Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3747

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
18/730577-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 26 juli 2018 een verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren. Verder dient verdachte een taakstraf voor de duur van 100 uren te verrichten. De vordering van de benadeelde partij is niet ontvankelijk verklaard.

Verdachte had zich samen met haar partner schuldig gemaakt aan het vervalsen van een koopovereenkomst betreffende het huis van aangever en zijn partner. In het maatschappelijk verkeer moet men erop kunnen vertrouwen dat een dergelijk document naar waarheid is opgemaakt en dat vertrouwen heeft verdachte ernstig geschonden. Een bank heeft mede op grond van de vervalste koopovereenkomst een lening verstrekt aan de aangever.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 225
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730577-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 26 juli 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1972 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 12 juli 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.P. Snorn, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

zij op of omstreeks 20 september 2011, althans in september 2011, in elk geval in 2011, te [plaats] en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een koopcontract (met betrekking tot de woning [straatnaam] te [plaats] ) valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst,

immers heeft verdachte tezamen in vereniging met een ander, althans alleen,

dat koopcontract geheel fictief of vals opgemaakt of doen/laten opmaken en/of van (een) valse handtekening(en) van de (zogenaamde) verkopers (van die woning) voorzien of doen/laten voorzien, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Subsidiair

zij in of omstreeks de periode van 1 september 2011 tot en met 29 november 2011, in elk geval in 2011, te [plaats] en/of elders in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst geschrift als ware dat echt en onvervalst dan wel opzettelijk zodanig geschrift heeft afgeleverd of voorhanden heeft gehad, terwijl verdachte wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dit geschrift bestemd was voor zodanig gebruik,

te weten een koopcontract (met betrekking tot de woning [straatnaam] te [plaats] ), welk geschrift bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen,

bestaande die valsheid hierin dat dat koopcontract geheel fictief of vals was opgemaakt en/of van een of meer valse handtekening(en) van de (zogenaamde) verkopers (van die woning) was voorzien,

en

bestaande dat gebruikmaken hierin dat verdachte dat koopcontract, al dan niet via een medeverdachte en/of tussenpersoon, aan ABN-AMRO Hypothekengroep B.V. (Florius) heeft doen toekomen, in verband met het verkrijgen van een financiering, dan wel dat verdachte dat geschrift aan/bij een derde(n) heeft afgeleverd; (document dossierpagina 74 e.v.).

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het primair ten laste gelegde gevorderd.

Standpunt van de verdediging

Met de officier van justitie is de raadsman van oordeel dat het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen verklaard kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna primair bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 12 juli 2018;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 22 juli 2016 met bijlagen, opgenomen op pagina 37 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2016209567 d.d. 9 november 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] en als bijlagen de daarin door hem genoemde schriftelijke stukken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

primair

zij in september 2011, te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander,

een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten een koopcontract (met betrekking tot de woning [straatnaam] te [plaats] ) valselijk heeft opgemaakt,

immers heeft verdachte tezamen in vereniging met een ander

dat koopcontract geheel fictief opgemaakt en van valse handtekeningen van de zogenaamde verkopers van die woning voorzien, met het oogmerk om het als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van valsheid in geschrift.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie bij zijn strafeis voldoende rekening heeft gehouden met de specifieke omstandigheden van deze zaak, namelijk dat het oude feiten betreft, verdachte een blanco strafblad heeft en zij tot haar handelen is gekomen om het bedrijf te redden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met haar partner schuldig gemaakt aan het vervalsen van een koopovereenkomst betreffende het huis van aangever en zijn partner. In het maatschappelijk verkeer moet men erop kunnen vertrouwen dat een dergelijk document naar waarheid is opgemaakt en dat vertrouwen heeft verdachte ernstig geschonden. Een bank heeft mede op grond van de vervalste koopovereenkomst een lening verstrekt aan de aangever. Uitgangspunt bij het bewezenverklaarde strafbare feit is een gevangenisstraf. De rechtbank weegt bij het bepalen van de op te leggen straf in het bijzonder het volgende mee.

Verdachte is niet eerdere met justitie in aanraking geweest. Verdachte heeft persoonlijk geen financieel voordeel genoten door de vervalsingen, haar doel was het noodlijdende bedrijf van haar echtgenoot (ook voor het daar werkzame personeel) te redden. De rechtbank weegt ook mee dat het feit in 2011 heeft plaatsgevonden. Deze omstandigheden maken dat de rechtbank niet zal overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Verdachte heeft bij het valselijk opmaken van de koopovereenkomst haar kennis en kunde vanuit haar toenmalige werk bij een notariskantoor misbruikt. Verdachte heeft bovendien in het geheel geen oog gehad voor de enorme financiële gevolgen die haar handelen voor de aangever had. Ook tijdens de zitting heeft verdachte er geen blijk van gegeven dat zij de strafwaardigheid van haar handelen volledig inziet en evenmin is het de rechtbank gebleken dat verdachte haar verantwoordelijkheid richting de aangever heeft genomen.

Alles overwegende zal de rechtbank verdachte een werkstraf opleggen en een voorwaardelijke gevangenisstraf.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 330.964,14 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangegeven dat hoewel de vordering voldoende is onderbouwd, nog het nodige onderzoek moet worden verricht naar het causale verband tussen de restschuld en de onderhavige feiten. Nu dit een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert, dient de benadeelde partij niet ontvankelijk te worden verklaard.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat niet in redelijkheid vast te stellen is hoe hoog de schade is. Met de officier van justitie is de raadsman van oordeel dat gelet op de ingewikkeldheid van de vordering dit een onevenredige belasting van het strafproces is. De raadsman verzoekt daarom de vordering van de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren.

Oordeel van de rechtbank

De wet biedt aan bepaalde slachtoffers die rechtstreeks schade lijden door een bewezenverklaard strafbaar feit op zichzelf een qua hoogte van het bedrag onbegrensde mogelijkheid binnen het strafproces een vordering tot schadevergoeding in te dienen. De voegingsprocedure binnen het strafrecht kent echter niet dezelfde waarborgen als een civiele procedure. In verband hiermee is de benadeelde partij niet steeds ontvankelijk in haar vordering binnen het strafproces indien aan alle formele voegingscriteria van artikel 361 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering is voldaan. Artikel 361 lid 3 van het Wetboek van Strafvordering laat de mogelijkheid open dat de rechter de benadeelde partij daarin niet-ontvankelijk verklaart op de grond dat de behandeling ervan een onevenredige belasting van het strafproces oplevert. Deze bepaling moet in het licht van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden zo worden uitgelegd dat de strafrechter verplicht is erop toe te zien dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren (HR 15 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV2654). De rechtbank overweegt in dit verband dat de strafrechter, door te beslissen op de civiele vordering van de benadeelde partij, een vaststelling doet over de burgerlijke rechten en verplichtingen van de benadeelde partij en de verdachte, waarop het ‘fair trial’-beginsel uit genoemde verdragsbepaling van toepassing is.

Hoewel er sprake is van een onderbouwing van de vordering, beschikt de rechtbank naar haar oordeel over onvoldoende informatie om daarover een beslissing te kunnen nemen. Daarbij speelt een rol dat de verdediging de vordering heeft weersproken en dat er geen partijdebat heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank dient een gedegen partijdebat, ten overstaan van de civiele rechter, te kunnen worden gevoerd.

Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade nader te laten onderbouwen en het voeren van een partijdebat, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

een taakstraf voor de duur van 100 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 50 dagen zal worden toegepast.

Bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Dijkstra, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. N.A. Vlietstra, rechters, bijgestaan door D. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 juli 2018.

Mrs. Dijkstra en Vlietstra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.