging van verdachte, de richtlijnen van het openbaar ministerie en het advies van de reclassering in de rapportage d.d. 5 september 2018.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte inmiddels een baan heeft en daarom zou oplegging van een (gedeeltelijke) taakstraf volgens haar passend zijn. Tevens heeft verdachte aangegeven bereid te zijn om zich te houden aan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportage van de Reclassering Nederland, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een diefstal van een voertuig en openbare dronkenschap. Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een poging tot diefstal van een voertuig. De verdachte heeft, door aldus te handelen, wederom blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de eigendommen van anderen. Dergelijke delicten veroorzaken grote gevolgen bij betrokkenen en brengen ook elders in de samenleving gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel justitiële documentatie van 3 augustus 2018, waaruit blijkt dat verdachte meermalen is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Verdachte liep voor een eerdere veroordeling nog in een proeftijd, hetgeen verdachte er kennelijk niet van weerhouden heeft zich enige tijd hierna opnieuw aan een soortgelijk strafbaar feit schuldig te maken.

Blijkens het rapport over de verdachte, opgemaakt door de reclassering en gedateerd

5 september 2018, is verdachte een beïnvloedbare en impulsieve man. Er is een duidelijk aanwezig patroon van delicten die onder invloed van alcohol worden gepleegd. Abstinentie bij verdachte is volgens de reclassering echter niet haalbaar. Verdachte lijkt geen positief of steunend sociaal netwerk te hebben. Huisvesting, werk en dagbesteding zijn volgens de reclassering eveneens problematisch. Verder is uit het reclasseringsrapport gebleken dat er al meerdere ambulante interventies zijn ingezet, zowel binnen de jeugdreclassering als binnen de volwassenreclassering. Daar is sprake van een patroon van onttrekkingen aan bijzondere voorwaarden. Er wordt geadviseerd om een flink aantal bijzondere voorwaarden op te stellen waarbij er frequente controle is op zijn gedragingen en dat ernstige overtredingen moeten leiden tot beëindiging van het toezicht.

Gelet op het voorgaande en ter voorkoming van recidive acht de rechtbank het noodzakelijk dat verdachte zich laat behandelen voor zijn alcoholproblematiek en meewerkt aan middelencontrole.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat er al de nodige stappen zijn gezet door verdachte, met hulp van de gemeente, op het gebied van dagbesteding en huisvesting. De rechtbank zal hiermee rekening houden in de strafoplegging.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf passend en geboden is. De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie omdat de rechtbank meer rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals het feit dat verdachte momenteel een baan heeft. Gelet op het advies van de reclassering acht de rechtbank daarnaast een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden verbonden passend en geboden. De rechtbank ziet voorts geen meerwaarde in het opleggen van een onvoorwaardelijke geldboete ter zake de overtreding van artikel 453 Sr en zal zich derhalve beperken tot het opleggen van een geheel voorwaardelijke geldboete.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van het resterende deel van de bij vonnis van 22 april 2015 door de meervoudige strafkamer opgelegde voorwaardelijke straf.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om van de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen niet meer ten uitvoer te leggen dan de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht.

Oordeel van de rechtbank

Bij onherroepelijk geworden vonnis van 10 november 2014, gewezen door de meervoudige strafkamer van in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot

- voor zover hier van belang - een gevangenisstraf voor de duur van 262 dagen, waarvan 150 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren.

De proeftijd is ingegaan op 11 juli 2016.

Bij beslissing van 22 april 2015 heeft de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen de tenuitvoerlegging gelast van een gedeelte, groot 30 dagen, van de voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf.

De officier van justitie heeft bij vordering d.d. 14 augustus 2018 de tenuitvoerlegging gevorderd van het resterende deel van de bij voormeld vonnis voorwaardelijk opgelegde straf.

De hiervoor onder feit 1 en 3 ten laste gelegde feiten (parketnummer 18-820238-18) en het primair ten laste gelegde feit (parketnummer 18-820311-18) zijn door verdachte begaan voor het einde van de bij voormeld vonnis gestelde proeftijd.

Nu veroordeelde de in voormeld vonnis gestelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, zal de rechtbank de tenuitvoerlegging gelasten van het resterende deel van de hem bij voornoemd vonnis van 10 november 2014 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, te weten 120 dagen gevangenisstraf, met aftrek van de tijd die verdachte reeds uit hoofde van artikel 14fa Sr heeft ondergaan.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 45, 57, 62, 285, 311, 453 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 onder parketnummer 18-820238-18 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 3 onder parketnummer 18-820238-18 en het primair onder parketnummer 18-820311-18 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ten aanzien van parketnummer 18-820238-18 onder 1 en parketnummer 18-820311-18:

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 180 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, de hierna te noemen algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

en

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich na ontslag uit detentie op dinsdagmiddag of donderdagmiddag tussen 15:00 uur en 16:00 uur meldt bij Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen.

2. dat veroordeelde zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;

3. dat veroordeelde zich laat behandelen voor zijn alcoholproblematiek, door VNN, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering.

4. dat veroordeelde zich laat behandelen voor zijn impulsiviteit en beïnvloedbaarheid, door De Waag te Groningen, of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering;

5. dat veroordeelde verblijft in LIMOR of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering en het verblijf de gehele proeftijd duurt zolang of zoveel korter als de reclassering dit nodig acht.

6. dat veroordeelde zich houdt aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

7. dat veroordeelde meewerkt aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen.

8. dat veroordeelde de reclassering inzicht geeft in zijn financiën en schulden;

9. dat veroordeelde zich niet op een ander adres vestigt zonder toestemming van het openbaar ministerie;

10. dat veroordeelde meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol, cannabis, cocaïne en amfetamine om het middelengebruik te beheersen, waarbij de reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van parketnummer 18-820238-18 onder 3:

betaling van een geldboete ten bedrage van € 95,-- (zegge: vijfennegentig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 1 dag hechtenis.

Bepaalt dat deze geldboete niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18-830240-14:

Gelast de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer te Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen d.d. 10 november 2014, te weten: 120 dagen.

Beveelt dat de vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 14fa van het Wetboek van Strafrecht, geheel in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de straf.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. M.B.W. Venema en mr. S. Zwarts, rechters, bijgestaan door mr. A.M.J. Flach, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 september 2018.

Mr. M.B.W. Venema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 29 juli 2018, opgenomen op pagina 12 e.v. van dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018200149 d.d. 31 juli 2018.