Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2018:3741

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
20-09-2018
Zaaknummer
18/114601-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft op 20 september 2018 een 58-jarige man uit Groningen wegens aanranding veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, waarvan de helft voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De rechtbank acht bewezen dat de man, een massage-therapeut, de borst van een vrouwelijke klant heeft betast tijdens een massage. Vanwege gebrek aan wettig bewijs sprak de rechtbank de man vrij van de aanranding van een andere vrouwelijke klant.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 246
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/114601-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 september 2018 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2018.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Foppen, advocaat te Harderwijk.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 9 juni 2017, althans in of omstreeks de maand juni 2017, te Groningen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, onverhoeds de tepel van die [slachtoffer 1] betast;

2.

hij op of omstreeks 12 juni 2017 te Groningen, door geweld of een andere feitelijkheid en/of
bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het plegen
en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, onverhoeds de borst(en) van die [slachtoffer 2] gemasseerd en/of betast (terwijl die [slachtoffer 2] op een eerder moment had aangegeven dat zij dit niet wilde).

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter terechtzitting veroordeling gevorderd voor het onder 1. en 2. ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aangiftes van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1]) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2]) betrouwbaar zijn en onvoldoende door de verklaring van verdachte worden ontkracht. Het tijdens een massage onaangekondigd en zonder toestemming aanraken van de borst(en) van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] kan als 'onverhoeds' worden gekwalificeerd en levert aanranding op.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de aangiften onbetrouwbaar zijn, verdachte de feiten ontkent en dat voor beide feiten onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is. [slachtoffer 1] heeft pas op 7 juli 2017 bij de politie gemeld dat zij onzedelijk zou zijn betast door verdachte, terwijl het voorval bijna een maand eerder zou hebben plaatsgevonden. De dochter van [slachtoffer 1], [getuige 1] (hierna: [getuige 1]), was aanwezig bij de massage van [slachtoffer 1] en had volgens [slachtoffer 1] haar gezicht afgewend toen verdachte de borst van [slachtoffer 1] zou hebben betast, zodat zij niets gezien kan hebben. [getuige 1] heeft op 21 november 2017 pas een verklaring afgelegd, waarin zij aangeeft dat zij wel heeft gezien dat verdachte de borst van [slachtoffer 1] betastte. Deze verklaringen zijn tegenstrijdig en kunnen geen wettig en overtuigend bewijs opleveren. Door genoemd tijdsverloop kunnen de aangifte en deze getuigenverklaring op elkaar zijn afgestemd. De verklaring van [slachtoffer 2] vindt onvoldoende steun in andere bewijsmiddelen. De aangifte is pas drie weken na het vermeende voorval gedaan. De verklaring van haar vriend, [getuige 2] (hierna: [getuige 2]), is pas op 20 november 2017 afgelegd en kan door [slachtoffer 2] zijn beïnvloed. Het betreft bovendien een de auditu verklaring met beperkte bewijswaarde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het onder 2. ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal daarom hiervan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende.

[slachtoffer 2] heeft - kort gezegd - verklaard dat zij op 12 juni 2017 een massage van verdachte in diens praktijk heeft gehad en dat verdachte daarbij ongevraagd haar borsten heeft gemasseerd, terwijl zij bij (een) eerdere massage(s) aan verdachte (en aan zijn collega) had aangegeven dit niet te willen. Verdachte heeft zowel tijdens zijn verhoor bij de politie als ter terechtzitting ontkend dat hij tijdens de massage de borst van [slachtoffer 2] heeft betast. Bij de betreffende massage van [slachtoffer 2] waren geen andere personen aanwezig.

De vriend van [slachtoffer 2], [getuige 2], heeft verklaard dat [slachtoffer 2] hem na de massage bij thuiskomst heeft verteld wat er was gebeurd en dat hij denkt dat [slachtoffer 2] hem op zijn werk heeft gebeld om erover te vertellen.

Volgens het tweede lid van art. 342 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) - dat de tenlastelegging in haar geheel betreft en niet een onderdeel daarvan - kan het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring van één getuige. Deze bepaling strekt ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing, in die zin dat zij de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen in het geval de door één getuige gereleveerde feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.

De vraag of aan het bewijsminimum van art. 342, tweede lid, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.1

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer 2] het enige rechtstreekse bewijsmiddel voor het ten laste gelegde vormt. De verklaring van [getuige 2] - die zelf niet bij de massage aanwezig was - is afkomstig uit dezelfde bron, namelijk [slachtoffer 2], en biedt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende steun voor de door [slachtoffer 2] geschetste feiten en omstandigheden.

De rechtbank is derhalve met de raadsvrouw van oordeel dat er onvoldoende wettig bewijs voor het onder 2. ten laste gelegde is en zal verdachte daarom vrijspreken van dit feit.

Met betrekking tot de onder 1. ten laste gelegde aanranding van [slachtoffer 1] is de rechtbank van oordeel dat wel wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich hieraan schuldig heeft gemaakt. Ten aanzien daarvan overweegt de rechtbank als volgt.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 1] tegenstrijdig zijn en dat de verklaring van [getuige 1] onbetrouwbaar is. De rechtbank deelt dit standpunt niet. Dat [getuige 1] aanvankelijk tegen [slachtoffer 1] had gezegd dat zij niets had gezien, maakt nog niet dat aan haar latere verklaring geen waarde kan worden gehecht. [getuige 1] heeft verklaard dat zij het gênant vond wat er gebeurde en dat zij daarom aanvankelijk niets heeft gezegd en wilde doen alsof zij niets gezien had, hetgeen de rechtbank onder de gegeven omstandigheden voorstelbaar acht. Het feit dat de verklaring van [getuige 1] pas enkele maanden na het voorval is afgelegd, maakt naar het oordeel van de rechtbank evenmin dat de inhoud van die verklaring (zonder meer) onbetrouwbaar is. Niet gebleken is van omstandigheden die afbreuk doen aan de betrouwbaarheid van deze verklaring. Ditzelfde geldt voor het feit dat [slachtoffer 1] bijna een maand na het voorval pas melding van het feit heeft gemaakt. De rechtbank acht de verklaringen van [slachtoffer 1] en [getuige 1] betrouwbaar en zal deze bezigen tot het bewijs.

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 6 september 2018 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik heb [slachtoffer 1] gemasseerd in het bijzijn van haar dochter. Het kan kloppen dat ik tijdens de massage van [slachtoffer 1] heb aangegeven dat ik de borst niet mocht aanraken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 september 2017, opgenomen op pagina 77 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2017177877 en 2017174472 d.d. 5 februari 2018, inhoudende als verklaring van [slachtoffer 1]:

Op 9 juni 2017 hebben mijn dochter en ik een massage gehad van [verdachte] in Groningen. Ik had alleen mijn onderbroek aan. Toen ik op mijn rug lag en hij bezig was mij te masseren zei hij zo maar ineens dat er dingen zijn die hij niet mag doen. Hij zei "zoals dit". Hij streek een paar keer met zijn vingers over mijn tepel. Links. Hij deed het met zijn rechterhand. Met zijn wijsvinger streek hij meerdere keren over mijn tepel.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 21 november 2017, opgenomen op pagina 82 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

Mijn moeder moest zich omdraaien. Ik was naar hen aan het kijken. Hij zei toen van "dit mag ik dus niet doen". Toen hij dat zei, streek hij met zijn hand over mijn moeder haar tepel. Hij gaf zelf aan dat hij dat niet mocht doen. Ik vond het zo gênant dat ik niet meer keek. Ik wilde doen alsof ik het niet gezien had.
Mijn moeder lag op haar rug, op een massagetafel, met de armen langs zich, met de borsten bloot, de masseur stond bij haar hoofd net iets aan de rechterkant. Ik kon ze beide zien. Hij was aan het praten en toen streek hij met zijn hand over mijn moeders linker tepel. Hij maakte een aaiende beweging.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1. ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 9 juni 2017 te Groningen door een feitelijkheid [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het dulden van een ontuchtige handeling, immers heeft hij, verdachte, onverhoeds de tepel van die [slachtoffer 1] betast.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1. en 2. ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren waarvan 40 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit en heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafmaat.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de over hem opgemaakte rapport van Reclassering Nederland d.d. 14 augustus 2018, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 7 augustus 2018, alsmede de vordering van de officier van justitie.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aanranding. Hij heeft in de hoedanigheid van massage-therapeut gedurende een behandeling zonder uitdrukkelijke toestemming daartoe de tepel van een vrouw betast. Het slachtoffer lag - zonder bh - op haar rug op de massagetafel en bevond zich daarmee in een uiterst kwetsbare positie. Een dergelijke handeling behoefde zij niet te verwachten. Zij kon niets doen om het handelen van verdachte te voorkomen.

Door aldus te handelen heeft verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van zijn slachtoffer.

Daarnaast heeft verdachte misbruik gemaakt van zijn positie als massage-therapeut en van het vertrouwen dat het slachtoffer in hem - als professional - had.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Uit het reclasseringsrapport blijkt dat de huisvesting en onderneming van verdachte de enige delictgerelateerde risicofactoren vormen, aangezien de aanranding plaatsvond in de massagepraktijk die in de woning van verdachte is gevestigd. Desalniettemin wordt het recidiverisico ingeschat als laag.

Alles overwegend acht de rechtbank oplegging van een taakstraf passend en geboden.

De hoogte van de op te leggen taakstraf valt lager uit dan de eis van de officier van justitie omdat deze is gebaseerd op twee bewezenverklaarde feiten en de rechtbank één feit bewezen heeft verklaard. De rechtbank zal een deel van de taakstraf voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden bij de uitvoering van zijn werkzaamheden als massage-therapeut wederom ontuchtige handelingen te plegen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 246 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2. is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een taakstraf, voor de duur van 80 uren.

Bepaalt dat van deze taakstraf een gedeelte, groot 40 uren, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde het onvoorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast.

Beveelt voorts dat, indien het mocht komen tot de tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde deel van de taakstraf, vervangende hechtenis voor de duur van 20 dagen zal worden toegepast, indien de veroordeelde dat deel van de taakstraf niet naar behoren verricht.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Haisma, voorzitter, mr. P.H.M. Tapper-Wessels en

mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 september 2018.

Mrs. Krijger en Van der Woude zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 HR 13 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2452.