Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3744

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
18/720212-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft gedurende een periode van negen maanden amfetamine (speed) verkocht en afgeleverd. Verdachte is geen grootschalige en/of professionele dealer. Daarnaast had verdachte samen met zijn vriendin bijna een halve kilo amfetamine (speed) voorhanden.

Verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het telen van hennep. Dit betrof 20 hennepplanten, waarvan nog niet eerder was geoogst.

De rechtbank heeft met name gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS en het reclasseringsadvies. Verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden (meldplicht, ambulante behandeling, drug- en alcoholverbod met middelencontrole, meewerken aan een traject voor dagbesteding, financiën en woonbegeleiding). Een kortdurende klinische opname is niet als bijzondere voorwaarde gelast omdat deze vrijheidsbeneming enkel door de rechter opgelegd kan worden en niet gedelegeerd kan worden aan een reclasseringsinstelling.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 63
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/720212-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 september 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1990 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd in de P.I. Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. T. Bruinsma, advocaat te Lemmer. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J.L. van den Broek.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met 11 juni 2018 te Drachten, in de gemeente Smallingerland en/of elders in het arrondissement Noord-Nederland, meermalen, althans eenmaal, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd,

(telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.

hij op of omstreeks 11 juni 2018, te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning, gelegen aan of bij de [straatnaam], aldaar, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (in totaal) 20 hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

3.

hij op of omstreeks 11 juni 2018 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in totaal) ongeveer 478,49 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Feit 1.

De officier van justitie acht het onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, gelet op de verklaringen van de afnemers [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] en de bekennende verklaring van verdachte. Gelet op deze verklaringen blijkt dat verdachte handelde vanaf 1 oktober 2017, waardoor vrijspraak dient te volgen voor de periode van 1 januari 2017 tot 1 oktober 2017.

Feit 2 en 3.

De officier van justitie acht de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, gelet op het aantreffen bij verdachte van de ten laste gelegde verdovende middelen en de bekennende verklaring van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

Feit 1.

De raadsman heeft zich ten aanzien van een eventuele bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de periode vóór oktober 2017. Het merendeel van de getuigen heeft immers verklaard over handel in drugs vanaf oktober 2017 overeenkomstig de bekennende verklaring van verdachte. De verklaring van verdachte is betrouwbaar, omdat hij de aanvang van de periode kan relateren aan een voor hem ingrijpende gebeurtenis.

Feit 2 en 3.

De raadsman heeft zich ten aanzien van een eventuele bewezenverklaring van de onder 2 en 3 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank 1

Algemeen.

Op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, volstaat de rechtbank telkens met een opgave van de bewijsmiddelen, nu de verdachte de bewezen verklaarde feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Feit 1.

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit – behoudens voor wat de pleegperiode betreft, waarover hieronder meer – wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op de verklaringen van [getuige 1]2, [getuige 2]3, [getuige 3]4, het proces-verbaal van bevindingen5 en de bekennende verklaring van verdachte6 blijkt genoegzaam dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze zoals hierna vermeld onder het kopje ‘bewezenverklaring’.

Gelet op voornoemde getuigenverklaringen en de verklaring van verdachte acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan gedurende de periode vanaf 1 oktober 2017. De rechtbank zal verdachte derhalve vrijspreken van het ten laste gelegde gepleegd in de periode vóór oktober 2017.

Feit 2.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Uit de kennisgeving van inbeslagneming7, het proces-verbaal van bevindingen8 en de bekennende verklaring van verdachte9 blijkt genoegzaam dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze zoals hierna vermeld onder het kopje ‘bewezenverklaring’.

Feit 3.

De rechtbank acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

Uit de kennisgeving van inbeslagneming10, het proces-verbaal verdovende middelen11, het proces-verbaal NFiDENT12, het rapport Identificatie van veelvoorkomende drugs13, het NFI-rapport14, de verklaring van [getuige 4]15 en de bekennende verklaring van verdachte16 blijkt genoegzaam dat verdachte het onder 3 ten laste gelegde feit heeft begaan op de wijze zoals hierna vermeld onder het kopje ‘bewezenverklaring’.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 1 oktober 2017 tot en met 11 juni 2018 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, meermalen opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd, telkens een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine (speed), zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

2.

hij op 11 juni 2018, te Drachten, in de gemeente Smallingerland, in een woning, gelegen aan de [straatnaam], aldaar, opzettelijk heeft geteeld 20 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de Opiumwet behorende lijst II.

3.

hij op 11 juni 2018 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad 478,49 gram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

3. Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan een gedeelte van 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar met de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op het uittreksel justitiële documentatie en de persoonlijke omstandigheden zoals die uit het reclasseringsrapport blijken, bepleit een gevangenisstraf op te leggen van maximaal 12 maanden waarvan een gedeelte van 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar en de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

Verdachte heeft gedurende een periode van negen maanden amfetamine (speed) verkocht en afgeleverd. Daarnaast had verdachte samen met zijn vriendin bijna een halve kilo amfetamine (speed) voorhanden.

De rechtbank is van oordeel dat het handelen in harddrugs een ernstig feit is. Harddrugs zijn schadelijk voor de gezondheid en sterk verslavend. Daarnaast ontstaat door de handel in harddrugs schade en overlast voor de samenleving. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat verslaafden aan harddrugs, om in hun dagelijkse behoefte te voorzien, vaak vermogensdelicten plegen. Voorts brengt de handel in harddrugs het ontstaan van een zwartgeldcircuit mee en draagt het bij aan het in stand houden daarvan met alle voor de economie schadelijke gevolgen van dien. Dit alles is de reden dat op handel in harddrugs zware straffen zijn gesteld. De rechtbank heeft evenwel niet de indruk gekregen dat verdachte een grootschalige en professionele dealer was.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het telen van hennep, waardoor hij de maatschappij schade heeft berokkend. Het is immers ook een feit van algemene bekendheid dat softdrugs schadelijk zijn voor de volksgezondheid en dat de teelt van en de handel in hennep criminaliteit en overlast met zich brengen.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 8 augustus 2018, eerder is veroordeeld wegens soortgelijke feiten. Verdachte is op 11 juni 2018, te weten dezelfde dag als de aanhouding wegens de thans bewezen verklaarde feiten, veroordeeld door de politierechter ter zake het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs. De rechtbank zal derhalve tevens rekening houden met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank houdt als aanknopingspunt voor de op te leggen straf voor deze feiten rekening met de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS). Het LOVS heeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting (voor een first offender) een gevangenisstraf van 12 maanden vastgesteld voor het verkopen en afleveren van gebruikershoeveelheden harddrugs vanuit een pand of op straat met enige regelmaat gedurende zes tot twaalf maanden.

Het LOVS heeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting een gevangenisstraf van 2 maanden vastgesteld voor het aanwezig hebben van tussen de 200 en 500 gram harddrugs.

Het LOVS heeft als oriëntatiepunt voor straftoemeting een geldboete van € 1.000,00 vastgesteld voor het kweken van tussen de vijftig en honderd hennepplanten. Het aantal planten dat verdachte heeft geteeld ligt aanzienlijk lager dan de ondergrens van deze bandbreedte.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend reclasseringsadvies van 5 september 2018, opgesteld door [medewerker] , reclasseringswerker van Verslavingszorg Noord Nederland (verder: VNN). Hieruit blijkt onder meer dat verdachte vanwege financiële problemen het ten laste gelegde heeft begaan. De in de periode van 2005 tot en met 2011 gepleegde delicten zijn gerelateerd aan middelengebruik. Verdachte is onder andere klinisch opgenomen geweest in jeugdklinieken en heeft reclasseringstoezicht gehad. Na zeven jaar vervalt verdachte, vanwege een relatiebreuk, opnieuw in drugsgebruik en weet hij niet op adequate wijze om te gaan met zijn emoties.

Verdachte is gemotiveerd om opnieuw abstinent te blijven van harddrugs en staat open voor hulpverlening. Het recidiverisico is ingeschat als gemiddeld. Geadviseerd is de oplegging van een deels voorwaardelijk straf met als bijzondere voorwaarden:

- een meldplicht bij de reclassering;

- een ambulante behandeling (met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname);

- een drugs- en alcoholverbod met het meewerken aan middelencontrole;

- het meewerken aan een traject gericht op dagbesteding, financiën en woonbegeleiding.

Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 12 maanden noodzakelijk, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening miskend zou worden. Daarbij is ook gelet op de oriëntatiepunten van het LOVS en de (vermoedelijk beperkte) intensiteit waarmee harddrugs zijn verkocht.

De rechtbank zal van deze gevangenisstraf een deel, te weten 6 maanden, voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden in de toekomst wederom strafbare feiten te plegen en oplegging van de geadviseerde bijzondere voorwaarden mogelijk te maken met uitzondering van de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname. Een kortdurende klinische opname geldt immers als vrijheidsbenemende straf waarvan de oplegging aan de rechter is voorbehouden. Deze bevoegdheid kan, blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, niet gedelegeerd worden aan een reclasseringsinstelling.

Inbeslaggenomen goederen

Het standpunt van de officier van justitie

De geldbedragen.

De officier van justitie heeft de verbeurdverklaring gevorderd van de in beslag genomen geldbedragen van € 1.535,00 en € 1.290,00, aangezien dit geld door middel van de handel in verdovende middelen is verkregen.

De telefoon (merk Samsung).

De officier van justitie heeft de onttrekking aan het verkeer gevorderd van de in beslag genomen mobiele telefoon (merk Samsung), aangezien dit voorwerp geschikt is om het bewezen verklaarde te plegen. Het ongecontroleerde bezit is in strijd met het algemeen belang, omdat verdachte handelt in verdovende middelen.

Het standpunt van de verdediging

De geldbedragen.

De raadsman heeft bepleit een gedeelte van het in beslag genomen geld, te weten € 1.000,00, aan verdachte terug te geven, aangezien verdachte stelt dat dit niet afkomstig is van de handel in verdovende middelen. Voor het resterende geldbedrag heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De telefoon (merk Samsung).

De raadsman heeft de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen mobiele telefoon van het merk Samsung bepleit, aangezien deze niet is gebruikt om enig strafbaar feit te plegen.

Het oordeel van de rechtbank

De geldbedragen.

De rechtbank acht de in beslag genomen voorwerpen, te weten de geldbedragen van

€ 1.535,00 en € 1.290,00, vatbaar voor verbeurdverklaring nu deze toebehoren aan verdachte en hij dat geld door middel van het onder 1 bewezen verklaarde strafbare feit heeft verkregen. De enkele stelling van verdachte dat een gedeelte van € 1.000,00 niet afkomstig is van enig strafbaar feit acht de rechtbank onaannemelijk en onvoldoende onderbouwd. Uit het dossier blijkt immers dat verdachte geen legaal inkomen had. Daarbij komt dat verdachte heeft verklaard dat hij verdovende middelen verkocht, omdat hij geld nodig had voor zijn eigen middelengebruik.

De telefoon (merk Samsung).

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen voorwerp, te weten een mobiele telefoon (merk Samsung), moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet. Niet blijkt dat deze mobiele telefoon is gebruikt om enig strafbaar feit te plegen. Evenmin blijkt dat het ongecontroleerde bezit van een mobiele telefoon in strijd is met het algemeen belang. De enkele bewezenverklaring wegens enig strafbaar feit maakt dit niet anders.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 3 jaar, de hierna te noemen algemene en/of bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als algemene voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. dat de veroordeelde ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. dat de veroordeelde medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen na onherroepelijk worden van het vonnis meldt bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland, Oostergoweg 6, te Leeuwarden, zolang en zo frequent als de reclassering noodzakelijk acht.

2. dat de veroordeelde zich, gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig acht, laat behandelen door de Forensische Polikliniek van VNN of een soortgelijke zorginstelling, nader te bepalen door de reclassering, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener/zorginstelling geeft.

3. dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal onthouden van het gebruik van alcohol en drugs en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan ademonderzoek (blaastest) en/of bloedonderzoek en/of urineonderzoek.

4. dat de veroordeelde meewerkt aan het realiseren en behouden van dagbesteding en/of werk in overleg met de reclassering en de behandelaar, waarbij de veroordeelde meewerkt aan het aanvragen van een uitkering en/of andere legale inkomstenbron en inzicht geeft in zijn financiële administratie.

5. dat de veroordeelde meewerkt aan het realiseren en behouden van woonbegeleiding/thuisondersteuning.

Draagt de reclassering op toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen goederen, te weten geldbedragen van € 1.535,00 en € 1.290,00.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven mobiele telefoon, merk Samsung.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. Th.A. Wiersma en mr. G.W.G. Wijnands, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 september 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL0100-2018147953, doorgenummerd 1 tot en met 132.

2 Pagina’s 96 en 97.

3 Pagina’s 106 en 107.

4 Pagina’s 111 tot en met 113.

5 Pagina 41.

6 Pagina’s 128 tot en met 130 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 september 2018.

7 Pagina 12.

8 Pagina 44.

9 Pagina 125 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 september 2018.

10 Pagina 6.

11 Pagina 60

12 Pagina’s 63 en 65

13 Pagina 67.

14 Pagina 65 en verder.

15 Pagina 119.

16 Pagina 125 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 6 september 2018.