Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3748

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
18/730579-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 26 juli 2018 een verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden met een proeftijd van twee jaren. Verder dient verdachte een taakstraf voor de duur van 240 uren te verrichten. De vordering van de benadeelde partij is niet ontvankelijk verklaard.

Verdachte heeft zich op verschillende momenten schuldig gemaakt aan het vervalsen van documenten. In het maatschappelijk verkeer moet men erop kunnen vertrouwen dat dergelijke stukken naar waarheid zijn opgemaakt en dat vertrouwen heeft verdachte meerdere keren ernstig geschonden. Een bank heeft op grond van valse documenten een lening verstrekt aan de aangever.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730579-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1966 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juli 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot 1 mei 2012, te [plaats] en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, een of meerdere geschrift(en) dat/die bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

a. a) een werkgeversverklaring, gedateerd 24 oktober 2011 (document p.48), en/of

b) een loonspecificatie van [slachtoffer], over de periode 10 (weken 35-40) en/of eindigend op 9 oktober 2011 (document p. 50), en/of

c) een koopcontract (met betrekking tot de woning [straatnaam] te [plaats]), gedateerd 20 september 2011 (document p. 74 e.v.), en/of

d) een declaratieformulier (ver)bouwdepot op naam van [slachtoffer] voor een totaalbedrag van 34.999 euro, met omschrijving tweede termijn en/of gedateerd 7 januari 2012 (document p. 56), en/of

e) een (bij dat onder d) genoemd declaratieformulier behorende) factuur gericht aan [slachtoffer], met factuurnummer [nummer] en/of gedateerd op 7 januari 2011, voor dat/een totaalbedrag van 34.999 euro (document p. 57), en/of

f) een declaratieformulier (ver)bouwdepot op naam van [slachtoffer] voor een totaalbedrag van 28.000 euro, met omschrijving derde termijn en/of ongedateerd (document p. 58), en/of

g) een (bij dat onder f) genoemd declaratieformulier behorende) factuur gericht aan [slachtoffer], met factuurnummer [nummer] en/of gedateerd op 10 april 2012, voor dat/een bedrag van 28.000 euro (document p. 59),

valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst, immers heeft verdachte valselijk

- die werkgeversverklaring van een onjuist bruto jaarsalaris voorzien en/of die loonspecificatie van een onjuist uurloon en/of maandsalaris, althans van onjuiste financiële gegevens, voorzien, en/of

- dat koopcontract en/of dat/die declaratieformulier(en) en/of dat/die factuur/facturen geheel fictief of vals opgemaakt of doen/laten opmaken en/of van (een) valse handtekening(en) voorzien of doen/laten voorzien,

met het oogmerk om dat/die geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

EN/OF

hij (op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot 1 mei 2012, te [plaats] en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een of meer vals(e) of vervalst(e) geschrift(en) als ware(n) dat/die echt en onvervalst, te weten

a. a) een werkgeversverklaring, gedateerd 24 oktober 2011 (document p.48), en/of

b) een loonspecificatie van [slachtoffer], over de periode 10 (weken 35-40) en/of eindigend op 9 oktober 2011 (document p. 50), en/of

c) een koopcontract (met betrekking tot de woning [straatnaam] te [plaats]), gedateerd 20 september 2011 (document p. 74 e.v.), en/of

d) een declaratieformulier (ver)bouwdepot op naam van [slachtoffer] voor een totaalbedrag van 34.999 euro, met omschrijving tweede termijn en/of gedateerd 7 januari 2012 (document p. 56), en/of

e) een (bij dat onder d) genoemd declaratieformulier behorende) factuur gericht aan [slachtoffer], met factuurnummer [nummer] en/of gedateerd op 7 januari 2011, voor dat/een totaalbedrag van 34.999 euro (document p. 57), en/of

f) een declaratieformulier (ver)bouwdepot op naam van [slachtoffer] voor een totaalbedrag van 28.000 euro, met omschrijving derde termijn en/of ongedateerd (document p. 58), en/of

g) een (bij dat onder f) genoemd declaratieformulier behorende) factuur gericht aan [slachtoffer], met factuurnummer [nummer] en/of gedateerd op 10 april 2012, voor dat/een bedrag van 28.000 euro (document p. 59),

welk(e) geschrift(en) bestemd was/waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande die valsheid hierin dat

die werkgeversverklaring van een onjuist bruto jaarsalaris was voorzien en/of

die loonspecificatie van een onjuist uurloon en/of maandsalaris, althans van onjuiste financiële gegevens, was voorzien, en/of

dat koopcontract en/of dat/die declaratieformulier(en) en/of dat/die factuur/facturen geheel fictief of vals was/waren opgemaakt en/of van (een) valse handtekening(en) was/waren voorzien,

en

bestaande dat gebruikmaken hierin dat

verdachte dat/die geschrift(en) heeft doen toekomen aan ABN-AMRO Hypothekengroep B.V. (Florius), al dan niet via een medeverdachte en/of tussenpersoon, in verband met een hypotheek of financiering en/of bouwdepotuitbetaling(en).

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het opzettelijk vervalsen van de loonspecificatie en de werkgeversverklaring omdat het opzet bij verdachte ontbrak. Verdachtes verklaring daarover, dat hij [slachtoffer] een salarisverhoging wilde geven en daadwerkelijk betalen, dat hij het hogere salaris aan het SCAB heeft doorgegeven en dat hij de loonspecificatie en werkgeversverklaring niet heeft nagekeken, maar alleen maar naar het nettobedrag heeft gekeken, acht de raadsman geloofwaardig. Het is, aldus de raadsman, nooit de intentie van verdachte geweest om [slachtoffer] op te zadelen met een schuld. Ten aanzien van de overige onderdelen van de tenlastelegging heeft de raadsman geen verweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 juli 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 22 juli 2016 met bijlagen, opgenomen op pagina 37 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016209567 d.d. 9 november 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] en als bijlagen de daarin door hem genoemde schriftelijke stukken.

Over de ontkenning door verdachte van de vervalsing van de werkgeversverklaring en de loonspecificatie overweegt de rechtbank als volgt.

Als directeur van het bedrijf [bedrijf] heeft verdachte gegevens over het loon van [slachtoffer] gegeven aan het SCAB. Het SCAB heeft op basis van die gegevens een loonspecificatie opgesteld. Verdachte heeft de werkgeversverklaring opgesteld. De gegevens op de loonspecificatie en werkgeversverklaring blijken onjuist: er staan een onjuist uurloon en maandsalaris op. De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van verdachte, inhoudende dat de loonspecificatie pro forma zou kunnen zijn, ongeloofwaardig omdat verdachte het ook niet zeker weet, dit niet blijkt uit het document en verdachte bovendien niet aan de hypotheekverstrekker heeft gemeld (of doen melden) dat het een pro forma document zou zijn.

Dat verdachte de documenten opzettelijk vals heeft opgemaakt of laten opmaken volgt naar het oordeel van de rechtbank uit het navolgende. Het op de loonspecificatie en werkgeversverklaring vermelde salaris is nooit aan [slachtoffer] uitbetaald en [slachtoffer] heeft die loonspecificatie en werkgeversverklaring pas jaren nadat ze zijn opgemaakt, toen hij met zijn toenmalige advocaat met de hypotheekverstrekker/de bank in gesprek was, voor het eerst gezien. Gelet op de toenmalige slechte financiële positie van het bedrijf was de uit de loonspecificatie en werkgeversverklaring blijkende verhoging van het salaris buitenproportioneel. [slachtoffer] zou volgens de betreffende loonspecificatie bijna 700 euro per maand netto meer gaan verdienen en zijn bruto jaarsalaris zou ongeveer verdubbelen. Ook speelt een rol dat het in de valselijk opgemaakte documenten genoemde hogere loon voor de hypotheekverstrekker/bank een vereiste was om tot verstrekking van de aangevraagde lening over te gaan.

Verdachte heeft met [getuige], die als tussenpersoon en adviseur fungeerde, gesproken over de hoogte van het salaris dat nodig was om de aangevraagde lening verstrekt te krijgen.

Het voorgaande en de context van de overige door verdachte valselijk opgemaakte documenten, maakt dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte ook de loonspecificatie en de werkgeversverklaring opzettelijk vals heeft opgemaakt of heeft laten opmaken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 september 2011 tot 1 mei 2012, te [plaats], meermalen, geschriften die bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten

a. a) een werkgeversverklaring, gedateerd 24 oktober 2011 en

b) een loonspecificatie van [slachtoffer], over de periode 10 (weken 35-40) en eindigend op 9 oktober 2011 en

c) een koopcontract met betrekking tot de woning [straatnaam] te [plaats], gedateerd 20 september 2011, en

d) een declaratieformulier (ver)bouwdepot op naam van [slachtoffer] voor een totaalbedrag van 34.999 euro, met omschrijving tweede termijn en gedateerd 7 januari 2012 en

e) een bij dat onder d genoemd declaratieformulier behorende factuur gericht aan [slachtoffer], met factuurnummer [nummer] en gedateerd op 7 januari 2011, voor een totaalbedrag van 34.999 euro en

f) een declaratieformulier (ver)bouwdepot op naam van [slachtoffer] voor een totaalbedrag van 28.000 euro, met omschrijving derde termijn en ongedateerd en

g) een bij dat onder f genoemd declaratieformulier behorende factuur gericht aan [slachtoffer], met factuurnummer [nummer] en gedateerd op 10 april 2012, voor een bedrag van 28.000 euro,

valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte valselijk

- die werkgeversverklaring van een onjuist bruto jaarsalaris voorzien en die loonspecificatie van een onjuist uurloon en maandsalaris voorzien, en

- dat koopcontract en die declaratieformulieren en die facturen geheel fictief opgemaakt of laten opmaken en van valse handtekeningen voorzien,

met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken

EN

hij op verschillende tijdstippen in de periode van 1 september 2011 tot 1 mei 2012, te [plaats], meermalen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste

geschriften als waren die echt en onvervalst, te weten

a. a) een werkgeversverklaring, gedateerd 24 oktober 2011 en

b) een loonspecificatie van [slachtoffer], over de periode 10 (weken 35-40) en eindigend op 9 oktober 2011 en

c) een koopcontract met betrekking tot de woning [straatnaam] te [plaats], gedateerd 20 september 2011 en

d) een declaratieformulier (ver)bouwdepot op naam van [slachtoffer] voor een totaalbedrag van 34.999 euro, met omschrijving tweede termijn en gedateerd 7 januari 2012 en

e) een bij dat onder d genoemd declaratieformulier behorende factuur gericht aan [slachtoffer], met factuurnummer [nummer] en gedateerd op 7 januari 2011, voor een totaalbedrag van 34.999 euro en

f) een declaratieformulier (ver)bouwdepot op naam van [slachtoffer] voor een totaalbedrag van 28.000 euro, met omschrijving derde termijn en ongedateerd en

g) een bij dat onder f genoemd declaratieformulier behorende factuur gericht aan [slachtoffer], met factuurnummer [nummer] en gedateerd op 10 april 2012, voor een bedrag van 28.000 euro

welke geschriften bestemd waren om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande die valsheid hierin dat

die werkgeversverklaring van een onjuist bruto jaarsalaris was voorzien en

die loonspecificatie van een onjuist uurloon en maandsalaris was voorzien, en

dat koopcontract en die declaratieformulieren en die facturen geheel fictief waren opgemaakt en van valse handtekeningen waren voorzien,

en

bestaande dat gebruikmaken hierin dat

verdachte die geschriften heeft doen toekomen aan ABN-AMRO Hypothekengroep B.V. (Florius) in verband met een hypotheek of financiering en bouwdepotuitbetalingen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

De voortgezette handeling van:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

en

opzettelijk gebruik maken van het valse geschrift als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, meermalen gepleegd

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie bij zijn strafeis voldoende rekening heeft gehouden met de specifieke omstandigheden van deze zaak, namelijk dat het oude feiten betreft, verdachte een blanco strafblad heeft en hij tot zijn handelen is gekomen om zijn bedrijf te redden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich op verschillende momenten schuldig gemaakt aan het vervalsen van documenten. In het maatschappelijk verkeer moet men erop kunnen vertrouwen dat dergelijke stukken naar waarheid zijn opgemaakt en dat vertrouwen heeft verdachte meerdere keren ernstig geschonden. Een bank heeft op grond van valse documenten een lening verstrekt aan de aangever. Mede gelet op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud strafrecht (LOVS) en de hoogte van de hypotheek die op basis van de valse documenten is vertrekt, geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van de duur van enkele maanden. De rechtbank weegt bij het bepalen van de op te leggen straf in het bijzonder het volgende mee.

Verdachte is niet eerdere met justitie in aanraking geweest. Verdachte heeft persoonlijk geen financieel voordeel genoten door de vervalsingen, zijn doel was zijn noodlijdende bedrijf (ook voor het daar werkzame personeel) te redden. De rechtbank weegt ook mee dat de feiten in 2011 en 2012 hebben plaatsgevonden. Deze omstandigheden maken dat de rechtbank niet zal overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte heeft echter in het geheel geen oog gehad voor de enorme financiële gevolgen die zijn handelen voor de aangever had. Dit rekent de rechtbank verdachte te meer aan omdat hij tot twee maal toe met behulp van vervalste documenten geldbedragen heeft opgenomen en dus de gelegenheid heeft gehad zijn handelen bij te sturen. De rechtbank rekent verdachte ook aan dat hij er tijdens de zitting geen blijk van heeft gegeven dat hij de strafwaardigheid van zijn handelen volledig inziet en evenmin is het de rechtbank gebleken dat verdachte zijn verantwoordelijkheid richting de aangever heeft genomen.

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte de maximale werkstraf en een forse voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 330.964,14 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat hoewel de vordering voldoende is onderbouwd, nog het nodige onderzoek moet worden verricht naar het causale verband tussen de restschuld en de onderhavige feiten. Nu dit onderzoek een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat niet in redelijkheid vast te stellen is hoe hoog de schade is. Met de officier van justitie is de raadsman van oordeel dat gelet op de ingewikkeldheid van de vordering dit een onevenredige belasting van het strafproces is. De raadsman verzoekt daarom de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren.

Oordeel van de rechtbank

De wet biedt aan bepaalde slachtoffers die rechtstreeks schade lijden door een bewezenverklaard strafbaar feit op zichzelf een qua hoogte van het bedrag onbegrensde mogelijkheid binnen het strafproces een vordering tot schadevergoeding in te dienen. De voegingsprocedure binnen het strafrecht kent echter niet dezelfde waarborgen als een civiele procedure. In verband hiermee is de benadeelde partij niet steeds ontvankelijk in haar vordering binnen het strafproces indien aan alle formele voegingscriteria van artikel 361 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering laat de mogelijkheid open dat de rechter de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk verklaart op de grond dat de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Deze bepaling moet in het licht van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden zo worden uitgelegd dat de strafrechter verplicht is erop toe te zien dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren (HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654). De rechtbank overweegt in dit verband dat de strafrechter, door te beslissen op de civiele vordering van de benadeelde partij, een vaststelling doet over de burgerlijke rechten en verplichtingen van de benadeelde partij en de verdachte, waarop het ‘fair trial’-beginsel uit genoemde verdragsbepaling van toepassing is.

Hoewel er sprake is van een onderbouwing van de vordering, beschikt de rechtbank naar haar oordeel over onvoldoende informatie om daarover een beslissing te kunnen nemen. Daarbij speelt een rol dat de verdediging de vordering heeft weersproken en dat er geen partijdebat heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank dient een gedegen partijdebat, ten overstaan van de civiele rechter, te kunnen worden gevoerd.

Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade nader te laten onderbouwen en het voeren van een partijdebat, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 56, 57 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Dijkstra, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door D. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juli 2018.

Mrs. Dijkstra en Vlietstra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.