Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3755

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
18/001652-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn vader zwaar mishandeld door hem met een ijzeren staaf tegen het lichaam te slaan. Bij vader zijn een gebroken (ring)vinger en gebroken ribben geconstateerd.

Verdachte heeft daarnaast door het vernielen/beschadigen van goederen geen respect getoond voor eigendommen van zijn vader.

De rechtbank heeft met name gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS en legt aan verdachte een gevangenisstraf van 7 maanden op.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0760
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/001652-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 september 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats],

wonende [straatnaam] [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2018.

Verdachte is op de zitting van de politierechter van 23 maart 2018 verschenen. Na verwijzing naar de meervoudige strafkamer is verdachte telkens niet ter zitting verschenen. Ter zitting van 6 september 2018 is mr. A. Arts, advocaat te Breda, verschenen en heeft aldaar verklaard dat hij niet uitdrukkelijk is gemachtigd namens de verdachte om de verdediging te voeren. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging d.d. 6 september 2018, ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 7 november 2017 te Jubbega, althans in de gemeente Heerenveen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken en/of verbrijzelde (ring)vinger en/of gebroken ribben, heeft toegebracht, door [slachtoffer] voornoemd met een ijzeren, althans met een hard voorwerp, op het lichaam heeft geslagen;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 november 2017 te Jubbega, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of diens medeverdachte(n) voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal met een ijzeren, althans een zwaar voorwerp tegen het lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 7 november 2017 te Jubbega, althans in de gemeente Heerenveen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of met zware mishandeling, door een ijzeren buis, althans een hard voorwerp, omhoog te houden voor [slachtoffer], althans te tonen aan [slachtoffer] voornoemd;

2.
hij op of omstreeks 7 november 2017 te Jubbega, gemeente Heerenveen opzettelijk en wederrechtelijk een tafel en/of een horloge en/of een mobiele telefoon en/of een (lees)bril, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1.

De officier van justitie acht het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen, gelet op de aangifte van [slachtoffer], het bij hem geconstateerde letsel en de (deels) bekennende verklaring van verdachte.

Feit 2.

De officier van justitie acht het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen, gelet op de aangifte van [slachtoffer], de toelichting op de vordering van de benadeelde partij en de (deels) bekennende verklaring van verdachte.

Het oordeel van de rechtbank 1

Bewijsmiddelen.

Uit de aangifte van [slachtoffer] blijkt dat hij op 7 november 2017 in zijn woning in Jubbega was. Aangever pakte een ijzeren staaf voordat hij de voordeur opende en zijn zoon, te weten verdachte, in de tuin zag staan. Aangever heeft voorts verklaard:

“Voordat ik het wist werd ik door [verdachte] de gang in geduwd. Ik raakte met hem in gevecht. Dit bestond uit duw en trek. (...) Tijdens het gevecht kwamen wij in de woonkamer terecht. Iemand pakte de ijzeren staaf af. Op een gegeven moment zag ik dat [verdachte] met beide handen de ijzerstaaf vast had. Ik zag dat hij een grote zwaai maakte met de ijzeren staaf richting mij. Hij sloeg mij met de staaf, tegen mijn hele lichaam aan. Hij heeft mij letterlijk bijna overal geraakt. Ik voelde overal heel veel pijn en was zo bang. (...) Ik zag dat [verdachte] maar door ging met slaan. (...) Op een gegeven moment stopte [verdachte] met slaan. (...) Ik zag dat [verdachte] een aantal keren echt keihard op de salontafel sloeg. Ik hoorde de klappen. Ik zag dat mijn leesbril en mijn mobieltje, een Samsung Edge S6, op de tafel lag. Ik zag dat [verdachte] hierop sloeg. Mijn leesbril en mijn mobiel zijn nu stuk. Mijn salontafel is beschadigd. Mijn horloge die ik om had is nu ook stuk. (...)
Ik ben bij het ziekenhuis geweest. De dokter vertelde mij dat ik vermoedelijk 4 gescheurde/gekneusde ribben heb. Dit moet nog verder onderzocht worden. Ik heb mijn linker ringvinger en rechter ringvinger verbrijzeld.”2

Verdachte heeft bekend dat hij op 7 november 2017 naar zijn vader, te weten aangever, ging. Verdachte heeft voorts verklaard:

“Ik raakte in een worsteling met mijn vader. (...) Mijn vader liet de buis in de eerste instantie niet los. Ik was zo kwaad dat ik hem met buis en al optilde, zo de kamer in. In de kamer gekomen had ik de buis in de handen. (...) Ik heb hem toen een lel met de buis verkocht in zijn linkerzij. (...) Ik heb toen meerdere keren met de buis op de tafel geslagen. Op een gegeven moment wilde ik weer op de tafel slaan, echter op dat zelfde moment reikte hij met zijn hand naar de tafel. Volgens mij heb ik hem toen geraakt.”3

Uit de letselverklaring blijkt dat bij aangever op 27 november 2017 het volgende letsel is geconstateerd.

“Rechter hand: Ringvinger verbonden: nagel kapot, eindkootje gezwollen en pijnlijk.

Linker hand: Gipsverband.
Borstkas: in de oksellijn links zijn de 8e tot de 11e ribben pijnlijk, asdrukpijn +.
Conclusie: de letsels kunnen passen bij het opgegeven interval van 2 weken. De rechter pink zou verbrijzeld zijn, de linker pink zou gebroken zijn. De breuken zullen 6-8 weken om te genezen. De breuken van de ribben zullen na 6-8 weken genezen. Letsels past bij stomp inwerkend geweld op de borstkas, handen en knie zoals geslagen worden.”4

Uit informatie van Nij Smellinge blijkt dat R. Schutter, arts, op 8 november 2017 bij aangever het volgende heeft geconstateerd.

“Anamnese: Patiënt komt via radiologie i.v.m. ribfracturen en vingerfracturen. Rug en ribben rugzijde links doen pijn, ademen is pijnlijk. (…) Pijn aan linker dig 5 en rechter dig 4. (…)
Conclusie Radiologie: Tweetal ribfracturen links laterodorsaal. Fractuur eindfalanx dig 4 rechterhand en proximale falanx dig 5 linkerhand.

Repositie op SEH. Nadien verbeterde stand.
Beleid: Naar huis, revisie poli over 1 week met controle foto. ”5

Nadere overweging ten aanzien van feit 1.

Het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr.) bevat geen definitie of omschrijving van zwaar lichamelijk letsel. Artikel 82 Sr. geeft echter wel tot op zekere hoogte invulling aan dat begrip door te bepalen dat onder zwaar lichamelijk letsel onder meer wordt begrepen: “ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van zijn ambts- of beroepsbezigheden” alsmede “storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken geduurd heeft”. Artikel 82 Sr. strekt ertoe buiten twijfel te stellen dat in deze gevallen sprake is van zwaar lichamelijk letsel, maar er is niet beoogd een limitatieve opsomming te geven.

In lijn met de wetsgeschiedenis is in de rechtspraak van de Hoge Raad vooropgesteld dat art. 82 Sr de rechter de vrijheid laat om ook buiten de hiervoor aangeduide gevallen het lichamelijk letsel als zwaar te beschouwen wanneer dat voldoende belangrijk is om naar normaal spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid.

Als algemene gezichtspunten voor de beantwoording van de vraag of van zwaar lichamelijk letsel sprake is, kunnen in elk geval worden aangemerkt de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en het uitzicht op (volledig) herstel. De beoordeling kan ook op een combinatie van deze gezichtspunten worden gebaseerd. Bij een veelvoud van verwondingen kan in voorkomende gevallen de beoordeling worden gebaseerd op de verwondingen in hun totaliteit.6

Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat als gevolg van de door de verdachte verrichte geweldplegingen aangever letsel heeft opgelopen, namelijk twee gebroken ribben en een gebroken vinger. Gelet op de aard van dit letsel en de vermoedelijke duur van het herstel –meer dan zes weken – dient dit naar normaal spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel te worden aangemerkt. De rechtbank acht dan ook het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan in nauwe en bewuste samenwerking met een ander. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen.

Nadere overweging ten aanzien van feit 2.

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt genoegzaam dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze zoals hierna vermeld onder het kopje ‘bewezenverklaring’.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.
hij op 7 november 2017 te Jubbega, aan [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken (ring)vinger en gebroken ribben, heeft toegebracht, door [slachtoffer] met een ijzeren voorwerp op het lichaam te slaan;

2.
hij op 7 november 2017 te Jubbega, gemeente Heerenveen opzettelijk en wederrechtelijk een tafel heeft beschadigd en een horloge en een mobiele telefoon en een (lees)bril heeft vernield, geheel aan [slachtoffer] toebehorend.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair. Zware mishandeling.

2. Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

en

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

Verdachte heeft zijn vader zwaar mishandeld door hem met een ijzeren staaf tegen het lichaam te slaan. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij geweld tegen zijn vader heeft gebruikt. Verdachte heeft hierdoor het gevoel van veiligheid aangetast en een grove inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn vader. Het geweld vond in de woning van aangever plaats, de plek waar hij zich bij uitstek veilig zou moeten voelen. Verdachte heeft daarnaast door het vernielen/beschadigen van goederen geen respect getoond voor eigendommen van zijn vader.

De rechtbank heeft kennis genomen van de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting en neemt als uitgangspunt bij het toebrengen van middelzwaar lichamelijk letsel met behulp van een wapen (niet zijnde een vuurwapen) een gevangenisstraf van zeven maanden.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 5 augustus 2018, eerder onherroepelijk is veroordeeld maar niet wegens soortgelijke strafbare feiten.

Uit de reclasseringsrapporten van 5 december 2017 (opgesteld voor een andere strafzaak) en 25 mei 2018 blijkt dat verdachte telkens niet verschijnt op uitnodigingen van de reclassering. De rechtbank is dan ook niet bekend met persoonlijke omstandigheden van verdachte die in positieve of negatieve zin meegewogen kunnen worden bij een strafoplegging.

De rechtbank is in dit geval van oordeel dat een vrijheidsstraf noodzakelijk is, omdat aard en ernst van de feiten door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf passend is en oplegging daarvan geboden.

Benadeelde partij

[slachtoffer] – vertegenwoordigd door de gemachtigde M.H. van Maaren – heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.810,38 ter vergoeding van materiële schade en

€ 2.812,50 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij gevorderd, vermeerderd met de wettelijke rente en de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van de onder 1 primair en 2 bewezen verklaarde feiten. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 november 2017.

Nu hiermee de aansprakelijkheid vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 63, 302 en 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden.

Ten aanzien van feit 1 primair en 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 4.622,88 (zegge: vierduizend zeshonderdtweeëntwintig euro en achtentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 november 2017.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 4.622,88 (zegge: vierduizend zeshonderdtweeëntwintig euro en achtentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 november 2017, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 56 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 1.810,38 aan materiële schade en € 2.812,50 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. K. Post, voorzitter, mr. Th.A. Wiersma en mr. G.W.G. Wijnands, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 september 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL0100-2017303895, doorgenummerd 1 tot en met 70.

2 Pagina’s 19 en 20.

3 Pagina’s 55, 56 en 57.

4 Pagina’s 67 en 68.

5 Een geschrift, te weten een brief van Nij Smellinghe, ziekenhuis – Drachten, opgesteld door R. Schutter, arts SEH, gericht aan de huisarts van aangever.

6 Zie ook Hoge Raad 3 juli 2018, ECLI:NL:HR:2018:1051.